dinsdag 18 april 2017

Gelagkamerveiligheid


Het hotel moest in de buurt van 's Heerenberg liggen, want we wilden het kasteel aldaar weleens bezoeken. Verder moest het voldoen aan een aantal specifieke eisen. Het moest een ouderwets hotel zijn, zonder herrie en lelijke moderne onzin. Geen kuipstoelen van antracietkleurig gevlochten kunststof, geen strakke, wit gestuukte muren met Ikea-kunst. Het mocht niet opgeleukt zijn om met de tijd mee te gaan, je mocht niet zien dat het eerste oogmerk van de nering was om geld te verdienen. Gastvrijheid moest het uitstralen, en tijdloosheid.
Vele hotels vielen af nadat we de bij de site gevoegde foto's kritisch hadden bekeken. Maar toen we De Gouden Karper in Hummelo op de kaart prikten sprong mijn hart op. De naam alleen al! Als Slot Bommelstein om een of andere reden (vuur- of waterschade, restauratie) niet beschikbaar was, hield Heer Ollie zijn eenvoudige doch voedzame maaltijden in De Gouden Karper te Rommeldam. De ligging leek bovendien gunstig, het had luiken voor de ramen, een karpervormig uithangbord, een houten portico met een colonnade langszij, omakleedjes op de tafels, en waren dat hertenkoppen aan de muur? Waarachtig! Een grote eetzaal in een serre met witgedekte tafels, kristal en tafelzilver en een leger zwartgejaste obers complementeerde het beeld. Ja, dit moest het zijn. We reserveerden.
We bereikten het aardige, ongerepte dorp Hummelo op zondagmiddag, checkten in, snoven de geur van een vroeg paasvuur op, en namen plaats in de gelagkamer. Onze indruk was juist geweest. En wat meer was, hier was inderdaad sprake van 'tijdloosheid', want de ouderwetse horecaparafernalia waren niet sjofel en stoffig, maar zagen er fris en goed onderhouden uit. Er leek bewust gekozen voor deze ouderwetse uitstraling, blijkbaar wisten ze te Hummelo nog een leverancier te vinden die dit soort vooroorlogse attributen kon leveren. Ik dronk mijn cappuccino van een neppersje zonder sleetse plekken en knipoogde vol verstandhouding naar het hert dat boven me aan de muur troonde. Er viel een last van me af. Voor vandaag was ik veilig, dat gevoel kwam over me. Wat er ook gebeurde, in De Gouden Karper zouden ze goed voor me zorgen. De wereld kon woeden wat zij wilde, tenminste tot morgenochtend had ik geen enkele zorg, behalve welk gerecht ik van de menukaart moest kiezen.
Dat we diezelfde avond, na een verkeerde inschatting van de verhoudingen op de kaart, uren zouden lopen door het zwarte achterland, aangeblaft door honden, om bij een paasvuur te geraken, dat ergens aan de horizon oplichtte, kon ik toen nog niet weten.



vrijdag 14 april 2017

Sir Arthur Sullivan en The Sorcerer



Bij ons is Sir Arthur Seymour Sullivan (1842-1900) vooral bekend als de helft van een duo. Samen met toneelschrijver, dichter en tekenaar Sir William Schwenck Gilbert (1836-1911) componeerde hij tussen 1871 en 1896 veertien komische opera’s: light opera’s, operetta’s. Dat zijn geen operettes zoals we die kennen van Strauss of Léhar, ze hebben meer gemeen met de wufte werken van Offenbach dan met de zwoele romantiek van de Weense wals. Maar wat ze van hun Franse voorbeeld onderscheidt is een onmiskenbare Britsheid. Alles is tongue in cheek in dit mengsel van Victoriaans pathos en uptempo Vaudeville-deuntjes. Satire heerst soeverein.
Veel van de grappen van Gilbert (His Foe was Folly, and his Weapon Wit, luidt de tekst op zijn Londense gedenksteen) zijn gedateerd en de situaties waarnaar ze verwijzen kennen we niet of nauwelijks meer.
Maar de muziek waarop zijn snelle en scherpe teksten zijn gezet leeft nog steeds voort. Niet alleen in de Engelssprekende wereld maar ook bij ons. En dat laatste niet in het minst dankzij de inspanningen van het Amsterdamse gezelschap Thalia, dat zich sinds de jaren zeventig bijna exclusief met Offenbach en Gilbert & Sullivan bezighoudt. Dat ik tegenwoordig hun dirigent ben is uiteraard puur toeval en heeft niets met de aanleiding tot dit stukje te maken.

