vrijdag 13 november 2015

De bonte droom van het circus

Toen het plan rees om de nieuwe voorstelling van het Tuinstadtheater in en rondom een circus te laten spelen moest ik wel even slikken. Ik heb altijd een hekel aan het circus gehad. Dat gaat terug tot mijn vroegste kinderjaren. Als kleuter moest ik halverwege de voorstelling van de firma Renz of Boltini door mijn opa de tent worden uitgeleid. Ik was bang, in paniek. Iets dergelijks zou zich later tijdens een rondvaart voordoen. In het midden van de tocht door de Amsterdamse grachten moest de boot aanmeren om mij aan wal te laten: de eerste symptomen van een angststoornis, hoewel niemand dat toen al zo noemde. Vreemd genoeg heb ik er geen afkeer van rondvaartboten aan overgehouden. Maar circus? Alleen de geur al. En die treurige sfeer van even sjofel als spijkerhard vermaak. Noch de charme van kleine Italiaanse of Franse familiecircusjes, noch de perfectie van moderne circusshows konden er iets aan repareren. Tussen mij en de reizende tent met zijn nijvere volkje kwam het nooit meer goed.
Mijn inspiratie voor de liedjes haalde ik uit een oud album uit de boekerij van mijn opa. De bonte droom van het circus heet het misleidend vrolijk. Zelfs dat boek is treurig: als kind haalde ik het alleen uit de kast wanneer er sprake was van zeer ernstige verveling. Uit de zelf ingeplakte plaatjes walmde niets dan droefheid, net als uit de tenten van mottig zeildoek: de vrouw met de baard, de ‘poedelman’, gedresseerde katten met belletjes op hun hoofd en jurkjes aan.
Met sardonisch plezier pende ik een van de eerste liedjes neer. ‘Als kind was ik bang voor het circus’. Als het dan toch moest, liedjes verzinnen over het circus, dan zou ik er ook meteen maar een therapeutische draai aangeven. Schrijf en zing je jeugdtrauma’s van je af, troubadour!

De schijnwerpers waren te fel,
De geluiden te schel -
Alles schetterde, grijnsde me aan…

Al die grimassen in felrode schmink -
het was mijn idee van de hel!



Maar het is gek. Toen ik laatst in mijn hoofd naar die oerherinnering zocht kon ik niets vinden. Een blanco. Geuren, kleuren en geluiden waren er wel, maar die dateerden van later datum, van het enige circusbezoek waarop ik mijn kinderen vergezelde, voordat ik dat maar liever aan hun moeder overliet. Ik heb het verhaal zo vaak verteld dat de gesproken versie de oorspronkelijke indruk heeft vervangen, hoe sterk die ooit ook geweest moet zijn. Zoals je soms herinneringen lijkt te hebben die in feite gebaseerd zijn op oude foto’s of op wat je als kind bij herhaling verteld werd, schijnherinneringen, zo kun je blijkbaar - omgekeerd - ook je werkelijke herinneringen verliezen door ze aan anderen door te geven.
Ik zal ze zondag met overtuiging bezingen, die jeugdige angsten. Maar zelf zit ik er niet meer mee. Ik begin zelfs van het circus te houden.

De Kerstentent
De Meervaart, Blauwe Zaal.
Aanvang 15:00 uur, toegang 10 euro.

dinsdag 10 november 2015

SEX IS FORBIDDEN


Het begon te waaien. Ik was blij met de bezem die door het jaar ging. De planken van het dak – rot en voos – waren onlangs vernieuwd. Ook het nieuwe hout had er zin in. Het floot mee met de wind, een lichter lied dan het oude gezongen had.
In de yogaklas waren de gordijnen gesloten. De ruimte was gehuld in een okerkleurig licht. We waren laat omdat mijn vriendin eerst nog een stoombad had willen nemen. We slopen naar binnen om onze matjes in stilte neer te leggen maar die voorzorg was overbodig. We hadden ons niet hoeven haasten. Anna, zo zal ik haar maar noemen, was er. Anna kan niet tegen stilte. De lerares is lankmoedig en gaat geduldig in op al haar lukrake verbale uitingen. Ik ben altijd blij als de rituele woorden klinken – ‘we zitten hier nu echt even op het matje’ – en de reeks oefeningen begint. Er ontstaat dan een cadans van adem en bedachtzame beweging die heel natuurlijk uitmondt in de meditatie.

