dinsdag 4 september 2018

Portugese prentbriefkaarten

3. De fadista die Clapton wilde zijn


Voor het stadspaleis dat het toeristenbureau van Faro herbergt deelde iemand flyers uit. Een fado-recital met uitleg over de Portugese gitaar. Dat leek ons wel wat. Driemaal daags, de eerstvolgende gelegenheid was diezelfde middag om drie uur. Mooi. Konden we de ergste hitte ontvluchten, want de zaal had airco, kregen we meteen te horen.
Maar de siësta liep wat uit die middag. Suf wakker geworden dwaalde ik door de stad op zoek naar sigaretten. Het stratenplan van Faro is ingewikkeld en ik verdwaalde, hoewel ik zeker wist dichtbij mijn doel te zijn. Ergens in het centrum van mijn omtrekkende bewegingen moest toch echt het Praça Alexandre Herculano liggen. Uiteindelijk kwam ik via een geheel onverwachte invalshoek op ons plein terecht en stuitte op een kiosk die ik daar nog niet eerder gezien had. Zo vond ik huis en rookwaar in een klap. Tevreden zette ik me neer op een van de terrasjes van het lommerrijke plein. Toen ik daar een tijdje naar de bedrijvigheid had zitten kijken, nippend van mijn witte wijn en mijn scherpe Portugese sigaretjes iets te gretig inhalerend, zag ik twee bekende gestalten tussen de toeristen. Mijn vriendin en haar zuster. Ik weet niet of ze naar mij op zoek waren, maar nu het toeval ons zo bij elkaar bracht besloot ik me te laten vinden. Samen dwaalden we door de straten, sommige chic en sommige sjofel, streken neer op andere terrasjes, en eindigden in een restaurant. Van fado kwam die middag niks.

De volgende dag stonden we om kwart voor twaalf op de stoep. De artiest zelf deed de kaartverkoop. We konden alvast naar de kapel op tweehoog, zei hij, als we maar oppasten de deur achter ons dicht te trekken, want die heerlijke koelte mocht niet ontsnappen. Hij ging nog even een andere blouse aantrekken. Ik keek naar die kleine, pezige man en vroeg me af wat er mis was met deze blouse. 
We liepen naar boven, bekeken een expositie over de grote aardbeving van zeventien zoveel, bewonderden buiten het uitzicht over de witte stad, en betraden de koele kapel. Een batterij Portugese gitaren stond opgesteld voor een projectiescherm. Even later kwam de artiest binnen en toen begreep ik dat wel van die blouse. Hij had een hoedje op zijn kale hoofd gezet waar aan de achterkant een zwart-stoffen wrong aan vastzat, een soort knoedel die op een haardos leek. Folklore? IJdelheid?
We waren met zijn vieren. Een elegante Duitse had zich op het laatste moment bij ons gevoegd. De muzikant liet zich niet uit het veld slaan door dit minipubliek, blijkbaar was hij het gewend. Wat deden wij in het dagelijks leven, vroeg hij, zat iemand van ons soms in de muziek? De slanke, een beetje flegmatieke Duitse zei balletdanseres te zijn. Mijn schoonzusje heeft toevallig ook die achtergrond. Ik doorbrak mijn incognito en biechtte mijn beroep op. 
De 'show' zoals João het noemde in zijn rappe maar slordige Engels, begon. Hij vertelde het een en ander over de geschiedenis van de fado en over zijn instrument, de Guitarra Portuguesa, speelde wat eigen composities en wat klassiekers. Met veel temperament maar met niet al te veel accuratesse. Hij schudde aan de hals als een rockster, waagde zich aan supersnelle loopjes die zijn vingers nauwelijks konden bijhouden, en roffelde ongenadig op de snaren om nog meer indruk te maken. Ik dacht aan de heren die ik op filmpjes had gezien, de begeleiders van Amalia Rodriguez en haar erfgenamen, die er eerder als boekhouders of apothekers uitzagen en héél zuinig met hun expressie waren. João en zijn gitaar waren duidelijk uit heel ander hout gesneden. Het leek of dit kranige kleine mannetje in zijn hart eerder flamencogitarist dan fadista was. Misschien stamde hij wel af van de morisco's, de Moren die na de val van het Islamitische rijk Al-Andalus in 1492 niet uitgeweken waren maar zich tot het katholicisme hadden bekeerd. Zo fantaseerde ik, terwijl hij zijn oriëntaalse riedels en arpeggio's liet daveren door de kleine kapel. Toen we na een vragenrondje opstonden om weg te gaan, en ik nog even liefdevol de snaren van een van die peervormige instrumenten streelde, stelde hij voor: 'Zullen we jammen? Wacht, ik haal een gitaar!'