Als je die foto van Sullivan zo bekijkt vraag je je af hoe uit zo’n sombere kop zulke vrolijke onzin kon komen. Helemaal vreemd wordt het als je leest dat hij gekweld werd door chronische gezondheidsproblemen: martelende pijnaanvallen, veroorzaakt door nierstenen, beletten hem niet om fonkelende stromen van snelle nootjes te noteren, bijna altijd in majeur. Maar dirigeren kon hij de laatste jaren van zijn leven alleen nog maar zittend.

Het ‘serieuze’ oeuvre van Sullivan is tamelijk pompeus. Sommige van zijn hymnen worden nog gezongen, maar zijn ambitieuze opera Ivanhoe ligt al jaren in de kast te wachten op de enorme cast van bassen, baritons en tenoren die het heldenepos tot klinken moeten brengen. Toch is het daar waar zijn Ierse hart naar uitging. Zijn half-Italiaanse moeder maakte dat het belcanto hem makkelijk afging. Maar de Ier in hem smachtte naar iets hogers, iets visionairs, iets met vervoering en heroïek.
Er is ooit een veelzeggende woordgrap gemaakt over Sullivan: ‘He wanted to be the English Bach, but couldn’t resist being the English Offenbach as well.’ Wie de auteur weet mag het zeggen, ik kon er op internet niets van terugvinden. Bernard Shaw? Victor Borge?
Natuurlijk zijn er momenten geweest dat de romantische Sullivan de samenwerking met de spitse Gilbert hartgrondig zat was. In 1882 besloot hij er een punt achter te zetten. Maar zijn belegger ging failliet en daarmee verdampte zijn kapitaal. Sullivan hield van luxe en was een fervent gokker. Hij tekende dus een nieuw samenwerkingscontract voor vijf jaar. Maar toen hij in 1883 Sir was geworden wegens zijn verdiensten voor het Britse muziekleven, gingen er stemmen op in de Engelse pers, dat een Ridder zich niet meer zou moeten inlaten met zoiets banaals als operettes. ‘A musical knight should not stoop below oratorio or grand opera.’ Sullivan zat in de val. De publieke opinie zei wat hij stiekem ook vond, maar een bindend contract verplichtte hem om nog een reeks van die ridderonwaardige niemendalletjes te maken. En gelukkig maar.

The Sorcerer, dat Thalia volgende week uitvoert, is een vroege ‘Gilbert en Sullivan’. Hun derde, om precies te zijn. Destijds in 1877 met 178 uitvoeringen een bescheiden succes, algauw overschaduwd door de bekendere werken, maar later weer opgefrist en sindsdien een vast repertoirestuk gebleven. Het verhaal is tamelijk kolderiek, maar draait om een liefdesdrank, die de samenleving van een vriendelijk Engels dorpje danig ontwricht. De muziek is sprankelend en rijk van kleur, en voor de liefhebbers van Britse humor valt er veel te genieten.

Koor van dorpelingen, spoken en geesten: Thalia Opera & Operette.
Solisten: Walther Deubel (Arthur), Ellen Hink (Aline), Peter Lusse (Sir Marmaduke), Joke Prak (Lady Sangazure), Stijn Hofstede (de Tovenaar in kwestie), Marrit Zeilstra (Constance), Robert Boer (de dominee), Hilde Wuijten (Mrs. Partlett).
Regie: Edwin van Gelder.
Directie: ondergetekende.
Begeleiding: een professioneel ensemble van fluit, hobo, fagot en strijkkwartet, met Brian Fieldhouse aan de piano.
De vloeiende en vindingrijke vertaling is van Gerard Knoppers.

