dinsdag 21 januari 2025

Lennaert ... 80?!

 

In december 2022 brachten we voor het eerst de theatrale ode aan Boudewijn de Groot en vooral Lennaert Nijgh die we Wat geweest is, is geweest hadden gedoopt. De aanleiding was toen de twintigste sterfdag van Lennaert. We zongen en speelden een dik uur prachtige liedjes en ik las voor uit de soms hilarische, soms ontroerende brieven die Lennaert me schreef van 1991 tot aan zijn dood in 2002.

In de tijd daarna hebben we het programma nog een aantal keer uitgevoerd, nu ook in grotere zalen. Het moest daarvoor aan iets andere eisen voldoen, er moest een pauze in, bijvoorbeeld. De consequentie daarvan was dat we het uitgebreid hebben met een paar feitelijk onmisbare klassiekers, zoals Meisje van zestien, Malle Babbe en Apocalyps. 

Onze uitvoering van het geliefde en nog steeds bladfrisse repertoire bleek in de smaak te vallen. De laatste keren speelden we voor een uitverkocht huis, waarvan de Cultuurkoepel in Heiloo met 500 bezette stoelen het voorlopige hoogtepunt was.

Inmiddels heeft ook Boudewijn zelf zijn waardering voor ons initiatief (én onze uitvoering) uitgesproken en daar zijn we natuurlijk best trots op. 

Op 29 januari zou Lennaert Nijgh 80 jaar zijn geworden. Om dat te vieren spelen we Wat geweest is, is geweest nogmaals in het kerkje waar het in 2022 begon - nu in de uitgebreide versie.

Jan-Paul van Spaendonck - zang en gitaar, voordracht
Martijn van Spaendonck - zang, gitaar, mandoline en percussie
Jenny van de Wateringen - zang, gitaar, fluit en percussie

Zondag 26 januari 2025
15.00 uur
Noordeinder Vermaning
Noordeinde 18
1485 EV Noordeinde

Toegang 15 euro

Foto: ⓒ Gijsbert Hanekroot, 1971


vrijdag 17 januari 2025

VESTDIJK


'Ik praatte door, met een flux de bouche, waarop de wrakstukken wegdreven van tegenwerpingen, lachbuien, vloeken, en ophitsende stemmen achter mijn rug.'

Beethoven heb ik pas laat leren waarderen. Naar een vanzelfsprekende reputatie hoefde je niet om te zien, dat was al genoeg gebeurd. Liever zochten we de prikkels van het obscure. Dat er iets scheefs aan was om alle opusnummers van Skrjábin uit je hoofd te kennen maar niets van Haydn te weten heb ik pas later begrepen. Ik moet vaak denken aan onze muzieklerares. Op ons verzoek behandelde ze Le boeuf sur le toit van Darius Milhaud. Ze vond het wel aardig, maar, zei ze, op haar leeftijd hield ze steeds meer van Mozart. Toen beschouwde ik dat als een blijk van seniliteit, nu begrijp ik het heel goed.

Mijn kennis van de Nederlandse literatuur begon bij Wolkers en 'de grote drie': Mulisch, Reve en Hermans, schrijvers die tot wasdom kwamen in de tijd dat ik leerde lezen. De hele periode daarvoor sloeg ik over (Du Perron en Ter Braak waren slechts namen uit een lesboekje) en pas bij Nescio en Couperus was ik weer thuis. Zo kwam het dat ik Simon Vestdijk heb gemist. Die reputatie was net als die van Beethoven zo alles overschaduwend dat ik een geeuw niet kon onderdrukken. Later besefte ik de lacune in mijn opvoeding wel en als ik eens een boek van Vestdijk tegenkwam sloeg ik het nieuwsgierig open. De eerste bladzijden die ik op die vluchtige manier las bevestigden mijn vooroordeel. Ik had begrepen dat Vestdijk een veelschrijver was, een bijkans manische auteur die, als hij een boek voltooid had en het nog geen bedtijd was, gewoon aan een nieuwe roman begon. Zo troffen die eerste zinnen me ook: in medias res, met de deur in huis. Geen iconische, op zichzelf staande literatuur, maar een vrij willekeurig onderdeel van een oeverloos oeuvre. 

