vrijdag 7 juni 2024

SARCOFAAG



Verscholen achter mijn vleugel ligt, dicht opeengestapeld in een lage muurkast en balancerend op een afgedankte pianokruk en een bureaustoel, mijn verzameling bladmuziek. Het is een chaotisch archief vol stofnesten. De sarcofaag van een werkend leven.
Verreweg het meeste van wat daar ligt zal ik waarschijnlijk nooit meer nodig hebben. De enorme collectie vergeelde Napolitaanse liedjes, de partituren van frivole operettes en merkwaardige opera's, de ringbanden met kopieën, gebruikt voor recitals van lang geleden. 


Wat ik nog wél nodig heb af en toe, kan ik niet, of pas na lang gebukt zoeken vinden. De liederen van mijn favoriete componisten, van de Duitse klassieken via Liszt en Duparc tot Ravel en Debussy. Ze liggen bedolven onder mappen en bundels vol onzin.
Toen ik gisteren een halfuur vergeefs had gezocht naar een lied Amsterdam van Paul F. Sanders (1891-1986) op tekst van Marsman, met een mooie houtsnede van Frans Masereel op het voorplat (ik zag het nog zó voor me, het was een uitgave van Broekmans & Van Poppel uit 1924), besloot ik dat deze zomer een geweldige gelegenheid is om die boel eens goed uit te mesten. Weg met die stoffige ballast! Op schoon schip de einder tegemoet. 

Bij de eerste stapel die ik uit de kast tilde merkte ik meteen dat het niet eenvoudig zou zijn. Er doken onuitgenodigd herinneringen op aan bijna vergeten zaken; zaken die me toen zeer hadden beziggehouden.
Ik licht er vanmiddag twee uit, om mezelf ervan te overtuigen dat het stof zich niet voor niets al die jaren op die dingen heeft verzameld.


Met Margareth Iping en haar Vrolijke Troep deed ik in de jaren negentig een kindervoorstelling: Het mooiste lied van de wereld. Klassieke liederen vertaald in het Nederlands en gearrangeerd voor sopraan, bariton, dwarsfluit, accordeon en gitaar. Om redenen die ik nooit goed heb kunnen begrijpen trad ik op in een door een Gentse ontwerper gemaakt stierenvechterskostuum. De Vlaamse verhalenverteller Mia Verbeelen praatte het programma aan elkaar. We waren bij een goed impresariaat en deden tientallen voorstellingen, zowel in theaters als op scholen. De kinderen smulden ervan en onze educatieve missie was geslaagd. Ik denk dat het cassettebandje dat we ervan verkochten met afstand mijn bestverkochte geluidsdrager is. Helaas zullen die talloze bandjes (met hoesje van mijn toen zesjarige dochter Rosanne) nu wel allemaal weggegooid of kapot zijn. Gelukkig heb ik er nog een cd van.


Jaren later wilde Margareth met dezelfde bezetting een vervolg maken. Arrangementen van wat klassieke musici "lichte muziek" noemen: Gershwin, Weill, chansons, het repertoire van Sinatra. Het moest From Berlin to Broadway gaan heten. Het kwam tot twee try outs. Ik haalde de hoge G (voorheen mijn handelsmerk) aan het eind van It ain't necessarily so niet meer en moest die vervangen door de genoteerde E, die er eerlijk gezegd ook nogal stroef uitkwam. Er kwam een demo. En een tv-optreden: Youkali van Weill, waarin ik Margareth op gitaar begeleidde en dus geen hoge noten hoefde aan te spreken. Veel glamourfoto's kwamen er ook, en op kosten voor kostuums werd niet gespaard. Mijn zoot suit heeft nog lang in de kast gehangen tot ik er definitief te mager en later juist weer te dik voor was geworden.
Maar From Berlin to Broadway kwam niet van de grond. Kinderzorg bij leading lady Margareth en accordeoniste Marieke en andere zorgen bij ondergetekende die toen juist gescheiden was. Wat rest is die gekreukelde flyer.