Komt dat zien! Zie affiche boven voor alle gegevens. Reserveren alleen telefonisch: 0299-660254



dinsdag 11 april 2017

KAMELEON


De partituur waar ik in paniek om gevraagd had werd me net op tijd aangereikt. Maar het was een fotoalbum. Vakantiekiekjes met onderschrift. Geen noot te bekennen. Toen mijn dirigeerstokje ook nog eens gebroken bleek te zijn en meer op een afgekloven potloodstomp was gaan lijken dan op een baton werd ik wakker. De wind was opgestoken en er had een raam geklepperd. Het oog van de volle maan stond te schitteren aan de nachthemel. Ik probeerde mijn droom weg te lachen. Mijn onbewuste angsten moesten wel met iets subtielers komen, vond ik. Ik draaide me op mijn andere zij en zocht de slaap weer op, maar tevergeefs.
De uren verstreken. Ik lag niet te woelen, ik was rustig. Ik piekerde niet, ik dacht zelfs niet na. Toch was mijn geest te actief om te kunnen slapen: de beelden van de afgelopen dagen trokken voorbij, zonder chronologie, in willekeurige volgorde, misschien in een intuïtief verband.
Daar stond ik weer in de studio, vrijdagmiddag was dat geweest. Met twee bassende collega’s een mannenkoor van Purcell inzingen voor een reclamespotje. Mannenbier, ongefilterd, daar hoorde zware mannenzang bij, blijkbaar. Er was geen tekst. Hahahaha zongen we, keer op keer, overdub op overdub. Tussen het zingen door, als de producer aan het editen was, namen we als een stel oude wijven de hele ons bekende muziekwereld door - ‘ken jij die en die?’ - tot het weer tijd werd voor een nieuwe reeks hahaha’s.

Zaterdag kleedde ik me in het zwart en voerden we met het Linnaeuskoor de verstilde Via Crucis van Liszt uit, in de kapel van het OLVG Oost. De zaal stond vol met bedden, de sfeer was ernstig, bijna sacraal. Nu en dan draaide ik me naar het lijdende publiek om want ik had ook de rol van Christus op me genomen, een kleine maar lastige partij. Eli, Eli, lama sabbachtani….
Zondagmorgen speelde ik piano in de mis, popliedjes met religieuze teksten, en leidde als kapelmeester het koor. Palmpasen, lange dienst, veel groen, veel kinderen. Daarna snel naar Zaandam voor een repetitie van operettevereniging Thalia, de baton in de hand voor een hele middag driftig zwaaien en met luide stem aanwijzingen roepen. Prachtig, uitbundig weer, het staartje van de lentemiddag kon ik nog in de tuin van mijn vriendin doorbrengen.
Het was me het weekend wel geweest, stelde ik vast. Vroeger draaide ik mijn hand daar niet voor om, zoveel verschillende dingen vlak na elkaar, en dwars door elkaar heen, maar tegenwoordig heb ik er moeite mee. Niet eens zozeer op het moment van doen, dan laat ik me meedrijven op de stroom van gebeurtenissen, maar in de dagen ervoor, en tussen de klussen in. Dan weegt de chaotische nabije toekomst zwaar op me. Al die verschillende rollen, al die verschillende muziekwerelden! Je moet er een kameleon voor zijn, en mijn oude huid is niet zo flexibel meer. Die is behoorlijk kleurvast aan het worden.


vrijdag 7 april 2017

WOLKENMENSEN

Bij het wisselen van jas vind ik een notitieboekje in mijn binnenzak. Ik sla het open en lees: ´Ik beweeg me tussen het volkse en het verhevene.´ Geen idee wat me ertoe bracht dat op te schrijven, maar de observatie is even juist als overbodig - ze geldt voor bijna iedereen. Zelfs de meest aardse types kennen momenten dat ze even geroerd worden door iets hogers, en alle mensen die met hun hoofd in de wolken lopen worden dagelijks met hun stoelgang geconfronteerd.

