dinsdag 10 februari 2015

BRUSSEL

Waarom is het in Belgische bejaardentehuizen zo’n vrolijke boel?
Omdat ze eindelijk de Hollandermoppen snappen die ze in hun jeugd hebben gehoord.
Aan die grap moest ik denken toen ik afgelopen zaterdag wakker werd en me grinnikend herinnerde wat Jean Paul van Bendegem, professor in de logica en de wetenschapsfilosofie, me de vorige middag had verteld. Scène: een studio van radio-omroep Klara in de Brusselse voorstad Schaarbeek. Vitalski, de presentator van het programma Sherlock waarin ik te gast was, had zojuist opgemerkt dat het niet vaak voorkwam dat er een Jean Paul en een Jan-Paul aan één tafel zaten. Van Bendegem keek me vriendelijk aan en vertelde me schijnbaar serieus een zot verhaal over de reden waarom hij Jean Paul was genoemd. Ik wist niet hoe ik moest reageren. Als het een grap was snapte ik hem niet helemaal. Maar nu, in mijn Brusselse hotelbed, drong de portee opeens tot me door. Ik had er te veel achter gezocht. Gespannen, koud aangekomen uit Amsterdam, waren mijn antennes nog niet afgestemd geweest op de afwijkende toon van het Vlaams. Het is niet alleen de taal zelf: als Hollander word je ook in verwarring gebracht doordat ironie verpakt is in een fluwelen foedraal van wellevendheid.
Een kroegentocht door Brussel in het erudiete en galante gezelschap van onze gids, geluidsman Geraard Goossens, had me inmiddels een lesje geleerd. Geraard had een gewiekste route gekozen waardoor de stad zich als een sprookje ontvouwde. De imposante negentiende-eeuwse overdekte winkelgalerijen voerden ons naar de eerste pleisterplaats, À La Mort Subite. In het geroezemoes van die brasserie, onder het gele schijnsel van de kroonluchters, kreeg ik het warme gevoel dat Brussel had weten te behouden wat Amsterdam had verloren: stijl en grandeur. Maar op weg naar ons hotel bleek al gauw dat er hier in het stadshart ook armoedige straatjes waren. Met spijt in mijn hart landde ik in het heden, zag ik de verpaupering, de eerste shoarmatenten, de eerste verzakte gevels, de eerste zwervers, nog onder de rook van de majestueuze Grote Markt.

Ook hotel Mozart was niet wat het op het eerste gezicht leek. Surfend op het net waren we gevallen voor de uitbundige kitsch waarmee het ingericht was. Een steen geworden Mozartkugel. De ironie daarvan, gekoppeld aan een schappelijke prijs, had ons overgehaald om hier te overnachten. In werkelijkheid bleek het hotel een Moors paleis te zijn. Een Arabische droom van kleurig mozaïek en krullerig metselwerk, fonteintjes, siervazen en draperieën die door de toevoeging van een piano en imitatie rococo-schilderijen met een Weense saus was overgoten. Mozart in Libanon, hoogst bizar.

Ik opende de balkondeuren en bevond me op een dakterras. Een ingelegde vloer, bedoeld voor Moorse pantoffels. Maar geen palmen en zand, schoorsteenrook steeg omhoog naar een heldere winterhemel. We waren van plan geweest een net geopende expositie in Bozar (Le Palais des Beaux-Arts) te bezoeken, maar het mooie weer, koud en kraakhelder, deed ons anders besluiten. Na een flinke stadswandeling bereikten we de vlooienmarkt op het Vossenplein in de Marollen, die naar verluid nog zijn oorspronkelijke karakter had behouden.
En inderdaad, geen Waterloopleinverloedering hier, ik waande me in de openingsscène van het Suske en Wiske-album De kaartendans. Daarin zegt Wiske: ‘Zo'n voddenmarkt heeft een eigen atmosfeer, waar vele mensen een oplossing zoeken voor hun problemen.’
Ik kreeg er eerder een probleem bij. Tussen wat oude pijpen zag ik iets dat ik na bliksemsnelle deductie als een verwaarloosde Dunhill Shell Briar inschatte. Een pijp, gemaakt in de dagen van Conan Doyle. Ik wil helemaal geen pijpen meer, de huisvesting van mijn huidige collectie is al meer dan een three pipe problem. Maar precies dat gebrek aan gretigheid maakte me tot een goede onderhandelaar. Ik veranderde in mijn andere rokende held, de norse commissaris Maigret, en vroeg bars:
‘Combien?’
‘Dix euro.’
‘Non,’ bromde ik.
‘Trop chèr?’
‘Oui.’
‘Cinq?’
‘OK.’
Met in mijn bagage een zakje met in Godiva-chocola gedoopte aardbeien, drie pakjes oude Semois, mijn nieuwe oude Dunhill, een stapel Sherlock Holmesboeken die voorlopig de kast weer in konden en een massa goede herinneringen verliet ik Brussel.