Norbert Wissing leerde ik eind jaren tachtig kennen. Hij zocht naar een bariton die de titelrol van zijn opera in wording Fassbinder zou gaan zingen. Hij kwam naar me luisteren tijdens een repetitie in Studio Korte Leidse waar ik destijds vaak te vinden was. Buiten vroeg hij me wie mijn favoriete dichters waren. Hij wilde een liederencyclus voor me schrijven. Ik liet de regen over mijn groen leren jack stromen en droomde van een glanzende carrière. J.C. Bloem, zei ik. Die vooral. En ik smokkelde Eksteen er ook tussen. 
Het werd een vreemde vriendschap, als je dat zo wilt noemen. Die liederen kwamen er, ik voerde ze uit met musicoloog en pianist Lodewijk de Weerd die ik via Norbert had leren kennen. Tot mijn verrassing ontdekte ik onlangs dat een radio-opname ervan online staat. Luister HIER. 

Over de opera in wording werd flink gebrainstormd, zo goed als over andere projecten. 
Norbert woonde in de Bijlmer. Ik kon hem niet goed plaatsen en niet goed duiden. In hem zag ik een mengeling van wat in mijn ogen bluf en charlatanerie was en van werkelijk talent. Misschien was ik te burgerlijk om over zijn omstandigheden heen te kunnen stappen. In zijn kale appartement lagen overal lege flessen en pizzadozen. Spinnenwebben en stofnesten domineerden de hoeken. Maar wel troonde er een enorme high tech bandrecorder met de allerbeste speakers. Daarop liet hij een opname horen van een strijkkwartet van hem, gespeeld door een gerenommeerd ensemble uit Duitsland.
Een piano bezat hij echter niet. Hoe vulde hij zijn partituren? Was hij werkelijk zo begaafd dat hij al die piepknor-muziek inwendig kon horen, of deed hij maar wat? Het zag er op papier professioneel uit - hij was, als slagwerker, compositieleerling geweest van Lex van Delden - maar de noten klonken nogal willekeurig, alsof het hem vooral ging om ritme en notenbeeld, en de eigenlijke klank er niet zoveel toe deed. 
Hij was, fysiek, enorm. Als zoon van een kok kon hij lyrisch worden over de onderschatte Baveroises en een vurig pleidooi houden voor spruitjes (quasi geblancheerd! Niet kapot gekookt!). Met kerstmis bakte hij zijn eigen brood en deelde dat rond aan vrienden. Ik heb hem ooit in een café een bestelde lap suddervlees met een vork op zien prikken van het bord dat hem werd gebracht, nog vóór het bord op tafel werd gezet. Bij mij thuis raakte hij zijn halve liters Grolsch niet aan tot ik de mijne had geleegd. Dan slokte hij zijn glas in één gulzige teug op en hield het omhoog voor een refill.
Fassbinder
ging niet door en het andere project waarin we betrokken waren (een megalomaan theaterstuk over Ierland waarover ik ooit nog eens hoop te vertellen) eindigde in rechtszaken en een paginagroot artikel in De Telegraaf. 

Ik verloor Norbert uit het oog. Jaren gingen voorbij. Ik hoorde dat hij aan lagerwal was geraakt en met schilderijen leurde langs de deur: in het Oostblok vervaardigde kopieën van oude meesters.
Nog meer tijd vloeide weg. Facebook verscheen. Norbert bleek ondertussen in een rolstoel te zitten. Een hersenbloeding. Wel was hij weer prominent componist. 
Van die teruggevonden radio-opname leerde ik dat hij zo gek nog niet was. Alle quasi willekeurige toonreeksen worden mooi in balans gehouden door modale melodieën en op kwarten gebaseerde akkoordsequensen. Ik had hem duidelijk tekortgedaan.
Hij stierf in 2019, nog geen zestig jaar oud.



Bij de derde foto: "I wanna be a fish" is de rap waarmee de voorstelling "Het mooiste lied van de wereld" opende. Gebaseerd op een liedje van Schubert, "Fischerweise" ofwel in onze vertaling: "De visser". Het werd opgenomen in een professionele hiphop-studio. De producer spoorde me aan om op willekeurige momenten "yo!" te roepen. Volgens mijn kinderen leek het of ik ene "Joe" aanriep.

Een sympathiek in memoriam over Norbert staat HIER.

vrijdag 31 mei 2024

Voorheen Rookzangers Notitieblog 52: Frost herzien


Voor de repetitie begon reikte Nico me een koffie aan, een halfje, zoals altijd. Hij vroeg of ik tevreden was met mijn vertaling. Mijn hoofd zat vol andere zaken, ik moest even denken voor ik besefte dat hij het over mijn vorige blogpost had. Ja, daar was ik wel tevreden over, antwoordde ik. Maar nog terwijl ik het zei begon de twijfel te knagen. Mensen die vragen of je zelf tevreden bent over een zojuist geleverde prestatie bedoelen vaak hun eigen bedenkingen tactvol te uiten. 
De laatste stanza, die was in orde, maar kon beter. 

