dinsdag 17 december 2019

KLUSSEN

Ik ken mensen die niet geloven in de structuur die we hebben aangebracht in de ons omringende, vormeloze tijdzee. Die zeggen: ach, tweede kerstdag, dat is toch een dag als alle andere?
Zelf ben ik helaas niet van die school. Als mensen zich anders voelen, gedragen ze zich anders, en dan is de sfeer anders, en daarmee 'de dag'. Stemming is volgens Simenon een fluïdum dat ons omringt. De lucht die we ademen wordt beïnvloed door het collectieve humeur van de mensen om ons heen. Zondag is anders dan maandag, vraag het maar aan mijn broer die op kantoor werkt.
Nadelen zijn er genoeg: tweede kerstdag alleen thuis, en je voelt je zielig. En waarom eigenlijk? Tsjilpen de vogels anders? Drijven de wolken anders door de lucht? Maar het grote voordeel van deze gekleurde visie op de wereld is, dat je telkens weer de kinderlijke illusie hebt dat binnenkort, als de vakantie begint, alles anders wordt. Dat je de klussen met welbehagen wegstreept en dat de opluchting van die heerlijke vrije dagen met elk streepje dichterbij komt. Alsof de klussen niet gewoon doorgaan daarna. Maar daar denk je niet aan. Of liever, je denkt dat januari een onbeschreven blad is. Dat je, uitgerust en opgelucht, langzaam een nieuwe spanningsboog gaat opbouwen, uit het niets, die ergens eindigt waar de volgende vakantie begint. Enzovoorts. Tot het pensioen, dat alleen maar kan tegenvallen.
Ik weet het, we doen het ons zelf aan.
Om mijn neurotische neiging tot structuur maar eens brutaal te doorbreken beschouw ik dit als mijn laatste stukje van het jaar. De muzikant moet nog even door, maar de blogger houdt het voor gezien, en wenst u allen fijne feestdagen toe en - alvast - een gelukkig nieuwjaar!


vrijdag 13 december 2019

ILLEGAAL

Ik glipte door het poortje in andermans kielzog. Maar mijn OV-kaart was in de gauwigheid misschien toch geregistreerd, dus voor de zekerheid, om de teller niet te laten lopen, checkte ik meteen weer uit. Herstel: probeerde uit te checken. Niet mogelijk, zei het schermpje, wegens te weinig saldo. Te weinig saldo? Ik ging hier toch alleen maar koffiedrinken in Grand Café 1e klas? Ik ging toch geen reis maken? Ik probeerde het nog eens, met hetzelfde resultaat. Een ongemakkelijk gevoel bekroop me. Ik was illegaal het station binnengekomen en kon er niet meer uit. Ik snapte ze wel, al die maatregelen. Gevaarlijke tijden, dreigingsniveaus. Maar wat nu te doen? Ik keek een beetje verloren om me heen, naar de rails, het perron, de hoge ijzeren koepel. Een trein kwam gierend binnen. Opgesloten. Zou ik hier ergens mijn saldo kunnen opwaarderen? Zou je net zien natuurlijk, dat zulks alleen mogelijk was in de stationshal, buiten bereik van illegale insluipers met spijt.
Gelukkig kwam daar mijn vriend aangewandeld. Per trein uit Den Haag gespoord, om straks weer verder te reizen naar Haarlem. Hij had het volste recht om hier te zijn. Terwijl we de gang van zaken overwogen liepen we naar het café. De ingang daarvan had ook een digitaal checkpoint. Gratis in- en uitchecken, stond er. Aha, je mocht dus nog wel, desnoods een hele middag, zonder te betalen voor je lijfelijke aanwezigheid in de horeca doorbrengen. Dat was tenminste iets, de wereld was nog niet helemaal bedorven door inperkende regelgeving en belemmerende veiligheidsmaatregelen. Op de perrons was de maximum verblijftijd een uur, had ik inmiddels geleerd, daarna ging je dokken. Het café was een soort heerlijkheid binnen het militaristische station, waar minder strenge wetten golden.
Mijn vriend hield zijn kaart tegen de lezer. Ik ook, tegen beter weten in: ook hier in de heerlijkheid was het apparaat onverbiddelijk - te weinig saldo. De tien euro die ik voordat ik in de tram was gestapt op mijn kaart had gezet was al aangebroken. En tien euro, zei mijn telefoontje, was het minimumbedrag dat op je kaart moest staan wilde je stationsbezoek zelfs maar overwégen.
Mijn vriend zei goedmoedig bassend dat ik me geen zorgen hoefde maken: desnoods glipte ik op zijn kaart weer naar openbaar terrein, zoals ik ook was gekomen. Maar helemaal gerust was ik er niet op. Ik zag mezelf al door onvermurwbare spoorwegrecherche worden afgevoerd, tevergeefs aanvoerend, dat ik te goeder trouw had gehandeld - een illegaal tegen wil en dank, een logge dinosaurus die klem was komen te zitten in moderne tijden.
Nadat we afgerekend hadden liepen we naar de roltrap. Maar die konden we links laten liggen, met poortje en al, want onze gang kwam rechtstreeks en zonder enige hindernis uit op de openbare hal. Blijkbaar was deze sluiproute aan de aandacht van de bazen ontsnapt. Niet erg veilig, maar prettig voor mij.


