dinsdag 15 december 2015

KUDDE


Mijn dochter heeft snelle ogen. Terwijl zij al ‘sst!’ zei realiseerde ik me pas dat ik een wit pluimpje had gezien. We stonden stil en keken, en even later dansten er twee herten voorbij. Hindes, in het veilige dennenbos verderop; hier in het loofwoud was het te open, de kale bomen waren de pilaren van een reusachtige zaal.
Het was onze vierde wandeling in het Speulderbos. Die eerste, zes jaar geleden alweer, kan moeilijk overtroffen worden. Een witte nevel had het 'oudste boombos van Nederland' toen omgetoverd in een sprookjesbos. De legende van het verzonken klooster bij het Solse Gat, waar je bij volle maan de gebarsten klokken kunt horen luiden en de voor hun zondige levenswandel gestrafte monniken kunt horen weeklagen, leek toen heel geloofwaardig. Maar ook op een lauwe zonnige wintermorgen was het hier goed wandelen. Er was vrijwel niemand. De volgende dag was een zondag en dan moet de Veluwe naar de kerk, dus iedereen deed boodschappen.
‘Het is hier lekker veilig,’ zei ik. ‘Voor een terroristische aanslag hoef je niet te vrezen. Stel je voor, een Jihadist, die zegt: kom, ik ga mezelf eens opblazen in het Speulderbos… Dat zal ze leren!’ Mijn broer grinnikte. Ik hoorde zijn schoenen ritmisch kraken. Ik begon een liedje uit Hamelen te zingen. 'Kom in de kudde, want de kudde is goed...' Al na een paar noten zette mijn broer in, gevolgd door mijn dochter. Iedere familie heeft zo zijn eigenaardigheden.
We aten ‘zoals altijd’ reusachtige stukken appeltaart in het Boshuis. Er brandden kaarsen. Over de everzwijnskop aan de muur was een bevallige kerstslinger gedrapeerd. ‘Vier maal huisgemaakt appelgebak,’ zei het dienstertje, alsof er ook appeltaart uit de fabriek op het menu stond, en wij voor de doe-het-zelfvariant hadden gekozen. Ook de slagroom was echt, en overvloedig. Genoeg brandstof voor de middag stevig cultureel toerisme die mijn vriendin voor ons in petto had.
Wist u dat er een Nunspeetse School bestond? Barbizon, Den Haag, Bergen, Laren zelfs – ja. Maar Nunspeet? Het Noord-Veluws Museum wijdde er een expositie aan: schilderijen van schapen, vandaag was de laatste dag. In de sacrale stilte van het moderne gebouw liepen we van kudde naar kudde. Mijn vriendin, die zelf schapen heeft, genoot met volle teugen, en las alle bordjes van A tot Z. Ik scande de verzameling, bleef met mijn ogen een tijd haken aan een paar werkjes van Anton Mauve en ging daarna zitten voor een groot doek van Taco Mesdag, de vergeten broer van de maker van het Haagse Panorama. Ook hier voelde het erg veilig: we werden bewaakt door een ernstige, belezen suppoost, en waren slechts omringd door een handjevol grijze, goedwillende bezoekers.
Toen ik genoeg geschilderde schapen had gezien ging ik naar buiten. Het was inmiddels begonnen te regenen. Onder een afdakje stak ik een pijp op. Nadat alle bordjes gelezen waren en onze kleine kudde weer compleet was liepen we naar de auto, op weg naar de Albert Heijn in Ermelo waar je zelf je boodschappen mocht scannen en zonder controle naar buiten mocht exporteren, en naar ons kabouterhuisje, waar de oliekachel het vocht had verdreven en een slaperige warmte verspreidde.


(Illustratie: Anthonij (Anton) Rudolf Mauve, 1838–1888)

vrijdag 11 december 2015

De stemmen van Sinatra


Mijn interesse in de muziek van Sinatra ontstond toen ik pas op het conservatorium zat. Voor die tijd hadden grammofonische zangers mijn drinkgelagen voorzien van romantisch, meest Duitstalig commentaar. Nu ik een bontmuts droeg en een witte shawl en mijzelf tot het gilde der baritons mocht rekenen werden mijn werkdagen al gevuld met Schubert en Mahler; voor mijn vrije tijd zocht ik dus een andere stimulus.
Dat ik die vond in de legendarisch blauwogige, Italo-Amerikaanse charmezanger is niet zo vreemd. Je hoeft het eerste het beste artikel over hem maar in te zien of je oog valt op de onvermijdelijke passage over zijn fabuleuze ademtechniek en frasering. Voor een klassiek zanger natuurlijk kwaliteiten die de interesse prikkelen, al moet ik er meteen bij zeggen dat veel van dit quasi-vakkundige geschrijf hem de wenkbrauwen doet optrekken.
Meer echter dan de techniek van Sinatra (hoe goed ook, de gemiddelde operazanger overtreft hem op dat punt) waren het andere aspecten die mijn aandacht trokken: zijn erotiek, zijn weemoed, zijn op het luie af ontspannen manier van zingen en zijn trefzekere, masculiene uitdrukkingskracht. De Sinatra waarin die hoedanigheden het best tot hun recht komen is die van de jaren vijftig en de vroege jaren zestig. Het duurde zo lang voordat ik dit fenomeen ontdekte doordat het zicht erop werd belemmerd door de in die tijd nog alomtegenwoordige oudere Sinatra: de raspende bariton wiens greep op de stem niet langer feilloos was en die met breedsprakige showorkesten achter zich hits voor middelbaren zong. De zanger van My Way was iets voor de generatie van mijn ouders.