(Foto's Paulien Kop)

De uitzending van de reeks 'Sherlock' is op 16/17/18/19 februari om 17.00 uur, radio Klara. In aflevering 3 is Rookzanger te gast.

vrijdag 6 februari 2015

ZIEL

Mijn vader stuurde me een stuk uit het Eindhovens Dagblad op waarvan hij dacht dat het me zou interesseren. Het was een interview met de neurowetenschapper Kees Brunia. Deze emeritus hoogleraar gaat in zijn nieuwste boek ‘Het brein, van farao tot fMRI’ de discussie aan met Dick Swaab, die in zijn (volgens Brunia waarschijnlijk meer verkochte dan gelezen) boek ‘Wij zijn ons brein’ de ziel letterlijk en figuurlijk als een hersenspinsel beziet. Brunia is het daar niet mee eens. ‘Ja natuurlijk wel!’ antwoordt hij op de vraag of we een ziel hebben.

We zijn zielsgelukkig, iets snijdt ons door de ziel, men kan je op de ziel trappen, men kan zijn ziel aan de duivel verkopen, ‘je zieltje slaapt’ – de voorbeelden zijn talloos, in het spraakgebruik hebben we in elk geval zéker een ziel. Doorgaans verwijzen we ermee naar het diepste, meest eigene, kwetsbare en kostbare deel van onze persoonlijkheid; dus niet naar de wispelturige buitenkant daarvan, niet naar het ego en zijn praatjes, maar naar de gevoelige binnenzijde. Dit intieme en constante substraat van wat we als onze persoonlijkheid ervaren, dat noemen we onze ziel. De bodem, of misschien liever de kern van ons wezen. Ik formuleer tastenderwijs, en verruil mijn definitie graag voor een betere - ‘het kind in ons’, zeggen de moderne therapeuten.
Hoe die ‘ziel’ ook precies in elkaar steekt en hoe zij fysiologisch gezien ook wordt gevormd, zij bestaat, als taal en als werkelijkheid. Net zoals liefde bestaat, of geweten, of hoop, of wroeging, of heimwee: allemaal niet tastbare zaken die, hoewel ‘slechts’ psychologische entiteiten, net zo reëel zijn als de blauwe lucht en de grond onder uw voeten. Zaken om rekening mee te houden, niet minder dan het weer en de waterstand dat zijn. Mooi meegenomen dat voortschrijdend onderzoek verbanden legt met hersenactiviteiten, hormonen, neurotransmitters en ons reptielenbrein, maar voor de vaststelling van hun bestaan hebben ze die onderzoeksresultaten niet nodig. Tenzij je vindt dat iets pas echt is als je het vast kunt pakken en in een gelabeld doosje kunt doen.

Vermoedelijk heeft Swaab het dan ook over iets anders, als hij de ziel naar het rijk der fabelen verwijst: de zogenaamde onsterfelijke ziel, de ziel van de religieuze overtuiging, de levensadem die na onze dood ons ontzielde lichaam verlaat en, al dan niet als immateriële replica van onszelf, blijft voortbestaan. Daar verlaat men het terrein van de abstracte, talige concepten en zet een wankele voet in een zuigend moeras van atavisme, (bij)geloof en wishful thinking.
Overigens is Brunia het op dat punt geheel met zijn vermaarde collega eens: ‘Als ik doodga, dan is mijn ziel ook weg. Mijn ziel is sterfelijk, zit vast aan de materie van mijn brein.’ Dus waarom dan eigenlijk de confrontatie met Swaab aangegaan? Voor de verkoopcijfers? Misschien dat Brunia zich gestoord heeft aan de wat pedante toon waarop Swaab zijn boodschap de wereld instuurde. Zelf is hij minder stellig en daardoor voor de minder rationele types onder ons misschien sympathieker: ‘[Z]elfs de wetenschap moet zich erbij neerleggen dat er mysteries blijven bestaan. Zoals de ziel, het geheim van de relatie tussen lichaam en geest.’ En, een citaat uit zijn boek: ‘De Heilige Graal zal niet gevonden worden, die ligt achter de langzaam verder terugwijkende horizon’.