En zo vond ik mezelf even later terug op een podiumpje in Faro, terwijl ik een fadista begeleidde die eigenlijk flamenco-, maar nóg liever rockgitarist had willen zijn. 'Do you know While My Guitar Gently Weeps?' Ja, dat kende ik. Maar niet helemaal. Gaf niks, hij zou me wel door de akkoorden van het middenstuk heen gidsen. 
We gingen los, João en ik. Hij leefde zich lekker uit en zag er gelukkig uit in zijn rol van Eric Clapton. 'Now you, solo!' riep hij halverwege. Blozend speelde ik een bescheiden solootje, voor het podium weer aan zijn virtuoze vingers te gunnen. Na een minuutje of vijf rondde ik de jam af en we schudden handen. 
Buiten praatten we nog wat na. Hij had zijn gewone blouse weer aan en was op weg naar zijn lunch. Drie keer per dag, vijf dagen in de week, het hele jaar door, deed hij dit. Het was zoveel fijner dan in een coverband op feesten en partijen te moeten spelen. Hij had zijn eigen podium.
Ik knikte begrijpend. Maar stelde me ook de dagen voor waarop hij zijn show moest afdraaien voor één ongeïnteresseerde mevrouw of meneer die alleen maar even binnenliep om aan de hitte en de drukte te ontsnappen.

(Foto's: Paulien Kop)

zaterdag 1 september 2018

Portugese prentbriefkaarten

2. Taal, tegeltjes en kinderkopjes

Ik wist vrijwel niets van Portugal, behalve dat ik had toegezegd er twee weken te zullen doorbrengen. Ik bereidde me op mijn manier voor. Ik leerde wat basis-Portugees omdat ik het niet prettig vind in een land te verblijven waarvan ik de taal niet ken. Ik wilde tenminste eten en drinken kunnen bestellen zonder mijn toevlucht tot toeristen-Engels te hoeven nemen.
Theoretisch geen probleem: Portugees lijkt erg op Spaans en op zuidelijk Italiaans. Maar de praktijk was ingewikkelder. Ze verstonden me wel, lief glimlachend, als ik met mijn beste Napolitaanse slis een taalgidszinnetje zei als: gostaria de pagar (goeshturiuh duh pahgaar - ik zou het prettig vinden om te betalen), en inderdaad kreeg ik dan de rekening, - maar als er antwoord kwam op een vraag moest ik meestal toch op het gemeenschappelijke Engels overschakelen. Gesproken Portugees lijkt namelijk heel weinig op de geschreven versie. Er wordt veel, heel veel ingeslikt. Ik wilde weten of de mini-mercado om de hoek de volgende dag, een zondag, open zou zijn. Het vrouwtje dat het winkeltje runde staakte een moment het dweilen van de vloer en zei: 'Amanha fsjoe.' Dat laatste in één lettergreep, als een mondje klank ergens tussen spugen en niezen in. Ik moest me de desbetreffende bladzij in mijn leerboek voor de geest halen om te snappen wat ze had gezegd: fechado, gesloten.

Andere dingen leerde ik gaandeweg. Letterlijk. Geen gids had me voorbereid op de kinderkopjes. Straten, steegjes, pleinen en wegen, alles is ermee geplaveid. In Sintra waren de steile stoepen zo gesleten en gepolijst door het vele gebruik dat de granietsteentjes spiegelglad waren geworden. Het was nu al zaak goed op te letten, vooral bij het dalen, maar ik stelde me voor dat het in de herfst, als het er flink kan spoken, levensgevaarlijk zou zijn, een glijbaan waar nu straatjes waren.
Vaak zijn er patronen in de tegeltjes aangebracht. Calçada Portuguesa heten deze straatmozaïeken, Portugees plaveisel. Het was me al opgevallen dat de zebrapaden (die anders dan bij ons door iedere automobilist worden gerespecteerd) als een bruin-wit steentjespatroon waren uitgevoerd, en ik vond dat mooi. Maar in Beja, en later in Faro, de zuidelijke Moorse hoofdstad van de Algarve, zag ik voor het eerst straten die met hele scholen granieten of porfieren sardientjes waren versierd. Het was alsof je op een ets van Escher wandelde. (Inderdaad, zo leerde Google me later, was de beroemde graficus geïnspireerd door deze in wezen Moorse kunstvorm.)