Tijdens mijn ziekte vorige week las ik in één adem Sex is Forbidden van Tim Parks uit. Het boek speelt in een Vipassana retraiteoord. Maar meer dan over meditatie gaat het over taal. In ons hoofd is voortdurend een verteller aan het woord, die een samenhangend verhaal construeert over onszelf, over de wereld en onze plaats daarin; vóór onszelf, en in tweede instantie voor anderen. We rechtvaardigen onszelf en bakenen de wereld af met taal. Maken haar veilig met taal. De innerlijke verteller is een conservatief en angstig heerschap, hij bouwt een verhaal uit wat hij weet en uit wat hij vreest. Een van de weldaden van meditatie is dat die verteller nu eens even de mond wordt gesnoerd, zodat we zonder vooringenomenheid kunnen zien wat het leven ons aanbiedt en verandering een kans krijgt. Parks, in een interview: ‘I don’t see words so positively. Language and the word is the area of control and phobia. That is how I see it. Words are constantly creating orthodoxies that are terribly hard to break down.’
De hoofdpersoon van The Server, zoals de titel van de oorspronkelijke Britse editie luidt, heet Beth; dit getraumatiseerde zangeresje wil haar ervaringen eerst verdringen en vervolgens – verbaal – verwerken. Maar uiteindelijk laat zij ze maar liever 'gewoon' uitdoven. Ze sluit vrede met haar verleden, min of meer, en begint opnieuw, voortaan als Lisa. Het luchtige einde van de meeslepende roman (Beth keert terug in de normale wereld, neemt haar oude leventje weer op maar heeft toch wel het een en ander opgestoken) stelde me een beetje teleur. Een damesroman, dacht ik neerbuigend. En daarmee bewees ik ongewild de juistheid van het punt dat Parks probeert te maken: de meeplottende verteller in mij wilde, geheel in overeenstemming met zijn aard, dat het allemaal tobberig en complex bleef. Voor luchtigheid was geen plaats, in verandering was niet voorzien.

Anna grijpt elk voorval aan om terug te keren tot de gewone gang van zaken. Er is een klusjesman bezig in het gebouw. Hij laat iets vallen, het klettert op de grond. Anna maakt er een grapje over. De yogajuf gaat er liefjes op in. De cadans is gebroken, de flux hapert, ik raak uit mijn humeur.
Na afloop van de meditatie komt de lerares terug op het voorval. We zijn een eenheid, zegt ze, we leven in een cocon, een fluïdum van vrede. Niets kan ons daarin verstoren behalve onze eigen ergernis. We hebben zelf de keus: de buitenwereld toe te laten of die schouderophalend te negeren. Anna schudt ijverig haar hoofd en zegt: ja, klopt, mijn zuster…. Ik probeer het familieverhaal dat volgt niet te horen en bij het rustige en heldere gevoel in mezelf te blijven. Maar dan richt ze zich plotseling tegen mij. ‘Wat ben je stil?’ zegt ze flirterig.
‘Ik houd van stilte.’
‘Maar ik vind het zo leuk als je meepraat.’
‘…’
‘Vind je dat ik te veel praat?’
‘Ik ben in mijn eenheid, niets kan me verstoren.’
Anna lacht. Ik lach aarzelend mee. Taal warmt op, het verhaal gaat verder.


(Illustratie: Luci Gutiérrez)

vrijdag 6 november 2015

Wegens ziekte gesloten



donderdag 5 november 2015

ALICE BELUISTERD


Alice in Wonderland, radio Klara, 4 november 2015. Presentatie Vitalski, gasten Diane Broeckhoven, Elizabeth Marain, Rookzanger. Luister hier.