Dat er naast die twee: de Bogart-achtige Sinatra van de fifties en de vader van Lee Towers, nog een derde Sinatra had bestaan wist ik al helemaal niet. Toch was Sinatra toen hij in 1953 begon aan zijn historische serie elpees voor Capitol bezig aan een comeback. Hij had er al een decenniumlange carrière opzitten als popster: een magere, jongensachtige man, omstuwd door gillende en flauwvallende meisjes. Het is ook in die hoedanigheid dat de flatteuze bijnaam The Voice hem werd toebedacht, en het is niet zo moeilijk te begrijpen waarom: als je luistert naar de oude opnamen hoor je een zoetgevooisd, nog weinig persoonlijk geluid - Bing Crosby, een tertsje hoger en wat minder sonoor. Van een ‘braampje’ was nog niets te bekennen. Soms, zoals in een oude opname van All or Nothing at All, is het zelfs moeilijk hem te herkennen. Hij stort zich daar aan het slot in een wat opgewonden, roekeloze hoge G, zo anders dan de wreed traag op gang komende F van later. Mijn eerste reactie was dat de platenmensen de spoeling met wat onbekende tijdgenoten hadden aangelengd. Pas later begreep ik hoe typerend deze klank voor het toenmalige popidool was: ik had inmiddels met gespannen verwachting wat van zijn films uit de jaren veertig gezien en was hevig teleurgesteld door het lulletje rozenwater in matrozenpak dat hij daarin speelde. Nee, de huidige trendy liefhebber die in café Wildschut met de vingers knipt bij Witchcraft kan beter zijn ogen sluiten voor dit stadium van The Voice. Alleen geschikt voor diehards.

Als je echter stemfanaat bént is het repertoire uit deze periode wel degelijk de moeite waard, want puur vocaal valt er veel te genieten. Er wordt met Schmalz en groot meesterschap over het mezza voce gezongen. Van de later zo typerende rauwe accenten ontbreekt ieder spoor. Daar moesten nog tien jaar Bourbon en Chesterfields overheen.
Een bijkomende aardigheid van het vroege repertoire is bovendien dat je de latere hits in hun over het algemeen vrij blanke oerversies kunt horen. Je beseft dan hoe ontzettend vaak Sinatra al die nummers moet hebben gezongen voor hij tot zijn uiteindelijke interpretaties kwam. Verre van een inspiratie, zoals het vaak wordt voorgesteld, was die volmaakte inleving in zijn teksten het resultaat van lange jaren avond aan avond de standaardsongs zingen. Tot ze werkelijk van binnenuit kwamen en schijnbaar improviserend konden ontstaan.

Het einde van de eerste periode in Sinatra’s carrière is omgeven door sprookjes van verloedering en blues. Die ademen dezelfde sfeer als de serie platen die hij niet lang daarna maakte als spreekbuis van de eenzamen. Het prachtige beeld dat de hoezen van In the Wee Small Hours of Point of No Return schilderen: een eenzame gestalte, weggedoken in een regenjas, die onder mistig lantaarnlicht een Chesterfield opsteekt, vindt zijn pendant in de ontstaansgeschiedenis van het nummer I’m a Fool to Want You.
Sinatra, zo luidt het verhaal, arriveerde gejaagd en somber in de studio, gebukt onder de last van zijn chaotische verhouding met Ava Gardner, en was tegen zijn gewoonte maar in staat tot één enkele opname van die torchsong aller torchsongs. En die was precies goed. Daarna schoot hij zijn regenjas aan en verdween in het troostende nachtleven.
Het waren vooral dit soort film noir atmosferen die me definitief wonnen voor de Sinatra van de vijftiger jaren.

’s Avonds laat teruggekeerd van een operetterepetitie waar ik een glimlach had moeten ophouden en de wereldwijze zanger had moeten spelen, schonk ik me een Martini in en parfumeerde de nachtelijke stilte met de weelderige melancholie van What Is This Thing Called Love. Sinatra’s stem, die als zo vaak het volmaakte midden bewandelt tussen een precieuze uitspraak en een smetteloos legato, heeft hier nog veel van de zoetgevooisdheid uit de jaren ’40, maar koppelt dat fluweel heel gelukkig aan een donkerder kleur en een mannelijk zelfbewustzijn. Nelson Riddle’s arrangementen, herfstige houtblazers op een donzen bed van strijkers, een verre ritmesectie en een spaarzaam tinkelend pianoloopje, brengen deze en soortgelijke songs op een Olympische hoogte, niet alleen voor die tijd, en niet alleen voor de amusementsmuziek, is mijn overtuiging.

