Rookzanger heeft, daartoe verleid door romantische fantasieën over het mooie buitenleven der postbodes, een tijdelijk overschot aan vrije tijd en de hopelijk eveneens tijdelijke behoefte aan extra verdiensten (of misschien in een vlaag van verstandsverbijstering) zich aangemeld als decemberhulp bij de posterijen. De komende tijd doet hij daarvan verslag.
Dag 13.
Omdat ik ’s nachts om half twee nog in diepe gesprekken over onderwijs, neurologisch onderzoek en wetenschapsfilosofie was verwikkeld met mijn levenslange vrienden Saphier en Gaston (we waren het hartstochtelijk maar goedmoedig met elkaar oneens) en omdat de kat die gisteren met een huis vol indringers niet durfde te eten me al om zeven uur indringend wakker gemiauwd heeft - ben ik niet erg uitgeslapen.
Het sneeuwt. Nou ja, de regen gaat over in iets dat met enige fantasie sneeuw genoemd kan worden. Een fantasie waar ik op deze derde kerstdag graag aan toegeef.
Ik gun me de luxe om met de auto naar het depot te gaan. De deur staat open, een collega gaat huiverend op weg met een zwaar beladen kar, maar mijn postzakken zijn gelukkig niet zo vol. Een tas briefpost, een paar pakjes, een tas reclame. Ik loop mijn sufheid eruit en krijg ondanks mijn handschoenen (waarvan de rechterduim en -wijsvinger zijn weggeknipt) tintelende vingers en bovendien een zeurend pijntje op de plek waar mijn recent getrokken kies heeft gezeten. Maar ik word op straat meelevend gegroet en kom in een uitstekend humeur thuis. Daar zak ik met een kop koffie weg in een stoel die wegens de tijdelijke reorganisatie van het huis op een ongewone plaats staat, kijk naar de horizontaal langs suizende sneeuwvlokjes, prijs me gelukkig dat ik er niet meer uit hoef (er zijn restjes genoeg om te eten) en ben al snel vergeten dat ik zojuist een paar uur door de kou heb gelopen. Wel voelt het hernieuwde binnen zitten als een beloning.
De postbezorging was vandaag niet meer dan een tussendoortje om reliëf te geven aan de hervonden huiselijkheid. Ik was zelfs mijn oranje jasje vergeten.
zaterdag 27 december 2014
woensdag 24 december 2014
Post Zuid (10)
Rookzanger heeft, daartoe verleid door romantische fantasieën over het mooie buitenleven der postbodes, een tijdelijk overschot aan vrije tijd en de hopelijk eveneens tijdelijke behoefte aan extra verdiensten (of misschien in een vlaag van verstandsverbijstering) zich aangemeld als decemberhulp bij de posterijen. De komende tijd doet hij daarvan verslag.
Dag 12.
Donker zijn ze zeker, deze dagen voor kerstmis; de ochtenden en de avonden in elk geval – ‘s middags heerst er een bleek licht dat alles lelijk maakt: een ander soort duisternis.
Ik hang rond op het depot en dood de tijd omdat niemand me heeft verteld dat er vandaag een afwijkend schema geldt en mijn post nog niet gearriveerd is.
Een postbode met vooruitstekende, los in hun pockets staande tanden spreekt me aan. ‘Ik heb een fles wijn gekregen,’ lacht hij, ‘maar ik drink niet meer.’
Ik toon belangstelling.
‘Op mijn veertigste merkte ik plotseling dat ik niet meer kon slapen als ik gedronken had,’ legt hij uit. ‘En ik dronk graag en veel. Bovendien ben ik vegetariër, en dan komt het als een mokerslag binnen, die drank.’
Ik zeg dat ik ook al vier jaar van de fles af ben maar hij luistert niet.
‘Ik mis het geen moment,’ zegt hij beslist.
‘Ook niet met de feestdagen?’
‘Ook niet met de feestdagen.’
Zoals altijd benijd ik de bekeerling zijn rotsvaste overtuiging, zelf zou ik deze dagen best eens lekker in een roes willen wegzakken en ik verheug me op de wijn die ik bij het kerstdiner mag drinken, een versoepeling van het regime die vorig jaar van kracht is gegaan.
Als ik terugkom van een stille, vreugdeloze ronde waarin de fleurige kerstkaarten nog enigszins kleur aanbrachten, is de abstinente postbode er ook weer.
‘En, was je wijk goed gezet?’