I shall be telling this with a sigh
Somewhere ages and ages hence:
Two roads diverged in a wood, and I—
I took the one less traveled by,
And that has made all the difference.

Ik had per se de voor de hand liggende vertaling willen vermijden omdat "het verschil maken" een modieuze en lelijke uitdrukking is, een anglicisme bovendien, die zoveel betekent als "goed bezig zijn", "iets belangwekkends verrichten", terwijl bij Frost de betekenis simpeler is, zonder die ronkende bijklank. Ik maakte er na veel wikken en wegen dit van:

Ik zal verzuchten over een poos,
Ergens eeuwen en eeuwen nadien:
Er was een tweesprong in ’t woud - ik koos
De stilste weg, haast argeloos,
En dat heeft mijn levenslot herzien.

Dat "nadien" vond ik niet zo fraai omdat er twee tijdsbepalingen door elkaar lopen en elkaar in de weg zitten; ik overwoog het te vervangen door "misschien". 
Nico bracht me in herinnering dat hij het gedicht ook had vertaald. Voor een programmaboekje van ons koor, want tien jaar geleden had The Road Not Taken, door mij getoonzet, op de lessenaar gestaan. Hij had wél gekozen voor "het verschil maken". Destijds was die uitdrukking nog niet zo hinderlijk verwilderd denk ik. Het rijmde in zijn versie op als God het wil
Thuis zocht ik het boekje op. 

Zo zullen mijn kleinkinderen het verstaan,
over honderd jaar als God het wil.
In een bos kon ik twee kanten op gaan,
ik koos de minst betreden laan
en juist dat maakte het verschil.

Dat vond ik wat vrij, maar mooi. Bleef alleen die laatste zin. 
Toen viel me de uitdrukking een wereld van verschil in. Die was van vreemde smetten vrij.
Met een van Nico geleend opperwezen kom ik dan op:

Ik zal verzuchten over een poos,
Eeuwen na nu als God het wil:
Er was een tweesprong in ’t woud - ik koos
De stilste weg, haast argeloos,
En dat was een wereld van verschil.

Ideaal is het niet, ideaal is alleen het origineel. Maar ik vind het toch beter dan mijn eerste versie. Vertalen moet je eigenlijk met zijn tweeën doen. 


vrijdag 24 mei 2024

The Road Not Taken


Lennaert Nijgh schreef me eens dat wat aanvankelijk een zijweggetje lijkt in je loopbaan soms je belangrijkste werk blijkt te zijn. Je kunt wel kiezen maar het lot kiest toch vooral voor jou.
Hij zei dat naar aanleiding van mijn destijds uit de hand lopende liefde voor Napolitaanse liedjes. Het was mijn bedoeling geweest om een beroemd Schubert-vertolker of operazanger te worden maar met mijn uit aardigheid begonnen samenwerking met Vincent en onze eigengereide interpretatie van 'O sole mio kreeg ik succes. Ik worstelde daar soms mee: moest ik me niet herpakken en vol inzetten op mijn oorspronkelijke doel? Lennaert had cineast willen worden. Hij zat op de filmacademie toen hij zijn eerste teksten voor jeugdvriend Boudy schreef. De rest is - ja, geschiedenis. Het loopt soms anders dan je denkt. Spijt is niet op zijn plaats. Die hoofdroute is al zo vaak betreden, jouw kracht is het onverwachte zijpad.
Ik denk dat het zoiets is waar het beroemde gedicht van Robert Frost over gaat. Ik heb het de afgelopen dagen proberen te vertalen. Toppenvers, vier heffingen. Rijmschema identiek aan het origineel, ritme zoveel mogelijk nagevolgd. Het was een hele puzzel maar uiteindelijk is het aardig gelukt. Toch vind ik het lastig om de essentie van Frost te pakken te krijgen. Frost gebruikt metaforen die romantisch aandoen maar houdt, door zijn spreektaal en zijn lichte, ongrijpbare ironie, een slag om de arm: Pas op, ik kán ook iets anders bedoelen, lijkt hij te suggereren. Misschien is dat een van de redenen waarom zijn poëzie nog steeds zo tot de verbeelding spreekt. Wijze woorden, mooie beelden, klassieke en toegankelijke uitstraling, maar er blijft iets van een raadsel.