De plaatopnamen die Sinatra voor Capitol maakte vallen grofweg in twee categorieën uiteen: elpees met de boven beschreven Amerikaanse nachtstukken, en platen met titels als Swing Easy en Songs for Swinging Lovers. Hierop is de entertainer aan het woord, de swinger die een suggestie van straatjongensbranie weet op te roepen, die door kleine tekstafwijkingen en subtiele grilligheden in uitspraak en prosodie de sfeer van eigengereidheid en zelfvertrouwen schept die zo belangrijk is in het Amerikaanse zelfbeeld. Mr Succes, noemt Sinatra zichzelf niet toevallig op een van de singles uit deze periode. Schetterend koper en een opzwepend ritme zijn de andere vaste ingrediënten van deze stijl. Mij heeft deze bravoure nooit zo geraakt als de geacheveerde blues van een album als Only the Lonely. Hoewel amusant en swingend vervelen de vaak wat clichématige arrangementen tamelijk gauw, en een zekere meligheid is ze soms niet te ontzeggen.

Het is in zijn laatste periode, pakweg na ’65, dat Sinatra dit genre pas tot volle rijpheid heeft gebracht. Het scherpe randje dat zijn stem in de vijftiger jaren begon te ontwikkelen is dan tot een regelrechte rasp geworden, waarmee hij zijn onderkoelde swing een keiharde onverschilligheid kon geven en beurtelings achteloosheid en omfloerst pathos kon uitdrukken.
Deze periode, de derde op de schaal die ik Sinatra voor het gemak van een hanteerbare chronologie toemeet, is overigens lang niet zo uniform van stijl als de eerste twee. De jazz had haar bepalende rol in de amusementsmuziek uitgespeeld en de wereld van de pop begon vele, vele gezichten te ontwikkelen. Daarvan heeft Sinatra zich er in de loop van de tijd verschillende aangepast. Sommige stonden hem heel goed, zoals zijn bemoeienissen met Carlo Jobim en de bossa nova, die hem deden verzuchten: ‘I’ve never sung so soft since I had the laryngitis…’ Met 25 jaar ervaring in het zingen van nostalgische balladen en een stem die het charmezangersvibrato inmiddels ten goede en ten kwade had verloren bleek hij in staat om moeiteloos in de koele huid van deze muziek van halftinten te kruipen. Wie een nummer als How Insensitive alleen kent van het kindvrouwtje Astrud Gilberto heeft het nog niet echt gehoord.

Niet alleen de klank van de stem veranderde van mellow naar doorleefd: evenredig met de aftakeling, de falende ademsteun en het haperende legato, kwam de nadruk meer te liggen op het expressief brengen van de tekst, vaak tot een soort praatzingen toe. Vroeger heb ik die manier van zingen ongetwijfeld storend gevonden, en ik heb vaak beweerd, alleen de vroege Sinatra (daarmee bedoelde ik die van de fifties, de middel-Sinatra dus) te kunnen pruimen. Sinatra heeft echter iets bedwelmends en verslavends, voor wie er gevoelig voor is. Geleidelijk aan breidde mijn waardering zich uit, tot die het gehele verschijnsel Sinatra omvatte. In zijn kielzog kwamen ook de andere beoefenaars van het genre mee. Maar hoewel ik toegeef dat Nat ‘King’ Cole zwoel en charmant kan zijn, Armstrong aanstekelijk, Fitzgerald glashelder en vindingrijk, Holiday ontroerend, Tormé smeltend en knap, er is maar één Sinatra.
De anderen zijn, hoe vreemd het ook moge klinken, te veel én te weinig zichzelf. Sinatra is in de eerste plaats een charismatische persoonlijkheid - de essentie van zijn charme blijft daardoor ook overeind bij het slijten van zijn vocale vermogens. Anderzijds is hij de meest integere onder de crooners: hij is consciëntieus in het benaderen van een song, gebruikt die nooit om te laten horen wat hij allemaal kan, maar gaat recht af op de kern van de muziek. Als je het wezen van een Cole Porter compositie wilt horen is Sinatra de aangewezen keus. Bij zijn grote collega’s hoor je meestal een meer jazzy en dus meer willekeurige interpretatie, bij zijn mindere vakbroeders een imitatie van zijn eigen maniërismen.

