vrijdag 1 november 2024

NOVEMBER

 

De nederige dagen van november zijn weer gekomen, grijze als een emmer.
Ik citeer dat altijd verkeerd, als: De lege dagen van November zijn gekomen, grijze als een emmer. Met alle respect voor Gerrit Achterberg vind ik het zo mooier.
Zo leeg of nederig als in Achterbergs gedicht zijn die dagen gelukkig nog niet meteen.
Het is wel druilerig en mistig buiten - Bommellezers denken bij dit weer meteen aan De Toornviolen. In dat verhaal druilt de natuur mistroostig, oktober lijkt al ver weg, oktober was bijna zomer. 
In het park zit ik langer op mijn bankje dan normaal. Ik masseer mijn pijnlijke vingers, wijs en ring, aan de linkerhand. Toch geen gitaar- of luitblessure, toch artrose, ouderdom? 
Het is nog geen Allerzielen maar ik denk aan de dierbaren die het laatste jaar gestorven zijn. Dat mag trouwens ook nú, want in zuidelijke landen worden de doden reeds op Allerheiligen herdacht. Ik heb daar al eens over geschreven, rond deze tijd.
Ik denk aan Joch, aan Boris, aan die lieve Ruud, toch ook een beetje aan Ria, hoewel er weinig liefde tussen ons was, maar ze was oud en dement en de tijd was op dreef als heelmeester. En verder teruggaand aan die andere Ruud, een aneurysma en weg was hij. Aan Marcel, aan Ome Sjaak, aan Kees. Aan Ger natuurlijk, Ger. Tot aan 2016 ga ik met mijn gedachten, naar mijn vader die op 26 oktober van dat jaar stierf. Dat jaar was een waterscheiding. De belangrijkste dag in het leven van een man is de dag waarop zijn vader sterft, heeft Simenon schijnbaar gezegd. Geerten mailde het me, in zijn condoleancebriefje.
2016 was ook het jaar waarop mijn kleindochter werd geboren. Symbolischer kan het niet.
De schemering valt. Ik steek een kaars aan, gewoon voor de gezelligheid.
Maar zeker ook voor allen die me voorgingen op de weg die wij allen moeten gaan.


Mijn gast in november

Als mijn Verdriet bij mij logeert
 Zegt zij dat natte duisternis
Is wat haar hart het meest begeert;
Ze houdt van bos dat blad ontbeert;
 Ze voelt de kou niet als gemis.

Ik volg, voor haar plezier alleen,
 Zij praat maar en ik luister graag:
Ze juicht dat vogelzang verdween,
Dat glinsterende mist verscheen
 Als parels op haar grijze kraag.

De bomen, zo armzalig kaal,
 Het land zo vaal, de lucht zo stom,
Voor haar een dierbaar oud verhaal,
Zij denkt dat ik daar niet om maal,
 En kwelt me met de vraag: Waarom?

Ik leerde echt niet voor het eerst
 De schoonheid kennen van de tijd
Waarin die grauwe leegte heerst,
Maar heb mijn radde tong beheerst,
 Omdat de herfst door haar gedijt.

