vrijdag 4 december 2020

TROOSTOBJECTEN

Goede vrienden van ons hebben dit voorjaar het roer omgegooid. Ze verkochten hun riante huis dat veel te groot geworden was nu de kinderen er niet meer woonden en ruilden het in voor een etage op de begane grond met een tuin. Pas onlangs zijn we er gaan kijken. Corona had een eerdere afspraak gecanceld. Het was er kraakhelder en brandschoon. Nergens slingerde iets rond en de muren waren leeg en maagdelijk wit, terwijl ze er inmiddels toch al ruim een half jaar woonden. Ik vroeg hun of dat opzet was, die witte muren. Ze vertelden dat er vast wel wat zou komen hangen, maar dat er nog alle tijd was. Eerst maar eens lekker leeg laten. Ik hoorde ook tot mijn verbazing hoeveel ze hadden weggedaan toen ze naar het kleinere huis waren vertrokken. Hun halve verleden was naar Kringloop en stort gegaan. Ik huiverde en moest denken aan onze eigen omstandigheden.
'Wat is het hier een rommel,' zei mijn kleindochter eens toen ze het huis van mijn vriendin inspecteerde. Ze keek er niet bij alsof ze het erg vond. Mijn vriendin bewaart alles. Ikzelf ben gematigder in mijn bewaarzucht, maar kan er toch ook wel wat van. Gisteren was het mijn beurt om de huiskamer schoon te maken. Dat gebeurt niet wekelijks, dus ik ga grondig te werk. Met een stofdoekje in mijn hand til ik alles van zijn plaats. Het viel me al stoffend op hoeveel zinloze voorwerpen her en der hun vaste plek hebben verworven in mijn vertrekken; op schoorsteenmantels, bijzettafeltjes, kastjes, op de vleugel (vooral op de vleugel). Afgezien van de stapels boeken en paperassen en de honderd-en-nog-wat pijpen waren dat onder veel meer:

Zeeschelpen en fossielen
Een minuscuul brokje lapis lazuli
Een Eiffeltorentje van goud plastic
Een Venetiaans masker op een voetstuk
Een Indiase bamboefluit
Een uitgeprinte foto van mij en mijn kleindochter
Een geboortekaartje van mijn kleinzoon
Polaroidplaatjes van de poezen
Een steen, gevonden in Wales
Een zakspiegeltje met zilverbeslag
Twee roofvogelveren
Vier scopa kaarten
Een Russisch icoontje op zakformaat
Een koperen hagedis

Aan al die voorwerpen zit een geschiedenis vast. Gooi ik ze weg, dan is die geschiedenis, hoe onbeduidend ook, verloren. Is het angst voor de leegte die me ervan weerhoudt schoon schip te maken? Bezweer ik de ongrijpbaarheid van het leven met al die symbolen, het voortrazen van de tijd? Of vind ik het misschien gewoon gezellig om in een uitdragerij te leven?
Ik zat heel lang geleden met een Duitse vriend in een typisch Hollands cafeetje. Een knusse, warmgestookte, overvolle huiskamer. Hij keek met een cynisch lachje naar de muren waarvan elk plekje was bedekt. Ingelijste foto's, koperen pannen, een trombone, vergeelde affiches - afijn, u kent het.
'Wat hebben jullie toch met die troostobjecten?' vroeg hij met zijn strenge rollende R.
Ik moest hem het antwoord schuldig blijven.


