We stonden zij aan zij aan boord
van ’t veer over het wijde water
van het IJ, en even later
gingen we samen door de poort.
De stad lag open, was bereid.
Wij gingen zonder plan naar binnen,
probeerden lopend te verzinnen
wat te doen met onze tijd.
Een fijne regen daalde neer,
werd langzaam feller. Onze pas
versnelde zich, werd doelbewust.
Dan vonden onze voeten rust:
vanaf een overdekt terras
bezagen we het stadsverkeer.
Voor Robert
zondag 10 augustus 2014
vrijdag 8 augustus 2014
LAST TANGO IN HALIFAX

Omdat Derek Jacobi erin meespeelt keek ik naar de eerste aflevering van Last Tango in Halifax. Sinds hij ooit de stotterende keizer Claudius vertolkte in de legendarische BBC-serie I Claudius heb ik een zwak voor die man. Ik was blij verrast door wat ik zag en keek gulzig verder. Ik bleef er zelfs voor thuis en paste mijn maaltijden erop aan. Omroep Max jaste de reeks er in een week doorheen en aan het eind van de rit was ik volkomen bevredigd. Een bizarre soap, was mijn eindoordeel, maar wat een fantastische acteurs, wat een goede dialogen, wat een geloofwaardig spel! Sympathiek verhaal ook, twee verliefde bejaarden die hun hart volgen en de jongere generatie een lesje geven in levenskunst.
Maar toen bleek er meteen na de laatste episode een tweede serie te volgen. Het verhaal gaat verder op de morgen na de gebeurtenissen van de laatste aflevering, maar er is in die ene fictieve nacht wel het een en ander veranderd: twee van de drie hoofdrolspeelsters zijn flink afgevallen, de derde is juist dikker geworden. Een huisgenoot blijkt spoorloos verdwenen te zijn, maar er wordt met geen woord over hem gerept. En, ook heel opvallend, het barre winterlandschap van Yorkshire ligt er plotseling zomers groen en zonnig bij.
Het verhaal had me meegesleept en ik moest even slikken om deze mutaties, die me hardhandig inwreven wat ik natuurlijk wel wist – dat het allemaal maar een illusie was. Ik besloot sportief te zijn. De tweede reeks was nu eenmaal een jaar later gefilmd, niks aan te doen. Maar de magie was vervlogen en een lichte argwaan was geboren. Zou hier geen sprake zijn van het uitmelken van een onverwacht succes?
We zij nu twee afleveringen verder en ik ben bang dat mijn vermoeden juist was. De serie was al een soap, zij het een briljante. Nu begint ze, in de stuurloosheid die volgt op het eerste, vrij compacte en mooi afgeronde verhaal, alle hinderlijke trekken te vertonen van het genre. De gebeurtenissen volgen elkaar op in dronken chaos, emoties en onderlinge sympathieën wisselen als het licht op een stormachtige dag, persoonlijkheden veranderen van het ene op het andere moment als casus in een psychiatrisch handboek. De acteurs weten niet meer te verbloemen dat ze de aanwijzingen van een door broodschrijvers bedacht scenario volgen, ze hebben hun aanvankelijke geloofwaardigheid verloren. Last Tango in Halifax lijkt, kortom, steeds meer op Dokter Deen.
Nu houd ik van Dokter Deen, zoals ik u wel eens verteld heb. Dokter Deen heeft me nooit willen wijsmaken dat het meer is dan een soap, ook al noemen ze het een dramaserie. We zijn de relatie in alle eerlijkheid aangegaan, Dokter Deen en ik. Een keer in de week mocht ik me te buiten gaan aan die heerlijke Vlielandse nonsens, en dat was precies goed.
Het eerste probleem met Last Tango in Halifax is dat de serie meer beloofde dan zij uiteindelijk lijkt waar te maken. Ze is bezig van een zelfopgericht voetstuk te vallen. Ik houd hier overigens wel een slag om de arm, want we hebben nog vier afleveringen te gaan als ik dit schrijf. Misschien trekt het weer bij. Ik zou om daarover zekerheid te hebben natuurlijk online kunnen spieken maar dat weiger ik. Even rust, even geen Alan, Celia, Gillian en Caroline en hun emotionele carrousel - ik voel me nu al oververzadigd, op de rand van irritatie.