Het niet gekozen pad

Er was een tweesprong in ’t gele woud,
En daar ik maar één paar voeten had
Als reiziger in enkelvoud,
Tuurde ik lang naar het kreupelhout
Aan ’t verre eind van het eerste pad;

Nam toen het andere, mooi evenzeer,
Dat nét misschien iets meer bezat,
Omdat het verwilderder was van sfeer;
Ofschoon het reizigersverkeer
Beide gelijk geëffend had,

En elk die morgen badend lag
In groen, door voetstap onverlet.
O, dat ene kwam wel een andere dag!
Maar wetend dat omkeren soms niet mag,
Heb ik daar vraagtekens bij gezet.

Ik zal verzuchten over een poos,
Ergens eeuwen en eeuwen nadien:
Er was een tweesprong in ’t woud - ik koos
De stilste weg, haast argeloos,
En dat heeft mijn levenslot herzien.

Robert Frost, © vertaling JPvS

***

The Road Not Taken

Two roads diverged in a yellow wood,
And sorry I could not travel both
And be one traveler, long I stood
And looked down one as far as I could
To where it bent in the undergrowth;

Then took the other, as just as fair,
And having perhaps the better claim,
Because it was grassy and wanted wear;
Though as for that the passing there
Had worn them really about the same,

And both that morning equally lay
In leaves no step had trodden black.
Oh, I kept the first for another day!
Yet knowing how way leads on to way,
I doubted if I should ever come back.

I shall be telling this with a sigh
Somewhere ages and ages hence:
Two roads diverged in a wood, and I—
I took the one less traveled by,
And that has made all the difference.


[Naschrift: een week later maakte ik na enig tobben en ruggespraak met een collega een - wie weet? - definitieve versie van deze vertaling. Zie HIER.]


dinsdag 21 mei 2024

FIETSEN


4 de muziek in de polder
heet de muzikale fietstocht, die op Tweede Pinksterdag langs vier Noord-Hollandse kerken en kerkjes voert, die van Stompetoren, Schermerhorn, Grootschermer en Noordeinde. In elk godshuis een optreden van een halfuur, en dan door naar het volgende. Voor elk wat wils. Klassiek, pop, jazz. Dit keer stonden er ook Ierse liedjes op het programma. Met deze band wordt elk concert algauw een feestje, beloofde de brochure. Ik dacht aan mijn verleden als Ierse bard. Ik dacht aan Felix Strategier.
De serie heeft ondanks de melige naam niveau, dat voorop. Vorig jaar hoorden we onder meer een prachtig strijkkwartet met de zoon van Pieter Wispelwey als tweede violist en we genoten voor de tweede maal van de voortreffelijke Marcel Kapteijn met zijn Raindogs. We gingen dus nietsvermoedend op weg, eerst maar naar de Ierse folk. Omdat er regen in de lucht hing namen we de auto.

Hoewel we netjes op tijd waren was het eerste nummer al in volle gang. Of was het toch een soundcheck? De zang klonk zo voorzichtig en ongeïnspireerd. Een net zo voorzichtig applaus bevestigde dat het om het eigenlijke optreden ging. De kerk zat goed vol. Misschien moest ik dat voorzichtige en ongeïnspireerde als introvert interpreteren. Diepgang!
Het tweede nummer werd aangekondigd. De accordeonist speelde een atonale riedel. 'Hij moet er nog inkomen,' grapte de zanger. Zelf zette hij vervolgens tot drie keer toe in een verkeerde toonsoort in. Zijn stem kraaide tastend boven de nog steeds gewaagde accordeon uit, brak dan af. Ondertussen tikte hij driftig op zijn tablet alsof daar soelaas te vinden was. Uiteindelijk hield hij een onderonsje met de gitarist. Die gaf hem blijkbaar de juiste toon aan want vanaf nu was het lied in elk geval herkenbaar. Rommelig, nietszeggend en saai, maar redelijk zuiver. 

