vrijdag 8 maart 2024

CONSULT


De huisarts wilde me weer eens zien. Ze zag dat ik nog steeds oxazepam kreeg voorgeschreven. Daar moesten we het eens over hebben.
Ik bereidde argumenten voor om het milde gebruik van benzo's te rechtvaardigen, want ik ben erg gesteld op mijn chemische achtervang, als het leven spanning en ongemak in petto heeft.
De assistente regelde een afspraak. Ik ben een ochtendmens, zei ik stoer door de telefoon, dus prima, half negen.

Na een snelle douche, een kop koffie en een stukje cake ging ik de straat op. Het was helderblauw weer maar venijnig koud. Ik voelde mijn longen en mijn ogen prikken. De griep was bijna over. Bijna.
Ik ging de praktijk binnen en meldde me bij de receptie. Ik hoefde maar even te wachten, dat is het voordeel van een matineus consult. De dokter (doortastend, vriendelijk, lang blond haar, fris-blauwe ogen) schudde joviaal mijn hand en keek me nieuwsgierig aan.
Hoe of het ging? Ik dacht aan de oxazepam en vertelde haar over de zorgen van de ouder wordende mens, over de stress van al die nare bouwwerkzaamheden om me heen en dat ik het laatste halfjaar vaak last had van benauwdheid en hartkloppingen.
Meestal houdt het paard zich koest als het wordt onderzocht. De galop breekt pas los als er geen dokter in de buurt is. Maar nu was het hart de bijzaak bij een ander consult.
Terwijl de dokter voorstelde mijn bloedruk te meten en mijn pols op te nemen merkte ik al dat het flink bonsde vanbinnen. Ik moest tweemaal twee vingers leggen op een metalen plaatje. Dokter opende op haar telefoon een cardio-App.
Hé, dat is raar, zei ze, er is een dubbele klop en dan een tijdje niks.
Ik vond dat helemaal niet zo raar. Ik kende het van mijn slapeloze uren. Een extrasystole heet dat, ik had het al eens gegoogeld. Dat de dokter, die ik hoog heb zitten, ervan opkeek bewijst eens te meer dat het hart zich normaliter koest houdt bij een onderzoek. Het was nu bij wijze van uitzondering op heterdaad betrapt.
De dokter keek niet bezorgd, en ik was het ook niet, maar ze vond het toch raadzaam om een hartfilmpje te laten maken. Ikzelf had al aan het lijstje af te vinken waarden van het jaarlijkse bloedonderzoek die van de lever toegevoegd. Je weet maar nooit, misschien dronk ik toch weer te veel. Ik opperde ook een prostaatonderzoek, maar daarvan was ze geen voorstander.
Ik kende dat standpunt van bevriende medici. De meningen zijn verdeeld onder de vakbroeders. Velen, waaronder dus mijn huisarts, betogen dat in de meeste gevallen een prostaatonderzoek alleen maar voor onnodige stress en ellende zorgt. Je maakt slapende honden wakker, of liever gezegd tumoren: wildgroei die meestal rustig en zonder schade te doen kan doorgaan tot op zeer hoge leeftijd brengt je het medische circuit in. Zoals mijn huisarts het zei: snij je negentigjarige mannen in plakjes, dan vind je altijd wel een stel tumoren daar.
Bovendien waren de uitkomsten van de test onzuiver. Een verhoogd PSA betekent lang niet altijd slecht nieuws, en slecht nieuws wordt lang niet altijd weerspiegeld in de gemeten PSA-waarde.
Ik kan je niet adviseren hierin, zei ze eerlijk. Ik zei dat ik het nog even zou aanzien. Cholesterol, suiker, nieren, lever, hart: voorlopig was dat wel weer even genoeg.

De oxazepam mocht ik houden. Altijd nog beter dan alcohol, zo'n pilletje, vond ze. Ik knikte dankbaar en zei maar niet dat ik van plan was er daar eentje op te gaan drinken.


Illustratie: Marten Toonder

zondag 3 maart 2024

Verder doen!