Want nu komt het tweede minpunt. Avond aan avond een uur naar die razend knap acterende Britten kijken is gewoon te veel. Ik begrijp die frequentie ook niet. Het is verspilling van materiaal dat een zorgvuldiger dosering verdient. We hebben het hier over drama, over kunst, toch? Het is geen komkommertijdvuller zoals De slimste mens! Jaagt Max er de eerste twee seizoenen zo gehaast doorheen omdat er vanaf september een derde reeks aankomt, of zijn ze bij die omroep net zo onbesuisd als de bejaarde hoofdrolspelers van Last Tango in Halifax?
dinsdag 5 augustus 2014
ZOMERANGSTEN

Tijdens het programma Zomergasten sloeg mijn humeur in één klap om. Het was alsof de mist van een sluimerende depressie werd weggeblazen door een windstoot. Het gebeurde tijdens een fragment waarin verschillende psychiaters hun visie op angst gaven. Een van hen zei dat angst de oer-emotie was die alle ongewenste stemmingen aanstuurde. Dat er een samenhang was tussen angst en depressie wist ik natuurlijk al lang, maar dat er sprake kon zijn van een oorzakelijke relatie, dat was nieuw voor me. Ik had de beide kwelgeesten eigenlijk altijd als autonome grootheden gezien. Stemmingen komen, god weet waarvandaan, en ze verdwijnen ook zomaar weer, dat had ik nog die middag met iets te grote stelligheid tegen mijn vriendin gezegd. Zij gelooft heilig in therapeutisch praten, ik niet meer: de ‘stofjes’ die de stemmingen bepalen gaan hun willekeurige gang en trekken zich weinig aan van onze analyses. En ziekelijke angst, daar heb je een aanleg voor of niet; ook de oorzaak dáárvan moet eerder in de chemie van ons brein worden gezocht dan in allerlei concrete aanleidingen. Die twee versterkten elkaar wel, zoveel was duidelijk. Als je bang bent trek je je eerder terug in je schulp, en als je gedeprimeerd bent lijkt alles bedreigender. Maar kon de een ook de moeder van de ander zijn? Angst geeft stress en stress put uit en mentale uitputting leidt tot depressie, het leek me allemaal opeens zonneklaar.
Nu was het alleen nog zaak om even met mijn angst af te rekenen, wilde ik voortaan vrij van somberheid door het leven gaan. Die biologische aanleg, daar kon ik weinig aan doen. Maar de wisselende gedaantes waarin de angst zich manifesteert, die waren wel aan te pakken. Saskia Noort, een intelligente en vertrouwenwekkend bedachtzame vrouw, vertelde dat ze onder meer bang was geweest voor tunnels. Hoe had ze daarmee afgerekend? Ze had keer op keer door tunnels gereden tot de angst afnam. Goed. Duidelijk. De harde confrontatie, de pragmatische aanpak. Eens kijken, waar was ik nu eigenlijk bang voor?
Ten eerste: verval, ouderdom en dood. Een reële angst, weinig aan te doen behalve een beetje op mijn gezondheid letten. Dat roken, dat moest binnenkort maar eens afgelopen zijn. Dan: afwijzing, eenzaamheid. Dat was een irreële angst, want weliswaar heb ik in het verleden enige traumatische ervaringen gehad, mijn huidige situatie geeft geen aanleiding voor al te grote vrees. Er zijn een aantal mensen die ik vertrouw en bemin, en ik heb geen reden te veronderstellen dat dat niet wederzijds is. Dus dat panisch zoeken naar erkenning en bevestiging kon op een laag pitje worden gezet. Ik kon me vol vertrouwen overgeven aan het zomerse nietsdoen, in de herfst zouden ze me heus niet vergeten zijn. Dan als goede derde: armoede. Ik ben als de dood voor geldgebrek. Niet onrealistisch, want mijn inkomen is hoogst onzeker, als ouder wordende zzp’er in moeilijke tijden. Maar was dat ook een reden om zo toe te geven aan die angst? Ik zat als Oom Dagobert te broeden op mijn reservekapitaal, koesterde het bangelijk, schrok van elke nieuwe rekening die er een bres in sloeg. Misschien moest ik die angst maar eens uitdagen en een onverantwoorde uitgave doen. Een luxe breedbeeldtelevisie kopen bijvoorbeeld, zo’n plat geval tegen de muur, om Zomergasten voortaan in alle comfort te kunnen zien.