Toch zijn de laatsten, de wolkenmensen, zeldzaam. Ik ken er maar een paar. De ene is een vrijgezel op leeftijd, vlinderdasje, schrandere oogjes achter stalen brilletje, eeuwig een wetend glimlachje om de mond, die in elke conversatie wel een gaatje vindt waardoor hij Euripides of Homerus kan binnensmokkelen. Zelfs het gewoonste gesprek geeft hem aanleiding tot hoogdravende culturele bespiegelingen.
De andere is het dametje uit Geuzenveld. Haar man zingt in mijn operettekoor. Hij is vierentachtig maar nog flink bij stem. Een grote grove man met een Amsterdams accent die zijn hele leven met zijn handen gewerkt heeft, en aan wiens zijde je zo'n vrouwtje niet zou verwachten. Zij is namelijk fijnbesnaard en hooggestemd. Ze heeft ook dat eeuwige glimlachje, maar dat is niet wetend, eerder verrukt. In alles vindt ze aanleiding om te dromen. Ze ziet wel wat er hier op aarde gebeurt, maar toetst dat aan haar ideale wereld. Alles staat in het zachte en weemoedige licht van haar herinneringen.
Met de voorstellingen doet ze niet mee, maar ze zingt wel op de repetities. Het spreekt vanzelf dat ze vroeger zangles heeft gehad. Als ik met haar in gesprek raak ziet ze altijd kans om dat te vertellen. Ze is oud, en oude mensen generen zich er niet voor om een goed verhaal eindeloos te herhalen, en geef ze eens ongelijk. Ze zingt iets voor, met een klein maar zuiver sopraantje. Ik spits mijn oren en herken het meteen: snippers uit het 'grote' repertoire, Berlioz' Les nuits d'été, of Strauss' Vier letzte Lieder. Een moment lang ontstaat er een vreemd soort verzwegen intimiteit tussen ons. Want die verheven, fijnbesnaarde en hooggestemde muziek, die ken ik natuurlijk ook, daar kom ik vandaan, en dat schept een band. Om ons heen woedt de operette. De walsen, de burleske humor, de marcherende mannenkoren. Even sta ik in tweestrijd. Ik wil dit dametje laten merken dat ook ik niet van de straat ben, maar voel me tegelijk betrokken bij mijn club, wil die niet afvallen. Bovendien verblijf ik tegenwoordig liever op aarde dan in de wolken. Ik knik dus maar en lach waarderend, en wijd niet uit over mijn eigen zware culturele bagage, die ik thuis heb gelaten.
Ze vertelt over een bekende operazangeres van vroeger die ik ook heb gekend. Van haar had ze wekelijks les. Toen de zangeres oud werd en ging dementeren, heeft ze haar jarenlang verpleegd, de verpleging was haar vak. Weer voel ik een tweestrijd in mijn binnenste. Moet ik bewonderend toeluisteren, ik boerse operettedirigent van het grote forte en de brede gebaren, of haar laten weten dat deze zelfde operazangers bij ons thuis, toevallig ook in Geuzenveld, over de vloer kwam? En dat ze mijn zusje ooit een gouden bedeltje voor haar armband heeft beloofd, een belofte die ze nooit is nagekomen? Ik besluit het voorval, dat mijn zusje nog jarenlang heeft achtervolgd (kinderen moet je geen loze beloftes doen) maar te verzwijgen; veel zin heeft het namelijk niet om welke reactie dan ook te geven op haar herinneringen, want ze luistert toch niet. Ze luistert alleen naar de echo's van de stemmen in haar eigen hoofd. Sirenen van lang geleden die hun verlokkende melodieën zingen.
Een paar keer per jaar leest ze een zelfgeschreven gedicht voor. Want dichten doet ze natuurlijk ook. Het koor luistert welwillend toe naar de goedbedoelde sinterklaasrijmen, alleen een paar bassen achterin lachen een beetje spottend. Nieuwkomers zijn verbaasd, maar begrijpen algauw dat ze met een erfenis uit het rijke koorverleden te maken hebben. De huisdichteres hoort daarbij, net als haar man met zijn heldere tenor, die ondanks zijn vierentachtig jaar iedere repetitie als eerste aanwezig is om de stoelen klaar te zetten. Ook het feit dat ze een kwartier eerder weggaan om de bus naar Geuzenveld te halen is deel van de traditie.