dinsdag 3 februari 2015

TENTAMEN


Toen Oram Menkelbach negenenvijftig jaar op deze planeet had rondgescharreld gebeurde het dat hij voor het raam naar de armoedige natte sneeuw stond te kijken toen de telefoon ging. Het was zijn vriend Octopus. Ferdinand Oktopous, zoals hij eigenlijk heette, had groot nieuws. 'Je bent een personage in een boek,' zei hij veelbetekenend. Oram schrok. In één klap begreep hij het gevoel van dreiging dat hem al dagen dwarszat. Hij sloot de gordijnen en vergrendelde de deur.

'Wauw, wrauw!' zeurde de oranje kastraat op de gang op steeds hogere toon, nog even en het zou mijn gehoorgrens voorbij vliegen. Zijn voormalige bedpartner die nu met mij het bed deelde begon over mijn gezicht heen te lopen. Vilten voetjes masseerden mijn hoofdhuid en langzaam verdween de urgentie die onder mijn schedeldak woelde. Het was tijd om me los te rukken uit mijn slaap. Hoe het met Oram Menkelbach afliep zou ik wel nooit weten.

Mijn slaap was zo diep en lang geweest omdat ik mijn hersenen de vorige dag nogal overbelast had. In een race tegen de klok had ik liggen lezen. Ik heb u verteld dat ik binnenkort voor de Vlaamse radio moet aantreden als sidekick in een programma over Sir Arthur Conan Doyle. Ik ben daarvoor gevraagd op grond van wat ik over Sherlock Holmes heb geschreven op dit blog. Aanvankelijk was dat een aardigheidje, een donzen streling van het ego, de belofte van een plezant uitje, meer niet. En toen ik het scenario opgestuurd kreeg en me hardop zorgen begon te maken of mijn kennis wel toereikend zou zijn kreeg ik een aardig mailtje terug: het enthousiasme was wat telde, ik kon de uitzending relaxt tegemoet treden. Ik knikte achter mijn laptop en ging gerustgesteld met mijn andere bezigheden verder.
Maar nu nadert de opnamedag, en het gaat erop lijken dat ik de biografie van Conan Doyle niet uit zal krijgen. Ik ben een langzaam en precies lezer - die houding zal ik moeten laten varen. Ik zal de passages die ertoe doen moeten selecteren, en de rest moeten scannen. Maar dat blijkt moeilijker dan gedacht. Koortsachtig ploeter ik door, opzettelijk niet alles lezend, en vreemd genoeg put me dat meer uit dan mijn gewone, grondige manier van informatie tot me nemen. Het voelt weer een beetje als in mijn schooltijd, toen ik op het laatst mogelijke moment de ellenlange stof voor proefwerken of tentamens er nog in probeerde te krijgen. En waarom? Mijn kennis is, in haar huidige vorm, heus voldoende - ze zeggen het zelf, bij de VRT.

