vrijdag 4 februari 2011

GIANNI

Van de week is Gianni van de trap gevallen. Gianni is mijn Italiaanse onderbuurman. We vonden hem op de overloop van de eerste verdieping. Hij lag er raar gedraaid bij. Zijn gezicht was gelig. Hij bloedde uit een oor. Ik boog me naar hem over en vroeg wat er gebeurd was. Hij mompelde wat. ‘Waar heeft u pijn, in uw hoofd?’ Hij knikte vaag. Een hand kwam zoekend omhoog en probeerde iets aan te wijzen, aarzelde en viel terug. ‘Sta tranquillo,’ zei ik, ‘blijf rustig liggen. Er komt zo een dokter.’ 
Martijn belde 112. Na wat een minutenlang diepte-interview leek besloten ze niet één, maar twee ambulances te sturen. Even later hoorden we al het gillen van een politiewagen. Een koppel agenten bekeek de situatie. Wij konden hen ook niets wijzer maken. 
De ambulancemensen stormden de trap op. Over Gianni's hoofd heen werden grappen gemaakt. Er werd in zijn gezicht geschreeuwd: ‘Erbij blijven meneer!’ Zijn kleren werden met een stanleymes opengeritst, er werd een spuit in zijn arm gejenst. Daarna was er een hoop gehannes om Gianni op een plastic draagbaar te krijgen. Hij werd vastgesnoerd. Toen ze zijn benen recht trokken loeide hij. ‘Aiai!’ Buiten had de brandweer een ladder opgetrokken. Hij moest horizontaal vanaf zijn balkon het huis uit worden getakeld. ‘Een, twee!’, en daar ging hij. Een broeder raapte haastig alle stukken textiel, papiertjes en lege hulzen op. Daarna was het stil in het trappenhuis. Een veeg bloed gaf aan waar Gianni had gelegen. 

Dit ongeluk stelt me voor een dilemma. Gianni is een zeurkous, een oud wijf, die ons het leven de laatste tijd behoorlijk zuur heeft gemaakt. Om de haverklap kwam hij naar boven om te klagen. Waarover precies doet er hier niet toe, maar neemt u van mij aan dat we begonnen te geloven dat die ouwe eenzelvige Italiaan behoorlijk geschift aan het worden was. Een paar ergernisjes maalden razend rond door zijn kop en namen krankzinnige proporties aan. Het bizarre toeval wil dat we herhaaldelijk grappen hebben gemaakt over een door ons (‘één klein zetje...’) veroorzaakte val met fatale afloop. En nu ligt hij in het ziekenhuis met een gebroken heup en een inwendige bloeding. De vraag is of hij er nog ooit uitkomt. En zo ja, hoe. Die man heeft niemand en ik heb met hem te doen. Ik heb gebeld met de afdeling waar hij ligt en zal hem waarschijnlijk wel gaan bezoeken zodra hij aanspreekbaar is. Wij hebben onze kwelgeest gered en gaan nu ook nog aan liefdadigheid doen. 

 En er is nog iets anders dat me dwars zit. Ik geloofde onbewust dat misdaad niet ongestraft kan blijven, dat het perfecte misdrijf niet bestaat. Misschien lees ik te veel Maigrets: daarin komt alles altijd uit. Ook in de krant lees je alleen maar over misdrijven die aan het licht zijn gekomen, nooit over misdrijven die onontdekt zijn gebleven. Uiteraard! 
Die man is alleen. Er was niemand in het trappenhuis. We hadden hem echt een duwtje kunnen geven. Wie had het gemerkt? De politie heeft niets gevraagd. We zouden er dus nog mee weg zijn gekomen ook. Bij Flikken Maastricht hadden ze er wel raad mee geweten.

Geen opmerkingen: