dinsdag 21 juni 2022

Weemoed en Wanderlust

Afgelopen zondag was ik in Kalmthout om mijn nieuwste geesteskind te signeren: de vertaalde gedichten van Eichendorff waar ik vorig jaar rond deze tijd vol van was. Boris Rousseeuw heeft er weer een prachtig boek van gemaakt, geïllustreerd met sprookjesachtige, quasi naïeve houtsneden van Zilveren Penseel-winnaar Isabelle Vandenabeele.
We waren de dag ervoor al op pad gegaan. In de lome hitte verkenden we de omgeving, we aten buiten in Quarantaine aan de groene rand van Essen, vlakbij de grens. Anders dan we dachten ontleende de hippe tent zijn naam niet aan recente gebeurtenissen, maar bleek het om de oude functie van de lage, lange gebouwen van rode baksteen te gaan: het vee werd hier in quarantaine op stal gehouden voor het verhandeld ging worden. Spaghetti met venusschelpen en scheermessen: die laatste had ik nog nooit gegeten. Een biologische witte wijn erbij die verdacht veel naar sherryazijn rook maar volgens de sommelier hoorde dat zo. 
's Nachts sloeg het weer om. De regen kletterde tegen het schuine dakraam van onze B&B, een vakantiehoeve die ook als paardenpension diende.
In Kalmthout had drukker en uitgever Boris de tafel gedekt met damast en kristal. Ik signeerde de boeken en we aten een smakelijke lunch terwijl we nu eens niet over literatuur praatten maar over de vogels, bomen en planten in zijn mooie tuin, die aan het bos van de Kalmthoutse Heide grenst. Een grote bonte specht streek neer op het voederplateau. Onlangs waren ook de zwarte en de groene specht te gast geweest, vertelde Boris.
Later die middag dwaalden we door het prachtige arboretum van Kalmthout. Een heilzame, grazige stilte heerste daar. De zwartkop en de zanglijster zongen een regenliedje. Niet de nachtegalen van Eichendorff, maar het kwam in de buurt.


Uit de catalogus van de Carbolineum Pers:
Jan-Paul van Spaendonck brengt een nieuwe vertaling van de gedichten van de Duitse superromanticus Joseph von Eichendorff.
De 40 gedichten zijn verlucht met 9 nieuwe houtsneden van Isabelle Vandenabeele
en worden gevolgd door een bronnenopgave en een uitvoerig nawoord van Van Spaendonck.

23 cm., 68 blz., volledig met de hand gezet uit de Goudy Village 16 punt en de Cochin 12 punt
en gedrukt op geschept en gevergeerd Römerturm 170 grams papier. De houtsneden zijn met de hand opgehoogd.
De oplage bleef beperkt tot 35 genummerde exemplaren, allemaal gebonden en in schuifdoosje. 75 euro.



Voorheen Rookzanger leest voor: Gesprek in het woud (Waldgespräch)


vrijdag 17 juni 2022

LOIRE


Niet iedereen bewaart boeken. Een vriend van me geeft ze weg zodra hij ze uit heeft. Hij is een belezen man maar dat kun je aan zijn huis niet zien. Een gelijkgestemde buurtgenoot had zijn of haar reisgidsen over de Loire in het weggeefkastje aan straat gezet direct na terugkeer in Amsterdam, dan kon ik zien aan de kleefbriefjes met plaatsen en data die her en der uit de boeken staken: 8 juni 2022, dag 3. Kasteel Chambord. Ik nam de gidsen mee omdat ik anders dan de vorige bezitter hoopte de Loire-vallei nog eens opnieuw te bezoeken. The Rough Guide en zo'n rijk geïllustreerd deeltje Dorling Kindersley Travel Guides, zo goed als nieuw. Daar moest maar een plaatsje voor gevonden worden in mijn uitpuilende kasten.

Op het balkon bladerde ik er wat in. Dat Château de Chambord, daar was ik ooit met mijn ouders geweest, eeuwen terug. De romantische dichter François René de Chateaubriand was er enthousiast over, las ik ('Als de haren van een vrouw die wuiven in de wind'), maar Henri James schreef vernietigend: 'Het hele geval was monsterlijk ... een overdrijving van een overdrijving.' Zelf had ik het ondanks de verbluffende proporties nogal saai gevonden. 
Bij een plaatsnaam in de hoek van een kaartje hield mijn blik halt. La Charité-sur-Loire... Dat riep een warme herinnering op met een verontrustend scherp bijsmaakje. Ik stond op en trok mijn reisdagboeken uit de kast. Bourgondië, 1981. 
Daar was het, maandag 13 juli:

'De weg verder brengt ons door kalere, graanrijkere streken, het landschap van de Loire-vallei gaat overheersen. Een vliegje vliegt mijn mond binnen en landt op mijn zachte verhemelte en maakt dat ik, met têre luchtwegen van koffie en morgensigaret, moet kotsen. Het kalere landschap, hoog en wijd, samen met het slechte weêr en de depressie die sinds de vorige dag over me hangt, doen me regelmatig huiveren. 
We komen door een groot bos, Forêt de Donzy, we zien een everzwijn, een en al samengebalde kracht, achter een hek. In een dorpje, Narcy, eten we in een café, waar boeren over dialectverschillen en Giscard praten en Ricard met siropen drinken, een omelet met frites. Niet bevorderlijk voor de maag. Een sombere atmosfeer overheerst. Het landschap van hier tot Charité is open en kaal, met slechts af en toe wat bos. Ik voel me zeer onbehaaglijk. Eindelijk in La Charité-sur-Loire, blijken de hotels, mogelijk in verband met 14 juli, allemaal vol. Wanhopig, moe, bezweet en gespannen fietsen we de hoge straten heen en weer. De drukte maakt ons dol. Vervloekt zij deze plaats voor immer! Na op het station de vertrektijden van de treinen naar Parijs en Nevers (eventuele uitwijkmogelijkheden) te hebben bestudeerd, proberen we een laatste kans: twee hotels over de Loire. Op wat een eiland in de rommelige, zanderige, zéér wijde rivier blijkt te zijn vinden we onze laatste troef, Hotel Le Bon Laboureur, open, gastvrij en duur. Voor 125 franc een luxe kamer met ligbad in een villa-achtig bijgebouw dat zich slingert rond een besloten tuin met bomen en terras. Een oase: de hoteldame, gesoigneerd, is vriendelijk, brengt ons bier op het terras, maakt een praatje over haar kat (grijze, 'afgestorven' staart). Opluchting. Wat smaakt het bier! Uitgebreid baden, lezen.
Een ritje de stad weer in, over de brede Loire, is als duizend naalden in mijn getergde, door warm bad en stilte ontspannen, maar o zo kwetsbare zenuwen. Postkantoor al dicht en waarschijnlijk gesloten morgen, dus oppassen met geld. Om half acht aan tafel. Kir, rillettes d'oie à la Périgord (heel fijne paté/pastei), poulet sauté au Sancerre of zoiets, gebakken aardjes, andijviesla, bresse bleu, glace, koffie, rode Loirewijn erbij. Al uitgekleed, komt er een optocht voorbij, we gaan nog even kijken: majorettes die sprongetjes maken, fanfare, lampionnen en fakkels, door de gewichtige politiemannen vastgehouden. Slaap.'

Naast al die pleinvrees (die mijn kritische blik van nu deels aan de opeengestapelde katertjes van dit soort genotzuchtige reizen denkt te kunnen wijten) herinnerde ik me ook een tegengestelde ervaring, een van opgesloten zijn. Dat bleek echter niet in dit laatste hotel te zijn geweest, maar aan het frisse en vrolijke begin van onze fietsvakantie, maandag 6 juli, in het plaatsje Mailly-la-Ville, aan de Yonne:

'Wandeling langs de Yonne bij zonsondergang. Bij het naar bed gaan het gedenkwaardige incident van de wc-deur die niet open ging, en de ontsnapping door het raam, via kreupelhout en brandnetels & de slaapkamer van de dochter des huizes: de grinnikende blik de volgende morgen van de baas en de dochter...'

Ik zie nog de openvallende mond van het meisje voor me, toen er een warrige jongeman in pyjama in haar raam verscheen die iets verontschuldigends mompelde terwijl hij naar binnen klauterde en snel door de deur verdween, nog voor er van gillen sprake kon zijn. 


dinsdag 14 juni 2022

SPIJT


Ik ben een tamelijk eenkennig mens en mijn sociale leven is dan ook beperkt. Mijn familie en een paar goede vrienden en hun kinderen, daar is het wel mee gezegd. Een op een, of liever nog twee op twee voel ik me het meest op mijn gemak. In grotere groepen moet mijn rol duidelijk zijn (zoals op de jaarlijkse zomerpicknick van mijn koor, of bij de nazit van een optreden) of moet er een zekere veilige anonimiteit heersen (zoals op een receptie). Verjaardagen met vreemden, etentjes, theekransjes of borrels van kennissen, ik mijd ze zoveel mogelijk. Mijn wél sociale vriendin weet dat allang en respecteert mijn schuwheid. Ze weet dat ik niemand een plezier doe met mijn halfhartige aanwezigheid. Dat ze soms in het dorp vragen of het nog wel aan is, neemt ze maar voor lief.

Maar zondag was het anders. De man van een vriendin uit het dorp ging pianospelen en iemand ging erbij zingen. Schumann, Dichterliebe. Liefhebbers, thuis, in klein comité, met een hapje en een drankje. Dat bracht mij danig in verlegenheid. Mijn mensenschuwheid is er op pensioengerechtigde leeftijd en na twee jaar corona bepaald niet minder op geworden. Hoe moest ik me opstellen? Vroeger zou ik misschien met sonore stem en welwillende glimlach de aangetrouwde maestro hebben gespeeld maar in spelletjes heb ik geen zin meer. Men weet dat ik beroeps ben en ik zou ongetwijfeld vragen krijgen. 'Wat vond je ervan?' En dit was geen anonieme receptie, ik zou iets moeten zeggen, gesprekken moeten voeren over zingen, over mijn dierbare Schumann en Heine. Ik zou complimenten moeten geven. En wat nou, als ik die niet had? Dan moest ik huichelen. Ook daar heb ik geen zin meer in, ik wil in waarheid leven.
Daar kwam nog eens bij dat mijn verhouding met mijn oude vak op het moment moeizaam is. Die niet goed uit de verf gekomen mis van Beethoven ligt me nog zwaar op de maag. Dit zou me weer confronteren met mijn slinkende zelfvertrouwen en mijn sleetse ambitie, ongetwijfeld zou ik zin krijgen zélf te zingen. Mijn trots zou me influisteren: 'Dit kan jij beter. Ga zelf ook weer eens een recital geven.' Nee, beter zou het zijn, véél beter, om dit culturele gebeuren maar aan me voorbij te laten gaan en de middag vredig lezend in de zonnige tuin door te brengen.

Ik voerde deze argumenten aan maar mijn vriendin gaf zich dit keer niet zo snel gewonnen. Uiteindelijk hield ik voet bij stuk. Zij was niet geamuseerd. Ze had gedacht dat ik juist bij deze gelegenheid eens wél gezellig mee zou doen: 'Muziek, en jouw lievelingsmuziek ook nog eens ...' Bij haar terugkomst merkte ik dat ze gereserveerder was dan anders. Ik had geen bonuspunten gescoord vandaag.
De volgende dag werd ik somber wakker. Mijn vriendin had mijn argumenten ontleed tot op de kale essentie. Ik was gewoon bang en ik had daar overheen moeten stappen. Ik geloofde nu dat ze gelijk had. Dat uurtje had ik hoe dan ook best kunnen uitzitten. En ik had heus wel een repertoire van standaardopmerkingen paraat. Ik zou er iedereen een plezier mee hebben gedaan als ik wat sportiever was geweest. De onbevangenheid waarmee ik de eerste jaren na mijn verblijf in de kliniek (twaalf jaar geleden alweer) met mensen was omgegaan (een beetje onthecht, vriendelijk afwachtend, ego-loos) was ver te zoeken. En wie weet had ik het nog leuk gevonden ook.
Ik verontschuldigde me voor mijn horkerige gedrag en beloofde beterschap. Maar deze middag kon ik nooit meer overdoen en dat zat me dwars. Het vredige lezen in de zon heeft de vrede ik mijn hoofd tot nader order bedorven.