Ze zijn er nu al wekenlang niet. Hij heeft iets gebroken en kan de reis niet maken.
Ik mis het moment dat ze opstaan om weg te gaan en dat ik zeg: 'goede reis naar Geuzenveld'.

dinsdag 4 april 2017

Rookzangers notitieblog 22: voice-over


Ik weet natuurlijk niet hoe het er in uw hoofd uitziet, maar waarschijnlijk herkent u dit. Ik heb twee manieren van denken. Het ene is het spontane denken, dat zomaar opborrelt en zijn eigen weg zoekt, met zachte stem, soms nauwelijks hoorbaar, bijna zonder herkenbare woorden, een gemompel in de diepte.
Dan is er een luide commentaarstem in mijn hoofd, een voice-over die richting en leiding wil geven, die analyseert en probeert te begrijpen. Als ik met mensen ben zwijgt hij, of liever: dan wordt hij mijn échte, fysieke stem.
Deze innerlijke commentator werkt op een soort batterijen, hij wordt gevoed door stressoren. Op dagen dat ik door omstandigheden beslis dat ik alles maar op zijn beloop moet laten - bijvoorbeeld als ik ziek ben - is de voice-over ook uitgeschakeld. Hij is ook weleens stom op andere dagen: helemaal ontspannen dagen waarop het me lukt 'zen' te zijn. Maar gaandeweg stelt hij zijn eigen zwijgen vast, en begint te morren: hé, mag ik niks zeggen? Volgt een soort machtsstrijd die begint met een gevoel van onbehagen dat op een vormeloos piekeren lijkt. De volgende dag neemt de voice-over het roer meestal weer over en stelt orde op zaken, wat niet zonder slag of stoot gaat.
Ik ken ontspannen mensen die heel intelligent zijn, maar als het niet per se hóeft, hele dagen niets denken. Daarmee bedoelen ze neem ik aan dat de commentaarstem zwijgt.
Wat men in spirituele kringen vertrouwen noemt, of overgave, of verbinding, of loslaten, is niets anders, denk ik, dan het weten uit te schakelen van de innerlijke voice-over.


Sinds een week officieel verkrijgbaar: het boekje dat ik vorig jaar met zangeres/actrice Joch Kuiken maakte. >HIER te bestellen.

vrijdag 31 maart 2017

Heimwee, weemoed en nostalgie


Odysseus heeft niets te klagen bij de godin Kalypso. Eten, drinken en vrouwen genoeg op haar eiland Ogygia; ze biedt hem zelfs onsterfelijkheid aan. Maar Odysseus versmaadt haar verleidelijke aanbod. Hij verlangt naar huis, naar zijn vrouw Penelope. Het pijnlijke verlangen van de Griekse held naar zijn terugkeer is waarschijnlijk de eerste literaire vindplaats van het begrip nostalgie. Nostos is terugkeer. algos betekent lijden. Nostalgie is dus oorspronkelijk niets anders dan heimwee: het ziekmakende verlangen naar een plaats of omstandigheid waar men zich thuis heeft gevoeld, en waarvan men gescheiden is.
Met 'vroeger' heeft dit verlangen niet zoveel te maken. Vroeger is het domein van de weemoed, het treuren om wat voorbij is, het gebukt gaan onder de sterfelijkheid, onder de vergankelijkheid. Weemoed impliceert niet dat men ook werkelijk terug wil naar vroeger, het is geen actief sentiment - eerder passief, zou ik zeggen: weemoed kan je verlammen.
Een synoniem voor weemoed is het chique melancholie, dat oorspronkelijk (net als weemoed zelf) een medische conditie was: The Anatomy of Melancholy van Robert Burns (1621) was bedoeld als een medisch handboek, vooral handelend over wat we tegenwoordig klinische depressie zouden noemen.

Maar woorden hebben de neiging van betekenis te veranderen. Het zijn schepen met een steeds gelijkblijvende vlag die een wisselende lading vervoeren. Weemoed en melancholie worden allang niet meer uitsluitend opgevat als een medische conditie. Beide stemmingen kunnen ook plezierig zijn - je kunt er aangenaam in zwelgen. Niemand die smult van de poëzie van Bloem of van de liederen van Mahler zal het gevoel hebben dat hij rijp is voor de psychiater.
Nostalgie is nog veel meer veranderd van betekenis. Het wordt vooral gebruikt om het idealiseren van het verleden aan te duiden. 'Vroeger was alles beter'. Het werk van Anton Pieck was nostalgie. Er bestaan Facebookpagina's die ons dagelijks plaatjes van vroeger laten zien: oude gebruiksvoorwerpen, straatbeelden, filmbeelden, tv- of popsterren, enzovoorts. Nostalgie is een gemakkelijk en tot niets verplichtend sentiment. Het staat voor behaaglijkheid. Je wentelen in mijmering over een voorbije en daarmee onschuldig geworden wereld.