Natuurlijk ga ik door met vertalen. 'Verder doen!' mailde Boris me ooit. Zo mooi als hij ze kon afdrukken zullen ze waarschijnlijk niet meer in druk verschijnen, maar mijn vertalingen zijn niet te stuiten. Vertalen, ik heb het al vaak geschreven, is verslavend. Gisteren maakte ik een Nederlandse versie van een gedicht van Robert Frost. Ik was er tevreden over maar vandaag gooide ik het roer helemaal om. Nu ben ik écht tevreden. Morgen...
Ik weet niet wat Boris van Frost vond. De Liederen van de gestorven kinderen naar Friedrich Rückerts Kindertotenlieder waren drukklaar, maar nog niet ingeleverd. Hij wist nog niet dat ik speelde met de gedachte om Robert Frost als volgend slachtoffer te kiezen van mijn vertaaldrift. 

De mooie boekjes die ik met Boris maakte zijn uitverkocht. Hoogstens heb ik er zelf nog een paar voor een eventuele liefhebber. Vandaag heb ik een begin gemaakt met het digitaliseren ervan. Heine: De Lorelei staat nu als pagina op mijn blog. Onder mijn portret als u op de laptop kijkt. Voor de telefoonkijkers: boven, onder de titel van het blog, klikken op "verplaatsen naar".


Nog wat sneeuw


Er ligt nog wat sneeuw in een hoekje.
   Ik had bijna gezegd:
Een verweerd stuk papier door de wind
   Daar neergelegd.

Het zit vol zwarte spikkels die
    Letters konden wezen,
Het nieuws van een dag lang geleden - 
   Toen al ongelezen.
                      
               ***
 
A patch of Old Snow

There's a patch of old snow in a corner
     That I should have guessed
Was a blow-away paper the rain
     Had brought to rest.

It is speckled with grime as if
     Small print overspread it,
The news of a day I’ve forgotten -
     If I ever read it.


Robert Frost, 
 © vertaling JPvS


vrijdag 1 maart 2024

In memoriam Boris Rousseeuw


Ik kwam van de tandarts waar ik een ontstoken kies had laten trekken. Tien uur 's ochtends. Het regende een beetje. Ik wist precies wat ik met de dag ging doen. Mezelf zo goed mogelijk verdoven, met pillen eerst, en in de namiddag met een stevige rode wijn. Verder niets. Ingesponnen in een cocon van dragelijke pijn de tijd laten verstrijken. Thuis ging ik op bed liggen. De katten kwamen er meteen bij. Uit de huiskamer klonk het lispelen van water. We hebben ons laten verleiden tot een keramische drinkbak met een fonteintje. Het deed me denken aan de cd die ik vroeger opzette in tijden van stress: Echoes of Nature. 'Birds at dawn', 'rainforest at night', beekjes en branding, dat werk. Op repeat. Het idee kwam van Geerten Meijsing, die een plaat met tsjirpende cicaden had, om zich nog een beetje in Italië te voelen.
Ik scrolde langs de media. Insta, FaceBook. Opeens was daar die rouwkaart. Boris Rousseeuw. Dat kon niet waar zijn, ik had hem pas nog gezien. In een kinderlijke impuls sloot ik mijn telefoon en zette hem opnieuw aan. Het bericht was er nog, Boris was nog steeds dood. Een golf van verdriet sloeg door me heen.

Ik leerde Boris kennen via Geerten. Hij zou een bibliofiele uitgave verzorgen van de Sonetti lussuriosi van Pietro Aretino, te vertalen door Geerten en mijzelf. Ik geloof niet dat Boris mij wantrouwend bezag, maar enigszins scheef was de verhouding wel. Ik werd naar mijn gevoel toch vooral gedoogd omwille van mijn bekende vriend. We lunchten bij Geerten, signeerden de katernen. Boris deed zijn beroemde Komrij-imitatie, die ik nog vaak zou horen. Zijn Vlaamse tongval verruilde hij moeiteloos voor de krassende hete aardappel van de Winterswijkse dichter.
In het kielzog van de geslaagde Italiaanse sonnetten was Boris zo goed om een boekje uit te geven met een 'correspondentie in haiku' tussen Robert Eksteen en mijzelf. De weg van de nap. Een kleinood in een schuifdoosje, met prentjes van mijn dochter Rosanne, die Boris met engelengeduld inkleurde met waterverf. 
In de jaren die volgden zag ik hem zo nu en dan, als hij in Amsterdam moest zijn. Op een boekenbeurs of in een café. Helemaal op mijn gemak was ik die eerste tijd nooit. Hij sprak over de ins en outs van een milieu waarmee ik niet erg vertrouwd was. Alleen mijn vriendschap met Geerten was een punt in mijn voordeel, want Boris bewonderde hem. Onze gesprekken openden meestal met de vraag: Hoe is het met...?