'Je wilt weer eens het beste jongetje van de klas zijn,' zei mijn vriendin. We hadden een autotochtje gemaakt door de Zaanstreek en gezien hoe het licht al aan kracht won. Een bijna volle maan verscheen wazig aan de nog lichte hemel. 'Als iets eenmaal je interesse heeft gewekt, ga je er altijd zo vol in.'
Ik moest dat toegeven. Ook schuldgevoel speelt in die ambitieuze houding een rol, of schaamte: ik voel het als een verplichting aan mezelf om mijn laksheid van vroeger goed te maken, ik wil nooit meer kennislacunes met flair vullen en me met charme uit onwetendheid lullen. Ik wil daar goed geprepareerd komen, in de studio's van Klara.
Maar één week is gewoon te kort om een Conan Doyle-kenner te worden. Bovendien moet ik ook nog mijn kennis van de verhalen en romans opfrissen, en mijn favoriete passages opzoeken en vertalen. Ik liet me zuchtend op de bank vallen naast mijn stapel verplichte lectuur, pakte leesbril en potlood en boog me weer over Teller of Tales, a Biography of Arthur Conan Doyle. Misschien ging ik het toch nog redden. Maar ik moest wel oppassen dat ik mijn prioriteiten in het oog hield. Want opeens zag ik mezelf daar voor de microfoon zitten als een onuitgeslapen, stotterend warhoofd, dat krampachtig probeert uit de kokende soep van verse informatie het juiste ingrediëntje te vissen. Net als vroeger bij die tentamens. Nee, dan maar liever af en toe eerlijk bekennen: 'Dat weet ik niet, dat boek heb ik niet gelezen.' Beter een wakkere dilettant dan een doorgedraaide kenner. Beter Sherlock Holmes dan Professor Moriarty.

vrijdag 30 januari 2015

Morrend in Mokum


De toeristengoot van het Damrak was zelfs in januari verstopt. Ik keek naar de bleke stroom pretzoekers en probeerde me voor te stellen hoe het er was toen de hoge huizen nog aan een gracht lagen die uitgaf op de haven. Dat is lang geleden: het Damrak is in etappes aangeplempt in de tweede helft van de negentiende eeuw, ten bate van de ontsluiting van de binnenstad en de bouw van het Centraal Station en de Beurs van Berlage. Ook Nescio heeft het niet meer nat gezien. Als hij in Titaantjes schrijft: ‘Maar ’t Damrak hadden ze nog niet gedempt (…). Dat was dus nog in orde’, dan doelt hij op het stukje vlak voor het Centraal, waar nu de rondvaartboten liggen: oorspronkelijk stond ook dat op de nominatie om drooggelegd te worden.
Voor het Noord-Zuid Hollandsch Koffiehuis wachtte ik op mijn vriend Karl. Toen ik wilde kijken of hij soms al binnen was zag ik een bord. Ik schrok ervan. Na vijfennegentig jaar heeft Smits Koffiehuis per december 2014 zijn deuren gesloten. Binnenkort wordt er een filiaal gevestigd van de bier- en biefstukkenboer Loetje. Daar kwam Karl aanlopen. We morden wat op het wegvallen van vertrouwde ijkpunten. Stond ook de V&D, waar we vroeger tijdens de uitverkoop stapels elpees vandaan haalden, niet op het punt om het bijltje erbij neer te leggen? We liepen de stad in. Op een van de grachten hielden we verrast stil bij een antiquariaat dat we nog uit onze studententijd kenden. We neusden wat in de boeken buiten, niet gretig, zoals vroeger, maar met een lauw soort vertrouwdheid. Ik merkte op dat het bijna vreemd aanvoelde om nog te moeten betalen voor tweedehands boeken, al was het dan ook maar één of twee euro: bij mij in de buurt rukken de gevelkastjes op die boeken een tweede leven gunnen - ik heb er al menig deeltje uitgehaald en er ook verschillende mij onwelkome bandjes achtergelaten.
Ook een andere geliefde pleisterplaats, De Kroon aan het Rembrandtplein, bleek gesloten. We namen genoegen met de onduidelijk maar vooral foeilelijk ingerichte bar van de ernaast gelegen balzaal Escape. Bevreemd bezagen we een levensgroot zwart paard met een lampenkap op zijn hoofd. Ironie, of gewone wansmaak? We wisten het niet. Daar, en onderweg naar de Bazel, waar de binnenkort aflopende Breitnerexpositie op ons wachtte, mijmerden we verder over verandering en de teloorgang van veel wat goed was en niet had hoeven te verdwijnen. We zijn voor onze leeftijd modern genoeg, Karl en ik: we maken bovengemiddeld actief gebruik van het internet, Karl heeft een E-reader en ik een E-hookah. We lijden niet of nauwelijks aan nostalgie. ‘Het is eerder een soort verontwaardiging,’ zei Karl. ‘Ik begrijp niet waarom iedereen zomaar genoegen neemt met al die lelijkheid. Het wordt hoog tijd dat we dat gewoon niet meer pikken.’
In de Bazel zagen we Breitner maar vooral de imposante kluizen van het voormalige bankgebouw dat nu het stadsarchief huisvest. Al dat solide staal van Lips, in dat solide bolwerk van marmer en steen, het leek een gematerialiseerd pleidooi voor Karls woorden. Toch is het ooit modern geweest, net zo goed als Breitner met zijn voorbeeldfoto’s en zijn grauw realistische afbeelding van de stad ooit modern was. En als Nescio nu geschreven zou hebben zouden zijn novellen in Nieuw-West spelen, of in de Bijlmer, want zowel de situering van de verhalen in een recente stadsuitleg als het gebruik van spreektaal maakte zijn werk, alle heimwee ten spijt, tot voor zijn tijd modernistisch proza.
Jean Cocteau schreef ooit: ‘De kunst produceert lelijke dingen, die meestal mettertijd mooi worden; de mode produceert mooie dingen, die later lelijk worden.’
Maar bij dat mooie van de mode plaatsten wij een levensgroot vraagteken.