In het spraakgebruik lopen overigens de drie begrippen vrolijk door elkaar heen. Ik kies vaak voor nostalgie als ik een zin eerder al weemoed heb gebruikt - om woordherhaling te vermijden dus.
Dat die slordigheid tot misverstanden kan leiden bleek toen ik deze week een mailtje kreeg van literair redacteur Marcel van den Boogert, die een bijdrage heeft geleverd (Amarcord) aan Tussen Andreasplein en Zwarte Pad, ons onlangs gepubliceerde boekenweekgeschenk voor Nieuw-West. Hij verzette zich daarin hevig tegen de door mij gedane suggestie, als zou hij nostalgie koesteren inzake Geuzenveld en zijn daar doorgebrachte jeugd. Hij verlangde daar helemaal niet naar terug, verzekerde hij me; maar die tijd was in het gouden licht van de weemoed gedompeld, dat wel.
Marcel is iemand die zorgvuldig is met zijn woorden.

Commentaar op dit blog van Boris Rousseeuw: 'Nostalgie is op vakantie willen naar het Parijs van de jaren 50. Melancholie is beseffen dat dat onmogelijk is.'


(illustratie: Arnold Böcklin, Odysseus und Kalypso, 1883)

dinsdag 28 maart 2017

BOEKENBALLETJE

Dagelijks Bestuurder Ronald Mauer, aan wie het eerste exemplaar werd uitgereikt, droeg een zwarte spikkeltjesblouse onder zijn colbertje. Met zijn sonore stem, die hele voetbalvelden moeiteloos tot de orde kan roepen, raasde hij in recordtijd door een viertal A4'tjes heen. Ik kende de tekst al, die was nagenoeg identiek aan de inleiding die hij voor het boekje had geleverd, dus ik had alle tijd om zijn schoenen te bewonderen: slanke, puntige, kleurige schoenen van Mascolori of McDaddy.
Ook hier in Nieuw-West, op ons eigen gezellige achenebbisje worst-met-kaas-boekenballetje in Eddy's winkel Meck & Holt aan Tussenmeer, zorgen we ervoor dat we voor de gelegenheid gekleed zijn, dat zeiden die schoenen. Schrijfster Igrid Hoogervorst, die had afgetrapt met een voorlezing uit haar bijdrage Amsterdam-WestSideStory, zag er zelfs uit alsof ze op weg was naar een schoolfeest in de jaren tachtig: in spannend zwart geperst sprak ze de goegemeente toe. Maar zij was dan ook de enige die uitgenodigd was op het échte Boekenbal: ons balletje pikte ze even mee als voorafje. Zelf had ik gekozen voor het gloednieuwe batikoverhemd dat ik van mijn vriendin had gekregen voor mijn verjaardag, en ook Joch, die ik begeleidde in haar nostalgische liedjes, had een fleurige zijden blouse aan. Een iets te lichte dracht voor de frisse temperatuur die heerste in de winkel: met stijve vingers betokkelde ik mijn gitaar; even later leende iemand me barmhartig zijn alpacavest uit Peru, dat me de rest van de avond warm hield.
Tussen de leesbeurten door raakte ik in gesprek met Marcel van den Boogert, die ik nog van school ken. Als altijd in stemmig driedelig grijs, met effen das. In onze inleidende correspondentie had hij geschreven dat zijn Geuzenveldtijd inmiddels baadde in een bijna goudkleurig, Italiaans licht, en dat hij hoopte (en verwachtte) daarvan iets terug te vinden. Ach ja, mompelde ik toen ik dat las, en met weemoed dacht ik terug aan mijn eigen weemoed. Want voor mij is dat goudkleurige licht allang verdwenen. Vanaf het moment dat ik, bijna twintig jaar geleden, mijn oude buurt tot mijn onderwerp heb gemaakt heb ik het foton voor foton moeten inleveren. Met ieder liedje, met iedere tekst werd een beetje van dat toverachtige schijnsel onttrokken aan mijn herinnering. Mooie herinneringen die worden omgezet in kunst verdwijnen uiteindelijk uit je hoofd, dat is de prijs die de kunstenaar betaalt.
Ik heb het hem niet gevraagd, want we spraken over een wederzijdse literaire vriend, maar ik ben benieuwd hoe hem de avond is bevallen. Misschien is hij nog niet toe aan een herwaardering van Nieuw-West op eigen merites, en vond zijn nostalgie er teleurstellend weinig terug. In Amarcord, zijn bijdrage aan het alternatieve Boekenweekgeschenk, doet hij een flinke greep uit zijn geheugen. Het resultaat is een tekst die baadt in het gouden licht dat de gelukkige die voor het eerst zijn jeugdherinneringen optekent nog volop omstraalt.
Cathelijn Schilder, een van de scribenten van vorig jaar en nu als gast aanwezig, zei goedgehumeurd strijdlustig dat er volgend jaar meer vrouwen moeten meedoen, en dat de teksten meer over het heden zouden moeten gaan. Inderdaad, bladerend in het boekje Tussen Andreasplein en Zwarte Pad, Tweede Jaargang, valt op dat de stadswijk voor de meesten toch vooral iets van vroeger is, 'de voorbije toekomst', zoals Fred Martin het in zijn stuk verwoordt.
Zelf heb ik me ook zeer bezondigd aan die nostalgie, zoals u wellicht weet, hoewel ik bij de wijk van nu zeer betrokken ben en er graag en vaak vertoef. Ik citeer bij wijze van illustratie daarvan een alinea of twee uit mijn bijdrage De borsten van Veronica. Typisch zo'n goudenlichtgevalletje. Het boekje kunt u overigens nog de hele week gratis krijgen bij Meck & Holt, samen met het Nationale Boekenweekgeschenk. Daarna verschijnt het in de handel.