My November Guest, Robert Frost
Vertaling JPvS

vrijdag 25 oktober 2024

Twee zeer korte Sallandse verhalen

We hebben Roy

Omdat mijn Ecco's na een jaar al versleten waren en me natte voeten bezorgden bij het wandelen in het bos kocht ik een nieuw paar bij de Scapino in Ommen. Ze waren flink afgeprijsd. Blij met mijn aankoop liep ik vrolijk babbelend naar de auto van mijn vriendin. 
Er reden twee politieauto's het plein op. Drie agenten haastten zich het terras van Eten en drinken op. Daar zat een man achter een onschuldig kopje koffie. Een grijsblonde, wat sjofele man met een tas van de Aldi naast zich. Hij keek verbaasd op naar de agenten, maakte geen aanstalten weg te lopen en liet zich mak de handboeien aandoen. Een van de agenten boog zich zijwaarts en zei in haar portofoon: 'We hebben Roy.'
We speculeerden over deze aanhouding in het brave provincieplaatsje. Ik hield het op een verwarde man die voor overlast had gezorgd. In de auto terug naar het vakantiehuis googelde ik maar het internet zweeg over het voorval.
We kookten coq au vin. We wandelden (ik met mijn nieuwe droge Ecco's) over de Lemeler Berg in de mist. Spinnenwebben overspanden hulst en jeneverbes als zilveren snoeren. We reden Duitsland in onder een strakblauwe lucht. We vergaten de arrestatie tot ik zomaar mompelde: We hebben Roy, als een soort mantra. Mijn vriendin vroeg of ik internet nog had gecheckt. Ik toetste in: 'Politie Ommen aanhouding'. Niets. Ik tikte er 'Roy' achteraan. En waarachtig. 'Serie-oplichter' Roy L. (45) alsnog opgepakt, meldde De Stentor. Roy bleek met een handige babbel heel wat auto's en fietsen voor proefritjes te hebben losgepraat om ze vervolgens nooit terug te brengen. De rover werd in heel Overijssel gezocht.
Ik herinnerde me dat ze Roy's hoofd niet hadden afgeschermd toen ze hem de auto induwden, zoals ik Wolfs en Van Dongen altijd zie doen bij een aanhouding. Dit was de niet geregisseerde werkelijkheid. 

Het vogelloze bos

De verrekijker was meegekomen en Lars Svenssons Vogelgids van Europa lag klaar maar de vogels hielden zich stil. Een paar bekvechtende gaaien, een enkel vinkje of meesje, een overtrekkende zwerm kolganzen, dat was het wel. Dat was bij ons vorige verblijf hier in de lente van 2021 wel anders geweest. Toen had ik, kersvers vogelaar, onder meer de bonte vliegenvanger en de heggenmus leren kennen. 
Op de morgen van vertrek pakte ik mijn tas. Terwijl mijn vriendin het laatste schoonmaakrondje deed stond ik op het bordes en deed wat ademoefeningen. Ik had mezelf buitengesloten. Opeens viel me op hoeveel de grote den verderop te zeggen had. Een wolkje vogeltjes streek erop neer. Er werd op de stam geklopt. Ik zette mijn app aan en er verscheen een rijtje namen: boomklever, goudhaantje, grote bonte specht, vink, koolmees, pimpelmees.
'Dat zal je altijd zien,' zei ik tegen mijn vriendin, die de stofzuiger had uitgezet en me binnen had gelaten. 'Zijn er eens vogels, ligt mijn kijker onderin mijn tas.' 
Maar toen schoot me te binnen dat er in de boekenkast een kijker van de eigenaar lag. Ik veegde mijn schoenen schoon op de mat, pakte de vreemde kijker en ging snel het bordes weer op. Maar nog voor ik de lens had scherpgesteld wist ik het al. De boom was leeg en stil. De wolk was verder getrokken. Alleen een enkel koolmeesje zat me uit te lachen. Great tit, noemt mijn app die. 