Onlangs lag er weer eens een boek van hem in het weggeefkastje in mijn straat. Ik nam het mee en begon in een luwte tussen twee andere boeken erin te lezen. En verdomd, daar raakte ik toch geboeid. Wat ik hier in handen had (De dokter en het lichte meisje) was bepaald geen Beethoven. Het was een vreemd, wild boek. Een bij vlagen gezellig uitdagend doktersromannetje met complexe monologue intérieur, onbegrijpelijke, op associatie drijvende passages, over elkaar heen buitelende, bijna hallucinante beelden, smoezelige en bepaald niet woke erotiek, oneliners van aforistische kwaliteit, in een stijl waarin alles kon en mocht: Dickensiaanse gelede zinnen, jargon en spreektaal, vlotte dialoog, hortende weglatingen (...) à la Simenon, lyrische beschrijvingen en buikige humor. Ik snapte lang niet alles, leerde nieuwe woorden (buspatienten, zachts) en na ruim honderd bladzijden was er nog steeds geen lijn of plot in te ontdekken, anekdote reeg zich aan anekdote, handig aan elkaar geluld. Had ik hier soms te maken met zowel een (nog steeds) moderne roman als met een voorloper van het postmodernisme?

Ik herinnerde me hoe het destijds met Mulisch gegaan was, met Conan Doyle en met Dickens. Als de lust me overviel om van deze nieuwe ontdekking meer te lezen, kon ik nog wel even voort. De rest van mijn leven misschien wel, want Vestijk was, als gezegd, met alleen al 52 romans, een veelschrijver.
Het was me inmiddels duidelijk geworden dat ik dit merkwaardige boek ging uitlezen en ik besloot een bezoek te brengen aan het grootste weggeefkastje van de stad. In de ...-straat bevindt zich, achter een poort en in een tunneltje dat leidt naar de binnentuinen, een ware bibliotheek van maar liefst twintig boekenkasten. Het is een buurt waar veel leraren wonen en dat is te zien aan de boeken, weinig pulp, veel literatuur. Dit keer ging ik met een bepaald doel en vlooide ik de twintig kasten systematisch door. Ik zag veel dat mijn begeerte wekte maar ik dacht aan de voor driekwart volle vuilniszak die thuis in mijn gang staat: sinds ik een pakje jeugdfoto's kwijt ben doorzoek ik mijn huis grondig en alles wat me treft als écht overbodig belandt in die vuilniszak; en mijn boekenkasten puilen sowieso uit. Zo versmaadde ik zelfs een mooie, in smetteloos linnen gebonden, vuistdikke uitgave van Ulysses in de vertaling van Paul Claes en Mon Nys.
Maar van Vestdijk geen spoor! Wat je zoekt vind je niet. De wet van de kringloopwinkel. 
Was Vestdijk zo geliefd dat niemand zijn boeken wegdeed? Was er vóór mij een verzamelaar geweest die de kasten had afgeroomd? 
Teleurgesteld ging ik naar huis met een troostrijke eerste druk, harde kaft, van Reve's Tien vrolijke verhalen en twee boekjes van Jack Vance, voor mijn broer. Van James Joyce had ik nu al spijt.


zaterdag 11 januari 2025

FOTO'S


Voor me ligt een stapeltje foto's. Floor en Maartje kijken me lachend aan, Floor heeft een brandende filtersigaret tussen haar vingers, wat ik een raar gezicht vind. Glenn speelt, voorovergebogen, het zwarte haar valt schaduw-brengend over zijn gezicht, op zijn sunburst Gibson. Jan Hart zit ernstig achter zijn drumstel, een stokje klaar om toe te slaan. Een andere jongen, met een licht gekleurde bril en een bloemenbloes, ken ik niet, maar ik weet uit de context dat het Rob van de Weert is, de Osdorpse Jimi Hendrix, zoals Glenn de Jimi Hendrix van Slotermeer was.