‘Gezet’ is jargon voor ‘gesorteerd’, ‘op volgorde gelegd’.
‘Uitstekend,’ zeg ik. ‘Fijne feestdagen!’
En ik fiets voor de duur van het kerstfeest de wereld van de posterijen uit.
Dag 12.
Donker zijn ze zeker, deze dagen voor kerstmis; de ochtenden en de avonden in elk geval – ‘s middags heerst er een bleek licht dat alles lelijk maakt: een ander soort duisternis.
Ik hang rond op het depot en dood de tijd omdat niemand me heeft verteld dat er vandaag een afwijkend schema geldt en mijn post nog niet gearriveerd is.
Een postbode met vooruitstekende, los in hun pockets staande tanden spreekt me aan. ‘Ik heb een fles wijn gekregen,’ lacht hij, ‘maar ik drink niet meer.’
Ik toon belangstelling.
‘Op mijn veertigste merkte ik plotseling dat ik niet meer kon slapen als ik gedronken had,’ legt hij uit. ‘En ik dronk graag en veel. Bovendien ben ik vegetariër, en dan komt het als een mokerslag binnen, die drank.’
Ik zeg dat ik ook al vier jaar van de fles af ben maar hij luistert niet.
‘Ik mis het geen moment,’ zegt hij beslist.
‘Ook niet met de feestdagen?’
‘Ook niet met de feestdagen.’
Zoals altijd benijd ik de bekeerling zijn rotsvaste overtuiging, zelf zou ik deze dagen best eens lekker in een roes willen wegzakken en ik verheug me op de wijn die ik bij het kerstdiner mag drinken, een versoepeling van het regime die vorig jaar van kracht is gegaan.
Als ik terugkom van een stille, vreugdeloze ronde waarin de fleurige kerstkaarten nog enigszins kleur aanbrachten, is de abstinente postbode er ook weer.
‘En, was je wijk goed gezet?’
‘Gezet’ is jargon voor ‘gesorteerd’, ‘op volgorde gelegd’.
‘Uitstekend,’ zeg ik. ‘Fijne feestdagen!’
En ik fiets voor de duur van het kerstfeest de wereld van de posterijen uit.
dinsdag 23 december 2014
Post Zuid (9)
Rookzanger heeft, daartoe verleid door romantische fantasieën over het mooie buitenleven der postbodes, een tijdelijk overschot aan vrije tijd en de hopelijk eveneens tijdelijke behoefte aan extra verdiensten (of misschien in een vlaag van verstandsverbijstering) zich aangemeld als decemberhulp bij de posterijen. De komende tijd doet hij daarvan verslag.
Dag 11.
Om op gang te komen zoek ik op internet naar de postbode in de literatuur. Maar als ik besef dat de bedoeling van dit baantje juist was met beide benen op straat te staan en niet steeds met mijn hoofd in hogere sferen te vertoeven breek ik mijn speurtocht af. Wel leer ik nog dat Il postino gebaseerd is op de roman Ardiente paciencia die in latere edities, na het succes van de film, El cartero de Neruda (‘De postbode van Neruda’) werd hertiteld. Schrijver is de Chileen Antonio Skármeta en oorspronkelijk speelt het verhaal helemaal niet op de Eolische Eilanden boven Sicilië maar aan de Stille Oceaan. Van die film herinner ik me vooral het kostelijke gesprek over metaforen tijdens een strandwandeling. Metafori! Wat moet je in het gewone leven met dichterlijke beeldspraak? Vrouwen versieren natuurlijk!
Als ik op het punt sta te vertrekken belt de teamleider. Waarom was ik er gisteren niet? Er wacht nog een tas post op me. Ik vertel dat ik me ’s maandags niet beschikbaar had gemeld, tenzij in overleg. Een misverstand, zegt hij. Kan ik die tas dan vandaag alsnog bezorgen? Dan moet ik wel twee keer de ronde maken, want de volgorde van beide partijen is natuurlijk niet op elkaar afgestemd. Ik beloof dat ik een rondje na zal doen op de fiets. Maar onderweg zie ik tegen die dubbele actie op en ik besluit zo mogelijk alles in één keer te doen, maandag en dinsdag.
Terwijl ik al lopend steeds twee bundels post, een kleine van de maandag en een dikkere van de dinsdag, combineer, vergelijk en bezorg voel ik me als een jongleur. Het derde balletje is een stapel loterijreclame die ik er netjes tussendoor werp. Mijn meesterproef, deze dubbelloop, en hij slaagt wonderwel. Het is ordelijk in mijn hoofd en mijn handen zijn trefzeker.