vrijdag 18 oktober 2024

Liederen van de gestorven kinderen

‘De aanwezigheid van de afwezige. Ik geloof niet dat ik die sensatie ooit zo beklemmend en troostend heb horen en zien uitdrukken’.
Aldus Alfred Kossmann over een van de door Gustav Mahler getoonzette Kindertotenlieder van Friedrich Rückert.
Rückert (1788-1866) was een geleerde, oriëntalist en filoloog, en als zodanig een soort genie: op zijn veertiende vertaalde hij de gehele Odyssee en hij bemoeide zich beroepsmatig, als wetenschapper en als vertaler, met meer dan veertig talen, waaronder Fins, Hawaïaans, Berbers, Perzisch en Oud-Ethiopisch. Zijn poëzie is daarentegen sterk autobiografisch. De dood tijdens een roodvonkepidemie van zijn twee jongste kinderen in 1833 en 1834 verwerkte hij in een cyclus van 428(!) gedichten. Het zijn aangrijpende gedichten vol van weemoedig leed, wanhoop maar ook van hoop. Rückert dichtte tegen de dood. Hij bracht alles in het geweer om zijn verdriet te rijmen met zijn leven. Toch bevat de cyclus ook verzen met een lichtere toon.
Rückert verbood publicatie van deze gedichten bij zijn leven. De integrale verzameling “Kindertotenlieder” zoals die in 1872 postuum werd gepubliceerd op initiatief van zijn zoon Heinrich was ruim een eeuw lang niet courant in druk, maar werd in 1993 weer beschikbaar door een herdruk van Insel Verlag.
Thans verschijnt bij de Statenhofpers een selectie van 35 van deze gedichten in een sprankelende vertaling van Jan-Paul van Spaendonck. Hij maakte hiervoor een gevarieerde keuze uit de reeks en voorzag daarnaast zijn vertaling van een uitgebreid informatief nawoord.
Liederen van de gestorven kinderen verschijnt als 14e deel in de reeks Saldencahiers in een eenmalige oplage van 100 genummerde exemplaren. Het werd gezet uit de Walbaum naar het oorspronkelijke ontwerp van Rückerts tijdgenoot Justus Erich Walbaum.
Het boekje heeft een omvang van 56 pagina’s. Het is te bestellen via de website van de pers www.statenhofpers.nl voor de sinds het eerste deeltje in de reeks inflatiebestendige prijs van €19,50.

(Uit de nieuwsbrief van de Statenhofpers. De snelle beslisser kan ook bij mij een gesigneerd exemplaar bestellen. Ik heb er enkele in de aanbieding. Stuur me in dat geval een berichtje. jpvanspaendonck@gmail.com)


vrijdag 11 oktober 2024

BOEKEN


Ik kreeg het eerste exemplaar van mijn jongste boekje in handen op dezelfde morgen dat de boekerij van drukker Boris Rousseeuw onder de hamer ging. Dat was even onvoorzien als symbolisch. Als het sierkabinetje met zijn eigen uitgaven deel van de veiling uitmaakte, waren daar ook titels van mij bij. De afgelopen vier jaar realiseerden Boris en ik vier deeltjes vertaalde poëzie. Heine, Aragon, Eichendorff, Hesse. Het vijfde deel, de Liederen van de gestorven kinderen van Friedrich Rückert, lag al klaar om gezet te worden. Maar eer Boris de loden letters kon selecteren stierf hij, vierenzestig jaar oud.

Ik vond Jaap Schipper, eigenaar van de Statenhofpers in Den Haag, bereid om de verweesde tekst alsnog te publiceren. Hij maakte er met zijn medewerkers een prachtig boekje van. Een delicaat, met de hand ingenaaid schriftje, dundruk, prachtig vormgegeven. Onderdeel van wat hij de Salden Cahiers noemt. Dat is een reeks boekjes van maximaal 55 pagina's waarvan het omslag gebruikmaakt van een markant lettertype, ontworpen door Helmut Salden (1910-1996). We kennen het vooral van de Russische Bibliotheek van Van Oorschot.
In Bodega de Posthoorn aan de Lange Voorhout vertelde Jaap dat hij het eerste deeltje had gezien als een hommage aan die beroemde Van Oorschot-uitgaven. Het bevatte immers verhalen en poëzie van Ivan Boenin, wiens verzamelde werk verscheen in de Russische Bibliotheek. Een knipoog naar het grote uitgevershuis - maar bij Van Oorschot waren ze not amused. Toch had Jaap het font keurig gekocht terwijl de Amsterdamse collega's het hadden laten natekenen. Het werd allemaal in der minne geschikt, en de inmiddels tot veertien deeltjes uitgegroeide reeks cahiers omvat nu ook de nooit eerder vertaalde gedichten van Friedrich Rückert.
Na een aangenaam uur rekende Jaap onze koffies af. Onder de herfstige bomen was een kleine boekenmarkt in bedrijf. Jaap moest eigenlijk werken maar kon de verleiding niet weerstaan nog even in de boeken te neuzen. Ik had een mooie uitgave van Een zwerver verliefd op de kop getikt voor een armzalige twee-euro-vijftig. Jaap en ik bleken een liefde voor Van Schendel te delen. In Vestdijk, een andere liefde van hem, beloofde ik me nog eens te zullen verdiepen, die heeft tot nog toe behendig aan mijn aandacht weten te ontsnappen.
Bij het afrekenen zag ik een Frans deeltje Maigret. Ik sloeg het open en het was verkocht. 'Quand Maigret arriva à Delfzijl'... wat een openingszin! 