vrijdag 10 juni 2022

AVONTUUR


Het was een doffe, natte dag. Ik liep door het park en dacht met weemoed aan mijn kleine reizen van de afgelopen jaren. Ongeacht welke: elk verblijf van twee dagen of langer in een huis, tent of hotel ergens buiten de stad had een speciale glans. Ik herleefde alles met een glimlach en met pijn in het hart omdat het voorbij was en nooit terug zou keren. Wel zou ik die plaatsen nog een keer kunnen bezoeken en daar verlangde ik plotseling hevig naar. 

Thuis zocht ik op mijn telefoon de foto's op. Eerst nog met voldoening, maar algauw met een gevoel van oververzadiging dat in twijfel omsloeg. Wat restte er van die reisjes behalve deze obligate kiekjes? Daar zat ik weer met een glas en een gevuld bord in een kroeg, restaurant of op een terras - was het niet alleen maar verkapte genotzucht, dit soort toerisme, reizen en je moe maken, om je aan het eind van de middag lekker te kunnen laten verwennen?
Ik schudde mijn beginnende somberheid van me af en zocht onze volgende aanlegplaats op. Binnenkort moest ik voor literaire zaken in België zijn en we waren van plan een nachtje in Ossendrecht te logeren, net voor de grens, in de Volksabdij Onze Lieve Vrouw Ter Duinen. Herhaling van zetten, maar we hadden het er fijn gehad in 2019 en 2020, dus waarom niet?

Ik wilde gaan boeken maar kon de link naar reserveringen niet vinden. Toen pas zag ik de voetnoot: Het hotelgedeelte heeft momenteel een maatschappelijke functie. Wat een groot budgethotel met vele kamers voor maatschappelijke functie te vervullen heeft laat zich raden. De oorlog in Oekraïne kwam weer een stapje dichterbij. Het bestuur van de abdij suggereerde een alternatief, het voormalige grootseminarie Bovendonk, een neogotische monstruositeit van Cuypers met 52 kamers, eveneens een 'leerhotel'. Vooruit dan maar. Maar die 52 kamers waren allemaal bezet, waarschijnlijk door een congres; net als de Volksabdij is het gebouw vooral conferentiecentrum. Wat nu? Lusteloos begon ik plaatsen in de buurt te overwegen, tot aan B&B's toe. Loewieke beloofde ons Brabantse gastvrijheid, kakelverse eitjes en een regendouche. Geen enkele plek leek me echter zo aanlokkelijk als de Volksabdij waar ik drie jaar geleden per toeval beland was. 

Per toeval beland... Drie jaar geleden ging ik nog op avontuur. Wat is er intussen veranderd dat ik me zo vastklamp aan vertrouwde pleisterplaatsen? Vroeger ging ik nóóit twee keer naar dezelfde vakantiebestemming en maakte ik me een beetje hooghartig vrolijk over de honkvaste vakantiegangers van de stacaravan of het jaarlijkse hotelletje waarvan ze de baas inmiddels bijna een vriend mochten noemen. Heeft de onzekere periode waarin we leven me zo gemaakt?
Ik zou het graag denken. Maar ik denk dat er meer aan de hand is. Door een vroegere verblijfplaats op te zoeken is het een beetje alsof je het verleden kan overdoen, alsof je de tijd kan doen stoppen. Het is iets dat hoort bij het ouder worden. Consolidering - dat is wat we willen, wij bejaarden! Te veel leeftijdsgenoten takelen af of zijn ziek, vrienden zijn gestorven. Wanneer zijn wij aan de beurt? Als de toekomst er zo onzeker uitziet is het verleidelijk om het verleden te gaan kopiëren. Hup, copy paste, voor een paar dagen onder de pannen en veilig voor verval.