Onze omgang veranderde toen hij had ingestemd met de uitgave van mijn Heine-vertalingen. In 2020. We correspondeerden uitgebreid over de inhoud. Boris had smaak en dacht mee. Ik leerde toen een paar kenmerkende trekjes van hem kennen. Als ik niet duidelijk een vraag stelde, antwoordde hij niet. En hij was gul met complimenten, net zoals hij het eerlijk zei als iets hem niet beviel. Oprecht en integer, die indruk maakte hij. Misschien een tikje wereldvreemd, want de wereld hangt van gevlei, compromis en goede tact aan elkaar en aan zulke sociale smeermiddelen deed hij niet. In plaats daarvan hanteerde hij een soort rustige, ouderwetse wellevendheid.  
Al snel in onze correspondentie kwam hij met het verontrustende bericht dat hij leed aan myelofibrose. Hij was van nature optimist, zei hij, maar ik moest er rekening mee houden dat de Heine-bundel later dan gepland zou verschijnen, of misschien wel helemaal niet. Over zijn ziekte was hij open en tamelijk laconiek, althans naar buiten toe. Met een beetje geluk kon hij nog een poos mee maar zeker was dat allerminst.
We vierden het verschijnen van De Lorelei en andere gedichten met een etentje in zijn tuin aan de rand van het bos. Ballekes in tomatensaus, patatten, daar was hij goed in. We dronken zijn favoriete wijn, een Colombard uit Gascogne, licht en verkwikkend. Kikkers kwaakten in de vijver, de zon scheen uitbundig, en aan ziekte dacht niemand tenzij het Covid was. Kluizenaar Boris had me dapper een hand gegeven, zijn vrouw Martine hield zich maar liever aan de richtlijnen. 
Na Heine kwam, op zijn verzoek, Louis Aragon. Daarna Eichendorff en Hesse. Bij een volgende warme lunch waaierde het gesprek uit naar gemoedelijke regionen. Mijn vriendin herkende een collega tuinier. Literatuur en schrijvers maakten plaats voor mispels en kweeperen, de spechten in de boom, alle drie de soorten, bont, zwart en groen. Portugal, waar zijn stiefdochter woonde. En onze kleinkinderen, want hij was juist bompa geworden en ik was voor de tweede keer opa geworden in de nacht voorafgaande aan ons Heine-etentje.

Het voorbehoud verdween naar de achtergrond en ik begon in het volste vertrouwen aan een vijfde deel met vertaalde gedichten. Friedrich Rückert. In mei zou hij eraan beginnen. Maar Liederen van de gestorven kinderen zal niet verschijnen.
Ik mis een eigenzinnig, goedlachs, geestig, erudiet, beminnelijk mens, een geduldig en precies ambachtsman, een kunstenaar en een levensgenieter. Een mens zoals er geen tweede is.