Onder het publiek was een lacherige stemming ontstaan. De lacherigheid van ongeloof. 'Het crea-uurtje "Ierse liedjes zingen" in het bejaardentehuis,' fluisterde ik mijn vriendin toe. 'Maar dan onder de oxazepam omdat ze voor honderdvijftig man publiek moeten spelen.'
Een buurman meende grinnikend dat ze wel rechtstreeks uit de pub zouden komen.
Toen de zanger, deinend alsof hij een Weens walsje zong, mijn lievelingslied Spancil Hill mompelend had voorgelezen vanaf zijn net iets buiten oogbereik staande tablet, en de violiste bij haar solo een andere maatsoort in gedachten had dan de rest van de "band" hielden we het voor gezien. We verlieten de kerk, verbaasd nagekeken door het wel érg beleefde publiek.
In de auto raakten we niet uitgepraat over het wonderlijke dat we zojuist hadden meegemaakt. We hadden hier nota bene voor moeten betalen! Niet een spoortje van gêne was er bij de muzikanten te merken geweest. We besloten toch dat de schuld niet bij dit stelletje ongeregeld lag: ieder mag in zijn huiskamer of stamkroeg muziek maken op dit niveau, het is zelfs aan te bevelen. De ballotagecommissie van de concertserie had dit nooit mogen laten passeren. We hadden sterk het vermoeden dat ze de groep, wier naam ik maar niet zal noemen, op aanbeveling of voorspraak hadden ingehuurd, 'voor de afwisseling en de vrolijke noot', en niet eens hadden geluisterd naar het feestje dat ze ons dachten te bereiden.

Ik had - werkelijk waar - zoiets nog nooit meegemaakt en vreesde voor nachtelijke dromen vol plaatsvervangende faalangst. Waarom had ik me mijn hele beroepsleven zo verschrikkelijk druk gemaakt om de meest onbetekenende details, als dit gebroddel blijkbaar ook passabel was?
Gelukkig maakte het volgende optreden, van violist Caspar Bellamy & zijn begaafde conservatoriumvrienden, veel goed. Prachtige stukken van Rachmaninoff, Schubert en Sjostakovitsj.
En voor de zekerheid lieten we er ook nog een halfuur degelijke jaren 50-jazz overheen denderen. Mingus, Davis, Ellington, Parker, applaus na elke solo. We keken op het terras van de Kleine Haag naar de zich samenpakkende donkere wolken, aten er asperges. Thuis dachten we de Ieren wel uit ons systeem te hebben.

Maar ik haalde een gitaar van binnen en trakteerde de vleermuizen op mijn eigen versie van Spancil Hill. De bejaardensoos had toch iets in me wakker geroepen.



vrijdag 17 mei 2024

VIERTEL




Een vriend vroeg me via Messenger hoe het ging, hij hoorde of zag zo weinig van me. Ik gaf toe dat ik wat stil was geweest in de openbare ruimte van het internet. Drukte, vakantie met familie en nog zo wat zaken hadden mijn aandacht naar elders verlegd. Maar vooral was ik na het maken van vier scheurkalenders een beetje "formuleermoe". Een echt writer's block kon je dat niet noemen maar het kwam in de buurt. Als ik dacht aan wat ik zou kunnen schrijven werd ik bij voorbaat moe. Waarom zou ik nog...? Alleen op vrijdagnamiddag met een glas wijn erbij lukte het me om de vertrouwde flux de plume wakker te roepen die tot op heden meer dan 1300 stukjes heeft opgeleverd. Met een kleine aanpassing kan ik me vinden in wat Martin Walser over het hoofdpersoon van Ein fliehendes Pferd zegt:

Er trank sein erstes Viertel immer ziemlich schnell, weil er, ohne etwas getrunken zu haben, nicht die geringste Lust hatte, den Mund aufzumachen.

Hij dronk zijn eerste glas altijd tamelijk snel, omdat hij, zonder iets gedronken te hebben, niet de minste lust had om zijn mond open te doen.

Die novelle van Walser waarover ik vorige week al iets schreef, heb ik afgelopen dinsdag uitgelezen. Op het balkon. Het is een herinnering aan lang geleden: meteen na het opstaan op het balkon (zwaluwen scheren over door de blauwe lucht) verder lezen in het boek dat me de avond ervoor uit de slaap heeft gehouden. De laatste jaren (of zelfs decennia) ben ik te alert of liever nerveus voor die luxe en kan ik pas lezen als de zelfopgelegde taken van de dag zijn gedaan. 
De luie zomersfeer van die dag zal eraan bijgedragen hebben, en ook het feit dat ik na een Hemelvaartvakantietje met mijn broers, een bezoek aan mijn neef en een lange zonnige middag in de tuin van mijn vriendin losgerukt was van mijn stream of consciousness: ik was vergeten waarover ik zo had lopen tobben in de dagen voor die zomer in mei. Iets met oud worden en sterfelijkheid waarschijnlijk want ik had niet voor niets dat boekje van Hesse besteld. 