Maar bij terugkomst in het depot blijkt er toch een kaartje achter te zijn gebleven onder in een van de tassen.
In het gouden namiddaglicht neem ik een andere route naar huis en fiets via het Bertelmanplein. Zwaaiend met één enkel rood envelopje voor Sylvia S. in mijn hand voel ik me toch een beetje als de postbode die hunkert naar liefde en metaforen.
Dag 11.
Om op gang te komen zoek ik op internet naar de postbode in de literatuur. Maar als ik besef dat de bedoeling van dit baantje juist was met beide benen op straat te staan en niet steeds met mijn hoofd in hogere sferen te vertoeven breek ik mijn speurtocht af. Wel leer ik nog dat Il postino gebaseerd is op de roman Ardiente paciencia die in latere edities, na het succes van de film, El cartero de Neruda (‘De postbode van Neruda’) werd hertiteld. Schrijver is de Chileen Antonio Skármeta en oorspronkelijk speelt het verhaal helemaal niet op de Eolische Eilanden boven Sicilië maar aan de Stille Oceaan. Van die film herinner ik me vooral het kostelijke gesprek over metaforen tijdens een strandwandeling. Metafori! Wat moet je in het gewone leven met dichterlijke beeldspraak? Vrouwen versieren natuurlijk!
Als ik op het punt sta te vertrekken belt de teamleider. Waarom was ik er gisteren niet? Er wacht nog een tas post op me. Ik vertel dat ik me ’s maandags niet beschikbaar had gemeld, tenzij in overleg. Een misverstand, zegt hij. Kan ik die tas dan vandaag alsnog bezorgen? Dan moet ik wel twee keer de ronde maken, want de volgorde van beide partijen is natuurlijk niet op elkaar afgestemd. Ik beloof dat ik een rondje na zal doen op de fiets. Maar onderweg zie ik tegen die dubbele actie op en ik besluit zo mogelijk alles in één keer te doen, maandag en dinsdag.
Terwijl ik al lopend steeds twee bundels post, een kleine van de maandag en een dikkere van de dinsdag, combineer, vergelijk en bezorg voel ik me als een jongleur. Het derde balletje is een stapel loterijreclame die ik er netjes tussendoor werp. Mijn meesterproef, deze dubbelloop, en hij slaagt wonderwel. Het is ordelijk in mijn hoofd en mijn handen zijn trefzeker.
Maar bij terugkomst in het depot blijkt er toch een kaartje achter te zijn gebleven onder in een van de tassen.
In het gouden namiddaglicht neem ik een andere route naar huis en fiets via het Bertelmanplein. Zwaaiend met één enkel rood envelopje voor Sylvia S. in mijn hand voel ik me toch een beetje als de postbode die hunkert naar liefde en metaforen.
zondag 21 december 2014
Post Zuid (8)
Rookzanger heeft, daartoe verleid door romantische fantasieën over het mooie buitenleven der postbodes, een tijdelijk overschot aan vrije tijd en de hopelijk eveneens tijdelijke behoefte aan extra verdiensten (of misschien in een vlaag van verstandsverbijstering) zich aangemeld als decemberhulp bij de posterijen. De komende tijd doet hij daarvan verslag.
Dag 10.
Meestal als ik op het depot aankom is er alleen een stille, humeurige Aziatische jongen die toezicht houdt op de aanvoer van de post en de inname van de lege tassen. Vandaag is het druk. Er liggen miniatuurkerstbroodjes op een tafel waarvan ik er, als tijdelijke kracht, geen durf te nemen. De teamleider geeft me een oranje jasje, om ‘herkenbaar’ te zijn. Ik vraag me af waarom dat pas na twee weken gebeurt. Ik trek het aan met een mengsel van ijdelheid en nederigheid. Tijd voor een selfie.
Mijn tassen zijn overvol en ik weet niet goed hoe ik de bundels reclame het handigst moet wegbergen. Eerst maar eens lopen en wat massa kwijtraken. Het stormt, de foldertjes dreigen weg te fladderen iedere keer als ik een nieuw pak post van onderop moet opgraven. Rob zou er wel iets op weten. Ik werk flink door, in hagel- en regenbuien, en na ruim drie uur is de kar leeg. Sommige mensen hebben misschien een Gall & Gall-flyer te veel gekregen of een folder van Deen gemist, maar alle kerstpost is keurig bezorgd. Ik weet nu in elk geval waarom ze in december extra mensen nodig hebben bij PostNL.