Boris Rousseeuw: 1 november 1959 - 27 februari 2024


vrijdag 23 februari 2024

TUCCI


Ik kijk naar een kookprogramma waarin de acteur Stanley Tucci door Italië reist op zoek naar de werkelijke keuken van dat land. Ik draag Tucci een warm hart toe sinds de film Big Night (1996). Daarin speelt hij een jonge restauranteigenaar die verder wil komen in de wereld. Hij wordt daarbij geholpen én gedwarsboomd door zijn geniale maar introverte oudere broer, die achter de kachel staat. Gehólpen door de geweldige kwaliteit van diens kookkunst, gedwársboomd door zijn principiële weigering om zich aan de Amerikaanse smaak aan te passen.
Gratis spaghetti als side dish bij alle gerechten, belooft de kaart. De klanten staan erop, ook als ze een risotto bestellen. Risotto is de glorie van de noordelijke keuken en de oudere broer stelt er een eer in om die zo geduldig en liefdevol mogelijk te bereiden. Spaghetti erbij serveren is voor hem niets minder dan een godslastering. Uiteindelijk zwicht hij uit liefde voor zijn broertje. Het loopt niet goed af. Noch ambitie noch starheid loont, lijkt de film te willen zeggen. Die eindigt met een in real time gebakken omeletje na een tumultueuze nacht. De broers slaan de armen om elkaar heen en eten zwijgend. De American dream is voorbij.
Tony Shalhoub, die de oudere broer Primo speelt, is van Libanese afkomst. Tucci, als Secondo, is van beide kanten Italiaans. Uit het zuidelijke Calabria komen zijn ouders. In de serie Stanley Tucci: Search for Italy praat hij voornamelijk nasaal Amerikaans, maar misschien is dat omwille van het kijkende publiek, want in onderonsjes met de geïnterviewde koks vloeit er een misschien wat simpel, maar in elk geval authentiek klinkend Italiaans uit zijn mond. 
Tucci is in Napels en daalt af naar de Amalfitaanse Kust. Daar bezoekt hij Peppino die een pasta bereidt met courgettes, zó heerlijk, zó goddelijk, dat Tucci hem al jaren vergeefs probeert na te maken. Het geheim blijkt te schuilen in het frituren in liters olie van de zucchini en die vervolgens een nacht in de ijskast te laten rusten alvorens ze verder te bewerken. Verder gaat er niet zoveel bijzonders in. Ja, een klontje boter, dat Peppino's zuster hem destijds had verzwegen. Basilicum, als je wilt. En een mengsel (70/30) van Parmezaan en Pecorino. Of was het Provolone?
De kok monteert spaghetti, zucchini en kaas tot een geheel. We zien de stralend blauwe lucht en de glanzend blauwe zee erachter. Tucci proeft en omhelst de kok, zoals dat gebeurde in Big Night en zoals dat inmiddels gewoonte is in kookprogramma's. Hij noemt het de beste pasta van zijn leven, nee sterker: zijn leven zal nooit meer hetzelfde zijn hierna.
Ik herinner me een soortgelijk simpel gerecht dat de moeder van Beniamino, onze gastheer in Vico Equense, ooit maakte, toen we daar optraden met onze Napolitaanse liederen. Eind jaren negentig. Ze opende de provisiekast en liet me de voorradige soorten pasta zien. Ik mocht kiezen. Scelga Lei, zei ik beleefd. Kiest u maar. Het gerecht maakte niet veel indruk. Ik liefhebberde al een tijd in de Italiaanse keuken en vond deze pasta met courgette en room niet heel interessant, in tegenstelling tot haar fantastische gnocchi en haar zondagse kip met aardappels uit de oven. Nogal zout ook. Ik heb haar niet omhelsd want ik ben geen Italiaan.
Maar Tucci's enthousiasme blijft hangen. Ik heb vandaag pecorino en parmezaan gekocht, goede olie, takjes basilicum en dure spaghetti. Straks ga ik aan de slag. In de hoop dat mijn leven daarna nooit meer hetzelfde zal zijn. 


zaterdag 17 februari 2024

Bosoponthoud, een besneeuwde avond


Ik ken de baas wel van dit woud.
Hij heeft zijn huis in ’t dorp gebouwd
En ziet me dus niet stoppen om
De sneeuw te zien die valt op ‘t hout.

Mijn paardje vindt me zeker dom
Dat ik juist hier tot stilstand kom,
Zo ver van huis zonder gezel,
Met vorst en duisternis alom.

Hij rinkelt vragend met zijn bel:
Is dit de goede halte wel?
De wind blaast zachtjes vlokken aan
Die dansen in geruisloos spel.

Zo heerlijk stil is deze laan,
Maar ik heb nog een afspraak staan,
En voor ik slaap nog ver te gaan,
En voor ik slaap nog ver te gaan.

***

Stopping by Woods on a Snowy Evening

Whose woods these are I think I know. 
His house is in the village though; 
He will not see me stopping here 
To watch his woods fill up with snow. 

My little horse must think it queer 
To stop without a farmhouse near 
Between the woods and frozen lake 
The darkest evening of the year. 

He gives his harness bells a shake 
To ask if there is some mistake. 
The only other sound’s the sweep 
Of easy wind and downy flake. 

The woods are lovely, dark and deep, 
But I have promises to keep, 
And miles to go before I sleep, 
And miles to go before I sleep.