dinsdag 1 december 2020

EINDSTREEP


Nu anderhalve maand geleden stelde boekdrukker Boris Rousseeuw me voor om gedichten van Louis Aragon te gaan vertalen. Het verzoek kwam als geroepen. De dagen waren lang, ik verveelde me, miste mijn koren, en verzuchtte meer dan eens dat ik verlangde naar een nieuw project om me op te storten. Dus ik zei, na enige aarzeling, want ik kende Aragon eigenlijk niet, 'ja'.
Dat heb ik geweten. 
Doordeweeks ging het nog wel. Van maandag tot vrijdag ben ik een gedisciplineerd mens die alleen water of koffie drinkt en ook verder een oppassend leven leidt. Ik werkte rustig aan mijn gedichten, af en toe een coupletje, en liet ze ook weleens een paar dagen liggen, als ik wakker had gelegen op zoek naar rijmwoorden. Maar als in het weekend de wijn erbij kwam kijken schoot ik door. Ik zat er dan zo lekker in dat ik pas laat begon met koken. En de volgende dag was mijn hoofd leeg en beurs - niet zozeer van die wijn, als wel van het fanatieke vertalen. 
De climax kwam afgelopen vrijdag. Ik had een paar dagen terug de eerste stanza van een lang gedicht vertaald dat de bundel zou moeten besluiten, en zette me nu achter het scherm om daarmee verder te gaan. Half vijf. Een roemer Elzasser riesling erbij, toastje met brie, kaarsje aan, gezellig. Twee uur later zag ik dat ik zo was opgeschoten dat ik nog maar drie kwatrijnen verwijderd was van de eindstreep. Vooruit jongen, nog even doorzetten, zei ik overmoedig tegen mezelf. Ik schonk nog eens in (ook de fles naderde de eindstreep) en beet me mompelend vast in taal, klank, ritme en rijm. Een uur later was het af. Ik schoof een pizza in de oven en las trots het eindresultaat voor aan mijn dochter en een vriend die op bezoek was. Die snapten er zo op het eerste gehoor niet zoveel van, maar vonden het mooi klinken. Ik was tevreden en haalde mijn iets te hard gebakken Margherita met buffelmozzarella uit de oven.

Beste lezer! Zou het daarbij zijn gebleven, dan was er nog niet zoveel aan de hand geweest. Maar toen de pizza op was ging ik - nog éven! - verder met een ander gedicht, voor een ander, toekomstig project. Tot ik moe en met pijnlijke staarogen mijn bed opzocht.
De volgende morgen was niet best. Niet alleen dreunden de verzen door mijn hoofd, maar ze leken zelfs een fysieke stem aan te nemen, ik kon ze niet wegduwen of negeren. Zoiets als een liedje dat als een oorwurm door je hoofd spookt, maar dan op vol volume. Het geluid belette me om helder te denken en helder waar te nemen, de wereld om me heen leek onwerkelijk vergeleken bij die taalspoken in mijn hoofd die luidkeels om aandacht vroegen. Ik vreesde even serieus voor mijn geestelijke gezondheid. Pas na een lange wandeling (niet denken, geen woorden, goed om je heen kijken!) werd ik weer een beetje normaal. 's Middags gunde ik mezelf nog één klein gedichtje, maar na het eten rukte ik me definitief los van mijn obsessie, zette de tv aan en ging een documentaire over mieren van David Attenborough kijken.
Zondag waaiden we uit in de duinen bij Bakkum. We marcheerden stevig door het vale glooiende novemberlandschap. Het was lekker koud. Ik probeerde onder woorden te brengen wat me dwars zat, of liever, wat ik mezelf had aangedaan. Mijn vriendin stelde me voor om voortaan een wekker te zetten. 'Je mag een uur vertalen, en dan moet je stoppen.'
Goed idee, maar helaas, zo werkt de verslaafde geest niet. Die is mateloos in alles. Je kunt een streepje halverwege de wijnfles zetten, maar als je die grens genaderd bent ga je er gegarandeerd overheen, tot de fles leeg is. Poëzie vertalen is net als drinken. Het maakt genotstofjes aan, met elk geslaagde rijm wat meer, en geeft een roes. En als je eenmaal in die stroom wordt meegezogen is het moeilijk je daaruit vrij te worstelen. Maar het kan, met een beetje hulp van David Attenborough. Luctor et emergo!