Misschien kwam het wel door Walser zelf. Een vluchtend paard is een boek dat me in alle opzichten is bevallen. Het is psychologisch diepgravend, grappig, slim, raadselachtig, ontroerend en spannend. Het is me in jaren niet gebeurd dat ik het zo jammer vond afscheid te moeten nemen van de karakters die ik nog maar zo pasgeleden had leren kennen dat ik de neiging had het verhaal meteen een tweede keer te lezen. Er moest toch meer te weten zijn over Sabine en Helmut. De laatste, een 46-jarige academicus vanuit wiens perspectief we het verhaal meemaken, is tot de gebeurtenissen van dit boek aanvangen een meester in het ontwijken en verstoppen. Hij voelt zich pas veilig als men niets van hem weet. Hij heeft een buitenkant van ironische wellevendheid ontwikkeld die hem in staat stelt met mensen om te gaan zonder iets van zijn werkelijke persoon bloot te geven. Die werkelijke persoon is van de weeromstuit ook bijna verdwenen, behalve als een woordloos gevoel van ontspanning als hij alleen is. Tot... zijn tegenpool, zijn flamboyante jeugdvriend Klaus Buch het verhaal binnenwandelt. Meer zeg ik niet, lees het vooral zelf. 

Ook De kunst van het ouder worden ("Mit der Reife wird man immer jünger") van Hermann Hesse heb ik inmiddels uit. Het Nederlands bevat schandalig veel taal-, vertaal- en zelfs een flink aantal dt-fouten. Foei! Maar nadat ik me daaroverheen had gezet en vrede had gesloten met het feit dat het boek voor een flink deel bestaat uit gedichten die ik al kende viel het me tegen het einde toch mee. Er staan een paar mooie verhalende stukken in over Hesse's afgezonderde leven in de bergen van Ticino. Veel van zijn filosofieën en filosofietjes over het ouder worden zijn misschien op zichzelf niet zo opzienbarend, maar ze zetten je wel aan het denken. Je kunt je er instemmend bij aansluiten, je ertegen afzetten, er verder op borduren. Hoe dan ook is het troostrijk dat een begaafd letterkundige zich inspant om iets moois te zien in wat meestal toch als ongewenst verval wordt afgeschilderd. Ik kijk in de spiegel en denk: ik hoor bij een club, een heel bijzondere, bijna chique club.

Zo. Een stukje, getikt op de vrijdagmorgen. Zonder Viertel. Ik ben terug!


woensdag 8 mei 2024

Walser en Hesse


Mijn Duitse studievriend Gabriel bekende me toen ik hem jaren later weer tegenkwam, dat hij inmiddels genoeg had van het gedweep van de romantiek. Voor hem geen Eichendorff en Hesse meer, hoogstens nog wat Heine. Hij was tegenwoordig een groot fan van Martin Walser. Hij genoot van diens spitse ironie. Ik sloeg de aanbeveling op. Walser kwam nooit op mijn pad (dat bleef vooral door de Romantiek meanderen) maar toen hij vorig jaar, 96 jaar oud, overleed, dacht ik meteen - vluchtig - aan Gabriel. 
Vorige week besloot het lot dat het tijd werd dat ik naar Gabriel ging luisteren. In het boekenkastje in mijn straat lag Walser's novelle Ein fliehendes Pferd. Ik las de eerste alinea. Die sleurde me meteen het verhaal in. Ik nam het mee. De kunst van het ouder worden van Hesse, dat ik onlangs besteld had, viel behoorlijk tegen. Dit boekje leek me het perfecte tegengif voor de bitterzoete en vette wijsgerigheid van de schrijver die ooit Gabriel en mij tot elkaar had gebracht, tijdens diepe gesprekken in het Amsterdamse literaire café De Engelbewaarder, in de wilde herfst van 1975. 