Robert Frost


Illustratie: Sneeuwlandschap met bomen en rotsen, Gustave Courbet (1819-1877)

vrijdag 16 februari 2024

Lof van Leiden

Om de verjaardag van mijn vriendin te vieren hadden we een kamer in Leiden geboekt. 
Ik heb vaak in Leiden opgetreden maar kende het toch slecht. Als je ergens iets moet doen waarvoor je nerveus bent kijk je niet zo goed om je heen.
We lieten de auto net buiten het historische centrum achter in een parkeergarage. Al snel na onze binnenkomst door de Morspoort viel ons op hoe kleinschalig alles hier is. Grote naam, kleine stad. Ik had me voorbereid op een eindje lopen maar we waren in luttele minuten bij ons hotel aan de Beestenmarkt. 
Hier leek Leiden een beetje op een kleiner zusje van mijn geboortestad, met dat grauwe water, die Aziatische eethuizen, die rondvaartboten. Een rustig zusje dan wel. Maar toen we op zoek gingen naar het Stadsbrouwhuis voor hipsterbier en bitterballen en een fijne bistro bij de Pieterskerk voor het culinaire vervolg, en we de eilanden doorkruisten die gescheiden worden door Oude en Nieuwe Rijn en het voormalige veenriviertje Mare, moesten we aan Delft denken en aan Dordrecht, maar niet aan Amsterdam. Alles was hier zowel intiemer als monumentaler, beter opgeknapt, minder verloederd, minder verdronken in voortdurende verbouwing, kalmer, beschaafder. Levendig toch, en zeker niet museaal. Maar niet vertrapt door eindeloze hordes toeristen. Een plaats om in te wonen. Geen stenen object om geld aan te verdienen.
We dwaalden door de geschiedenis. Genoten van de sfeer en de architectonische details. Werden gul en hoffelijk bediend. De nacht aan de Beestenmarkt was onverwacht stil. Leiden sliep en liet ons slapen.

De volgende morgen gingen we na een ontbijt bij de voortreffelijke Stadsbakkerij Water & Bloem op weg naar het Rijksmuseum voor Oudheden om de tentoonstelling Het jaar 1000 te zien. Het regende een beetje maar de zon stond op doorbreken. Ook op klaarlichte dag trof ons de intimiteit van de Leidse binnenstad. Achterafsteegjes zo smal en schoon (in Amsterdam zou je door troep moeten waden, van kots en condooms tot etensresten, gebroken glas en gebruikte naalden) dat ik me waande in de middeleeuwen zoals ik me die voorstel als ik romantische poëzie lees. 'Hier wil ik wonen,' zei ik. 'Aan deze steeg.'



dinsdag 13 februari 2024

VOGELAAR


Er stond nog een auto geparkeerd langs het kronkelende en doodlopende polderweggetje. Toen we uitgekeken waren bij de vogelhut aan het Kerkemeertje waar zoals gebruikelijk alle vogels zich goed hadden verstopt, - verrekijker jongens, wegwezen! -, en we richting Uilenbosje gingen, zagen we hem zitten op het bankje dat uitziet op dat wild begroeide moerassige landje. Een man met een bril en een muts, stevige laarzen, en een toeter van een camera voor zijn borst. Een vogelaar.
We groetten elkaar. Mijn kijker verried me als een soort collega, dus ik vroeg of hij nog wat gezien had. 'Niet veel,' zei hij, 'alleen een vlucht kramsvogels.'
Ik herinnerde me de zwerm die ik zojuist had zien passeren en die ik in de gauwigheid niet had kunnen thuisbrengen. 'Flinke groep?' vroeg ik. 'Ja, een stuk of dertig wel.' 
Hij was duidelijk verder dan ik. Ik had zelfs nog even aan spreeuwen gedacht. Maar ik mocht dit toch wel als waarneming noteren, vond ik. Gevalideerd door een kenner nog wel.
Terwijl we wat over uilen praatten - er moesten hier ransuilen zitten, beweerde een informatiebord, maar hij had ze nog nooit gezien - zag ik achter zijn rug iets bewegen in de dorre struiken. Ik richtte mijn kijker en kreeg het bruine beestje in het vizier. 'Een heggenmus,' zei ik met de achteloosheid van een door de wol geverfd vogelaar. Mijn collega draaide zich om en knikte. 'Ja, mooie beestjes toch altijd.'
Het voelde als een blijk van erkenning.