vrijdag 27 november 2020

TERRY JONES


Ze kwam laat thuis, het was na middernacht. Toen ze haar fiets had vastgemaakt aan de boom en naar binnen wilde gaan zag ze dat de buitendeur niet in het slot was gevallen. Haar huisgenoten trokken die altijd goed dicht dus er moest een vreemde binnen zijn geweest. Misschien een pakjesbezorger, die zijn kind aan huis dezer dagen. Terwijl ze de trap beklom, pakte ze haar telefoon uit haar jaszak, deed Spotify uit en zette haar koptelefoon af. In plaats van de verwachte stilte hoorde ze geroezemoes. Ze opende de huisdeur. Het geroezemoes bleek een onbekende, sombere mannenstem te zijn. Ze bleef staan met de klink in haar hand. De mannenstem sprak in een vreemde taal. Een andere mannenstem antwoordde, even vreemd, even somber. Ze sloop verder met de schrik om het hart. Alles was donker maar uit de studeerkamer kwam een zwak lichtschijnsel. Ze hield haar adem in en keek voorzichtig om de hoek van de deur.
'Jezus, ben jij het,' zei ze. 'Ik kreeg zowat een hartverlamming. Wat ben je aan het doen, waarom ben je nog op?' Haar vader klikte YouTube weg en draaide zich om. Met zijn witte naakte lichaam deed hij haar denken aan Terry Jones achter het orgel, in de befaamde scène van Monty Python. 

Ik had al om elf uur mijn licht uitgedaan en was me net lekker aan het voorbereiden op een diepe slaap toen het gedicht dat ik aan het vertalen was door mijn hoofd begon te spoken. Het draaide maar rond en rond om die ene zin, die ik nooit goed begrepen had. Ik had allerlei oplossingen bedacht, maar nu sloeg de twijfel weer toe. Wat nou, dacht ik, terwijl ik me van mijn ene zij op mijn andere draaide, wat nou als dat 'Qui' geen betrekkelijk voornaamwoord is, maar het begin van een nieuwe zin? Dat zou een heel andere betekenis geven. Louis Aragon gebruikte geen leestekens, en dat zorgt soms voor problemen. Na een tijdje te hebben gepiekerd en vruchteloos de slaap te hebben gezocht wierp ik het dekbed van me af en liep naar de computer. Ik zocht op YouTube en vond twee versies van het gedicht Vingt ans après, gedeclameerd door native speakers. Allebei mompelden ze op de schijnbaar onaangedane toon die bij het voordragen van Franse poëzie hoort. Ze walsten gladjes over de passage heen. Als er bij Qui al een nieuwe zin begon, dan hadden de beide Franse voorlezers dat ook niet begrepen. Ik was gerustgesteld, maar spoelde voor de zekerheid terug om nog eens te luisteren.
'Jezus, ben jij het,' hoorde ik achter me. Ik draaide me om en keek in de grote ogen van mijn dochter. Ik bedacht dat ik eruit moest zien als Terry Jones achter het orgel. Ik trok de bijbehorende grijns.


dinsdag 24 november 2020

RENAISSANCE


Ik had vannacht een vreemde, maar heel duidelijke droom. Hij speelde zich af in een middeleeuws landschap (afgezien van die ene maanraket, die aan de einder stond, of was dat een andere droom?). Robin Hood moest uitkomen tegen een tegenstander. Er was, honderden meters verderop, een schietschijf opgesteld. Een onmogelijk doel leek het. Robin mikte, schoot, en leek te gaan winnen, maar zijn anonieme tegenstander werd bijgestaan door toverij. Er was iets als een vlaag van duistere nevel, en Robin was verslagen.

Op zich ben ik niet heel verbaasd over zo'n droom. Ik heb vaak naar de serie Robin of Sherwood gekeken met mijn dochter. Daarin komt heel wat prijsschieten voor, en ook zwarte magie. Blijkbaar was de roulette van mijn droommachine blijven steken bij de herinnering daaraan. Een werkbare symboliek kan ik er tenminste niet in zien.