Ik heb de foto's, die dateren uit de jaren zeventig, gekregen van Michel Hobbij. Ik was klaar met de eerste opzet van een verhaal over Wilfred, mijn jonggestorven jeugdvriend en de bassist van onze diverse bandjes, toen ik besloot dat het verstandig zou zijn om de lacunes in mijn geheugen op te vullen. Uit mijn dagboek leerde ik dat ik vlak na Wilfreds dood in 1996 foto's en een cassettebandje had gekregen van deze Michel, evenals ik een Cartesiaan, maar drie jaar jonger. Hij had destijds de nalatenschap van mijn betreurde vriend beheerd en gezorgd dat alles goed terechtkwam.
Michel was makkelijk op te sporen, die achternaam hoor je niet vaak. Hij had als fotograaf een website. Ik stuurde een mailtje: ben jij de Michel, die...? Raak. Hij belde en we maakten een afspraak. Gisteren hebben we samen in café Belcampo in de Hallen het gemeenschappelijke verleden doorgenomen. Niet alleen het onfortuinlijke verhaal van onze vriend, er bleken ook andere raakvlakken. We hadden dezelfde vrouw bemind, zij het in verschillende tijdperken: daarover kon ik hém een update geven, hoewel die ook alweer twee decennia oud was.
Hij haalde een stapeltje foto's tevoorschijn. Een aantal wilde hij zelf houden, de rest mocht ik hebben. Zo kreeg ik na bijna dertig jaar een mooie aanvulling op de foto's die hij me destijds had gegeven. 

Januari is de maand van de herinnering. Ik hoef er mijn blog maar op na te slaan. Vele stukjes schreef ik rond deze tijd die het (meestal verre) verleden als onderwerp hebben. Ik heb daar verklaringen voor gezocht en ook gevonden, de een wat plausibeler dan de andere. Ik laat het op heden maar liever bij de vaststelling, dat in dit niemandsland tussen de decemberfeesten en het nog niet goed op gang gekomen nieuwe jaar de gedachten een beetje ronddobberen zonder zich nog te hechten aan dringende zaken, en de herinneringen vrij spel hebben.

Ik ga op zoek naar die ándere foto's, die uit 1996, en kan ze niet vinden. Ze moeten ergens zijn maar ik kan niet bedenken waar dan toch. Gelukkig heb ik ze vrijwel allemaal digitaal, in de loop van de tijd heb ik de meeste als illustratie gebruikt. Behalve een, uitgerekend de foto waarop ik op Wilfreds jongenskamer een sunburst gitaar bespeel, de western gitaar van Wilfred, en bijna net zo mysterieus kijk als Glenn. Kerstmis 1970, Wilfreds verjaardag. Ik draag leren laarzen en een donkergroene trui. Alleen al om die foto moet ik doorzetten tot ik het mapje (doosje?) gevonden heb.

Onderweg kom ik van alles tegen dat mijn aandacht trekt en vasthoudt. Zoals dit gedichtje, gezien het onderwerp te dateren in maart 1986:

De wind woei door ons haar,
't anachronistisch lange.
Je zei: 'Wie dertig is,
is jonger, goed beschouwd,
dan wie het nog moet worden.'

Je had gelijk. Wat eerst
iets vanzelfsprekends was
(de jeugd als levenslucht)
wordt plotsklaps iets om on-
vermoeibaar na te streven.


[Foto: Paul Veen]

zaterdag 4 januari 2025

SOEPGANZEN


Am bam - de fluit van Pan had zeven gaten. Geen kon het dansen laten.
Eén been had hij maar dansen moest hij op één been door de wei...

Na het opzeggen van dit vers stapt Nifterik van Spa van het vliegend vloerkleed Kamerbreed en is als bij toverslag verdwenen in het niets, terug naar waar hij vandaan kwam. De Hamelaars laat hij verwonderd achter terwijl die toch echt wel het een en ander gewend zijn sinds ze de wereld van gnomen, trollen, nixen en andere sprookjesfiguren zijn binnengegaan.
Het is aflevering 43 van de nog lang niet afgelopen serie Kunt U mij de weg naar Hamelen vertellen, mijnheer? Nifterik van Spa (van Bakzeil tot de Bokkebocht) wil niet mee naar Wenzela de IJsheks, vandaar. Hij wordt gespeeld door de op dat moment 61-jarige Jan Hundling (1914-2003). Afgelopen oudjaar zeiden we hem zijn spreuk na en zagen we hem weer zijn stap in het niets doen.