Saskia Noort vertelde dat ze niet opzag tegen het ouder worden, omdat ze veronderstelde dat je als zestiger wel over al die angsten heen gegroeid zou zijn. Was dat maar waar Saskia!
Aan de slag nu. Ik heb nog twee jaar.
(Illustratie: Carl Barks)
vrijdag 1 augustus 2014
De schim van Conan Doyle
In mijn vorige bijdrage vertelde ik u over mijn speurtocht naar Sherlock Holmes, en hoe ik in Amsterdam, Hay-on-Wye en Newport zijn oeuvre bij elkaar sprokkelde. Hoewel ik daar geenszins naar op zoek was, vond ik al doende de voetsporen van Conan Doyle zelf: hij bleek in Hay-on-Wye te zijn geweest, en de lokale legende van de hellehond van de Baskervilles vandaar te hebben geëxporteerd naar Dartmoor. Dat leek me niet meer dan een grappig toeval, maar het zou nog veel gekker worden. Om u dat te kunnen vertellen moet ik u eerst meenemen naar de voorlaatste dag van onze vakantie.
We kwamen die dag uit Wales, waar we ’s morgens nog het strand van Llandelli hadden bezocht. Over de grote brug die de wijde Severn overspant reden we Engeland binnen. We zoefden een tijd over de M4 met als doel ergens in Surrey van de weg af te gaan en iets landelijks te zoeken voor onze laatste overnachting. De volgende dag zouden we dan op ons gemak Dover kunnen bereiken. Guildfort leek ons wel wat. De wegen waren daar op de kaart groen omzoomd en de gids beloofde ons aardige B&B’s.
Guildford bleek echter behalve groter dan we hadden gedacht ook propvol. Feestelijkheden, cricketwedstrijden, dat werd niet helemaal duidelijk, maar in elk geval was zelfs de betonnen doos buiten de stad waar je met creditcard en pincode een slaaphok huurt tot het laatste bed bezet.
We zetten de tomtom op plaatsen in de buurt, Milford, Haslemere, en stopten onderweg bij iedere mogelijke herberg. Zelfs bij een chic resort aan een meer in het bos gingen we belet vragen, hoewel dat vermoedelijk onze financiën danig zou ontwrichten. Het baatte niet, de hele streek bleek volgeboekt.
Inmiddels was de acht in de klok geraakt, en we waren moe en hongerig. In Hindhead hielden we halt bij een inn die er veelbelovend uitzag. Maar aan kamerverhuur deden ze niet. Wel gaven de mannen die aan de bar hun pinten stonden te drinken ons een paar tips. Mijn vriendin en mijn zoon liepen het bos is om de B&B te zoeken die ons was aanbevolen. Ik bewonderde in de beer garden een enorme hortensia en deed een schietgebedje. Maar nee, ze zaten daar onder het strodak net op hun laatste gasten te wachten. Op weg dan maar weer, door het bos, naar een tamelijk groot hotel waar we wel kans zouden maken volgens de dorpelingen.
We vonden het zoals het ons was uitgelegd, tegenover een BMW-garage. The Devil’s Punch Bowl, heette het. Het zag er aanlokkelijk uit en ik wreef de toversteen die ik aan het strand van Wales had opgeraapt maar eens flink op. Binnen bleek een andere sfeer te heersen dan de met bloemen versierde gevel deed vermoeden. Het Engels dat hier werd gesproken was plat en er klonk muziek die je eerder in een discotheek verwacht dan in een Victoriaans landhuis. Het Engels van de vrouw bij de receptie was niet zozeer plat als wel onbeholpen. Maar met haar Oost-Europese accent deed ze ons welkome mededelingen: ja, er waren nog twee kamers. Vier bedden, maar als we een kampeermatrasje naar boven wilden slepen was dat geen probleem. Als we maar niet verwachtten dat zij met bedden ging zeulen, want ze was zes maanden zwanger. Duur was het ook niet bepaald.
Zo zaten we even later achter borden ravioli met bospaddenstoelen die de kok nog op de valreep wilde maken. Voor een dessert was het te laat, helaas. We sliepen uitstekend in ruime kamers en de volgende morgen maakte ik Moccona met de waterkoker, at er de bijgeleverde shortbread cookies en gingersnaps bij, en zag met welgevallen hoe een stralende zomerdag was begonnen.