Maar waar het me om gaat is het vervolg. Direct na die schietwedstrijd veranderde de wereld. Het was alsof alles in een klap zijn samenhang verloor. Tevoren waren sfeer en landschap middeleeuws geweest, zoals ik zei: een tafereel uit een sprookje dat stilstaat in de tijd, een levend schilderij, een scène uit een boek, opgetekend en voor altijd gefixeerd, een veilig ritueel. Maar nu begon er zich iets te roeren. De mensenmenigte verloor haar houvast en begreep zichzelf niet meer, werd onrustig en druk, angstig, twistziek en ongeduldig. Verandering zette in, de samenstelling van de dingen was instabiel geworden. De stroom van de tijd, die tevoren gestagneerd was, begon weer te lopen en deed zijn werk. De straten van Londen, waar het zich blijkbaar afspeelde, kregen in snel tempo namen, terwijl ze tot dan toe naamloze zandpaden waren geweest. Trafalgar Square, hoorde ik zeggen, en Bond Street.

In mijn halfslaap overpeinsde ik die droom. En ik moest denken aan het beroemde boek Herfsttij der Middeleeuwen van Johan Huizinga. Nog niet zolang geleden heb ik daar in een verloren uurtje in zitten lezen. Wat me opviel was de romantische opvatting die de auteur had van zijn vak als historicus. Hij schildert in lyrische bewoordingen een exotisch tijdvak dat in een hoop dingen wezenlijk verschilt van onze tijd. Zelf heb ik de tijd altijd als een continuüm gezien van elkaar voortdurend opvolgende veranderingen, klein en geleidelijk of groot en schoksgewijs. Huizinga verdeelt haar in scherp contrasterende hoofdstukken. De middeleeuwse mens bezat volgens hem, in overeenstemming met zijn andere omstandigheden, ook een andere psychologie. Ik denk eigenlijk altijd dat de mensen door alle eeuwen heen precies hetzelfde zijn geweest, ook al veranderen hun gebruiken, omstandigheden en opvattingen dan ook voortdurend. Ik geloof niet in die middeleeuwer van Huizinga die zich met kinderlijk ontzag vergaapt aan de wonderen die adel en kerk hem voorspiegelen. De middeleeuwen waren geen andere planeet. Er zal destijds net zo'n cynisme hebben bestaan als nu, en het is maar helemaal de vraag of de middeleeuwer echt zo onder de indruk was van de rijke kleren en kleurige banieren van de feodale klasse en de clerus. Er zullen harde grappen gemaakt zijn aan de toog van de kroeg, het internet van die tijd.

Maar mijn droom gaf Huizinga gelijk. Die gemiste pijl van Robin Hood moet heel abrupt de renaissance hebben ingeleid.


vrijdag 20 november 2020

FAMILIE


Ik was op weg naar de apotheek toen ik bedacht dat ik mijn mondkapje thuis had laten liggen. Bij de Etos kocht ik er een, zwart. Ik paste het aan. Met mijn hoed en dat zwarte masker waar mijn baard onderuit stak zag ik eruit als een bankrover uit een oude western.
De apothekeres stak haar handen niet omhoog achter haar spuugveilige balie, maar vroeg beleefd om mijn gegevens. 'Van Spaendonck,' zei ik. 'Dertien maart negentienzesenvijftig.'
Een mevrouw die aan de zijkant zat te wachten op haar recept zei verrast: 'Van Spaendonck? Zo heet ik ook.'
Het was een keurige mevrouw. Vriendelijk maar een beetje gereserveerd. Ik kon haar gezicht niet zien maar haar houding, haar ogen en haar stem vertelden me dat ze van goede komaf was. Er ontspon zich een gesprekje. 'Met AE en CK?' 'Jazeker!' Omdat ik al dagen niet met een mens uit de buitenwereld had gesproken flapte ik er in een paar volzinnen mijn halve geschiedenis uit. Ik vertelde haar over mijn Tilburgse opa die als personeelschef van de Volkskrant was verhuisd van Brabant naar Amsterdam. Zelf kwam ze ook uit Tilburg, zei ze. We spraken over de toevalligheid van onze ontmoeting. Je vindt niet zoveel naamgenoten buiten die textielstad. Toen ik hier langgeleden kwam wonen stond er maar één andere Van Spaendonck in het telefoonboek. Een fotografe, Pia van Spaendonck; van de rijke tak, geen familie. De mevrouw zei: 'Pia, dat is een nichtje van me.' We speculeerden over onze eigen verwantschap. 'Staat u in het boekje?' vroeg ze. Ik nam aan dat ze de genealogie bedoelde die ooit is gepubliceerd door Mr. dr. Barend Jan van Spaendonck. 'Ja,' zei ik zwierig. 'Mijn opa, Alphonsus Antonius heette hij, moet daar zeker in staan.' Weten deed ik het niet, want ik had destijds het boek niet aangeschaft, te duur voor een eenvoudig zanger. 'Als u in het boekje staat, dan zijn we familie,' besloot de keurige dame. We groetten elkaar met een hoofse knik. De apothekeres die al die tijd een beetje ongemakkelijk glimlachend had staan luisteren, gaf me mijn oxazepam en ik verliet de winkel met een warm gevoel.