De manie om alles te plaveien gaat bij de Portugezen verder dan de vloer waarop ze lopen. Hele wanden zijn bedekt met tegeltjes, waarop vaak ingewikkelde voorstellingen te zien zijn. Een wriemelend geheel van details die toch een harmonieuze totaalindruk maken. Deze manier van woning en leefomgeving verfraaien is nog springlevend. Vlakbij ons appartement was een modern flatgebouw waarvan een hele wand in beslag werd genomen door een uit talloze tegeltjes opgebouwde afbeelding van Franciscus van Assisi. Tussen kunst en kitsch, zullen we maar zeggen.

vrijdag 31 augustus 2018

Portugese prentbriefkaarten

1. Het restaurant van de dikke mannen

Aan het eind van een warme dag sloeg het weer plotseling om. Grijze wolken kwamen aanzetten over de bergen en een koude wind stak op. We gingen huiverend een verlicht poortje onderdoor en vluchtten de Cantinho de Sao Pedro in; trappetje op, iets boven straatniveau was de eetzaal. Het was halfacht, we waren de eerste gasten.
Een grote dikke man in een ruitjesoverhemd naderde schommelend onze tafel. Hij had diepliggende ogen, een lage haarinplant waaruit zwart borstelhaar ontsproot, doorlopende wenkbrauwen en een oorring. Een echte boeventronie, maar zodra hij begon te praten ontdekte je een vriendelijk gastheer achter de dreigende buitenkant.
Ik wilde in Portugal tenminste een keer bacalhau eten, dat de Portugezen naar verluidt op meer dan duizend manieren bereiden. Mijn vriendin werd aangetrokken door de varkenspoot met kastanjes - maar was dat niet erg veel? De robuuste patron wees iets ter grootte van een mannendij aan en zag onze aarzeling. 'Eet ieder de helft,' zei hij, 'dan geef ik de bacalhau als voorgerecht.' Hij knikte naar de liter witte wijn die zojuist gebracht was, samen met olijven, kaas en brood. 'Jullie hebben genoeg te drinken. Dan lukt het wel.'
Even later bracht de gerant, een pafferige, droevig glimlachende man met platvoeten die op Frans van Dusschoten leek, twee borden die ieder een enorme homp stokvis 'op de wijze van Sintra' bevatten. Op wat ei-kruim en peterselie na was er niet echt sprake van een interessante bereiding, zodat ik blij was dat ik, dankzij de suggestie van de dikke man, straks ook nog varkenspoot met gestoofde kastanjes mocht proeven. Die kwam, met de tweede portie gefrituurde aardappelschijfjes, in een dampende zilveren schaal die ook voor twee personen nog ruim bemeten leek. Toen we onze borden zo leeg mogelijk hadden gegeten liet de baas ons kennismaken met ginja, een lokale zure-kersenlikeur op basis van aguardente, hier gul in een wijnglas geserveerd. Inmiddels was de eetzaal vol gestroomd met hongerige toeristen. Een geroezemoes van Romaanse talen klonk op. Het werd die avond erg gezellig in de Cantinho de Sao Pedro. 

woensdag 1 augustus 2018

Zanger met zomerreces

De zomer is om te verlummelen.
Niet doelbewust tasten maar frummelen.
Beperk wat je doet
tot dat wat écht moet -
en articuleren wordt mummelen.





woensdag 4 juli 2018

Een raadsel opgelost


Mijn broer stuurde me de meer dan duizend foto's op die hij uit mijn vaders pc had opgediept. Ik besloot ze de volgende dag eens rustig te bekijken, maar kon mijn nieuwsgierigheid niet helemaal de baas en opende het Google Photos-bestand op mijn telefoontje. Even later werd het voetbalgejoel op het terras van Wildschut een ver geroezemoes. Reeds de derde foto die ik zag plaatste me voor een raadsel.
Daar zat ik, broederlijk gearmd met twee schoolvrienden. Aan de kleding te zien bij een feestelijke gelegenheid. In een café of restaurant. Wat deed dat plaatje, van een alcoholisch treffen met de geleerde heren Dr. Edwin Oudemans en wijlen Dr. Bob van den Boogert, in de verzameling van mijn vader? En hoe kwam hij eraan? Ik kon het hem niet meer vragen, en berustte al bijna in een uur of wat zachtjes en zinloos piekeren.
Maar zo gauw wilde ik het niet opgeven. In 2014 heb ik het volledige werk van Conan Doyle gelezen, en iets moest ik toch hebben opgestoken van de methode Holmes.