Natuurlijk zijn er opnamen waarbij de persoonlijkheid het falen van de stem niet langer kan compenseren. Zo had hij zijn laatste plaat met Quincy Jones, L.A. Is My Lady, in een hoop opzichten beter ongemaakt kunnen laten. Een vergelijking bijvoorbeeld tussen de klassieke Arlen compositie Stormy Weather op dat album met een eerdere, die op het album No One Cares uit 1959, valt nogal pijnlijk uit. Ginds belcanto, hier machteloosheid.
Een zeer interessante plaat daarentegen is de voorlaatste: She Shot Me Down. Deze grijpt terug op de gestileerde blues van de vijftiger jaren en heeft een doordringende, verlopen atmosfeer, zowel door de zorgvuldige arrangementen als door de vermoeide, maar sonore (en flatteus be-echode) stem van Sinatra. De hoes toont, net als die van het eerder genoemde No One Cares, een eenzame kroegscène: in een saloon (wie Kienholz’ Bar in het Stedelijk Museum heeft gezien weet wat ik bedoel) zit een inmiddels nogal pafferige ‘Ole Blue Eyes’ droef voor zich uit te staren. In de ene hand een glas whisky, in de andere een sigaret. De plaat lag lange tijd voor 4.95 bij de Free Record Shop. Niemand wou hem hebben. Hoewel dat zeker niet in overeenstemming was met de kwaliteit ervan, vond ik het onmiskenbaar juist en passend.

Ik denk niet dat je van welke echte ster dan ook kunt verwachten dat ze over de zelfkennis en –beheersing beschikken om op het juiste moment een einde aan hun carrière te maken. Maat is voor hen niet de meest aangewezen eigenschap. Sinatra heeft de wereld verrijkt met eenmalige fusies van muziek en persoonlijkheid, en die gift is veel waard. Al was hij meer maffioso dan The Godfather, al bleef hij doorgaan met steeds slechtere platen maken tot zijn stem door strottenhoofdatropie was ineengeschrompeld tot een perverse jongenssopraan – dankzij Edison blijft hij de eeuwig jonge zanger van een klassiek Amerikaans repertoire. Zijn nukken vergeef ik hem daarbij graag.
Behalve één: zijn oude-heren-neiging om er onbeduidende protégés op na te houden. Zoals de ‘brilliant young footdancer’ (Sinatra’s woorden) die bij Reagan’s inauguratiegala onbegrijpelijke pirouetten draaide en de aandacht allerhinderlijkst afleidde van de oude meester.
Die zong ondertussen, met brokkelige stem maar met onverminderde louche grandeur: ‘One for my baby, and one more for the road…’
De Chesterfield brandde daarbij op tussen zijn vingers, want roken deed hij natuurlijk allang niet meer echt.

(Dit stuk verscheen in 1985 in het periodiek Faun. Sinatra zou nog dertien jaar leven. Na het genoemde L.A. Is My Lady verschenen alleen nog Duets I en II: duetten met (vooral) popsterren, apart ingezongen door beide partijen en dus zonder echte chemie.
De auteur verontschuldigt zich voor sommige eigenwijze opinies die hij destijds had.)

dinsdag 8 december 2015

SINATRA 100


Door de VK werd ik, een paar dagen te vroeg, geattendeerd op de honderdste geboortedag van Frank Sinatra. Ik begon het artikel te lezen en was meteen terug in een andere tijd, in een andere wereld. Ik heb intens van Sinatra gehouden, en mijn liefde was blind en totaal: ik wist alles van hem, alles aan hem fascineerde me. Het begon in de platte jaren tachtig, als een soort escapisme, en duurde ruim een decennium; daarna verdween hij geleidelijk weer naar de achtergrond, maar nog steeds zijn het monumentale feiten, gekerfd in marmer: Hoboken, New Jersey, 12 december 1915, Francis Albert Sinatra.

Toen de punk woedde en lelijkheid mode werd zochten we naar iets dat het contemporaine moeras leefbaar kon maken, iets anders dan de etherische muziek van Skrjábin die de huiscomponist van onze ivoren toren was geweest: iets dat wereldser was, want we naderden de dertig en wilden leven, de tijd om ons op te sluiten in een droomkasteel was voorbij. Het werd de jazz van de jaren vijftig, complex, maar lekker louche en tegendraads, en je kon er fijn bij pokeren. We zoomden uit en ook andere muziek uit die periode kwam in zicht. In de uitverkoop bij de V&D kocht ik voor vijf gulden een plaat van Sinatra, In the Wee Small Hours. Het was overweldigend mooi, overrompelend goed. Ik was meteen verkocht en al gauw verslaafd. Binnen een paar jaar had ik een enorme stapel elpees, was ik lid van de Frank Sinatra Society, kon uren dromen boven fotoboeken en biografieën gewijd aan The Voice, probeerde hem na te zingen (wat nooit helemaal lukte) en noemde mezelf een kenner. Een minnaar was juister geweest.
Met die society betrad ik een vreemde wereld. Mijn neef de dierenarts was ook fan. Ik herinner me een avond dat we de vloer vol hadden gelegd met elpeehoezen, en dan om beurten kozen uit dit weelderig rijke aanbod, terwijl we net als de meester Jack Daniels dronken. Met mijn neef ging ik naar de Sinatra-dag, georganiseerd op 12 december in het Okura Hotel. Het was ver voor de tijd dat Sinatra opnieuw cool werd en je hem in grand cafés uit de speakers hoorde croonen. De meeste fans waren mensen van een ander slag, mensen die ik eigenlijk niet wilde kennen. Kroegbazen en poenige zakenmannen, voor de gelegenheid met een vlinderdasje getooid, die Las Vegas speelden. Maar ik ontmoette er ook een violiste met wie ik gestudeerd had, en die nu in een van de grote orkesten speelde – verbaasd lachten we elkaar toe: jij ook? Ja natuurlijk. We wisten allebei waarom. Niet om de vlinderdassen en Las Vegas, maar om de muziek, om die stem, om die man. Er werd filmmateriaal getoond. In de tijd voor YouTube was dat een zeldzame traktatie, we zagen de stem tot leven komen, zijn gebaren, zijn motoriek, onhandiger dan gedacht. Rita Reys en haar man Pim Jacobs speelden zijn repertoire. Ik was sceptisch geweest (Jacobs kende ik als gelikte tv-persoonlijkheid) maar ze waren geweldig. Jacobs deed leuk voor de camera maar hier toonde hij zijn ware gezicht, dat van een gedreven en virtuoze muzikant. Een vreemde broederschap was het, dit samenraapsel van mensen uit alle lagen van de bevolking, verenigd in de bewondering voor het blauwogige fenomeen uit Hoboken, die spijkerharde, boterzachte half-Italiaan met zijn onmiskenbare, eenmalige stem. Onze whiskyglazen vulden we in de wc bij uit een zakflakonnetje, want de barprijzen waren pittig.