De volgende dag scheen de zon. Ik lachte om mijn laffe stemming van de vorige dag en ging moedig op zoek naar bestemmingen verderop. Wel zover als Roosendaal durfde ik te dromen. 


dinsdag 7 juni 2022

Rozijntje Lekkerbek


We lunchten in de Vondeltuin onder een dreigende hemel. Toen we het laatste hapje van onze groentekroketten met limoenmayo op hadden begonnen er een paar druppeltjes te vallen. We liepen via de Zocherstraat en de Overtoom naar de Derde Kostverlorenkade. In de bovenzaal van theater De Cameleon stonden de ramen open in verband met de ventilatie. Covid was uit het zicht maar nog niet vergeten. Het begon nu serieus te regenen en terwijl het eerste lied klonk - Amarilli, mia bella... - ruiste het in de binnentuinen. Tijdens een aria van Borodin meende ik in de verte een donderslag te horen, maar ik registreerde dat slechts vaag want ik was te zeer geboeid door wat er hierbinnen gebeurde.

I. nam afscheid van het podium als klassiek zangeres. Ze was zestig geworden en merkte dat ze na twee jaar gedwongen inactiviteit geen zin meer had in alle rompslomp die het auditeren, lobbyen en organiseren met zich meebrengt. Bovendien vond ze het wel mooi geweest en wilde ze stoppen nu haar stem nog fris was. Dus geen Poulenc, Schubert en Debussy meer in een lange jurk. Wel lesgeven, en andere stemklusjes als die zich aandienden. Ze vierde haar naderende pensioen met een paar recitals voor genodigden. Ons werd verzocht om geen foto's, filmpjes of geluidsopnamen te maken. Om die reden voer ik mijn collega dan ook als I. op, ze is gesteld op discretie. 
Terwijl ze, nu en dan ondersteund door rekwisieten of de suggestie van een kostuum (een sjaal, een vest, een koksmuts of een plaksnorretje) uitsneden uit haar loopbaan liet horen, werden ook stukjes uit die van mij aangelicht, want we kennen elkaar al heel lang en hebben vaak samen gezongen.
Daar dook ze vanachter de vleugel op als de heks Rozijntje Lekkerbek, in een fragment uit Hänsel und Gretel van Engelbert Humperdinck (de negentiende-eeuwse componist, niet de charmezanger) - energiek, komisch en angstaanjagend, acterend met haar stem zo goed als met haar lijf. Ik werd teruggevoerd in de tijd. In die romantische kinderopera had ik haar leren kennen. Zij speelde de dubbelrol van heks en moeder, ik die van vader en teddybeer. De regisseur had het aardige idee opgevat, dat zij (als moeder) op mijn rug zou klimmen, en dat ik haar triomfantelijk over het toneel zou ronddragen terwijl ik mijn aria zong. I. heeft nu een tengere, zelfs frêle gestalte, maar destijds woog ze twee keer zoveel. Puffend en hijgend sjokte ik in een koddig dansje over de bühne, mijn hoge E's er met moeite uitpersend. Tralalala! Er is nog een foto van, die ik hier niet zal plaatsen. Het plezier dat we samen hadden, de zangeres en haar muzikale lastpaard, leidde tot verdere samenwerking. In de jaren negentig bedachten we een programma met luchtig en theatraal gebrachte klassieke liederen, aan elkaar gepraat door spreekstalmeester Carel A.. Een van de hoogtepunten daarvan deed ze nu ook: de op muziek gezette recepten van Leonard Bernstein. Ik genoot net als vroeger van de Civet à toute vitesse ('hazenpeper op topsnelheid'). Het royale gebaar waarmee ze aan het slot van het adembenemende lied het gerecht uitserveerde aan het publiek was nog precies hetzelfde: sèèèrvi!
Na afloop maakten we een praatje. 'Ik verheug me nu al op je comeback,' zei ik.
Buiten was het ondertussen gaan hozen. We vluchtten Gent aan de Schinkel binnen. Van Bernstein hadden we honger gekregen en we lieten ons verleiden tot een dagschotel. Geen hazenpeper maar gamba's en ravioli. Ik toastte glimlachend op mijn getalenteerde collega en dacht aan mijn eigen pensioen.