dinsdag 10 december 2019

BOS

Ik ging naar de Beurs van Bijzondere Uitgevers. Wat ik me daarbij had voorgesteld was aangenaam genoeg: wat snuffelen in kraampjes, bladeren in boeken, oude bekenden ontmoeten misschien, nieuwe contacten opdoen, wie weet. Lobbyen, bibliofilie en een zondags uitje ineen.
Maar zodra ik de grote zaal van Paradiso binnenkwam beving me een hevige  tegenzin. Ik bezag de zee van boeken en de zee van boekenmensen en wilde meteen rechtsomkeert maken. Voor de vorm en om het gevoel te hebben dat die vier euro niet helemaal voor niets waren uitgegeven maakte ik een rondje. Ik sloeg zelfs een boek open. Het was een mooi boek, maar niemand zat erop te wachten. Misschien dat de buren er de verdiensten van konden inzien, maar die hadden zelf al een stal vol boeken om onder de aandacht te brengen. Ik zag een bekende, maar die stond, precies zoals een paar jaar geleden, bij het kraampje van de Parelduiker druk te praten en te lachen en ik had de moed niet hem aan te schieten. Hij hoorde ergens bij, ik was hier vreemd. De portier zag me met enige verbazing alweer gaan (of verbeeldde ik me dat maar?) en wenste me een goedemiddag. Buiten zette ik er flink de pas in. Het waaide flink. Het was een lange herfst geweest maar nu waren de bomen uiteindelijk toch kaal geblazen.
Juist toen ik mijn huis naderde draaide de auto van mijn vriendin de straat in. We gingen een boswandeling maken en daarna ergens zwijn of hert eten.
'Jij was snel klaar,' zei ze.
'Ja, ik werd er plotseling heel ongelukkig van.'
'Was er niets moois bij, niks interessants, geen potentiële uitgever voor je nieuwe boek?'
'Vast wel. Maar het stond me ineens zo tegen, al die mensen die onvermoeibaar mooie dingen maken die niemand wil hebben behalve een paar vrienden. In een gewone boekenwinkel kan het me soms al overvallen. De overdonderende veelheid van de dingen. Het gevoel dat het allemaal zo futiel, zo zinloos is.'
Mijn vriendin wilde niet meegaan in mijn zwarte stemming en zei relativerend: 'Je ziet door de bomen het bos niet meer?'
'Precies. Laten we het daar maar op houden. Op naar het Gooi!'
In het bos was het lekker kaal, donker en modderig. Er scheen een fijn halvemaantje dat de plassen deed glinsteren. Een hartige wildstoof maakte korte metten met het laatste restje cultuurpessimisme.


vrijdag 6 december 2019

KRANT

Terwijl ik me in de 5-decemberstaking probeer te verdiepen verschijnt er een mannetje aan mijn linkerzij. Dat verkleinwoord gebruik ik niet gedachteloos: hij is hooguit 1.60 meter lang en alles aan hem is in volmaakte verhouding tot die lengte, kleiner dan gemiddeld. Ik schat hem op midden zeventig. Hij draagt een smoezelig grijs gilet onder een korte winterjas van onbestemde kleur, een bonte shawl en een pet. 'Als u die krant uit heeft, wilt u hem dan aan mij geven?' vraagt hij met hoge en nogal luide stem. 'Het is altijd goed om te lezen hoe het niet moet. Haha!' Ik grinnik plichtmatig mee met zijn gekakel en beloof dat ik de krant voor hem zal reserveren.
Hij gaat aan een tafel zitten en bestelt koffie, zie ik uit mijn ooghoek. De 5-decemberstaking kan ik inmiddels al niet meer volgen, mijn aandacht is afgeleid. Er verschijnt geen mobieltje, hij kijkt gewoon een beetje voor zich uit, rustig. Ik heb de indruk dat hij niet uit de stad komt. Ik heb zelfs de indruk dat hij niet uit deze tijd komt.
Zonder het te willen ga ik sneller lezen. Ik berisp mezelf daarom. Dwing me om tenminste de taalrubriek op m'n gemak te genieten. Maar als ik de herkomst van het woord schimmel helemaal tot aan het Middelhoogduits heb getraceerd wordt het me te machtig. Ik sla het katern dicht en wenk hem. Hij kijkt naar me, lijkt niet meteen te weten wat ik van hem wil. Ik wijs naar de krant. Een brede lach verschijnt, hij staat op, loopt naar me toe en pakt hem aan. 'Dank u wel meneer,' roept hij zangerig.
Het katern De Verdieping heb ik achtergehouden. Om mijn eer te redden, en niet door willekeurige mannetjes uit de polder van 1860 te laten bepalen hoe en wat en in welk tempo ik lees - maar ook met een vederlicht schuldgevoel. Als mijn koffie verkeerd op is en ik alle boek-, muziek-, toneel- en filmrecensies heb gespeld zet ik mijn hoed op, knoop mijn jas dicht en loop naar zijn tafeltje. Ik leg de dagelijkse portie diepgang galant voor hem neer. Hij kijkt verstrooid op van de sportpagina.