Dit alles is lang geleden en de wereld ziet er nu heel anders uit. Ik drink niet meer en luister nog maar zelden. Maar de betrokkenheid blijft: als ik in DWDD Felix Maginn of Ruben Hein Sinatra hoor zingen rijzen mijn haren en verander ik in een brombeer. Het is een oude wrevel die ik van me af moet schudden als ik ze hoor praten over zijn techniek. Dat eeuwige gebazel over zijn timing! Laat ze eerst maar eens écht leren zingen. Want wat die mensen niet lijken te beseffen is dat Sinatra, al zijn roken en drinken en latere schorheid ten spijt, keihard heeft gewerkt, onvermoeibaar heeft gestudeerd, klassieke zangtechniek, jawel, dat hij toonladders zong en zijn adem trainde voor elk concert, dat zijn persoonlijke norm niet Bing Crosby of Billie Holiday maar eerder Caruso was. Met flair alleen red je het niet, jongelui! roept de brombeer voor de tv. Doorleefdheid is niet het resultaat van nachten doorhalen, en eigenlijk ook geen artistieke kwestie. Het verschijnsel Sinatra is gevormd met ijzeren discipline.

Volgende keer ga ik hier dieper op in met een lang stuk dat ik ooit, midden in mijn Sinatrafiele periode, voor het tijdschriftje Faun schreef: ‘De stemmen van Sinatra’.

vrijdag 4 december 2015

De zonnige kijk van Sunny Bergman


De half-Ghanese vriendin van documentairemaakster Sunny Bergman was terug in Ghana gaan wonen omdat het leven er minder voorspelbaar was dan in Nederland en ze dientengevolge gedwongen werd ten volle te leven. Ja, dacht ik, ingezakt voor de tv, daar zit wat in – jij zit maar angstig te wachten of je AOW nog wel komt, initiatiefloos gemaakt door een verzorgingsstaat die bezig is als een slecht gerezen soufflé in elkaar te zakken. Moet jij ook niet naar een ver land, opnieuw beginnen, ten volle leven?
Die zwarte mensen glommen van levenslust, dat zag je zo. Bergman, nog niet zo lang geleden hersteld van een burn-out, was gaan onderzoeken hoe er ginds met psychische problemen werd omgegaan. Wat bleek? Die waren er niet. Het Ga kende geen woord voor depressie. Vermoeid, verdrietig, verder kwam de taal niet.
Ik schoof ongemakkelijk heen en weer in mijn luie stoel. Een schuldbewust stemmetje, bijna vergeten in een hoekje van mijn geest, fluisterde: zie je nou wel? Welvaartsverschijnselen. Ingebeelde ziekte, Westerse decadentie. Een licht gepieker volgde. Al die glimmende mensen leefden in een hecht sociaal verband, deelden hun emoties, namen het leven zoals het kwam, van dag tot dag. Wij westerlingen waren op een dwaalspoor, het Avondland was gedoemd om ten onder te gaan in overmatig subtiel, cerebraal individualisme.
Maar halverwege de documentaire werd er een oom geïntroduceerd. Deze man glom ook, maar met een stillere glans. Hij was kinderloos gebleven en een tijd aan de drank geweest. Soms had hij zich van het leven willen beroven. Hij kon er nu om lachen, want de Heer had hem gered. Hoewel, toch niet helemaal. Hij bleef buien houden waar in het Ga geen woord voor was.
Ik ontspande weer wat, het stemmetje zweeg.
De oom ging naar de toverdokter. Die liet hem zien wat zijn probleem was: hij had, uit faalangst of verlegenheid, de zetel en de positie van dorpsoudste geweigerd en daarmee het ongenoegen van de voorvaderen over zich afgeroepen. Vervolgens werd er uitbundig gedanst en gezongen. Deze rituelen, legde een Ghanese intellectueel uit, waren vergelijkbaar met onze psychotherapie en fysiotherapie, maar dan alles in één, doorverwijzing overbodig. De vriendin van Sunny Bergman was niet blij met deze uitleg. Die legde alles langs de Westerse meetlat, vond ze. Maar ik vond haar wrevel ook een beetje arrogant. Ik stelde me voor hoe een Ghanese filmer een reportage zou maken over een psychotherapeutische sessie en daarna de praktijk van een fysiotherapeut zou bezoeken. En dat er dan iemand met een bril zou uitleggen: eigenlijk is de psycholoog een toverdokter, en in plaats van dansen worden wij gemasseerd om onze spanningen af te schudden. Een conclusie die ik ten volle zou onderschrijven.
Sunny had ons de zonnige kant van een andere samenleving willen laten zien. Maar zolang er drinkende en depressieve ooms bestonden was het in Ghana toch niet zo wezenlijk anders dan bij ons, leek me. Niet anders genoeg in elk geval om mijn luie stoel te verlaten, een visum aan te vragen voor Donker Afrika en mijn twijfelachtige AOW niet langer af te wachten.