(Illustratie: Arthur Rackham)


vrijdag 3 juni 2022

Voorheen Rookzangers Notitieblog 35: drinken en sprookjes

 


'Ik kan de drank best laten staan; het komt er alleen nooit van,' zei Peter van Straaten ooit. Zelf zeg ik altijd dat ik alleen in het weekend drink en doordeweeks droogsta. Meestal is dat ook zo. Maar de afgelopen weken kwam het er, door reizen, vakanties en spannende, drukke dagen, niet echt van. Afpilsen en anticiperen ('alvast wat nemen') bedierf wat ik aan droge dagen had kunnen redden. Ik kondigde echter aan dat het na Hemelvaart gedaan was met de wilde rit en de vrije teugels. Juni zou een heel rustige maand worden van inkeer en discipline. Wandelen, lezen, schrijven, denken - geen kicks, alleen kleine genoegens.
Ik kan gelukkig stellen dat de eerste week (in feite vier dagen) van dat nieuwe/oude regime erop zit en geslaagd is. Er blijft toch altijd de vage angst dat je weer afglijdt en dat er opeens geen weg terug meer is, als je ooit, zoals ik, serieus aan de drank bent geweest. Sinds ik daar succesvol voor behandeld ben heeft mijn verhouding met de drank zich, na een aantal jaar van geheelonthouding, gestabiliseerd, maar helemaal normaal wordt het nooit. Maandag meteen al viel me weer eens op hoezeer mijn drinken binair is: ik doe het niet, of stevig. Is een van beide fasen aangebroken dan gaat er een knop om. Ik kan niet op drinkdagen besluiten nu voor de verandering eens niets te nemen, of het bij een enkel glas te houden; andersom kan ik op droge dagen niet een enkel glaasje voor de gezelligheid accepteren. Dat zou alles bederven want ik ontleen mijn eigenwaarde dan aan het droogstaan en geniet in zekere zin van de zelfopgelegde ascese. Zo ben ik twee mensen. Ik probeer die twee naar elkaar toe te brengen: de natte moet zich koest houden en de droge mag best eens lachen. Ik probeer geen schuldgevoel te hebben maar die tweedeling te accepteren. Dat gaat me steeds beter af.