(Illustratie: George Breitner, 'Het Damrak te Amsterdam', circa 1903)

dinsdag 27 januari 2015

Stop de tijd!


In de na-uren van het wintertje van afgelopen zaterdag was ik in het huis van mijn jongste broer. We delen een smaak voor het romantische, mijn broer en ik, maar de verschillen zijn groot. Waar ik mijn omgeving aankleed met wat zo toevallig op mijn pad komt en aan mijn smaak beantwoordt, werkt mijn broer systematisch aan de realisering van zijn gedroomde huis. Ik heb geen visie. Een toekomstvisioen goed voor ogen houden, recht in het vizier, en daar stapsgewijs naartoe werken – hoe benijd ik de mensen die dat kunnen! Eenmaal heb ik het gedaan, met het verwezenlijken van mijn werkkamertje, en de bevrediging die het gaf was groot. Doorgaans is mijn leven één grote improvisatie op een handvol basisthema’s, en de inrichting van mijn woonkamer volgt geen enkel ontwerp, maar is tot stand gekomen door lukrake keuzes uit wat zoal beschikbaar was. Veel daarvan is door andere mensen, mensen met een andere smaak, weggegooid en door mij liefdevol het huis binnengesleept. Het resultaat is niet onaardig, de meeste mensen vinden het hier gezellig en ik ken zelfs één jongedame die beweert dat het bij thuis ‘altijd kerstmis’ is, maar een beetje studentikoos, een beetje bohemien is het wel. Een beetje erg zelfs. Gelukkig heb ik een beroep waarbij die levensstijl past en hoef ik niemand te imponeren met mijn inrichting. Integendeel, mocht de belastinginspecteur ooit opduiken om me ernstig toe te spreken over de rommelige manier waarop mijn btw verrekend is, dan kan ik hem minzaam wijzen op de meubeltjes die bij het grofvuil zijn weggehaald en zeggen: ‘Kijk meneer, ik ben maar een slordige armoedzaaier, ik heb me heus niet verrijkt met uw geld!’
Bij mijn broer is dat wel anders. Hij werkt langzaam toe naar een ideale omgeving waarvan de contouren steeds beter zichtbaar worden. Iedere keer als ik er kom is er een detail verbeterd. Dit keer waren het de gegraveerde wijnglazen. En het schilderij dat bij mijn opa en oma boven het logeerbed hing (en dat eigenlijk mij toebehoort) was opnieuw ingelijst. Het hing boven een kastje met glas-in-looddeurtjes en er stond een kristallen karaf met een amberkleurige drank, waarschijnlijk cognac, voor. Ik deed ditmaal geen poging om het onder mijn jas te stoppen - die karaf stond lelijk in de weg, en voor die grap word ik ook een beetje te oud.
Mijn andere broer en ik stonden met onze rug naar het knetterende houtvuur toe, dat vrolijk brandde in de schouw. ‘Het Laatste Huiselijke Huis,’ zei mijn broer, refererend naar de elvenwoonst in Rivendell, waar de elven zich met poëzie en gezang de tijd korten die niet gekort hoeft te worden, want zij heeft er geen betekenis. ‘Jullie broer is hard op weg de nieuwe pater familias te worden,’ zei een vriend die erbij stond. ‘Ja, daar lijkt het wel op,’ gaf ik toe. Ik bedacht een beetje spijtig dat ikzelf die rol had verspeeld. Mijn huis, dat vroeger resoneerde van de kinderstemmen en vol vrienden was, werd nauwelijks meer door gasten bezocht, feesten gaf ik niet meer en etentjes en ontvangsten organiseerde ik nog maar hoogst zelden. Maar mijn broer heeft nog kleine kinderen. En een visie. Een uitroep die hem in de mond bestorven ligt is: ‘Stop de tijd!’ Om me heen kijkend had ik het gevoel dat hij een dappere en behoorlijk succesvolle poging deed om dat voor elkaar te krijgen. Grappig: bij mij thuis wekt alles de indruk dat het er per ongeluk is neergedwarreld en nooit is opgeruimd, terwijl het er in feite al vele jaren precies zo bij staat; bij mijn broer krijg je de indruk van solide onveranderlijkheid, terwijl de inrichting in werkelijkheid work in progress is. Een pragmatische romanticus, mijn broer. Als de inspecteur ooit bij hem binnenvalt zal hij wantrouwend om zich heen zien, maar ik weet zeker dat mijn broer zijn administratie keurig op orde heeft.