We hadden gedacht dat The Devil’s Punch Bowl een grappige naam was die op de klandizie zinspeelde, zoiets als ‘Het Rovershol’ of ‘Het Smokkelaarsnest’. Maar het bleek de naam te zijn van een natuurwondertje, pal tegenover het hotel. Een natuurlijk amfitheater, een reusachtige groene kom, beheerd door het National Trust. Aan de rand zat iemand tussen de vlinders te aquarelleren en er wandelden keurige dametjes rond in bloemenjurken die je bij ons alleen nog maar in Bennekom of Heemstede ziet. We aten er scrambled eggs in het restaurant en gingen verkwikt op weg naar Dover. De naam Hindhead vergat ik al gauw.
Maar gisteren begon ik aan mijn derde Sherlock Holmes-roman. En wat las ik onder de inleiding?
‘A. Conan Doyle, Hindhead, Haslemere.’
Ik zou nu graag schrijven dat ik zijn biografie erop nasloeg, maar Google is een te gemakkelijke vriend. Conan Doyle, zo leerde ik, heeft tien jaar lang in Hindhead gewoond. Daar, in Undershaw House, vlakbij het hotel waar ik niets vermoedend de nacht doorbracht, schreef hij onder meer The Hound of the Baskervilles.
Ik heb in Nederland, België en Frankrijk bewust naar de sporen van Simenon gezocht. Maar de schim van Conan Doyle lijkt zich aan me op te willen dringen.

We kwamen die dag uit Wales, waar we ’s morgens nog het strand van Llandelli hadden bezocht. Over de grote brug die de wijde Severn overspant reden we Engeland binnen. We zoefden een tijd over de M4 met als doel ergens in Surrey van de weg af te gaan en iets landelijks te zoeken voor onze laatste overnachting. De volgende dag zouden we dan op ons gemak Dover kunnen bereiken. Guildfort leek ons wel wat. De wegen waren daar op de kaart groen omzoomd en de gids beloofde ons aardige B&B’s.
Guildford bleek echter behalve groter dan we hadden gedacht ook propvol. Feestelijkheden, cricketwedstrijden, dat werd niet helemaal duidelijk, maar in elk geval was zelfs de betonnen doos buiten de stad waar je met creditcard en pincode een slaaphok huurt tot het laatste bed bezet.
We zetten de tomtom op plaatsen in de buurt, Milford, Haslemere, en stopten onderweg bij iedere mogelijke herberg. Zelfs bij een chic resort aan een meer in het bos gingen we belet vragen, hoewel dat vermoedelijk onze financiën danig zou ontwrichten. Het baatte niet, de hele streek bleek volgeboekt.
Inmiddels was de acht in de klok geraakt, en we waren moe en hongerig. In Hindhead hielden we halt bij een inn die er veelbelovend uitzag. Maar aan kamerverhuur deden ze niet. Wel gaven de mannen die aan de bar hun pinten stonden te drinken ons een paar tips. Mijn vriendin en mijn zoon liepen het bos is om de B&B te zoeken die ons was aanbevolen. Ik bewonderde in de beer garden een enorme hortensia en deed een schietgebedje. Maar nee, ze zaten daar onder het strodak net op hun laatste gasten te wachten. Op weg dan maar weer, door het bos, naar een tamelijk groot hotel waar we wel kans zouden maken volgens de dorpelingen.
We vonden het zoals het ons was uitgelegd, tegenover een BMW-garage. The Devil’s Punch Bowl, heette het. Het zag er aanlokkelijk uit en ik wreef de toversteen die ik aan het strand van Wales had opgeraapt maar eens flink op. Binnen bleek een andere sfeer te heersen dan de met bloemen versierde gevel deed vermoeden. Het Engels dat hier werd gesproken was plat en er klonk muziek die je eerder in een discotheek verwacht dan in een Victoriaans landhuis. Het Engels van de vrouw bij de receptie was niet zozeer plat als wel onbeholpen. Maar met haar Oost-Europese accent deed ze ons welkome mededelingen: ja, er waren nog twee kamers. Vier bedden, maar als we een kampeermatrasje naar boven wilden slepen was dat geen probleem. Als we maar niet verwachtten dat zij met bedden ging zeulen, want ze was zes maanden zwanger. Duur was het ook niet bepaald.