dinsdag 1 december 2015

NOVEMBER


We liepen van het Muziekgebouw naar de pont. Ik hield met één hand mijn hoed stevig vast en met mijn andere mijn pijp, waaruit een vonkenregen sproeide. Vuurvliegjes tuimelden even mee met de storm om al snel te doven boven het loodgrijze water van het IJ. We kwamen van een concert met microtonale muziek, de tegenstelling kon niet groter zijn: ginds het spel van het intellect, de illusie dat de wereld vanaf de tekentafel manipuleerbaar is, hier het lied van de elementen, grillig en woest – lopen ging moeizaam, pijproken was onmogelijk, aan kwarttonen zingen viel al helemaal niet te denken.
Aan boord van het pontje keek ik naar de lichtjes die flikkerden aan de overkant. De pont maakte een scherpe draai en ploegde vastberaden door het weerbarstige water. Er waren niet veel passagiers, ook fietsen was geen doen in dit weer. Ik stond aan de reling en keek hoe de oever van Noord dichterbij kwam. Ik dacht aan de afgelopen maand. Het was me wel een november geweest.
Voorjaar en najaar zijn altoos mijn drukste seizoenen, als artiest ben je dat gewoon; maar deze herfst was alles samengepakt in die ene maand. Vroeger kon ik dat wel hebben. Ik liet me drijven op de stroom of werd voortgejaagd door adrenaline. Met alcohol trok ik een streep tussen de verschillende uitdagingen. Vierde feest na een première, kickte af van de roes, begon aan een nieuwe rit. Nu leek het of de verschillende spanningsbogen, die bovendien leidden naar zulke diverse optredens, naar zulke diverse muziek, elkaar overlapten. Ik liep al die ritten tegelijk, finishte bijna gelijktijdig met steeds een ander rugnummer. Lekker afwisselend, zeggen optimisten, maar ik vind het nogal verwarrend. En, nog een verschil met vroeger: als ik toen midden in een theaterproductie zat was dat mijn wereld. Tijdelijk, maar duidelijk omlijnd en veilig. Ik wist hoe laat het was maar wat er in de buitenwereld gebeurde was maar een vaag gerucht. Niet echt van belang. Tegenwoordig leef ik met open ogen. Als de wereld al een illusie is dan geldt dat voor de hele wereld, op een filosofisch niveau – niet alleen voor de wereld van de ‘anderen’. Parijs en Brussel kwamen dan ook hard binnen. Om het gevoel van dreiging en somberheid dat ze opriepen af te schudden ben ik niet jong en egocentrisch genoeg meer.
En waar was mijn colbertje gebleven? Het was nog lang jasjesweer geweest, deze november. Een shawl was genoeg. Een trui. Nu zaten we midden in de maand waarover Jacques Bloem zo mooi schreef. Gutsende regen, grauwe luchten. Mijn koor had de woorden gezongen, nog maar twee weken geleden, aan de vooravond van het weekend dat Brussel zijn adem inhield: ‘Het regent en het is november:/Weer keert het najaar en belaagt/Het hart, dat droef, maar steeds gewender,/Zijn heimelijke pijnen draagt.’
Droef, ja. Zeker. Gelukkig heb ik sinds kort de kattenbroertjes Snuf en Snuitje in huis om me op te vrolijken, die malen niet om terreur en dreiging en vinden het leven één groot feest. Maar ‘gewender’? Het lijkt eerder erger te worden met de jaren, die gevoeligheid voor de duisternis. En van een leeg hart kan ik ook niet spreken. ‘Altijd november, altijd regen, altijd dit lege hart, altijd,’ ik zong het met instemming mee vanaf mijn lessenaar, maar eigenlijk was mijn hart eerder te vol dan te leeg. Betrokkenheid bij wat je doet, bij de mensen en de wereld om je heen, het is bij wijlen een pittige last om te dragen, een storm om tegenop te boksen - maar ik geloof toch niet dat ik anders meer zou willen, gesteld dat ik de keus had.
Het pontje meerde aan. We tornden op tegen de natte wind en liepen naar de auto, die ergens op een verlaten industrieterrein op ons wachtte. Op naar de winter, op naar december! Rust, boeken, romantische komedies, houtkachel, sneeuw, kerstmis – er lagen nog genoeg dromen om te repareren als mijn hart weer wat meer ruimte had.