Ik had nog niet heel vastomlijnde plannen om dit blog na vijftien volgeschreven jaren misschien niet uit de lucht te halen, maar dan toch zodanig terug te schroeven in frequentie dat de wekelijkse druk om een stuk proza te produceren zou verdwijnen. Ik stelde me voor het om te dopen tot Voorheen Rookzanger - De toegift. Of: Encores en allerlei. Die gedachte gaf me rust. Iets netjes afronden, en nog wat vrijblijvend doorspelen als de pet zo stond - was dat niet mooi?

Gisteren, vrijdag, blogmiddag, liep ik over straat. Ik ging naar de Appie om een mooie biefstuk te kopen die me moest troosten nu alles na de januaridrooglegging zo sober en saai was; dat stukje van de lende zou de leegte van die onthouding hopelijk omtoveren tot een kwaliteit. Op de hoek van de Reijnier Vinkeleskade was ik getuige van de migratie van de soepganzen. 
Om de een of andere reden hangt er daar altijd een schooltje van die traag schommelende, voornamelijk witte vogels rond. Vaak in het plantsoentje aan de rand van de weg. Nu waren ze de J.M. Coenenstraat aan het oversteken, tergend langzaam. Een vrouw op een fiets stapte af en gidste ze als een verkeersagent of klaar-over naar de veilige overkant. 
Toen ik terugkwam uit de super had de school, nu zonder hoedster, besloten dat het gras toch niet groener was aan de overzijde en hobbelde de weg weer op, zonder op of om te kijken. Auto's stopten, gelukkig was het deze derde januari stil in de stad. Drie bereikten ongeschonden de overkant. Een vierde anser unox bleef achter in het plantsoen. Gauw zou het donker worden. Ik liep maar snel door met mijn biefstuk, een tros bladpeterselie en een bakje zoete cherrytomaatjes. 

Ik aarzel nog wat ik ga doen met dit blog. Mijn voortvarend besluit is met de komst van het nieuwe jaar verdwenen. Het nieuwe jaar brengt helaas nooit meteen die frisse alles-is-anders-stemming die je je tijdens de donkere decemberdagen voorstelt. Dat neemt altijd wat tijd. Ik houd u op de hoogte.

Voor nu: Een gelukkig en gezond 2025 toegewenst!


vrijdag 27 december 2024

KINDERTJESDAG


De charme van de zogenaamde Derde Kerstdag is al lang vergaan. Vroeger was dat een heerlijk niemandsland. Je hoefde niet meer sociaal te doen (ouders, schoonouders, vrienden) en kon in oude plunje gehuld op de bank hangen en slechte tv kijken. Met een glas naar keuze erbij want het was tenslotte nog een beetje feest en 1 januari was nog ver weg. Met wat geluk had je niet te veel het zuur. Maar ook serieuzere maagproblemen gingen over als je maar genoeg doorzette met de toegift van de overgebleven kerstwijn.

Een extra aardigheidje was dat het kindertjesdag was. De kinderen mochten kiezen wat er op het menu stond. Steevast bleek dat pizza te zijn. Misschien dat we ooit een keer van de wildresten een hartige en magere bouillon hebben getrokken om de maag rust te geven. Maar ik herinner me vooral pizza's. 
Die familietraditie wortelde in een oude katholieke traditie, wisten we, want op deze dag vierde de kerk het Feest der Onnozele Kinderen: de kindermoord van Bethlehem, verordonneerd door koning Herodes, werd dan herdacht.
Voor de heidenen onder ons: van de Wijzen uit het Oosten had Herodes gehoord dat er in Bethlehem een nieuwe koning geboren zou worden. Om die troonpretendent bij voorbaat uit te schakelen liet hij alle jongetjes onder de twee afslachten. Het zekere voor het onzekere. Gelukkig had stiefvader Jozef in een droom bezoek gehad van een engel, die hem opdracht gaf om naar Egypte te vluchten met vrouw en kind. De rest is geschiedenis.
Maar terwijl ik dit schrijf ontdek ik dat dat feest van de Onnozele Kinderen morgen pas is. 28 en niet 27 december, de cijfers zijn duidelijk. Ons excuus voor onze pizza's en extra glaasjes was op valse gronden gebaseerd. 