(Illustratie Arthur Rackham)

dinsdag 3 november 2015

ALLERZIELEN


De pastoor leest de namen op van de parochianen die de afgelopen twee jaar gestorven zijn. Twee bladzijden van het misboekje vullen ze. Ik lees mee. Achter iedere naam staat een cijfer. Een paar zijn te jong gegaan, maar de meesten hebben een acht of zelfs een negen vooraan in de optelsom van hun aardse jaren. Eén honderdjarige. Een misdienaar steekt een kaarsje aan voor hen allemaal, een voor een. Het duurt lang, ik moet geduld hebben. Ik denk aan mijn eigen doden. Als het laatste kaarsje aan de grote Paaskaars is aangestoken en op zijn plek is gezet worden we uitgenodigd om naar voren te komen en voor onze eigen gestorven dierbaren een kaarsje aan te steken. De koster heeft een arm vol waskaarsen, genoeg voor de hele kerk. De banken stromen leeg. Ik overweeg even om in de rij te gaan staan maar blijf zitten. Ik werk hier en wil niet dat ze zich dingen afvragen. Ik trek me nog steeds te veel aan van wat de mensen van me zullen vinden, die gewoonte is hardnekkig. Ik kijk naar de flakkerende vlammetjes en denk aan mijn katten, zeventien geworden allebei. Zou ik voor hen een kaarsje mogen branden? Vast wel. Volgens Reve heb je katholieke dieren, en de kerk is er tenslotte voor iedereen. Mijn moeder doemt op, en even het gezicht van mijn beide oma’s, frêle, stokoud, glimlachend. Dan mijn schoonmoeder, vorig jaar overleden. En natuurlijk is daar Frank, drie jaar geleden op 61-jarige leeftijd verdwenen. We kenden elkaar nog niet zo heel lang maar we waren zielsverwanten, broeders in het bloed van Christus, voor ons wijn geworden. Zijn sterven maakte ik op Fanta mee en het kwam hard binnen. Ik zie hem nog vaak voor me, heel levend, en kan niet begrijpen dat hij er niet meer is.
Twaalf jaar geleden organiseerden mijn vriendin en ik een Allerzielenconcert. Het was een van de eerste keren dat ik Frank ontmoette. Hij was nog dik toen, met een rooie kop. Het optreden was in een loods, boordevol opslag. Een bevriende kunstenaar had de bric-à-brac artistiek gerangschikt tot een spookachtig toneeldecor. De wind woei hard, het plaatijzeren dak klepperde. Straalkacheltjes gloeiden op en er brandden kaarsen. Het publiek zat in winterjassen op gammele stoeltjes. Ik zong mijn melancholische liedjes, begeleid door mijn zoon. Na afloop was er soep en wijn. Frank, zelf klassiek hoornist, prees ons gul - dat zou hij de jaren daarna nog vaak doen. Hij was een wantrouwig en kritisch mens maar kon zijn bewondering zonder terughouding uiten. Wie hij liefhad werd op een voetstuk gezet. Ik sta er nog steeds op, maar het wankelt in de ijle lucht – de man die het overeind hield is weg.
Als ik de kerk verlaat wil ik alsnog een kaarsje aansteken, voor het Maria-altaar. Maria is onze middelares, zij zorgt wel dat de intentie naar de juiste personen doorkomt. Ik loop in de richting van het licht maar zie een ongewoon tafereel: een familiegroepje heeft zich verzameld voor het altaar, armen om elkaars schouders. Ze lachen en poseren. ‘Iets meer naar rechts, anders staan de kaarsen er niet op.’ Een selfie. Allerzielen 2015.
Terwijl ik de deur opendoe hoor ik nog: ‘Ik zet het op facebook’.