Mijn vriendin en ik wilden er een dagje Den Haag van maken, een stad die ik veel te weinig ken. Het Mauritshuis lag om de hoek. Jaaps lievelingsschilderij hing er, het Stilleven met bosaardbeien van Adriaen Coorte.
Ik moet er ooit geweest zijn - ik herinner me de verrassing waarmee ik Het aardse paradijs met de zondeval zag, coproductie van Peter Paul Rubens en Jan Brueghel de Oudere, dat ik zo goed kende als kleine reproductie in mijn vaders studeerkamer. Blijkbaar was ik destijds nog niet zo geïnteresseerd in de Gouden Eeuw want verder herinner ik me weinig tot niets van dat bezoek. Voor Vermeer was ik tamelijk onverschillig, dat was voor de massa. Het Puttertje van Fabritius viel me tegen.
Nu is dat allemaal anders. Ik werd totaal overrompeld door die rijke, o zo rijke maar overzichtelijke collectie. Het Rijks? Laat me niet lachen. Als je van de zeventiende eeuw houdt moet je in het Mauritshuis zijn. Ik zou daar een apart blog aan moeten wijden. Voor nu moet u maar van me aannemen dat we er enige mooie uren doorbrachten. Als de ogen moe werden van al die pracht konden ze even rusten op de Hofvijver en het Torentje. 
We aten en dronken in de Haagsche Bierkluis.
Op de terugweg regende het. In mijn dashboardkastje lagen maar twee cd's. Het was Rachmaninovs Eerste Symfonie of een plaatje van mezelf. Achteraf zie ik het als een hommage aan Van Oorschot en de letters van Salden dat ik koos voor Rachmaninov. 


 Meer informatie volgt zodra de website van de Statenhofpers is bijgewerkt.

vrijdag 4 oktober 2024

Lezen en lunchen


Ter gelegenheid van de twaalfde Nationale Voorleeslunch mocht ik voorlezen in de OBA aan de Slotermeerlaan, vlak bij de straat waar ik mijn wilde puberjaren heb doorgebracht. Het was glashelder weer en druk op de weg, veel drukker dan het er vroeger ooit was. Het verhaal was dit jaar geschreven door Wim Daniëls, de gemoedelijke taalkundige scribent, cabaretier en tv-presentator uit Aarle-Rixtel. Het zou een klein groepje worden, waarschuwde de bibliothecaresse die me ontving. Ik trok mijn schouders op. Bij culturele bijeenkomsten in Nieuw-West ben ik wel wat gewend. Ik had het verhaal thuis eerst stil, en toen hardop gelezen en zou er hoe dan ook wel wat van maken.

Om twaalf uur, inlooptijd, waren er drie mensen, die zich koffie inschonken en een koekje van een gereedstaand schaaltje namen. Ik legde mijn tekst en leesbril op het tafeltje naast het karafje water dat daar attent was neergezet, en begon door de bieb te dwalen.
Bij de kinderboeken miste ik node De meermin, het monster en de maan; het vakblad Biblion had dat destijds zuinig besproken en het als te eng voor kinderen bestempeld; bij deze vestiging was blijkbaar niet tot aanschaf overgegaan - hoewel het boek in de buurt speelt en er een dik boek over andere enge monsters aanwezig was. Gelukkig stond er wel een rijtje met diverse deeltjes van Tussen Andreasplein en Zwarte Pad, de reeks buurtverhalen die ik al tien jaar lang samen met Fred Martin redigeer. 
Om kwart over twaalf werd het startsein gegeven. 'Wie nog binnenkomt mag aanschuiven'.
Ik zei maar niks. In het zaaltje zaten inmiddels vier vrouwen met hoofddoek, twee autochtone dames op leeftijd en twee wat jongere allochtone mannen. Ik werd geïntroduceerd en ging van start. Het verhaaltje van Daniëls was geestig bedoeld maar hoe ik ook mijn best deed met mimiek, stembuigingen, gebaren, ritmische versnellingen en vertragingen - het bleef ernstig stil. Toen ik klaar was hoorde ik een van de Nieuw-Westers van de eerste lichting aan haar buurman uitleggen wat een solex was.