Wat zei de foto me? De feiten!

Ik rookte al pijp, dus het was na de zomer van 2006.
En er mócht nog gerookt worden in de horeca, dus de foto dateerde van voor juli 2009.

2006 - 2009. Overzichtelijk.

Ik had een net kapsel. Mijn staartje sneuvelde in september 2007, toen ik, de muziek beu, een baantje aannam als verkoper in de keurige sigarenwinkel Davidoff (zie mijn roman De sigarenwinkel).
In 2009 worstelde ik, na een mislukte stoppoging, hevig met de drank, en op de plaatjes uit die tijd zie ik er tamelijk getergd uit, terwijl ik hier een gezonde en zelfs tevreden indruk maak.

Weer twee jaar minder marge. 2007-2008.

Ik draag mijn optreedbloes van bordeauxrode zijde. De gelegenheid moet dus de nazit van een concert zijn geweest. Maar in die jaren trad ik nauwelijks op, en als ik dat deed, was het meestal informeler, met mijn eigen liedjes - daar hoorde geen groot tenue bij.
Een kooroptreden dus waarschijnlijk, tussen eind 2007 en eind 2008. Alle mogelijkheden werden al lekker ingeperkt. Gezien het rood en zwart iets met kerstmis. Was het soms...?

Mijn vriendin was me voor. Ik had haar de foto geappt met een hulpvraag. Aangezien ik pas in 2011 een digitale camera had gekocht, was het waarschijnlijk dat zij de maker was. Misschien wist zij nog waar, wanneer en waarom. De tempelgong die me op de hoogte brengt van binnenkomende berichtjes dreunde zacht en hees. 'Naborrelen na optreden in OLVG. Kerstoratorium van Müller, waarin Edwin de solo deed. 21 december 2007.'

Tot die conclusie was ik zojuist ook gekomen en ik feliciteerde opgetogen de Sherlock in mij.
En daarmee was ook verklaard waarom de foto bij mijn vader terecht was gekomen. Het Weihnachts-Oratorium van Heinrich Fidelis Müller was een lievelingsstuk geweest van mijn opa, en van mijn vader na hem. Een ouderwets Rooms stuk met de geur van vergeelde bladmuziek, waskaarsen en wierook. Ik had destijds mijn vader bijna overgehaald nog één keer uit zijn pensioen terug te keren om het Linnaeuskoor op piano of orgel te begeleiden. Mijn dochter Maria zou de sopraansolo van de Engel zingen, onze oude huisvriend Edwin, naast psychiater een goed amateurtenor, zou de tenorsolo's voor zijn rekening nemen. Vrienden en familie onder elkaar. Mijn vader had aarzelend toegestemd en vermeide zich een tijdje in het denkbeeld, vooral bij de borrel, maar toen kerstmis naderde had hij toch afgezegd: hij voelde zich met zijn tweeëntachtig jaar te oud voor zoiets en wilde eigenlijk niet meer naar Amsterdam reizen. Dus als hij me niet te veel ontriefde en ik een andere pianist kon regelen, graag.

Zo moet de foto in Mierlo zijn beland. Als een groet aan mijn vader, die betrokken was geweest bij de voorbereidingen. Ik weet zeker dat hij het stuk graag nog een keer gespeeld zou hebben, maar dat hij niettemin opgelucht naar het cafétafereel heeft gekeken, blij dat hij thuis bij zijn boeken, zijn vleugel en zijn schaakspel had kunnen blijven.


Naschrift: mijn zuster meldde me droogjes, dat al die gegevens (datum, tijdstip, camera van oorsprong) gewoon bij de bestandsgegevens van de digitale foto staan. Tja. Waar. Stom. Maar dan had ik een fijn kwartiertje succesvol deduceren gemist...

vrijdag 29 juni 2018

ZOMERBOEKEN


Toen de drukte en de euforie van De Meermin, het Monster en de Maan achter de rug waren kon ik niet meteen de rust vinden waarnaar ik had verlangd. Mijn huis stond vol zonnebloemen en aan de hemel scheen de vollemaan waarover we hadden gezongen, maar ik was rusteloos, stond nog op scherp voor iets dat al voorbij was.