Ik liep door het Beatrixpark. Een hoosbui brak los maar dat deerde me niet. Ik zocht een bankje uit dat niet te nat was want ik moest de ontmoeting eens rustig overdenken. Er was iets dat me hinderde. De mevrouw had het terloops ook over het patriciaat gehad. Ik besefte nu dat ze met dat 'boekje' niet gerefereerd had aan die uitgebreide genealogie van Barend Jan, maar aan het zogenaamde Blauwe Boekje. Dat is een uitgave van het Nederland's Patriciaat waarin ieder jaar de bijgewerkte stambomen worden gepubliceerd van vooraanstaande families. En met vooraanstaande families worden die families bedoeld die al minstens honderdvijftig jaar een voorname rol spelen in de Nederlandse samenleving. Regenten, predikanten, doktoren, officieren, zakenlieden en wetenschappers, dat soort lieden. Geen dagbladmedewerkers, pianisten en zangers.
Ook besefte ik, dat ik op het moment zelf al een vermoeden had gehad van haar bedoeling. Maar ik was eroverheen gewalst. Ik had graag bij die geslaagde Van Spaendoncks, textielbaronnen, paters Jezuïeten, hoogleraren, directeuren en advocaten, willen horen. Ik hád natuurlijk moeten zeggen: 'Nee, ik ben van de arme tak.' 

Dat ik dat niet gedaan heb is de schuld van mijn opa, die zijn hele leven onvermoeibaar bezig is geweest met aan te tonen dat onze familie verwant is aan die rijke tak. Hij en zijn broer moesten teruggaan tot 1450 om de link te vinden, maar het is gelukt. Mijn opa vond dat belangrijk, want zijn vader had een fietsenwinkel in een volksbuurt gehad, en hij was gevoelig voor status, of liever, voor traditie en historie. 
Zelf heb ik van huis uit juist een wantrouwen meegekregen tegen mensen die zich op hun milieu laten voorstaan, bewust of onbewust. Eigen verdienste, daar ging het om. Ik ben dankzij mijn vader allergisch voor de sfeer van old boys' network en vanzelfsprekend overwicht die er soms heerst in de kringen van de gegoede families. Ik heb beroepshalve veel in dat milieu verkeerd maar heb me er altijd slecht op mijn gemak gevoeld. Dus waarom niet gewoon eerlijk zijn?