Ik begon met te zeggen dat de charme van deze quasi feestdag reeds lang verwelkt is. Zonder kleine kinderen en de uitvlucht van een verkeerd onthouden viering wordt de dag na Kerstmis met al haar intense genietingen vooral gedomineerd door een grauw mengsel van schuldgevoel en somberheid. 
Gelukkig valt hij dit jaar op vrijdag.
Begin van het weekeind, houd ik mezelf voor. 
Cheers, lieve lezers!



Illustratie: Peter Paul Rubens (1577-1640): "Kindermoord te Bethlehem"


dinsdag 24 december 2024

KERSTBOMEN

Kerstbomen

(Een kerstbrief aan vrienden)

De grote stad had zich teruggetrokken
In zichzelf, en het land het land gelaten;
Toen tussen sneeuw die niet wilde gaan liggen
En nog onrustig blad een vreemdeling
Naar onze voordeur reed, een stadse heer,
Die evenwel als buitenman te wachten
Zat tot wij in jas gehuld naar buiten
Kwamen om te vragen wie hij was.
Het bleek de stad te zijn die buurten kwam
Om iets te zoeken dat ze was vergeten,
Waarzonder ze geen echte kerst kon vieren.
Hij vroeg of hij mijn kerstbomen kon kopen;
Mijn bos - de jonge zilversparren als een
Dorp vol kerken met hun spitse torens.
Ik had ze nooit als kerstbomen gezien.
Ik was geloof ik geen moment geneigd
Om ze in wagens weg te laten voeren
En achter ’t huis de helling kaal te laten,
Waar de zon nu net zo koel schijnt als de maan.
Zo ja, dan zou ‘k niet willen dat zij ’t wisten.
Nog minder wilde ik ze houden als
Een handel die je tijdig veilen moet,
En die dan grif bij handslag wordt verpatst -
Ik gunde ze hun overrijpe groei.
Ik talmde als ik aan verkopen dacht.
Toen zei ik, uit misplaatste hoffelijkheid
Of angst om bleu te schijnen, of misschien
Uit valse hoop een compliment te krijgen:
“Het zijn er sowieso toch nooit genoeg.”
“’k Zie gauw genoeg om hoeveel het er gaat,
Laat mij maar even kijken.”
                                             
                                              “Kijken mag.
Maar denk maar niet dat ik ze van de hand doe.”
In ’t weiland tiert het, in zo dichte drom
Dat niet steeds elke tak tot wasdom komt.
Maar flink wat stonden er met rond en rond
Gelijke takken. “Ja,” zei hij daartegen,
Of stopte keurend bij een gave boom,
En zei als handelaar: “Die zal wel gaan.”
Dat dacht ik ook, maar dorst het niet te zeggen.
We klommen door de weide in het zuiden
En eindigden in ’t noorden, hij zei: “Duizend.”

“Duizend kerstbomen! Hoeveel per stuk?”

Hij haastte zich om dat te temperen.
“Duizend bomen is zo’n dertig dollar.”

Toen wist ik zeker dat ik nooit van plan
Geweest was te verkopen. Wat een grap!
Die dertig dollar leek zo weinig naast
Het bos dat ik moest kappen, en drie cent
(Want dat was wat ze opbrachten per stuk),
Drie cent zo weinig naast de dollar die
Mijn vrienden die ik aanstonds schrijven zou
In steden voor dat moois moesten betalen,
Luxe bomen waar zo menige school
Genoeg in hangen kon voor ieder kind.
Ik wist niet eens dat ik er duizend had!
Drie cent meer waard als gift dan in de handel,
Zoals een rekensommetje bewijst.
Jammer dat ze niet passen in een brief.
Ik wenste dat ik je er een kon sturen,
Bij deze wensen voor een Vrolijk Kerstfeest.