Ik weet niet of Wim Daniëls zich bij het schrijven van zijn in de jaren zestig gesitueerde verhaal (Ome Sjef en tante Greet) heeft gerealiseerd dat senioren buiten Aarle-Rixtel, althans in de grote steden, veelal de bieb als een soort buurthuis zien. En dat die ouderen vaak van niet Hollandse afkomst zijn. Zodat de plot, die geheel draait om Tupperwareparty's en die prehistorische solex, totaal aan het grootste deel van mijn kleine auditorium voorbijging.
Of dat erg is weet ik niet. Het verhaal heeft, afgezien van een in religieus zwart gehulde vrouw die halverwege ging bellen, alle aandacht gekregen. En bij de lunch van lekkere broodjes even later prees mijn buurman (die een elegante bloes en een fraaie ring droeg en de tijd nog las op een mooi zilveren polshorloge) me omdat ik zo goed kon lezen. Zijn kinderen konden het ook goed maar hijzelf had het nooit echt kunnen leren.
Het was de bedoeling van de organisatie dat men, na het voorlezen, met elkaar in gesprek zou raken over het gehoorde. Hier kauwde en slikte iedereen aanvankelijk in verlegen stilte. En toen het gesprek toch loskwam ging het vooral over de Turkse dames van de Fitness, die het, anders dan hun Marokkaanse collega's, vertikten om Nederlands te spreken, zodat de Marokkanen zich buitengesloten voelden. 
Ik nam afscheid en liep via de markt op Plein 40-45, waar tegenwoordig vooral djellaba's worden verkocht, naar het overdekte winkelcentrum om me in de Appie even op vertrouwd terrein te voelen. 
Brabant en Slotermeer, dat gaat niet zo goed samen, mijn vader wist het al.


vrijdag 27 september 2024

VICTORIA


'Hier was ik muzikaal even de weg kwijt. [...] Ik heb Liesbeth echt tekortgedaan op deze plaat.'
Aan het woord is Boudewijn de Groot. In het prachtig uitgegeven Boudewijn de Groot Oeuvreboek becommentarieert hij elk liedje waar hij als zanger, auteur of producer voor tekende. Ik kreeg het boek van mijn broers voor mijn verjaardag en nu we binnenkort weer voorstellingen van Wat geweest is, is geweest gaan doen, studeer ik er vlijtig in. Een ware bijbel voor de De Groot-vorser.
Nieuwsgierig geworden door deze harde zelfkritiek van de meester zocht ik de plaat waarvan hier sprake is, Victoria van Liesbeth List, op Youtube. Ik was verrast door wat ik even later hoorde en luisterde hem helemaal af.

Ik weet nog, of kan me levendig voorstellen, wat ik er destijds in 1970 van vond, of van zou hebben gevonden. Een drukke, bonte chaos, in mijn jongensoren gelikt en commercieel zonder pakkend of suggestief te zijn. Muziek van Boudewijn, een tekst van Lennaert in het titelnummer, gedichten van Campert, Claus en Nooteboom, covers van contemporaine hits, amusement, chanson, jazz, arty-farty. Men heeft waarschijnlijk gedacht: als we alles wat naam en faam heeft laten samenwerken moet er vanzelf iets goeds ontstaan. Bekende misvatting.
En Boudewijn had wel gelijk: zijn melodieën klinken als een ongeïnspireerd voortborduren op het succesvolle flowerpower album Picknick. Ook Lennaerts tekst is een verzameling Nijghse clichés. Er heit een klok, een nachtwacht met een uilenkop doet zijn ronde, we kennen het van Boudewijns single De nachtwacht.