vrijdag 30 oktober 2015

ZELFHULP


Ik heb een vriend die graag zelfhulpboeken leest. Een man van wie je zoiets absoluut niet verwacht: evenwichtig, sterk, geslaagd in het leven. Misschien is een deel van zijn succes te verklaren uit zijn talent om lering te trekken uit andermans ervaring? Zelf heb ik me nooit aan dergelijke lectuur bezondigd. Tot voor kort: ik had een gesprek met een therapeute. Ik had aangegeven dat ik wel eens wat vrolijker in het leven wilde staan, en nu zat ik met een stapel boeken op schoot. Bovenaan lag Denk je sterk. Ik begon te lezen. Ik snapte wat ik las.
Enthousiast begon ik ingesleten negatieve gedachten om te buigen in positieve. Een tijdje leek het te helpen, maar op een dag merkte ik dat ik weer de gewone oude zwartkijker was. Zo’n methode heeft alleen kans van slagen als je het serieus aanpakt. Maar het probleem is: als ik zo’n boek eenmaal uit heb, als ik begrepen heb wat het wil zeggen, dan verliest het zijn kracht. Het sap is eruit. Ik sla het verveeld open en denk: weet ik al. Het heeft een impuls gegeven die tot niets leidt. Een uitdovende vuurpijl. Een smeulend rotje.
Toch kun je uit zulke boeken verrassende inzichten verwerven. Van de week kwam Ik heb de tijd van Paul Loomans toevallig op mijn pad. De auteur, voormalig bewegingstheatermaker, thans zenmonnik en coach, formuleert een methode in zeven stappen waardoor we stresslozer kunnen leven. Tijdsurfen noemt hij dat modieus. Leuk vormgegeven, lag lekker in de hand, ik bladerde en las hier en daar wat. Een half uur later was mijn zelfbeeld drastisch veranderd. Piekeren, zegt Loomans zo ongeveer, is het resultaat van onverwerkte emoties. Als je een emotie zijn gang laat gaan raast hij vanzelf uit. Komt op, piekt, daalt, dooft, en weg is hij. Maar als je hem wilt beteugelen met het verstand woekert hij door. Veel gevoelige types doen dat, uit zelfbescherming. Emoties komen hard binnen en je bouwt een mentale muur om ze buiten de deur te houden.
Kijk, daar had ik wat aan. Ik wist allang dat ik slecht was met emoties. Sinds mijn woelige adolescentie heb ik een schild om mijn ziel gebouwd. Daardoor geef ik me moeilijk over aan anderen en isoleer ik mezelf. Fout, ik weet het, en ik neem me vaak voor daar eens iets aan te gaan doen. Maar dat die weggedrukte gevoelens zorgden voor al dat zwarte gepieker, dat was nieuw voor me. Het klopte ook wel: de afgelopen maanden heb ik mijn twee oude huiskatten verloren. Voor verdriet gunde ik me de tijd niet, zogenaamd zen accepteerde ik het verlies. Maar ondertussen was ik verbaasd dat ik zo vreselijk zwartgallig was, zoveel en zo dwangmatig aan vergankelijkheid en verval dacht. Denkend aan de dood kon ik niet slapen en niet slapend dacht ik aan de dood. Dat dit te maken had met mijn recente verliezen kwam vreemd genoeg nauwelijks in me op, hoe stom kan een mens zijn! Ik leed duidelijk aan een slechte geestelijke spijsvertering. Voortaan moest ik emoties maar eens onderkennen, ze de ruimte geven. Niet denken maar voelen.
Diezelfde avond kwam er een gelegenheid om mijn nieuwe inzicht te testen. Er was een programma op tv over de opera, Bloed, zweet en aria’s. Ik keek geboeid maar halverwege begon het oude liedje weer. Had ik niet ook…. Spijt en jaloezie zetten een bekend patroon van gedachten in werking. Ik begon mezelf te rechtvaardigen, mijn verleden te onderzoeken, mijn zwakheden recht te praten, mijn huidige status te verdedigen. Tegenover wie? Tegenover mijn innerlijke criticus, jawel, wie die ook is. Ho, stop! riep ik mezelf toe. Wat voel je nu eigenlijk? Wat probeer je weg te praten? De gedachtentrein hield halt. Ik sloot de ogen en voelde... een mengsel van droefheid en van spanning. Ik moest iets maar had mijn kans gemist, zoiets.
Het gevoel trok weg terwijl ik het doen en laten van die operazangers volgde. Ik schoot in de lach toen een bariton uit het koor regisseur Terry Gilliam een hand gaf en slijmerig en volledig misplaatst vroeg: ‘How were the Monty Python reunions?’ Ik was zelfs een beetje opgelucht dat ik niet in die ijdele wereld hoefde te passen en had vrede met wat er, in plaats van een succesvolle operazanger, van mij geworden was.
Nu nog een beetje leren huilen om de katten en dan komt het allemaal wel goed.