Op Walser kom ik later terug. Wat beviel me niet aan Hesse? Berusting op z'n boeddhistisch is mooi en daar zocht ik ook precies naar. Maar Hesse lijkt in zijn aanvaarding van het ouder worden verbaal net zo ver te gaan als in zijn verheerlijking van het volle, bonte leven. Plastisch worden de gebreken uitgemeten, jicht, geitennek, artritis, de dood is een troostrijk voorland, niks ergs aan. Romantiek, wat u zegt. 
Bovendien blijkt weer dat Hesse een beter dichter dan essayist of romancier was. Beeld wordt op beeld gestapeld, metafoor op metafoor, en nog lijkt hij maar niet zijn knokige vinger te kunnen leggen op wat hij wil mededelen. Dat doet hij in zijn beknopte lyriek een stuk beter.
En de vertaling! Evert van Leerdam is germanist, dus hij lijkt de aangewezen kwalificaties te bezitten. De enkele aperte grammaticale fouten in deze bundel vergeef ik hem. Ik moet een enorme spagaat maken om over iets anders heen te kunnen stappen. De gedichten zijn letterlijk vertaald. Als proza dus. Op een enkele uitzondering na is er geen poging gedaan om metrum en rijm te behouden. Luiheid? Misschien onder het motto: het gaat om de inhoud, dat rijm leidt daar maar van af? De argeloze lezer denkt na dit boek dat Hesse een modernistisch dichter was, blank verse, parlando, maar niets is minder waar! Hij wortelde als dichter kniediep in de romantische traditie en vrijwel al zijn poëzie is vormvast. Dat gaf zijn lyriek juist zo'n kracht: door die beperking zag hij zich gedwongen zich zo concies mogelijk uit te drukken. 
En als het hielp, dan zou je die aanpak (gebruikelijk in dit soort bundels met gemengde stukjes en illustraties) nog wel kunnen gedogen. Maar soms lijkt het of de vertaler de kern mist van wat Hesse zo precies heeft opgeschreven. Of komt het omdat hij juist dit gedicht wél rijmend heeft vertaald?    

Oud worden

Al het spel dat de jeugd waardeert
en ook door mij eens werd vereerd,
haardracht, hemden, helm en zwaard,
en ook de meisjes waren 't waard.

Maar duidelijk zie ik nu pas
dat ik, oud van dagen,
dit alles niet meer kan verdragen.
Maar duidelijk zie ik nu pas,
hoe dit streven zinvol was.

Weliswaar vergaan lint en lokken
en heel de bekoring gauw,
maar wat ik daarvoor heb gewonnen,
wijsheid, deugd en warme sokken,
ach, ook dat is snel geronnen
en op aarde komt de kou.

Heerlijk is voor oude mensen
een warme kachel en rode wijn,
en dat de dood heel zacht mag zijn -
maar wat later, mag ik wensen!

Het origineel van de gecursiveerde strofe luidt zo: 

Aber nun erst seh ich klar,
Da für mich, den alten Knaben,
Nichts von allem mehr zu haben,
Aber nun erst seh ich klar,
Wie dies Streben weise war. 

Met andere woorden: Nu hij oud is en die ooit begeerde zaken niet meer kan hebben (voor zu haben, lees: zu haben ist) ziet hij er pas de waarde van in. Want, ook de gedoodverfde voordelen van de ouderdom gaan voorbij. Blijft alleen de troost van vuur, wijn, en een hopelijk zachte en niet te spoedige dood.

Oud worden 

Alles wat de jeugd graag ziet,
Ook voor mij was het veel waard,
Lokken, dassen, helm en zwaard,
En vergeet de meisjes niet.    

Maar ik zie veel later pas,
Nu dat ik, bedaagd in jaren,
Niets daarvan meer kan vergaren,
Maar ik zie veel later pas,
Hoe dat streven wijsheid was.

Wel verwelken lint en lokken
En hun charme veel te vlug;
Maar wat later is verschenen,
Wijsheid, deugd en warme sokken,
Ach, ook dat is gauw verdwenen,
En komt nimmer meer terug.

Oude mensen hebben graag
Een haardvuur en een goed glas rood,
En tot slot een zachte dood - 
Maar niet nu, nog niet vandaag.

Uit: Wijsheid, deugd en warme sokken. Gedichten van Hermann Hesse, vertaald door Jan-Paul van Spaendonck. Bij mij nog enkele exemplaren te bestellen.



vrijdag 3 mei 2024

ORKATER


De deadline is gehaald. Ruim. Ik had nog wat uitstel gevraagd maar dat bleek overbodig. De lente brak door en met de hogere temperaturen en het vrolijke blauw schoot ik als een speer door de laatste twee kalendermaanden heen. Vandaag liep ik alles nog eens na en rond het middaguur leverde ik mijn vierde en laatste scheurkalender van dit jaar in. Ik schreef meteen de factuur en verzond die. Altijd een fijn moment. Daarna wandelde ik door het park. Helaas niet meer in T-shirt en colbertje maar in gesloten winterjas. De paraplu die ik gisteravond voor niets had meegezeuld was ik nu vergeten en het begon dan ook te regenen, gelukkig niet al te hard, meer een ambitieuze motregen. Het groen, de afgelopen week van berstende knop tot volle bladertooi geraakt, rook er lekker fris door.