Zo zaten we even later achter borden ravioli met bospaddenstoelen die de kok nog op de valreep wilde maken. Voor een dessert was het te laat, helaas. We sliepen uitstekend in ruime kamers en de volgende morgen maakte ik Moccona met de waterkoker, at er de bijgeleverde shortbread cookies en gingersnaps bij, en zag met welgevallen hoe een stralende zomerdag was begonnen.
We hadden gedacht dat The Devil’s Punch Bowl een grappige naam was die op de klandizie zinspeelde, zoiets als ‘Het Rovershol’ of ‘Het Smokkelaarsnest’. Maar het bleek de naam te zijn van een natuurwondertje, pal tegenover het hotel. Een natuurlijk amfitheater, een reusachtige groene kom, beheerd door het National Trust. Aan de rand zat iemand tussen de vlinders te aquarelleren en er wandelden keurige dametjes rond in bloemenjurken die je bij ons alleen nog maar in Bennekom of Heemstede ziet. We aten er scrambled eggs in het restaurant en gingen verkwikt op weg naar Dover. De naam Hindhead vergat ik al gauw.
Maar gisteren begon ik aan mijn derde Sherlock Holmes-roman. En wat las ik onder de inleiding?
‘A. Conan Doyle, Hindhead, Haslemere.’
Ik zou nu graag schrijven dat ik zijn biografie erop nasloeg, maar Google is een te gemakkelijke vriend. Conan Doyle, zo leerde ik, heeft tien jaar lang in Hindhead gewoond. Daar, in Undershaw House, vlakbij het hotel waar ik niets vermoedend de nacht doorbracht, schreef hij onder meer The Hound of the Baskervilles.
Ik heb in Nederland, België en Frankrijk bewust naar de sporen van Simenon gezocht. Maar de schim van Conan Doyle lijkt zich aan me op te willen dringen.

Labels:
Arthur Conan Doyle,
literatuur,
natuur,
reizen,
Sherlock Holmes,
Simenon
dinsdag 29 juli 2014
Op zoek naar Sherlock Holmes

Mijn Maigrets (75, de korte verhalen niet meegerekend) zijn prima te herlezen, maar soms verlang ik wel eens naar een ‘zaak’ waarvan ik niet weet hoe hij afloopt. In mijn speurtocht naar een alternatief viel me al snel op dat Maigret de norm heeft gesteld waaraan een fictieve politiecommissaris moet voldoen. Hij moet tenminste één opvallend maar vooral menselijk trekje hebben. Simenon kon nog wegkomen met pijproken en een voorliefde voor bier en zuurkool maar voor zijn opvolgers werd het allengs moeilijker hun held te profileren. Ik heb er heel wat uitgeprobeerd en vond ze meestal ongeloofwaardig. Hun tekenende trekjes zijn vaak vergezocht, meer eigenaardigheden dan blijken van karakter, en niet te rijmen met hun harde beroep; en als de schrijver een vrouw is (vaak het geval) hebben de detectives opvallend veel zachte kanten. Zoals de Xenofon lezende, politiek correcte Guido Brunetti van Donna Leon, die eerder een wensdroom lijkt van deze puriteinse en esthetische dame dan een man van vlees en bloed. Een gevoelige ziel die ruim een dag van slag is als hij in het kader van een onderzoek een slachthuis heeft bezocht.
Onlangs besloot ik de stroom van misdaad maar eens naar de bron te volgen. Daartoe aangespoord door de briljante Britse serie Sherlock wendde ik me tot Sir Arthur Conan Doyle. Sherlock Holmes was de lectuur die ik mee zou nemen naar Wales. Ik had al twee deeltjes, en in een tweedehands boekwinkeltje, The Book Exchange aan de Kloveniersburgwal, kocht ik er twee bij. Facsimile uitgaven van de oorspronkelijke publicaties in The Strand, erg kleine lettertjes voor een kippige man, maar met mooie gravures.
In Duinkerke ging ik nog slapen met een paar bladzijden Maigret, maar eenmaal in Engeland drukte ik mijn leesbril wat steviger aan en sloeg ik Conan Doyle open.