Het was een lichtloze avond in de late herfst, zonder regen of wind. Niet eens koud. Het schijnsel van de straatlantaarns stond machteloos tegen het donker, er lag een grauw floers over de wereld, die met haar glans ook de moed leek te hebben verloren. Gehurkt tussen de stekelige takken van de bosjes keek ik omhoog naar het verlichte raam. Daarachter deelden drie meisjes een kamer, dezelfde kamer aan de straatkant waarin mijn vader zijn piano had staan. Het gordijn was niet helemaal gesloten. Ik zag van alles bewegen, heen en weer schieten, en probeerde te onderscheiden wat er gebeurde – gingen er kleren uit? - maar voordat er iets duidelijks te zien was werd het gordijn helemaal dichtgetrokken. Ik bleef nog een tijdje gaten turen in het duister maar droop toen af naar huis.
Of… Veronica verscheen aan het raam, pakte de wijd open gordijnen beet maar aarzelde met dichttrekken. Haar uitgespreide armen lieten haar blote borst vrij. Als de tweelingkelken van half-gedroomde lelies wiegden haar borsten verleidelijk heen en weer. Wit en roze. Ik hapte naar adem. Ze bleef even zo staan, keek naar buiten, naar de bosjes aan de overkant, en sloot toen met een plagerig lachje de gordijnen.
Of? Ik weet werkelijk niet welke versie de juiste is. De tweede heb ik naderhand zo vaak gedroomd dat hij de eerste – en waarschijnlijk juiste - in de herinnering bijna heeft verdrongen. Ze lopen door elkaar, die twee beelden, vloeien in elkaar over. Er zijn te veel mensen die hun verbeelding verwarren met hun herinnering, zei de negentiende-eeuwse Amerikaanse humorist Josh Billings. Het is hem vaak nagezegd, maar ik geef de voorkeur aan mijn verbeelding.


Tussen Andreasplein en Zwarte Pad, Tweede Jaargang (Boekenweekgeschenk Amsterdam Nieuw-West 2017) is een uitgave van Stichting de Driehoek. Tijdens de boekenweek 'gratis' verkrijgbaar in boekhandel Meck & Holt (Tussen Meer 46, vlakbij het Osdorpplein) en bij de Bruna op het Belgiëplein. Het is ook nu al apart te bestellen en kost dan 9,90.

(Foto's: Anthonie Holslag)