(Foto: Paulien Kop)

vrijdag 27 november 2015

Het Monster van de Sloterplas


Het plan ontstond tijdens de opening van de Boekenweek dit jaar. Fred Martin presenteerde een voorleessessie in boekhandel Meck & Holt in Osdorp. Ik zong mijn liedje over het Monster van de Sloterplas. Schrijver Anthonie Holslag, een relatieve nieuwkomer in het stadsdeel, luisterde verrast toe en zei dat hij als cultureel antropoloog wel eens onderzoek wilde verrichten naar die legende: urban legends waren een specialiteit van hem. Hij had zin het verhaal tot op de bodem uit te zoeken!
Maar de Sloterplas is met 35 meter diep genoeg voor drie, dus waarom zouden we er geen samenwerking van maken? Een boek met verhalen, geschiedenis, herinneringen en fantasie, opgehangen aan het kindersprookje dat in mijn liedje wordt bezongen – we sloegen de handen ineen en gingen aan de slag. We hielden palaver bij Anthonie thuis, met uitzicht op de plas. Aan het eind van de zomer moest de kopij klaar zijn, voor de feestdagen moest het in de winkel liggen.
Niets zo fijn als het begin van zo’n creatief proces. Ik besloot mijn computer dit keer met rust te laten. Mijn aandeel zou bestaan uit jeugdherinneringen en die zou ik beter kunnen losweken uit het onwillige geheugen als ik met pen en papier in een stoel zat te peinzen, dacht ik. Ik had nog een leeg schrift met harde kaft liggen, paars, lila en goud, zo’n Chinees ding van de Xenos; daarin schreef ik zoals het kwam, ik liet mijn herinneringen aan het woord; die babbelden vrijuit en ik notuleerde, mijn hand hield het nauwelijks bij. De aprilzon scheen vriendelijk naar binnen, de vogels floten bemoedigend. Ik verbleef weer in het Geuzenveld van mijn kinderjaren en zag tot mijn verrassing mensen en gebeurtenissen terug die ik dacht vergeten te zijn. Tussentijds reed ik naar de plas om locaties te checken, mijn topografie op te frissen.
Het laatste gedeelte schreef ik in de citroenboomgaard van mijn schoonzuster, in Andalusië – ver van huis, maar tegelijkertijd dichter bij huis dan ik in tijden was geweest. Thuis was het op dat moment zo leuk niet: mijn poes Tijger was ernstig ziek, ik sms’te bezorgd met mijn dochters. Als het schermpje van mijn telefoon leeg bleef herademende ik opgelucht – geen nieuws is goed nieuws. Ik probeerde van het moment te genieten maar het best lukte dat met momenten van lang geleden. Onder de Spaanse zon kleurde het landschap van Amsterdam-West zich als vanzelf in weemoedige tinten.
Toen het af was en op de computer was uitgewerkt gingen we aan de slag met de liedjes. Want er moest een cd’tje bij het boek komen. Ik schrijf in mijn verhaal zoveel over mijn muziek dat een voorbeeld wenselijk was. Ik zou wel willen dat iedereen die liedjes kende en wist waarover ik sprak, maar zo was de realiteit natuurlijk niet. Met Martijn, Lucas, Daniël en Dave maakten we akoestische registraties van een paar klassiekers in nieuwe arrangementen, zodat de muziek ook interessant zou zijn voor degenen die niet de wenkbrauwen optrekken bij dat zojuist gebezigde woord ‘klassiekers’.
Ondertussen zetelde Fred boven torenhoge stapels archiefmateriaal en dwaalde de fantasie van Anthonie door de motregen van een nogal spookachtige plas.
Alles was op tijd klaar. Mijn dochter mailde op de valreep uit Londen haar beloofde tekeningen door. Fred vertrok naar Nieuw-Zeeland, het boek ging naar de drukker.

Het resultaat wordt morgenmiddag om 16:00 uur in boekhandel Scheltema ten doop gehouden. Gepensioneerd stadsecoloog Martin Melchers krijgt dan het eerste exemplaar in handen gedrukt en zal zijn deskundige mening geven over het beest dat ons zo aangenaam heeft beziggehouden: Het Monster van de Sloterplas.