Beste mevrouw uit de apotheek aan het Minervaplein, mocht u dit lezen: Nee, we zijn geen familie. We behoren wél tot dezelfde clan. Ook mijn geschiedenis begon in de beemd die Spaendonck in de Haghorst, vlakbij het huidige Moergestel. Maar in het Blauwe Boekje sta ik niet.


dinsdag 17 november 2020

TEAMS

Een uur van tevoren liep ik al te ijsberen. Ik deed zelfs wat stemoefeningen, om te zorgen dat ik goed gearticuleerd en sonoor zou overkomen. Mijn vriendin, die dagelijks met MS Teams werkt, moest er om lachen. 'Het lijkt wel of je moet optreden,' zei ze.
'Dat is ook zo,' antwoordde ik. 'Ik leef als een kluizenaar, ik zie als een berg tegen deze confrontatie op. En bovendien is het mijn debuut op het digitale podium.'
'Je zult zien dat het meevalt,' zei ze bemoedigend, terwijl ze een rozijnenboterhammetje met walnootpasta voor me smeerde. Ik keek op de klok. 'Ik hoop het,' zei ik met volle mond. Van de walnootpasta proefde ik niets.

Om vijf voor twaalf ging ik voor het schermpje van haar tablet zitten. Mijn vriendin wilde net een appeltaart in de oven gaan zetten.
'Doe dat nou straks,' zei ik paniekerig. 'Je moet me even helpen. Het is bijna tijd.'
'Ach joh, leer mij ambtenaren kennen,' zei ze ontspannen. 'Het zou me zeer verbazen als het stipt op tijd begon.'
Maar ze liet de taart even rusten en wees me hoe ik beeld en microfoontje moest bedienen. Als ik wilde interrumperen moest ik op het icoon van een handje drukken. 
Stipt om twaalf uur verscheen er een man in beeld en werd mijn eigen kop zichtbaar, rechts onderin. We zaten elkaar een tijdje aan te grijnzen, de man en ik. Mijn vriendin drong erop aan dat ik iets zou zeggen. Dus ik drukte op het knopje dat de microfoon aanzette en stelde me voor. De man, een dertiger met een baardje, gromde verveeld. 'Ik snap er niks van,' er gebeurt niets,' hoorde ik hem mompelen. Hij streek blijkbaar met zijn hand over zijn scherm, want een vleeskleurig vlak onttrok hem aan het zicht. Zo zaten we een tijdje ongemakkelijk naar onszelf en naar elkaar te gluren. Een melding op het scherm, linksboven, vertelde ons dat er een aantal mensen in de lobby zat. 
Net toen ik het met een zucht wilde opgeven (mijn best gedaan, aan mij lag het niet, ik kon met opgeheven hoofd, etcetera) verscheen er in de rechterbovenhoek een vrouw. Ze stelde zich voor als de secretaresse van de juridische commissie. Er was een fout gemaakt. Er waren, in twee verschillende mails, twee verschillende links verstuurd. De rest van het gezelschap zat in de andere 'ruimte' te wachten.  Wij moesten de oorspronkelijke link activeren.
Mijn vriendin zocht op haar laptop de eerste mail op en stuurde die door naar het tablet. Maar die werd verzonden, dat zagen we, maar arriveren deed hij niet. Ik zuchtte andermaal en wilde opstaan. Maar daar, als bij toverslag, was een mozaïek van portretjes op het scherm verschenen. Iedereen was er, alleen de man in wiens tuin de omstreden boom staat, ontbrak nog. Toen hij na een hoop geklooi ook de juiste papieren voor de vergadering had gekregen begon het. Twintig minuten te laat. 

'Gewoon maar afwachten,' had mijn vriendin gezegd. 'Er is een moderator, die leidt het gesprek en zorgt dat iedereen aan het woord komt.' En ja, iedereen kwam aan het woord. En bleef kalm. Er werd niet geschreeuwd. Argumenten en standpunten werden weloverwogen naar voren gebracht. Het viel mee, inderdaad. Tot slot zwaaiden we naar elkaar. Niet met een blauw handpalmpje, maar met onze echte handen.