Op een drooggewreven hoek van 'mijn' bankje keek ik naar het nest van de broedende ooievaar. Mijn telefoon zoemde. Mijn vriendin. Een foto van gisteren. Zo te zien een norse oude man, per ongeluk beland in een Silent Disco. Wat een mooie avond was het, reageerde ik.

Café 749 is een fictief bruin buurtcafé. De vaste jongens en meisjes werken er aan een theatervoorstelling voor de viering van 750 jaar Amsterdam. Over woningnood horen we, over de noodzaak van betaalbare woningen. De dochter (Lizzy van Vleuten) van de kroegbaas (Geert Lageveen) woont nog thuis. Het toneelstuk dat onder leiding van een professionele regisseur (Quia Shilue) gestalte krijgt brengt een hommage aan Salomon ('Monne') Rodrigues de Miranda, de sociaaldemocratische wethouder Volkshuisvesting die Amsterdam onder meer de werkgelegenheidsprojecten Amsterdamse Bos en Flevopark gaf. De net iets meer dan anderhalve meter grote voormalige diamantwerker werd in 1942 vermoord in Kamp Amersfoort. We horen de misselijk makende details. Zijn foto wordt rondgedragen op de bühne. De sfeer is opruiend. Café 749 (een voorstelling in een voorstelling) doet recht aan een man die veel meer verdient dan een naar hem genoemd zwembad, al was het maar omdat hij zich hard maakte voor betaalbare woningen voor alle Amsterdammers. Dus ook voor de dochter van de kroegbaas en voor de dochter van Voorheen Rookzanger.

Monne de Miranda was ook een van de initiatiefnemers van de Centrale Markthallen (sinds 1998 Food Center Amsterdam). Daarom heeft Orkater in samenwerking met de Meervaart gekozen voor locatietheater, op een uitgestrekt bedrijventerrein in Oud-West dat normaal niet voor het publiek toegankelijk is.
De pret begon al bij de entree. Er was een pleziertreintje ingezet om ons naar de imposante markthal (de grootste van Europa) te vervoeren. Links lag de enorme berg puin die is overgebleven van Marcanti (het evenementengebouw en de voormalige marktkantine). Daar komt een nieuwe stadswijk, Marktkwartier: 1700 woningen, waarvan een kwart huurwoningen in de sociale sector. Wie weet, dochters?

Eenmaal binnen kon je je vergapen aan de enorme proporties van het gebouw, iets drinken aan de échte bar, al was het dan ook te dure wijn in een te klein glaasje. We hadden een koptelefoon gekregen. De akoestiek was tijdens de repetities rampzalig gebleken. Wat een noodoplossing was mondde uit in een geweldig pluspunt. Een luxueus privé-geluid, naar smaak af te stellen, begeleidde wat je zag. Rechtstreeks afgetapt van het mengpaneel, iedere stem, ieder detail volmaakt te horen en te verstaan. Een beetje surrealistisch in het begin maar het wende al gauw en ik zou, bij dit soort vol en druk theater, nooit meer iets anders willen. 

Mijn enige bezwaar was dat het stuk bijna té mooi was. Prachtige muziek, goede, snelle dialogen van regisseur Leopold Witte, geanimeerd ensemblespel - mijn aandacht werd beetgegrepen en geweldig goed vastgehouden. Zodat... ik na ruim een uur naar een rustpunt verlangde. Een monoloog, een ballad, of desnoods een saai stuk. Maar het moment verstreek en opnieuw werd ik meegezogen door de zinderende vaart van dit aangrijpende, vindingrijke en bewonderenswaardige muziektheater. 

Een van de muzikanten, Daniël van Huffelen van het Amsterdams Andalusisch Orkest, is een trouwe muzikale vriend, al jaren. Door zijn Instagram-post was ik geattendeerd op de voorstelling. Ik ben hem er dankbaar voor. Het is de beste voorstelling die ik in tijden zag en sowieso de beste locatie-voorstelling die ik ooit zag. Ik zou graag reclame maken maar ik geloof dat de laatste voorstellingen uitverkocht zijn. En terecht.


Orkater: Café 749
Centrale Markthallen, Amsterdam-West
Voor mogelijke laatste kaartjes: ZIE HIER