’s Avonds op een familiefeestje suggereert mijn jongste broer dat ik in deze stukjes van een mug een olifant maak. ‘Leuke verhaaltjes hoor, maar dát is nou werk – zo werken de meeste mensen.’ Ik ga de discussie niet aan over de aard van het kunstenaarschap (wij werken dag en nacht, of nooit, hoe je het maar wilt zien) want ik ben veel te blij vandaag een gewoon mens te zijn, die uitrust van zijn gewone werk, en zich verpoost te midden van dierbare, gewone medemensen.
Dag 10.
Meestal als ik op het depot aankom is er alleen een stille, humeurige Aziatische jongen die toezicht houdt op de aanvoer van de post en de inname van de lege tassen. Vandaag is het druk. Er liggen miniatuurkerstbroodjes op een tafel waarvan ik er, als tijdelijke kracht, geen durf te nemen. De teamleider geeft me een oranje jasje, om ‘herkenbaar’ te zijn. Ik vraag me af waarom dat pas na twee weken gebeurt. Ik trek het aan met een mengsel van ijdelheid en nederigheid. Tijd voor een selfie.
Mijn tassen zijn overvol en ik weet niet goed hoe ik de bundels reclame het handigst moet wegbergen. Eerst maar eens lopen en wat massa kwijtraken. Het stormt, de foldertjes dreigen weg te fladderen iedere keer als ik een nieuw pak post van onderop moet opgraven. Rob zou er wel iets op weten. Ik werk flink door, in hagel- en regenbuien, en na ruim drie uur is de kar leeg. Sommige mensen hebben misschien een Gall & Gall-flyer te veel gekregen of een folder van Deen gemist, maar alle kerstpost is keurig bezorgd. Ik weet nu in elk geval waarom ze in december extra mensen nodig hebben bij PostNL.
’s Avonds op een familiefeestje suggereert mijn jongste broer dat ik in deze stukjes van een mug een olifant maak. ‘Leuke verhaaltjes hoor, maar dát is nou werk – zo werken de meeste mensen.’ Ik ga de discussie niet aan over de aard van het kunstenaarschap (wij werken dag en nacht, of nooit, hoe je het maar wilt zien) want ik ben veel te blij vandaag een gewoon mens te zijn, die uitrust van zijn gewone werk, en zich verpoost te midden van dierbare, gewone medemensen.
vrijdag 19 december 2014
Post Zuid (7)
Rookzanger heeft, daartoe verleid door romantische fantasieën over het mooie buitenleven der postbodes, een tijdelijk overschot aan vrije tijd en de hopelijk eveneens tijdelijke behoefte aan extra verdiensten (of misschien in een vlaag van verstandsverbijstering) zich aangemeld als decemberhulp bij de posterijen. De komende tijd doet hij daarvan verslag.
Dag 8.
Regen en wind vandaag, lauwe, natte wind. Mijn muts houdt het hemelwater tegen maar eronder broeit mijn haar: het is met 12 graden te warm voor wol.
Het is spijtig dat de laatste brievenbussen van mijn ronde de treurigste zijn. De laatste post die ik bezorg voor ik de rotonde op de Amstelveenseweg oversteek (die in de volksmond nog steeds het Haarlemmermeerplein heet) gaat in naamloze of exotisch gelabelde en zelden geleegde gleuven van korrelig grijs steen. Er steken reclamefolders en huis-aan-huisbladen uit die door het herfstweer tot papier-maché zijn verworden. Daar moet je de post dan netjes tussen zien te wurmen: een hopeloze onderneming.
Gelukkig is de terugkomst op het depot vrolijker. Ik snap niet dat er collega’s zijn die alles zomaar neersmijten. Geen groter klein genoegen dan de overgebleven elastiekjes liefdevol op de daartoe bestemde plaats te leggen en de zorgvuldig geleegde tassen in het juiste rek te plaatsen (‘oranje tassen,’ ‘grijze tassen’ - het wordt ons voorgekauwd). Het lege karretje is het bewijs van een geslaagd corvee. Daarna talm ik nog even voor ik de deur achter me dichttrek om het moment van voldaanheid te rekken.
Dag 9.