Of de uitkomst van de hoorzitting ook zal meevallen, is nog maar de vraag. De groendeskundige die door de woningbouwvereniging (de aanvrager van de kapvergunning) was ingehuurd sprak met norse, luide stem. Wat hij zei was discutabel, maar klonk als zekerheid. De onafhankelijke groendeskundige van de gemeente (de jongeman tegen wie ik de eerste minuten had zitten aangrijnzen) haalde feitelijk alles wat hij zei onderuit, maar deed dat zo onderkoeld, quasi verveeld mompelend, dat het klonk als aarzeling.
Nu maar hopen dat de juriste die moet gaan beslissen over het lot van de boom daardoorheen kan en wil luisteren. Het zal erom spannen, want erg op onze hand klonk ze niet. Misschien houdt ze wel niet van bomen. Ik kijk naar buiten, waar een boomklevertje de schors onderzoekt op insecten en een vinkje en een meesje broederlijk samen van tak naar tak hippen. Claws crossed, zeg ik tegen de katten, die met me meekijken.


vrijdag 13 november 2020

HOORZITTING

De boom is al aardig kaal aan het worden. Wat er nog aan blad te zien is wordt elke dag een beetje meer verdord en bruin. De herfst is net als de Tweede Golf over zijn piek heen, het plateau dat winter heet staat voor de deur. Geen Zwarte Piet zal erop dansen dit jaar. Zou Paulus de Hulpsinterklaas nou ook op de stapel te verbranden boeken van de bibliotheek terechtkomen? Of is er dispensatie voor bewezen meesterwerken?

De boom was gedoemd, ik heb het u een tijd terug verteld. Maar onlangs was er goed nieuws. In reactie op een bezwaarschrift dat wij omwonenden hebben ingediend verscheen er iemand van het Stadsdeel, vergezeld van een deskundige van de gemeentelijke groenvoorziening. Eerder had men uitsluitend op grond van foto's en beschrijvingen de kapvergunning verleend. Corona, immers. Hoewel de pandemie heviger woedt dan toen kwamen ze nu wél persoonlijk poolshoogte nemen. Je kunt niet alles begrijpen. 
De groendeskundige stelde een rapport op in heerlijk kromme taal, net zo kronkelig gedraaid als de bomen waarmee hij zich dagelijks bezighoudt. 'De boom heeft waarden en zijn de beeldbepalende waarden bijzonder te noemen,' meende hij. 'Op locatie heb ik geconstateerd dat de bewoner geen overlast ondervind van de boom en er ruimte is om de esdoorn te snoeien. De boom kan rondom licht worden teruggesnoeid. Zo worden de balkons vrij gesnoeid en kan de overlast beperkt worden bij naastgelegen percelen. Als ik deze gegevens tot mijn beschikking had tijdens de belangenafweging had dit mijn advies geweest.'

Goed nieuws, dus, als ik het goed lees. Anders dan de media, die goed nieuws zo snel als maar enigszins mogelijk is laten smoren in mitsen en maren, en zich nu en masse geworpen hebben op de te verwachten moeilijkheden die het vaccinatieprogramma zal ontmoeten (want je zou eens op een kwade dag niets verontrustends te melden kunnen hebben, stel je voor!) ben ik niet van plan mijn optimisme door twijfel te laten verpesten.  Alleen dat 'licht terugsnoeien' maakt me een beetje ongerust: als hoveniers een beetje op kappers lijken willen ze het liefst doorgaan met knippen een zagen tot er weinig meer over is dan de kale stam. 
Maandag is er een hoorzitting met alle betrokkenen. '
Wij vinden dat u allen voordat de hoorzitting wordt gehouden op de hoogte moet zijn van deze bevindingen omdat dit de discussie tijdens de hoorzitting sterk kan beïnvloeden,' schrijft de juriste van het Stadsdeel. Het zal mijn debuut worden in de digitale vergaderwereld. De link naar MS Teams is gekopieerd, ik heb niet langer het excuus van een pc die zulke programma's niet aankan, nu ik een grote nieuwe iMac bezit. Duimt u voor mij, en voor de winterkoninkjes, bonte spechten, Vlaamse gaaien en andere direct betrokkenen?