vrijdag 23 januari 2015

ONTWAKEN


‘Heb je lekker geslapen?’ vraagt mijn vriendin. Ik vertel dat ik twee keer wakker heb gelegen. ‘Dan zit je iets dwars,’ weet mijn vriendin. Ik zwijg. Ik heb geen zin de oude discussie weer aan te gaan, het is nog te vroeg. Mijn wisselende stemmingen gedragen zich als een latent en willekeurig uitbrekend virus, enig verband met eraan voorafgaande ervaringen heb ik zelden kunnen aantonen. Bovendien heb ik tijdens mijn slapeloosheid niet liggen piekeren, ik heb liggen denken aan alle operettes die ik vroeger heb gezongen. Een episode waar ik zelden meer aan denk kwam bont gekleurd weer tot leven.
Als ik uit de keuken kom met koffie staat ze voor de geopende balkondeur. Aan de overkant, in de schelle morgenzon, staan twee brandweerauto’s en een ambulance. Een hoogwerker manoeuvreert zich voor een raam. Even later wordt een met lakens afgedekt lichaam naar beneden getakeld. Een man die we kennen, een Zwitserse kunstenaar, stapt voorin de ambulance naast de bestuurder. We speculeren dat het zijn vriend is, die daar opgebaard ligt. Zo ja, moeten we dan niet onze Zwitserse vriendin, op wier feestje we deze mannen ooit hebben ontmoet, waarschuwen? We zijn een paar jaar geleden heel hartelijk door haar ontvangen toen we op doortocht naar Italië waren en hebben destijds verzuimd iets van ons te laten horen. De foto’s die we zouden sturen sluimeren nog in de computer; hoe langer we wachtten hoe gênanter het werd om alsnog een bericht te zenden. Is dit niet een goede aanleiding om na al die tijd de stilte te doorbreken? Ik twijfel. Het lijkt me te veel op roddel. Tenslotte weten we niet wie daar wordt weggedragen. Als ze nog steeds met de mannen aan de overkant bevriend is krijgt ze wel een rouwkaartje, zeg ik. De ambulance rijdt weg en ons meningsverschil blijft onbeslist.
Ondertussen is mijn jongste dochter beneden gekomen en zij en mijn vriendin beginnen een levendig gesprek. Hun opinies zijn heel sterk vanmorgen, hun feitenkennis fenomenaal. Ik zit er zwijgend bij. Te veel reuring op mijn nuchtere maag, een paar uur geleden was ik nog een achtentwintigjarige operetteprins en zong Caramello in Eine Nacht in Venedig.
Het lampje van mijn Zensations E-Hookah knippert. Ik vlucht naar mijn werkkamer om de batterij op te laden en legitiem een echte pijp op te steken.