Robert Frost, © vertaling JPvS

*

Christmas Trees

(A Christmas Circular Letter)

The city had withdrawn into itself
And left at last the country to the country;
When between whirls of snow not come to lie
And whirls of foliage not yet laid, there drove
A stranger to our yard, who looked the city,
Yet did in country fashion in that there
He sat and waited till he drew us out
A-buttoning coats to ask him who he was.
He proved to be the city come again
To look for something it had left behind
And could not do without and keep its Christmas.
He asked if I would sell my Christmas trees;
My woods—the young fir balsams like a place
Where houses all are churches and have spires.
I hadn’t thought of them as Christmas Trees.
I doubt if I was tempted for a moment
To sell them off their feet to go in cars
And leave the slope behind the house all bare,
Where the sun shines now no warmer than the moon.
I’d hate to have them know it if I was.
Yet more I’d hate to hold my trees except
As others hold theirs or refuse for them,
Beyond the time of profitable growth,
The trial by market everything must come to.
I dallied so much with the thought of selling.
Then whether from mistaken courtesy
And fear of seeming short of speech, or whether
From hope of hearing good of what was mine, I said,
“There aren’t enough to be worth while.”
“I could soon tell how many they would cut,
You let me look them over.”

                                                     “You could look.
But don’t expect I’m going to let you have them.”
Pasture they spring in, some in clumps too close
That lop each other of boughs, but not a few
Quite solitary and having equal boughs
All round and round. The latter he nodded “Yes” to,
Or paused to say beneath some lovelier one,
With a buyer’s moderation, “That would do.”
I thought so too, but wasn’t there to say so.
We climbed the pasture on the south, crossed over,
And came down on the north. He said, “A thousand.”

“A thousand Christmas trees!—at what apiece?”

He felt some need of softening that to me:
“A thousand trees would come to thirty dollars.”

Then I was certain I had never meant
To let him have them. Never show surprise!
But thirty dollars seemed so small beside
The extent of pasture I should strip, three cents
(For that was all they figured out apiece),
Three cents so small beside the dollar friends
I should be writing to within the hour
Would pay in cities for good trees like those,
Regular vestry-trees whole Sunday Schools
Could hang enough on to pick off enough.
A thousand Christmas trees I didn’t know I had!
Worth three cents more to give away than sell,
As may be shown by a simple calculation.
Too bad I couldn’t lay one in a letter.
I can’t help wishing I could send you one,
In wishing you herewith a Merry Christmas.


vrijdag 20 december 2024

KWEETAL


Ik ben uit de jaren vijftig en weiger me aan elke zegening van deze tijd klakkeloos te conformeren. Het eerste en enige kledingstuk dat ik ooit bestelde via het internet was een blouse met korte mouwen, versierd met zwemmende vissen in contrasterende kleuren. Het ontwerp deed prettig oosters aan en de blouse kwam dan ook, zo bleek algauw, uit China. De Amsterdamse leverancier was een bedrijf dat alleen in naam bestond: elk besteld exemplaar moest van de Chinese lopende band rollen en van daaruit verstuurd worden.
Helemaal frauduleus was de procedure toch niet. Je betaalde en kreeg er iets voor terug. Maar als ik de commentaren op diverse fora mocht geloven was het maar afwachten of wat je kreeg ook hetzelfde was als wat je had besteld. Sommigen kregen een heel andere blouse, anderen de juiste, maar in een verkeerde maat. Het voorgespiegelde katoen bleek veelal polyester te zijn.
Ik had geluk. Toen de blouse eindelijk arriveerde, weken nadat ik hem uit het Verre Oosten verordonneerd had, beviel hij me goed. De vissen waren rood en blauw, de maat was XL, de stof was weliswaar geen katoen, maar ook geen polyester: een ademend soort vezel waarvan ik de naam vergeten ben. Ik hing hem over een stoel in mijn slaapkamer in afwachting van de mooie nazomerdag dat ik hem kon dragen.

De nazomer ging voorbij en ook de herfst. Soms wreef ik aarzelend over de gladde zilvergrijze stof. Toen het november werd was het duidelijk dat de vissen pas op zijn vroegst de volgende lente de wereld in zouden zwemmen. 
Toch borg ik de zomerse blouse niet weg in de kast. Ik liet - en laat - hem rustig over die stoel hangen in afwachting van de eerste mooie voorjaarsdag. Voor je het weet is het zover. 