Het was veel beter dan ik me herinnerde. Je moet wel tegen een overvloed aan bijvoeglijke naamwoorden kunnen en Conan Doyle heeft alle tijd van de wereld, maar de introductie van Holmes en Watson in A Study in Scarlet, de korte roman waarmee de reeks in 1887 opende, is meesterlijk. Holmes veegt de vloer aan met het cliché dat hij later is geworden en komt bladfris uit de pagina’s tevoorschijn als een heerlijk arrogante superman, een bipolaire puzzelaar, tegelijk wereldvreemd en alwetend. De dialogen zijn geestig, de toon erudiet, en waar Conan Doyle zich te buiten gaat aan romantische wijdlopigheid moet in ieder geval vastgesteld worden dat hij een uitstekend schrijver is.
In Wales was ik al zover in de materie ingeleefd dat ik besloot alles over Holmes te gaan lezen. Dat is goed te doen, want de ‘canon’, zoals fans dat noemen, is overzichtelijk: vier romans en vijf verhalenbundels. Conan Doyle was geen veelschrijver zoals Simenon. De precieuze Holmes en de grof besnaarde Maigret worden, hoewel beiden pijprokers, door meer dan de Manche en de tijdgeest gescheiden.
Op het programma stond een bezoek aan het boekenstadje Hay-on-Wye, dat met bijna twee dozijn boekwinkeltjes op krap tweeduizend inwoners een mekka is voor liefhebbers. Op 1 april 1977 verklaarde boekverkoper en kasteelheer Richard Booth het stadje aan de grens met Engeland onafhankelijk. Met eenzelfde knipoog werd het officieel gelieerd aan Timbuktu.
We parkeerden de auto op een terrein iets buiten het centrum en liepen het marktplaatsje in. Vakwerkhuizen en nauwe straatjes. Zonnig. Toeristen van een ander slag dan je elders zag, bedachtzamer, rustiger. We hadden een foldertje bij ons waarin de boekwinkels en hun specialiteit stonden vermeld maar lieten ons verleiden door het eerste antiquariaat dat we tegenkwamen. Daarbinnen stond ik tot mijn verrukking in een drie verdiepingen omspannend labyrint van getimmerde boekenkasten. Hier moesten ze alles hebben wat ik maar wenste. Ik bedwong een duizeling, oriënteerde me en liet mijn dochters achter bij de fantasy en de vogelboeken. Maar wat er van Conan Doyle was viel nog tegen. En welke deeltjes miste ik ook alweer? The Memoirs, of The Casebook of Sherlock Holmes? Ik gokte op The Casebook. We rekenden af bij een precieus miniatuurvrouwtje met een kinderstemmetje en vervolgden onze weg, ditmaal met een gericht doel en een blik op de plattegrond.
Uit een boekwinkeltje kwam een vrouw tevoorschijn: ‘That’s an old one you’ve got there,’ zei ze behulpzaam, wijzend op onze folder. Ze gaf ons een nieuwe. Mijn vriendin, die een rasoptimiste is, vroeg of er tegenwoordig soms méér waren. De vrouw lachte beleefd maar een beetje meewarig. Helaas. Meer en boekwinkels, die woorden rijmen niet.
We dwaalden een beetje rond en vonden uiteindelijk in een zijstraatje Belle Books. Fantasy en crime was hun specialiteit en het werk van H. P. Lovecraft dat mijn dochter zocht, zouden ze daar zeker hebben. De ordening bleek echter tamelijk onoverzichtelijk en ik schoot de eigenaar aan.
Hij was een kleine man met een tanig, licht gebruind gezicht, een scherp gesneden neus met een hoge brug, heldere grijze ogen en kort wit haar. Lovecraft, zei hij peinzend, ja, die had hij laatst nog ergens gezien. Hij rommelde een tijdje in een ruimte achter de winkel en kwam terug met een deeltje. ‘Nou, voor wie zou dit boek toch bestemd kunnen zijn?’ vroeg hij zich hardop af met een ironische blik op de tattoos en het turquoise haar van mijn oudste dochter.
‘Ik hoorde jullie praten,’ zei hij. ‘Ah, the lovely sound of Dutch!’
Zelf had hij in de sixties in Amsterdam gewerkt, in de scheepswerven. Lassen, schepen repareren. Prachtig werk, met je handen iets maken, met weerbarstig staal boetseren. En al die kennis, al die expertise was nu verdwenen. All gone. So sad. Hij vouwde een kaart open en vroeg me uit welk jaar ik dacht dat die was. Ik zag de Zuiderzee, dus hield het op voor de oorlog. Hij wees op Polen en zei dat hij de kaart op grond van de naamgeving op maart 1939 kon vastpinnen. Zijn benige vinger ging naar de oostrand van het IJsselmeer, bleef stilstaan boven Kampen en Elburg. En al die vissers, wat mocht daarvan wel geworden zijn? All gone. Hij schudde verdrietig het hoofd. Ik vertelde hem over de bruine vloot en de koppig doorvissende Volendammers, maar hij leek het niet te willen horen.