dinsdag 3 december 2019

STUK

Ik sta onder de douche en merk dat het afvoerraster vol loopt. Even later sta ik diep gebukt  - plop, plop - het putje vacuüm te zuigen met de rubberen ontstopper waarvan de steel was doorgerot en na veertig jaar trouwe dienst is afgebroken.
Het is een bekend patroon. Ik heb jarenlang een platenspeler gehad waarvan één kanaal het niet meer deed. Platen uit de beginjaren van de stereo, toen men nog uit euforie over de uitvinding partijen extreem rechts en links zette, waren eigenlijk niet meer te draaien. Ik moest de linker gitaarsolo uit Yer Blues van de Beatles altijd uit mijn geheugen aanvullen.
Ik tik dit stukje tegen de klok in. Want om de zoveel tijd weigert mijn laptop verbinding met het internet te maken en moet ik hem herstarten. Wat ik vergeten ben te backuppen ben ik kwijt.
Klok? Op dit moment ligt mijn telefoon aan de oplader. De transformator is stuk. Het heeft me vanmorgen minstens vijf minuten wrikken en tikken gekost voor ik aan het begeerde zwarte pijltje zag dat de stroom binnenkwam.
De meeste mensen om me heen snappen niet waarom ik zolang genoegen neem met stukke spullen. U misschien ook niet. Het is deels laksheid, ja, en deels zuinigheid. Ik heb geen moeite met de aanschaf van nieuwe dingen maar vind het kopen van vervangende spullen zonde - ze doen het immers toch nog, min of meer, die plopper, die telefoon en die pc? Ik ben in de jaren vijftig geboren, ziet u.
Een andere reden die ik tot mijn verdediging aan kan voeren is deze: ik improviseer graag. Zolang ik nog op de een of andere manier overweg kan met mijn troep bewijs ik daarmee dat ik boven de materie sta. Ik maak er wel wat van. Ik houd ook van primitief kamperen en ben dol op zakmessen.
De bassist van mijn band kijkt iedere week met onbegrip en zelfs afkeer naar de slordige papieren die ik op de piano zet. Als ze weer eens ordeloos op de grond vallen schijnt er een vals lichtje in zijn ogen. Zelf heeft hij alle muziek ordelijk op een tablet van Apple staan, die hij met een pedaaltje bedient. Sinds ik heb aangegeven dat ik ook zo'n tablet overweeg overstelpt hij me enthousiast met adviezen. Ik houd nog een tijdje vol, maar weet dat ik vroeg of laat zal zwichten en ook tot de muzikanten ga behoren die alles van een lichtend schermpje aflezen.
Zo stel ik mezelf een ultimatum voor de falende huisraad. Ik red het nog wel tot Oud en Nieuw met die rotzooi. Maar in het nieuwe jaar neem ik geld van mijn spaarrekening op en schaf ik het allemaal in één keer aan: nieuwe laptop, nieuwe telefoon (de camera doet het niet meer), oplader en plopper. En dan misschien ook maar meteen een nieuwe jas. Want die heeft al een tijdje nog maar twee knopen. Vervanging is moeilijk want het zijn speciale knopen met een logo. Dat laatste zal me pijn doen want ik houd van die jas, twee knopen of niet.
Maar het zal fijn zijn als ik...