Maar! Wat toen een nadeel was, is nu een voordeel. Het album klinkt anno 2024 als een concentraat, zeg maar een muzikaal bouillonblokje, van de tijdgeest van toen. Wat modieuze psychedelica, een voorzichtige gooi naar symfonische rock, een handvol literaire allure. Kosten noch moeite zijn gespaard. De toen razend populaire Buffoons doen mee als achtergrondkoor, Rick van der Linden van Exception gaat los op orgel en piano en dirigeert, Thijs van Leer speelt fluit en componeert het titelnummer.
Maar vooral is de plaat een monument voor de Vlaamse meesterarrangeur Albert Lepage alias Bert Paige (Voor de overlevenden, Picknick, Nacht en Ontij). Ik ken zijn bewonderde en geliefde partituren te goed. Nu een onbekende of vergeten plaat te ontdekken met zijn meteen herkenbare geraffineerde en romantische arrangementen (hij dirigeert ze ook zelf) is een toegift op die tijd. Je verlangt altijd naar meer, als je vroeger een favoriete plaat had. Meestal moet je het doen met alternatieve versies, demo's en andere extra's. Nu komt een verwaarloosd magnum opus zomaar mijn kant op.
Victoria is een rijke, volle plaat. Misschien té rijk en vol om honderd procent geslaagd te zijn. Ware het niet om Paige en om de mooie stem van de jonge Liesbeth, ik zou hem misschien geen tweede keer beluisteren.
Jammer dat er voor de zekerheid nog wel een opzichtige knieval voor de commercie werd gedaan. Brug over troebel water sluit de plaat slapjes en melig af. 

Enthousiast geworden bestelde ik een gaaf (mint) exemplaar via internet. Vijf euro, 7.50 verzendkosten.
De plaat kwam een paar dagen later, stevig in karton verpakt. Als bonus kwamen er twee niet bestelde platen mee. Een curieuze keuze van de handelaar. Had hij of zij een willekeurige greep gedaan uit de bak "onverkoopbaar", of bestaat er een algoritme dat zegt: Wie van Liesbeth List houdt, houdt ook van de cantates van Jean-Baptiste Morin (1677-1745) en van de Japanse New-Age componist en synthesizertovenaar Masanori Takahashi oftewel Kitaro (1953)? 
Ik ga allebei de platen beluisteren. Want je weet maar nooit.


Post scriptum - Om de plaat recht te doen: De eerste beluistering thuis viel tegen. Was ik niet te enthousiast geweest? Maar een paar dagen later luisterde ik nog eens. Mijn bevindingen waren anders dan bij de eerste kennismaking. Ik vind nu dat Boudewijn zichzelf tekortgedaan heeft, een of twee van zijn liedjes zijn wel degelijk van bij hem passend niveau. En wat dat 'melige' einde betreft: dat hyperactieve pianospel van Rick gecombineerd met het warme, trekkerige legato zingen van Liesbeth levert een fascinerend contrast op.

vrijdag 20 september 2024

Manen en maantjes


Gisteren, op de kop af een dag na een gedeeltelijke maansverduistering, was het vollemaan. En niet zomaar een. Een supermaan; en ook nog eens de eerste volle van de herfst.
De harvest moon waarover Neil Young op de gelijknamige plaat uit 1992 zong (niet te verwarren met het iconische Harvest uit 1972) heet in het Nederlands oogstmaan, boekweitmaan of bindmaan. Gezien de etymologische verwantschap van harvest en herfst zou ik pleiten voor de naam "herfstmaan". Wel her en der te vinden op internet (en door mij in het verleden onder andere gebruikt in een liedjestitel) maar niet in het woordenboek opgenomen. Dit exemplaar was dus een superherfstmaan
Zij (maan is vrouwelijk, wat de Duitsers ook denken) stond in Pisces, het Teken van de Vis.
(Ook al een liedje van mij: het is mijn sterrenbeeld en ik heb me, hoewel geen aanhanger van de astrologie,  altijd herkend in de karakterbeschrijvingen die gangbaar zijn als het om Vissen gaat.)