dinsdag 20 januari 2015

De kalebas van Sherlock Holmes


Een vale sluier hing over de daken. Toen ik laat in de middag naar buiten ging werd ik verrast door een vreemde stilte. Het was alsof ik in een beklemmende droom terecht was gekomen, waarin ik plotseling alleen op de wereld was. Ik moest denken aan Sherlock Holmes.
Een tijdje geleden werd ik benaderd door de Belgische schrijver/performer Vitalski. Hij heeft eerder voor de VRT een serie over Simenon gemaakt en was nu bezig met de voorbereidingen voor een dergelijke reeks, ditmaal over Conan Doyle. Of ik daaraan mee wilde werken? Ik stemde graag toe, al gaf ik aan geenszins een kenner te zijn, slechts een belezen liefhebber. Dat was genoeg, enthousiasme was wat telde, meldde Vital Baeken, zoals zijn werkelijke naam luidt. De weken daarop kreeg ik regelmatig uitvoerige mails van hem. Aan enthousiasme ontbrak het hem in elk geval niet.

Een van de onderwerpen die hij mij toedacht was dat van het roken. Begrijpelijk. Ik ben ooit begonnen met systematische herlezing van de Sherlock Holmes-verhalen om die na te trekken op verwijzingen naar pijproken. Dat bleek nog tegen te vallen: Holmes is een allesroker. In de eerste periode is zelfs meer sprake van sigaretten en sigaren dan van zijn legendarische pijp. En van zijn iconische Calabash, de reusachtige pijp waarmee hij vaak wordt afgebeeld, is al helemaal geen spoor te vinden. Als Holmes een pijp ter hand neemt (veelal om diep na te denken) is dat een oude bruyère, een rozenhouten pijp, een pijp met een lange kersenhouten steel, of een zwartgeblakerd stenen pijpje, ‘his foulest pipe’.
Die kalebaspijp (een pijp waarvan de kop is gemaakt van een kleine, gedroogde en met meerschuim beklede pompoen) hebben we te danken aan de Amerikaanse acteur William Gillette (1853-1937), die in samenwerking met Conan Doyle een toneelstuk schreef over Holmes. Het ging in 1899 in première en werd zo’n 1300 keer opgevoerd; in 1916 werd het verfilmd. Gillette wilde een pijp, zo heet het in verschillende ‘studies’, die goed zichtbaar was vanuit de zaal, en die door zijn diep gebogen steel zijn spreken niet belemmerde en de rook uit zijn ogen hield. Gillette had overigens in meer opzichten een grote invloed op de Holmes-beeldvorming, want eveneens de beroemde frase ‘Elementary, my dear Watson’ is ontsproten aan zijn fantasie, in het werk van Conan Doyle zullen we er tevergeefs naar zoeken.

Zo althans schrijft iedereen van elkaar over.

Maar toen ik eens ging googelen naar afbeeldingen van Gillette als Holmes, bleek hij op geen ervan een kalebas te roken. Wel een forse, gebogen pijp, maar zeker geen kalebas. De vroegste afbeelding van Holmes met calabash vond ik in een still uit de film Sherlock Holmes in New York (1976), met Roger Moore als Holmes en Patrick Macnee als Doctor Watson. En verder speurend vond ik een verhelderend commentaar op een bijdrage in The Briar Files (waarin weer eens Gillette als aanstichter van de kalebastraditie wordt genoemd). De auteur van het commentaar citeert de Conan Doyle-biografie Teller of Tales van Daniel Stashower. Daarin staat dat de eerste kalebaspijpen verschenen in Holmespersiflages uit de jaren ’30 en ’40: ‘Calabashes are found in the hands of Holmes impersonators who did not share Gillette's reverence for the character - such as Abbott and Costello, Robert Woolsey, and the Three Stooges.’


Ik was opgelucht. In mijn vrijwel complete pijpencollectie ontbreekt de kalebas: ik heb die altijd als een nogal bespottelijke karikatuur van de tabakspijp gezien. Soms denk ik dat ik volledigheidshalve ook zo’n ding moet aanschaffen. Maar om Holmes te eren hoef ik het dus niet te doen.