*

Aan straat vond ik een boekje dat me opviel door de afbeelding op het omslag. Märchenwelt heette het. Het was in halflinnen gebonden en zag er lekker vergeeld uit. Bij de summiere informatie (geen auteur, geen jaartal) stond dat het op houtvrij papier was gedrukt. Ik vroeg me af waarom dat een punt van belang was, in de jaren twintig of dertig van de vorige eeuw. En ook waarom het boekje dan tóch zo vergeeld was. Verder bladerend viel ik als een blok voor de illustraties. Vier Farbdruckbilder van Willy Planck. Aquarellen die de wereld simplificeerden tot donker-lichte iconen, precies zoals sprookjes dat in taal doen. Ze deden me denken aan het werk van Johan Fabricius (Arretje Nof) en ook aan de amateuristische maar suggestieve waterverfjes van Tolkien en Hesse. Met dat verschil dat de portretten van de sprookjesfiguren, mensen en dwergen, uitmuntten in psychologische typering. De prent van Hans en Grietje en de heks bij het peperkoekhuisje kreeg een duistere lading doordat de kinderen duidelijk op weg waren naar de puberteit. Angst en ongemakkelijk zelfbewustzijn lagen op hun gezicht te lezen. Hans was met zijn schonkige benen iets te groot voor zijn kinderkleertjes. 
Ik zocht de maker op. Willy Planck (1870-1956) was een portretschilder, graficus en illustrator die ook tekende voor de bekende omslagen van de Karl May-boeken waarmee ik ben opgegroeid. Hij heeft er postuum een fan bij.
In de loop van de volgende dagen las ik de sprookjes. Precies de goede lectuur voor deze ingetogen week. Het waren ingekorte versies voor de 'heel kleinen'. Vreemd genoeg kwamen ze in deze samenvattingen beter tot hun recht dan in de wijdlopige, litterair gemaakte originelen van Grimm. Alles draaide om de fabel. Het Duits was mooi verzorgd en opvallend compact. De naamvallen deden (net als in het Latijn) hun werk en voorzetsels waren dus vaak overbodig. Wel vroeg ik me af of een ganz Kleine, zelfs in 1930, een constructie als deze meteen kon begrijpen: Einer Mutter war ihr Kind von den Wichtelmännern aus der Wiege geholt... ('Ener moeder was haar kind door de kabouters uit de wieg gehaald'). Maar misschien onderschat ik Duitse kinderen. Ook trof me de consequentie waarmee het grammaticaal geslacht domineert over de natuurlijke sekse. Doornroosje en Sneeuwwitje zijn taalkundig onzijdig (het witje, het roosje) en dus wordt ernaar verwezen met es en ihm, nóóit met sie of ihr.  Ik weet niet genoeg van Duits om in te kunnen schatten of dat literair, precieus en ouderwets is, of (nog steeds) gangbaar. 


dinsdag 31 mei 2022

KUBB


Het landgoed heette Old Putten. Dat zette me op een verkeerd been. Ik verwachtte ergens midden op de Veluwe te belanden maar kwam onder de rook van het Hanzestadje Elburg terecht. Had de adellijke familie die het al anderhalve eeuw bewoont heimwee naar hun plaats van herkomst gehad? Mijn vaders bungalow in Mierlo heette Oud-Engelen, naar het geliefde dorp van zijn jeugd. Zoiets was hier misschien ook het geval.
Hoewel de vestingwallen van het bezienswaardige vissersplaatsje aan het Veluwemeer vlakbij lagen heerste er rust; de groene, weldadige rust van statige bomen, schemerige grachten en goed onderhouden gazons. Rondom de camping kronkelde een wandelpad door schaduwrijke boslaantjes.
Het betrof hier een 'natuurcamping' (groene kaart vereist!) dus de bevolking was hoofdzakelijk grijs of blond, welvarend dan wel hoogopgeleid, en beschaafd. Niet te links. Trouw en NRC meer dan VK, schatte ik in. Vele bordjes met instructies lieten geen twijfel bestaan aan de ordelijke geest die hier diende te heersen. Voor het geval we niet konden lezen lichtte de barones ons ook nog eens mondeling in over de juiste afstand die onze tentjes en caravan moesten bewaren tot de nummerpaaltjes. 
Maar het gaf niet! Het was een fijne plek, iedereen was vriendelijk, het lawaai dat de spelende kinderen maakten was van hetzelfde niveau als het koor van merels en zanglijsters dat me vroeg in de morgen wekte: vrolijk natuurgeweld.
De grootste bedreiging voor de beoogde ambiance wandelde de volgende dag binnen in de gedaante van mijn dochter. Tattoos, piercings, zwarte laarzen. Maar ook deze Belle Dame sans Mercy deed even later mee met een spelletje Kubb. Mijn kleinzoon van bijna twee was ons behulpzaam met het omverduwen van de houten blokken, net als we die overeind hadden gezet. De zonnige middag verstreek in kalme, rustieke familiesfeer. We aten een omelet en dronken een biertje. Om zes uur vertrok iedereen weer want mijn zoon moest die avond nog optreden. De barones had geen klachten. 

(Over een eerdere Hemelvaartvakantie van geheel andere aard lees HIER.)