... mijn laptop niet midden in een stukje hoef te herstarten.



vrijdag 29 november 2019

DRAMA

'Politie!' zei mijn gespreksgenoot. Hij keek over mijn schouder. Ik draaide me om en zag wat hij zag.
Enige agenten in fluorescerende kledij stonden bij de grote tafel in het midden. Daaraan zaten een rustige man en een opgewonden vrouwtje, beide op leeftijd. Het zag er allemaal niet alarmerend uit en we hervatten ons gesprek, dat ging over onze wederzijdse vriend de Schrijver. Het was alweer een paar jaar geleden dat we zo bijeen gezeten hadden. Vroeger kwam dat vaker voor - we kwamen bij elkaar om samen te proberen (door onze ervaringen en meningen naast elkaar te leggen) iets meer te begrijpen van het altijd verontrustende leven van onze vriend; we losten samen een puzzel op, met rode koppen, maar de uitkomst was steeds ongewis, want waar we dachten een raadsel verklaard te hebben kwamen er weer nieuwe bij - zo was en is het leven van de Schrijver.
Er klonk een schreeuw. Brekend glas vloog onze kant op. Opnieuw draaide ik me om. De agenten waren nu vergezeld van een ambulancebroeder, ook in lichtgevend tenue. Ze vatten het vrouwtje onder de arm. Zij verzette zich grommend en half huilend, sloeg van zich af. De agenten bleven vreemd kalm. Ik dacht aan openbare dronkenschap en verstoring van de orde, het personeel van het café zou wel alarm geslagen hebben. Maar de man stond op, raapte het gebroken wijnglas op dat bij onze tafel lag, en zei verontschuldigend dat hij de vrouw op straat had gevonden. Ze was ontsnapt uit het verpleegtehuis en hij had haar uit de neergutsende regen gehaald en hier mee naartoe genomen om samen de komst van de instanties af te wachten.
Dit raadsel was snel opgelost. Dat van onze vriend nog lang niet. Toen we uiteindelijk moe werden van onze speculaties (zou het Grote Boek er nog komen?) zakte de opgewonden toon naar een huiselijk niveau. We praatten over onze kinderen. De tafel naast ons was inmiddels verlaten, het glas opgeveegd, het drama uit de lucht.


dinsdag 26 november 2019

KRACHTVELD

Ik was op een feest waar ik vrijwel niemand kende. Ik houd toch al niet zo van feesten, maar als je er in je eentje ronddoolt, terwijl je vriendin met oude bekenden bijpraat is het dubbel zo erg. Nadat ik de art-deco lampen van het restaurant waar het middagfeest plaatsvond een tijdje had lopen inspecteren en het uitzicht op het zonnige Alkmaarder Hout verlangend had staan bewonderen, besloot ik tot een andere aanpak. Ik ging rustig zitten aan een ronde tafel, ademde eens diep, en hulde me in een cocon. Niet echt een cocon, meer een krachtveld. Ik stelde me voor dat ik hier aan die tafel gewoon helemaal mezelf mocht zijn. Vriendelijk blikte ik om me heen, zo zou het wel gaan.
Er kwam een vrouw op me af. Ze keek eens naar me, gaf me een hand, stelde zich voor, en zei: 'Jij zit daar maar zo alleen, zullen we eens praten? Of zit je liever alleen?'
Ik schrok van haar directe aanpak en ontkende uit beleefdheid. Ze had een buitenlands accent. Tijdens het moeizame gesprekje dat volgde bleek dat ze uit Polen kwam, waaruit ze op haar twintigste was weggegaan, inmiddels moest ze midden vijftig zijn, schatte ik. Ik deed mijn best interesse te tonen en door te vragen, hoewel de vrouw me op het eerste gezicht niet echt boeide - dat lag waarschijnlijk niet zozeer aan haar als wel aan mijn eigen soms gebrekkige interesse in andere mensen, die op dit moment wel op een erg laag pitje stond. Ze liet zich door mijn weinig toeschietelijke houding niet ontmoedigen, maar toen na een minuut of tien het gesprek nog steeds niet lekker op gang was gekomen keken haar ogen, in de eerste de beste stilte, toch weg. 'Ik zie daar een kennis, vind je het erg?' Nee, dat vond ik niet. Ik had alles wat ik over Polen wist nu wel uitgeput en tot iets diepers was ik niet in staat.
's Avonds zag ik op tv hoe Ruben Terlou in een woest berglandschap met een totaal vreemde, bijna middeleeuwse cultuur, empathische gesprekken voerde met kleine Chineesjes. Hoe doet die man dat toch, dacht ik; hoe vind hij de woorden, hoe bedenkt hij de vragen, hoe treft hij de goede, persoonlijke toon? Ik bewonderde hem zeer, hij zag er zo op zijn gemak uit daar onder die vreemde lieden in die barre landschappen. Als troost zei ik tot mezelf, dat het moeilijk is je in anderen te verdiepen als je niet in harmonie bent met jezelf. Grote groepen mensen om me heen ontregelen me, al die herrie, al die stemmen, al die gezichten, al die gesprekken, al die indrukken - ze verstoren mijn gemoedsrust. Een op een ben ik op m'n best.
Bij het afscheid had de Poolse me nogmaals een hand gegeven en me bedankt voor het gesprekje. Ik had 'wederzijds' gezegd. Halfhartig, want ik voelde dat ik tekortgeschoten had. Aan dat krachtveld moest ik duidelijk nog werken.