Ik rekende The Hound of the Baskervilles af. Ah, daar had hij een mooi verhaal over. Conan Doyle was hier geweest. Jazeker. Vlak bij Hay was Baskerville House, nu een hotel. Conan Doyle had de naam en ook de plaatselijke legende van een helse hond geleend en verplaatst naar Dartmoor, om die brave mensen van hier niet te compromitteren. Hij wees ons de richting, we moesten er maar een kijkje gaan nemen.
Toen we al in de deuropening stonden zei hij opeens: ‘Ik heb nog viereneenhalf jaar te leven. Al die boekwinkeltjes hier zijn ten dode gedoemd. De een na de ander verdwijnt en wordt een curiosity shop. Binnenkort is het allemaal verleden tijd. All gone. Maar mijn tijd zal het nog wel uit duren. Hoewel… ‘ Er verscheen een flikkerend lichtje in zijn ogen. ‘Vorig jaar was ik nog een schim, kaal en uitgemergeld. En moet je me nu zien. Ik heb met mijn handen staal bedwongen. Oceaanschepen weer heel gemaakt. Waarom zou ik die kanker er niet onder krijgen?’
We wensten hem veel geluk en zochten een terrasje op om ons aan scones, lemon and orange cheesecake en andere heerlijkheden te buiten te gaan.
Thuis bleek mijn gok de verkeerde. Ik had toch de Memoirs moeten hebben. Bij een bezoek aan Waterstones in het verloederde havenstadje Newport kocht ik voor een luttele elf pond de verzamelde verhalen van Sherlock Holmes, in een prachtig gebonden uitgave, Daarmee maakte ik mijn eerdere aankopen feitelijk overbodig, hoewel niet minder plezierig.
Labels:
Amsterdam,
Arthur Conan Doyle,
literatuur,
Maigret,
portretten,
reizen,
Sherlock Holmes,
tijdgeest
zondag 27 juli 2014
RAAF
De hele vakantie hebben we gespeurd naar raven. Nadat ik er vorig jaar drie gezien meende te hebben boven de Bretonse kust werd het voor mijn dochter, die bij een vogelopvang werkt, een erezaak om de geheimzinnige reuzenkraai ook zelf in het wild te zien. In Wales moest dat wel lukken, en zeker in het natuurreservaat Brecon Beacons. Daar lagen de schapenkarkassen voor het oprapen, en de raaf is voornamelijk een aaseter, afhankelijk van road kill en wat de boer laat liggen.
Hoopvol citeerden we Poe. Bij elk gekras hief ik vermanend mijn vinger op.
Maar hoe we ook naar de hemel tuurden, alles wat we zagen bleek bij nadere beschouwing toch een kraai of een roek. De raaf is zo groot als een buizerd, met een spanwijdte van ruim een meter. Die omvang haalden de zwarte vogels die over de groene heuvels klapwiekten bij lange na niet.
Wel hebben we hem gehoord, Corvus corax.
Officieel is hij een zangvogel. Maar over hoe je moet zingen verschillen de kikkerschool en de leeuwerikschool van mening, volgens een Chinese wijsgeer. De raaf hangt duidelijk de kikkerschool aan. Het ‘kruk’ of ‘groink’ uit de boekjes klinkt in de praktijk als het kwaken van een kikker. Een kikker met een diepe bas. Dat morrende gekwaak hebben we verschillende keren uit bomen en velden horen komen maar de bijbehorende vogel hield zich goed verstopt.
Alleen mijn zoon heeft, vlak na het klinken van dat ‘groink’, het gefladder van grote zwarte vleugels gezien. In de avondzon, vanaf de transen van het sprookjesachtige Dinefwr Castle. Daarmee staat de enige waarneming van dit jaar op zijn naam. Of die helemaal telt is overigens de vraag. Hij is een muzikant met een vlijmscherp gehoor, maar zijn gezag als vogelaar is volgens mijn dochter twijfelachtig.
vrijdag 25 juli 2014
OUD
De afgelopen zomers heb ik de gedachte nog voor me uit kunnen schuiven als die zich aandeed. Mijn dochters spelen in de vakantie heel sportief het spelletje mee, waarin we doen of alles nog zoals vroeger is: papa aan het stuur als de man van de wereld die zijn gezin veilig door verre buitenlanden loodst, de meiden op de achterbank, verdiept in mp-3’s of passerend landschap. Maar dit jaar moest ik het toch echt onder ogen zien. Ik word oud.