Volgens de spirituele broeders en zusters ontvouwt zich met een supermaan in die positie een krachtige energetische gebeurtenis. Het moment nodigt me uit om diep in mezelf te duiken. Welke lering kan ik uit het verleden trekken? Wat kan ik loslaten, wat neem ik mee? 
Ik zat op een bankje in de warme septemberzon (de Indische zomer, las ik ergens op Facebook) en overdacht wat de spirituele gemeente me voorhield: het was nu tijd om te oogsten. De vruchten van mijn harde werk waren plukrijp. Ik mocht genieten van mijn successen en mezelf mijn tekortkomingen en zelfs misstappen vergeven. Normaal gesproken onderdrukte emoties kwamen misschien boven en boden me een kans op diepgaande spirituele groei. Nieuwe dromen en ambities lokten en als ik op mijn intuïtie vertrouwde en naar mijn innerlijke stem luisterde waren er ongekende nieuwe mogelijkheden.

Zover de theorie. In werkelijkheid was ik futlozer dan ooit. Ik hing meer op dat bankje dan dat ik erop zat. Ik was ertoe overgegaan weer eens een milde stemmingsverbeteraar te slikken en als gevolg daarvan droomde ik heftig en confronterend. Wat er in me opkwam aan emoties en inzichten beviel me maar matig. Hoogstens kon ik erkennen dat er een realisatie was van wat mijn stemming bepaalde. Ik bedroog mezelf niet en keek kritisch naar binnen, zoveel was zeker. Maar of dat iets opleverde? 
Ik dacht na over neurotransmitters (de zg. geluksstofjes) en de rol die deze hormonen in ons leven spelen. Endorfine, dopamine en hun broertjes en zusjes. Nog steeds waren er te veel pieken en dalen in mijn bestaan. Van het egaliseren van stemmingen was te weinig sprake hoewel het dagelijkse mediteren dat ik doe daar een gunstige invloed op heet te hebben. En dat had soms onvoorziene gevolgen.
Bij de langzaam maar zeker vorderende lezing van Doctor Faustus van Thomas Mann kwam ik de volgende passage tegen: 

'"Mensenschuw" noemde hij zichzelf en hij had daarmee, zei hij, niets tot zijn eigen lof gezegd. In deze eigenschap, oordeelde hij, kwam een gebrek aan warmte, sympathie, liefde tot uitdrukking...'

Ik schrok daarvan. Mijn met het klimmen der jaren weer groeiende mensenschuwheid heb ik altijd gezien als een tekortkoming die ik liever niet had bezeten maar die toch onschuldig is. Ikzelf heb er last van maar ik doe er de anderen geen kwaad mee. Nu leek het me opeens toch wat minder onschuldig. Schoot ik inderdaad tekort in liefde en sympathie voor mijn medemens?
Zeker is dat ik, als ik me lekker voel en van mijzelf houd, véél positiever tegenover anderen sta dan op momenten dat de endorfine niet ruim voorhanden is. Ik uit dan min of meer ongegeneerd mijn gevoelens. Dronken liefdesbetuigingen, ach, ze waren talrijk. Geremde personen hebben nu eenmaal een ontremmer nodig voor ze zoiets durven.
Maar het idee dat ik anderen ongewild lijk te minachten of misschien wel kwets als ikzelf niet lekker in mijn vel zit was nieuw voor me.
Misschien komt dat inzicht toch doordat het licht van de superherfstmaan op de bladzijden van Thomas Mann, de Tovenaar, viel?

Later op de dag las ik dat we een tijdelijke metgezel uit de ruimte hebben. Een buurmaan, een minimaantje van tien meter breed draait deze herfst zijn hoefijzervormige baan om de aarde. Wat dat voor invloed heeft op ons Vissen, daarover heb ik de spirituelen nog niet gehoord. 


Illustratie: 
Takahashi Shōtei (1871-1945) "Herfstmaan bij de Tama-rivier"