dinsdag 27 oktober 2015

ECHO

‘Een echo?’ echode mijn dochter op vragende toon. Haar gezicht kreeg een neutrale uitdrukking, leek te bevriezen: haar ogen stonden ver, haar oren waren gespitst op wat de stem in haar mobieltje haar op het punt stond te onthullen. Even later ontdooide het, ontwaakte: haar ogen schitterden, haar mond werd breed en krulde op, er kwam een blos op haar wangen, maar dat laatste verzin ik er misschien bij.
‘Een meisje, o wat leuk! Wat fijn!’
Ik had bij het woord ‘echo’ in eerste instantie aan iets anders gedacht. Het was tenslotte mijn zoon die belde, en we hadden net een cd afgerond. Had die toch nog te veel galm? Maar die gedachte was maar kort geweest, en ingegeven door mijn egocentrisme. Al na een seconde had ik de echo beter geplaatst. Mijn zoon had nu wel andere dingen aan zijn hoofd dan een beetje galm meer of minder.
Nu was het dat woord ‘meisje’ dat me beetpakte en flink aan me schudde. Een heel scala aan emoties ging bliksemsnel door me heen. Eerst iets van teleurstelling: er zat precies dertig jaar tussen mijn vader, mijzelf, mijn zoon en… een meisje! Belachelijk om teleurstelling te voelen, sprak een verstandige stem in mij bestraffend. Dat kwam alleen maar door dat ingewortelde verlangen naar symmetrie. En, moest ik bekennen, ook door die oude, versleten familieromantiek, die verhalen over stamhouders en traditie die mijn opa er ooit ingehamerd had. Dat was passé. Zelfs mijn negentig jaar oude vader wist dat.

‘En, gaan jullie nu trouwen?’
‘Nee, opa.’
‘Samenwonen zeker?’
‘Hm... weten we nog niet.’

Mijn vader had mijn zoon met een verrast lachje aangekeken. De vraag naar het voortleven van de familienaam had hij maar niet eens meer gesteld. Hij was blij, hij was ontroerd, hij zou overgrootvader worden. De rest was onbelangrijk. Dat familiealbum, die stamboom… ach, zijn vader had daar nu eenmaal aardigheid in gehad, en wij hadden het spel meegespeeld.
Terwijl ik me het gesprekje herinnerde dat opa en kleinzoon twee weken eerder hadden gevoerd, toen mijn zoon en zijn vriendin het grote nieuws waren komen brengen, was mijn teleurstelling al verdampt. Ik stelde het opgelucht vast. Ervoor in de plaats kwam iets waarvoor ik geen woorden had. Er groeide iets. Niet alleen in de buik van wat ik maar ouderwets mijn schoondochter zal noemen, maar ook in mijn hart. Trots was het niet, vertedering eerder, het voelde zacht aan. Het was misschien het besef dat er iets bijkwam in deze wereld waarin zoveel voorgoed verdwijnt. Dat mijn krimpende wereld opnieuw groter werd, mooier werd, warmer werd.
De yogajuf had het die morgen over ‘liefdevolle verbondenheid’ gehad. Een soft begrip uit de sfeer van de spiritualiteit waarbij ik me nu plotseling iets kon voorstellen. Ik voelde me verbonden met een wezentje dat tot voor kort nog een abstractie was geweest en hield daar nu al van. Een wezentje dat nog geen naam had, maar wel een geslacht, dat had de echo duidelijk laten zien. Een meisje, dat ergens verderop in de tijd ‘opa’ tegen me zou zeggen.

(Illustratie: Jessie Wilcox Smith, ca 1922)