Mijn zoon ging voor het eerst in jaren mee op onze reis, en daarmee werd het plaatje van de herder met zijn schaapjes ontmaskerd als een zoetige illusie. Met de trotse voortvarendheid van de jeugd nam hij de rol van chauffeur op zich. Hij stuurde het oude Volkswagenbusje trefzeker links draaiende rotondes over en haalde het vrachtverkeer van Engeland naar Wales rechts in, net iets te hard naar mijn smaak. Ik zat ernaast, probeerde me te ontspannen en niet steeds mijn hakken in een fictieve rem te zetten. Ik was gedegradeerd tot bijrijder.
In het begin voelde ik me daardoor ontmand. Iets in mij rebelleerde tegen deze rolverdeling en toen we een paar dagen in de Brecon Beacons waren gaf mijn zoon me grootmoedig de autosleutel. Ik laveerde behoedzaam door de kronkelige bergweggetjes naar de onoverzichtelijke rotonde bij Brecan, draaide de motorway naar Abergavanny op en bereikte met een zucht van verlichting Raglan Castle. Ik kon het nog, mijn mannelijke eer was gered. Maar de terugweg liet ik graag aan hem over.
Die hele eerste week nevelde het gevoel in me op dat ik kleiner aan het worden was. Ik was gekrompen. In dit groepje jonge volwassenen moest ik mijn plaats opnieuw bepalen. Ik probeerde verschillende technieken uit om boven het lawaai uit te komen dat opsteeg zodra cider en bier op tafel verschenen. Concurreren had geen enkele zin, dat zag ik al gauw. Ik ken genoeg leeftijdgenoten die desgewenst doen of ze dertig jaar jonger zijn maar mij ligt dat niet zo. Het meest effectief was nog de rol van de oude vader - als ik die een beetje theatraal aanzette met smeuïge verhalen over vroeger, kleefden de kinderen aan mijn lippen. Toch beviel deze rol me niet, zoals geen enkele rol me nog bevalt.
Uiteindelijk gaf ik het maar op en had er vrede mee dat ik was die ik was in deze constellatie. Niet langer de zon waarom de planeten draaiden maar slechts één van de dwaalsterren: hun verwekker én medereiziger. Een onduidelijkere plaats in de hiërarchie dan vroeger maar ook een met minder verantwoordelijkheden. Als ik een slechte dag had hoefde ik niet bang te zijn dat er niets gebeurde, want het initiatief werd elders genomen. Aan het stuur zat de erfgenaam van mijn vroegere zelf. Ik hobbelde mee en knapte ervan op.
Toen we van Duinkerke terug naar huis reden was ik zelfs geen bijrijder meer. Ik zat achterin en hoorde glimlachend hoe voorin een stroom van foute muziek uit de jaren negentig luidkeels werd meegezongen. Wat voor mij als een aberratie van de nadagen van de wereld klonk was voor mijn kinderen jeugdsentiment.
Ik zag me weer naast mijn broer zitten, in de auto op weg naar Deauville, met mijn vader achterin. Die keer dat hij de legendarische woorden had gesproken: ‘Ga ik naar Frankrijk, nemen ze mee naar Zandvoort.’ Op dat moment was door de een of andere onuitgesproken overeenkomst bepaald dat het zo hoorde: wij aan het stuur, hij achterin. Een kantelpunt, want vanaf dat ogenblik waren we hem als een oude man gaan zien.
Nu was mij dat overkomen. Het klopte ook wel: ik was ongeveer zo oud als hij toen was.
Ik neuriede mee met Spandau Ballet en zag hoe Vlaanderen voorbijtrok in de valavond. Mijn vriendin klopte me bemoedigend op mijn been.
Ach ja, dacht ik. Waarom ook niet? Het is weer eens wat anders, en verzet is zinloos. En ook op deze reis valt veel te genieten.
Abonneren op:
Posts (Atom)