‘Niks nieuws - dat wist je toch van tevoren?’ zei rietblazer Lucas bemoedigend door de telefoon.
Jawel, zéker wist ik dat. Maar niet dat het dit keer zo hevig zou zijn.
Ik probeerde te lezen, maar vond geen boek dat mijn aandacht vast wilde houden. Ik bladerde ’s avonds in de Bommeltjes van mijn jeugd in de hoop daarin wat houvast te vinden, amuseerde me met een alinea of wat van de nieuwste Stephen Fry, maar noch de verhalen uit Mythos, noch de legenden van Rommeldam konden me lang boeien. Mijn hoofd was nog vol van het sprookje dat we zo mooi op de planken hadden gebracht. Voor andere illusies was geen plaats.

Na een paar dagen ging het beter. De voorstelling begon een beetje te vervagen en ik begon weer om me heen te kijken. Niks doen ging niet, maar ik gebruikte mijn overtollige energie voor nieuwe composities voor mijn koren: het gevreesde Zwarte Gat wilde ik voor blijven.
Op de derde avond sloeg ik een boek open dat ik van straat had meegenomen. Het Gouden Paviljoen van Yukio Mishima. Een passage in het begin trof me recht in het gezicht. Als kind heb ik hevig gestotterd (eerste klas lagere, en eerste klas middelbare school - de perioden van verandering en grote onzekerheid) en dit was de beste beschrijving van het stotteren die ik ooit had gelezen. Ik citeer de passage in zijn geheel:

Het behoeft geen betoog, dat het stotteren een muur optrok tussen mij en de buitenwereld. Vooral de eerste klank kost me moeite en die beginklank is als de sleutel van de deur, die van mijn eigen innerlijk toegang geeft tot de wereld om mij heen. Ik heb die sleutel nooit gemakkelijk om kunnen draaien. Omdat ze de vrije beschikking over hun woorden hebben, kunnen de meeste mensen de deur tussen hun innerlijk en de buitenwereld wijd openhouden zodat er een goede ventilatie mogelijk is, maar voor mij is dat uitgesloten. De sleutel is met een dikke laag roest bedekt.
Bij zijn verwoede pogingen om de eerste klank uit te stoten, lijkt de stotteraar zich los te willen rukken van de dikke, kleverige substantie van zijn innerlijk, zoals een vogeltje zich van de lijmstok los wil rukken. Maar als het dan eindelijk lukt, is het al te laat. Zeker, soms lijkt het of de werkelijkheid van de wereld buiten als het ware met gevouwen armen mijn pogingen afwacht. Maar die wachtende werkelijkheid is dan al niet nieuw meer. Als ik na al mijn pogingen ten slotte de buitenwereld bereik, is hij inmiddels verkleurd en van bedoeling veranderd; er ligt alleen maar een werkelijkheid voor mij, die zijn frisheid heeft verloren, die een reuk van verrotting begint af te geven. […]

Maar helaas, zoals de aangehaalde tekst nét te wijdlopig is en te zwaar met metaforen is aangezet, zo bleek het boek me ook te literair. De personages bleven abstracties en bovendien waren ze me onsympathiek; de hele schrijver was me onsympathiek, hoe mooi hij ook schreef. Nee, dit boek zou ik niet uitlezen, het ging terug naar de kist aan straat waar het vandaan kwam.

Vandaag kwam ik opnieuw langs het van wrakhout getimmerde bibliotheekje. Ik koos er een boek uit en las de eerste alinea. Ja, dit zou wel wat zijn, om luie julidagen mee te vullen: The Angel’s Game van Carlos Ruiz Zafón. Hij schijnt een bestsellerauteur te zijn maar tot mij is dat niet doorgedrongen. Niet dat ik onder een steen leef, maar ik heb niet zoveel vertrouwen in bestsellers. Ik had het boek opgepakt en opengeslagen omdat ik de schrijver verwarde met die van een heel plezante literaire thriller die ik ooit in soortgelijke zomerse omstandigheden had verslonden, over een schaker die betrokken raakt in de wereld van zwarte magie, bibliofilie en kunstroof. Zijn naam ben ik vergeten, maar Zafón was het niet.