Nu overal te koop: "Het Monster van de Sloterplas", door Fred Martin, Jan-Paul van Spaendonck en Anthonie Holslag. Het ideale kerst- of Sinterklaascadeau voor wie wil weten wat er zich in de bosjes en landjes van Geuzenveld afspeelde in de jaren zestig, of voor wie nieuwsgierig is naar de historie van Nieuw-West, en naar zijn sagen en legenden. Rijk geïllustreerd, onder meer met tekeningen van Rosanne van Spaendonck. Met speciaal voor dit boek opgenomen CD.
ISBN 978-94-90586-13-3
Gebonden, 21x21 cm, 252 pagina's
EUR 24,90
Bestellen via de webwinkel van Stichting de Driehoek, bol.com, of de reguliere boekhandel.

dinsdag 24 november 2015

RATTEN


Arm Brussel, blijf ik maar denken. Ik zou over iets anders willen schrijven maar kan niks verzinnen. Ik heb er vrienden wonen en ben er pas nog geweest. Ik zie ons nog glibberen over het ijzel om van het hotel naar de Grote Markt te komen, het was een stralende, fel-koude februaridag. De sfeer was opgewekt, uitgelaten. De cafés zaten vol, obers, zo zwart-wit als mijn katjes, draafden af en aan met dienbladen vol speciaalbieren en aperitieven. Ook in oktober was de zon er mild, je kon nog net buiten zitten. Op een pleintje in Schaerbeek vierde de buurt de vrijdagnamiddag. Schragen tafels tussen kraampjes, de pittige geur van spit en houtskoolovens, iedereen at en dronk. Arm Brussel, moet ik wel denken, terwijl ik de foto’s bekijk: problemen waren er toen ook, genoeg zelfs, veel, om eerlijk te zijn, maar aan het dagelijks leven knaagden die toch niet. Er werd volop geleefd in Brussel. Nu hebben de ratten aan de fundamenten van de stad geknaagd. De stad is bang en houdt haar adem in.
Het eerste wat ik doe als ik opsta is een nieuwssite bekijken, in de hoop dat de boeven zijn gepakt, en dat alles weer gewoon is. Als bij toverslag: hup, weg met dat floers van angst en somberheid. Allez, terug naar normaal! Maar nieuws blijft uit, de noodsituatie stagneert, een vreemde gelatenheid zet in: Brussel is een bezette stad, dat is de status quo. Wen er maar even aan. Kan dat waar zijn? Kan een metropool van een miljoen inwoners lam gelegd worden door, nee, niet eens de acties, maar de dreiging met acties van een kleine handvol criminelen? Nee, niet eens dat, want die ratten houden zich stil in hun hol en dreigen niet – we hebben het van horen zeggen, van ‘bronnen', dat er acties op handen zouden zijn. En het stadsleven wordt op grond van die geheime informatie (of zijn het geruchten?) op een angstig laag pitje gezet. Binnen blijven en je adem in houden, net doen of je er niet bent. Nog even en het vlammetje dooft. Kan dat werkelijk zo zijn? Blijkbaar, we zien het gebeuren. En straks gebeurt het hier ook, dat lijkt slechts een kwestie van tijd, zegt de pessimist in mij.
Maar, wat een macht moeten die ratten dan wel niet voelen… en wat een precedenten schept deze prudentie! Je hoeft geen aanslag meer te plegen om het Westen op de knieën te krijgen, je hoeft alleen maar een aanslag te willen plegen. Het bezit van een bomgordel is genoeg, bespaar jezelf de moeite van het opblazen, niet nodig. Allah beloont je zo ook wel, hier en nu. Hemel en maagden komen later.
Over angstcultuur gesproken. We moeten gewoon doorleven na Parijs en ons vooral niet laten intimideren, want daarmee hebben de ratten gewonnen, was de toon die de autoriteiten aansloegen, nog maar een week geleden. Ik vraag me af of mijn Brusselse vrienden wel naar de supermarkt kunnen, of zou de Delhaize ook uit voorzorg zijn deuren gesloten houden? Moeten ze maar alvast gaan hamsteren? Meel, suiker, olie, water? En hoe gaan de kinderen met hun verplichte vakantie om? Mogen ze wel buiten spelen? De dreiging van aanslagen geldt volgens premier Michel vooral voor winkelcentra, straten en het openbaar vervoer. Dat is dus overal. Als de straat niet meer veilig is, waar moet je je dan ophouden? In je hol, net als de ratten? Deze grote vraag dringt zich aan me op, terwijl ik foto’s bekijk van een ander Brussel, van nog maar een maand geleden: zijn we verstandig bezig, zijn we gewoon voorzichtig, of zijn we op onze rug gaan liggen voor de hond met de grotere bek, geïntimideerd door zijn blikkerende tanden en zijn stinkende adem? Wie het weet mag het zeggen.

[Naschrift: mijn Brusselse vrienden laten desgevraagd weten dat de situatie natuurlijk ernstig is, maar niet zo dramatisch als in de berichtgeving wordt gesuggereerd: buiten het centrum zijn winkels en cafés gewoon open, het straatleven in volle gang. Van hamsteren is geen sprake. Enige sensatiezucht is de media natuurlijk niet vreemd.]