Dat de tijd sneller gaat naarmate je ouder wordt merkte ik ook aan mijn oude luit.
De lezers van dit blog met een goed geheugen zullen zich misschien mijn worstelingen met het via Marktplaats aangeschafte instrument herinneren. Twee reparaties konden niet voorkomen dat het fragiele opzetstukje waardoor de stemschroef van de hoge g-snaar gaat wederom afbrak. Ik werd er mismoedig van en bestelde een nieuwe luit. Bij een bouwer uit Dublin, via internet. Het oude geblesseerde beestje liet ik in zijn standaard in afwachting van inzicht. Ik kon en wilde het niet weggooien maar wat ik er nog mee kon doen wist ik niet. 
Op zekere dag verscheen inzicht in mijn huiskamer in de gedaante van rietblazer en instrumentenbouwer Lucas. Hij bekeek de gehavende luit eens goed en sprak de verwachting uit dat daar nog wel iets mee gedaan kon worden. Rimpels verschenen op zijn voorhoofd. Kweetal, zei hij. Hij stelde zich een messing plaatje voor dat het opzetstukje in bedwang moest houden. Nieuwe lijm en een messing plaatje - dat zou werken, dacht hij. En nee, hij had nu geen tijd, maar hij wilde dat wel voor me doen, als het geen haast had.
Nee, haast had het niet.

Een jaar ging voorbij. Mijn zangleerlingen verbaasden zich soms over die kapotte luit die daar in de weg stond bij hun lessenaar. Ik vertelde dan dat zij binnenkort gemaakt zou worden door een bevriende hobobouwer. 

Lucas is de enige van mijn vrienden die nog onaangekondigd op bezoek komt. Een mooie, bijna vergeten gewoonte. Hij belt weleens op goed geluk aan als hij in de buurt moet zijn. Dit keer was ik thuis. We dronken koffie en praatten een uurtje aangenaam over onze gezamenlijke interesses voor ik hem de deur moest wijzen omdat ik een afspraak buitenshuis had. Op de valreep bracht ik de luit ter sprake. Hij bleef bij zijn prognose (messing en nieuwe lijm) en wist zijn belofte nog, die hij zéker wilde houden. Laten we nu een afspraak maken voor er weer een jaar voorbij is, besloten we. We kwamen een dinsdag overeen waarop ik de luit bij hem zou brengen.
Die dinsdag kwam gauw genoeg. Nu was het wachten op witte rook uit zijn woonboot. Haast was er niet maar hij moest er toch wel een geschikt moment voor vinden want de klus was tamelijk tijdrovend en moest secuur gebeuren.

Gisterenmorgen reden mijn vriendin en ik door de ijsregen naar de kade waar zijn voormalige vrachtschip voor anker ligt. Nadat Lucas driftig slingerend koffie had gemalen met een ouderwetse wandmolen, scheutje voor scheutje water had opgeschonken, en we over van alles hadden gesproken, was het moment van de onthulling daar. Ik haalde de luit uit haar foedraal en keek naar de glimmend gelakte, zo goed als onzichtbare reparatie. Lucas had de sporen van de eerdere lijm (respectievelijk konijnen- en superlijm) zorgvuldig verwijderd en het breukvlak zachtjes geschuurd. Van het messing plaatje had hij, na enig turen en intuïtief schouwen in het gewonde instrument, afgezien. In plaats daarvan had hij gekozen voor een extreem sterke epoxyhars en een paar pinnetjes die het gelijmde hout op zijn plek moesten houden. Daarvoor had hij cocktailprikkers gebruikt die hij afgevijld had en had laten verzinken. Ik gniffelde om deze creatieve benadering die de echte ambachtsman verried. Zen en de kunst van het repareren. 
Thuis zette ik probleemloos een nieuwe g-snaar op. De schroef werkte soepel. Ik verving ook de ontbrekende snaren, die ik voor mijn andere luit had gebruikt. Ik stemde zorgvuldig, wat met de matige conditie van de oude stempinnen na al die tijd niet makkelijk was, en speelde een paar stukjes vroeg zestiende-eeuwse luitmuziek. 
Een uur later zette ik de luit terug in de standaard. Alsof er niets gebeurd was. Die twee jaar waren al vergeten. 
Straks zal ik mijn Chinese blouse dragen.