Ik slofte door de hete zon naar de schaduw van de kade. Op het bankje onder mijn dierbare boom las ik het eerste hoofdstuk. Het stond stijf van de genreclichés en de verwijzingen naar filmische of literaire voorbeelden, maar het was goed, slank, sfeervol en grappig leesvoer. En het boek was lekker dik. Ik had gezien dat er nog een boek van Zafón in het kastje lag, De schaduw van de wind, en besloot dat ook op te halen.
Ik benijd mijn vriend De dwarse man altijd om de trefzekerheid waarmee hij zijn zomers met boeken vult. Hij weet wat hij zoekt en waar hij het moet vinden. Koffers vol essef voor gevorderden en knipogende Angelsaksische krimi’s gaan mee, als ouderwets papier of op E-reader, naar zijn Griekse of Iberische stranden.
Met een beetje geluk heb ik nu ook een paar echte zomerboeken te pakken.


(Vertaling Yukio Mishima: dr. C. Ouwehand)

donderdag 14 juni 2018

DOORNROOSJE


Het meisje van de boekwinkel had een blozend, rond en open gezicht. Ze zag eruit alsof ze net was ontwaakt na jaren diepe slaap en de wereld met blijde verbazing op zich af liet komen.
Ik vertelde haar over mijn boek. Ze scheen geabsorbeerd door wat ik zei, geen enkele gedachte leek haar aandacht te verstoren. Als er ooit iemand volledig in het 'nu' leefde dan was het Doornroosje hier. Ze keek met me mee terwijl ik de bladzijden omsloeg en haar op de tekeningen wees. Haar ogen bleven even groot en helder - veraf en dichtbij maakten voor haar geen verschil.
Maar nadat ik mijn verhaal had gedaan en tot de hamvraag kwam zei ze zonder enige aarzeling: 'Wij verkopen alleen prentenboeken. Dit heeft best veel tekst. Het is meer een leesboek.'
Ik rondde ons gesprek af, vertelde haar over de theatervoorstelling die we naar aanleiding van het boek gemaakt hadden. Mocht ik de flyers dan tenminste achterlaten?
Dat mocht. Glimlachend namen we afscheid.

Buiten ging ik op een bankje aan de kade zitten, pakte mijn telefoon en stuurde een berichtje aan mijn compagnon: Ze verkopen alleen prentenboeken. Grmpf.
Ik stond op en liep terug, mijn schoudertas nog even zwaar. In de Kinkerstraat passeerde ik het straatje dat naar de Hallen en de bibliotheek leidt. Ik vermande me, keerde op mijn schreden terug en ging de voormalige tramremise binnen. Toen ik mijn flyers wilde pakken bleek ik er nog precies één over te hebben. Ik zocht er een mooi plekje voor. Daarna dwaalde ik een beetje besluiteloos door de zaal met boeken. Bij de S zag ik een vertrouwd ruggetje. Rookzanger. Ik bladerde in het hard-gekafte bibliotheekexemplaar en las een alinea. Met weemoed dacht ik terug aan de tijd waarin die beschouwende stukjes geschreven waren: als een vroegtijdige pensionado had ik door de straten gedwaald, goed om me heen kijkend, filosoferend over wat ik zag. Misschien niet zo onbevangen als Doornroosje van Boycott Books, maar toch veel onthechter dan ik er nu aan toe was.
In leescafé Belcampo bestelde ik een cappuccino. Ik had een uur verkwist, vond ik. En wat moest ik met dat opgerolde affiche doen, dat ik in de veelbelovende boekwinkel had willen achterlaten?
Ik schepte het restje schuim uit mijn kopje en besloot dat, áls ik ooit nog eens een voorstelling zou maken, er in het budget plaats moest zijn voor professionele PR. Schrijven en componeren kan ik wel, acteurs en muzikanten regelen ook, maar mijn waren aanprijzen en publiek ronselen, daarvoor mis ik iets; noem het zelfvertrouwen, noem het brutaliteit, noem het gewiekstheid.
Ik dacht aan mijn held Schubert, wiens meesterwerken voor het grote publiek tijdens zijn leven volkomen onzichtbaar bleven. Een handvol vrienden en bekenden hoorde zijn liederen in de salons en tijdens de soirees. Het kon altijd erger. Terwijl ik terug naar huis wandelde neuriede ik het eerste lied van Winterreise. Het begon een beetje te regenen en ik voelde me getroost.


De Meermin, het Monster en de Maan speelt in de Meervaart op 22, 23 en 24 juni. www.meervaart.nl


(Illustratie Edward Burne-Jones)