Het regent aanhoudend maar als ik wegga klaart het op. De lucht wordt flets blauw en zelfs een zwartkijker als ik moet zien hoe de waterige zon het baksteen doet glanzen en probeert iets te maken van de schurftige platanen.
Vannacht had ik een inval. Ik heb al een paar dagen pijn achter mijn ogen, als ik ze ronddraai. Ik weet dat aan een virusje dat niet genoeg kracht heeft om me ziek te maken maar misschien kwam het wel, zo bedacht ik me, van het ingespannen turen op etiketten, dagelijks drie uur lang. Vandaag zet ik mijn leesbril erbij op. Dat voelt raar, een leesbril op straat; een beetje indecent, alsof je in pyjama loopt.
De ronde gaat fijn en snel. Geen rugpijn, geen reclame-ellende, alleen maar tijdschriften, belangrijke kennisgevingen, pakjes en mooi versierde envelopjes. Te veel voorspoed maakt me altijd wantrouwig, het voelt alsof ik het niet verdien en een beetje vals speel. Even doemt de gedachte in me op dat er in het depot wel een tweede portie op me zal liggen te wachten, dit kan het toch niet zijn? Maar ik ontmasker dat idee onmiddellijk als een manifestatie van een vaag schuldgevoel en laat het fluitend verdampen. Ook een postbode mag het wel eens meezitten.
(Illustratie: Jan Wiegers, 'Landschap met postbode')
*************************************************************************************************
Nu bestellen, nog net voor de kerst in huis: 'Bankjeszomer', verhalen en columns. Bankjeszomer is een uitgave van Uitgeverij Flanor.
U kunt het boek bestellen door 17,50 over te maken op NL85.INGB.0680.2522.15 van W.S. Huberts te Nijmegen onder vermelding van NR. 81, Bankjeszomer.
Vergeet niet uw naam en adres te vermelden.
U krijgt het dan zo spoedig mogelijk thuisgestuurd.
Dag 8.
Regen en wind vandaag, lauwe, natte wind. Mijn muts houdt het hemelwater tegen maar eronder broeit mijn haar: het is met 12 graden te warm voor wol.
Het is spijtig dat de laatste brievenbussen van mijn ronde de treurigste zijn. De laatste post die ik bezorg voor ik de rotonde op de Amstelveenseweg oversteek (die in de volksmond nog steeds het Haarlemmermeerplein heet) gaat in naamloze of exotisch gelabelde en zelden geleegde gleuven van korrelig grijs steen. Er steken reclamefolders en huis-aan-huisbladen uit die door het herfstweer tot papier-maché zijn verworden. Daar moet je de post dan netjes tussen zien te wurmen: een hopeloze onderneming.
Gelukkig is de terugkomst op het depot vrolijker. Ik snap niet dat er collega’s zijn die alles zomaar neersmijten. Geen groter klein genoegen dan de overgebleven elastiekjes liefdevol op de daartoe bestemde plaats te leggen en de zorgvuldig geleegde tassen in het juiste rek te plaatsen (‘oranje tassen,’ ‘grijze tassen’ - het wordt ons voorgekauwd). Het lege karretje is het bewijs van een geslaagd corvee. Daarna talm ik nog even voor ik de deur achter me dichttrek om het moment van voldaanheid te rekken.
Dag 9.
Het regent aanhoudend maar als ik wegga klaart het op. De lucht wordt flets blauw en zelfs een zwartkijker als ik moet zien hoe de waterige zon het baksteen doet glanzen en probeert iets te maken van de schurftige platanen.
Vannacht had ik een inval. Ik heb al een paar dagen pijn achter mijn ogen, als ik ze ronddraai. Ik weet dat aan een virusje dat niet genoeg kracht heeft om me ziek te maken maar misschien kwam het wel, zo bedacht ik me, van het ingespannen turen op etiketten, dagelijks drie uur lang. Vandaag zet ik mijn leesbril erbij op. Dat voelt raar, een leesbril op straat; een beetje indecent, alsof je in pyjama loopt.
De ronde gaat fijn en snel. Geen rugpijn, geen reclame-ellende, alleen maar tijdschriften, belangrijke kennisgevingen, pakjes en mooi versierde envelopjes. Te veel voorspoed maakt me altijd wantrouwig, het voelt alsof ik het niet verdien en een beetje vals speel. Even doemt de gedachte in me op dat er in het depot wel een tweede portie op me zal liggen te wachten, dit kan het toch niet zijn? Maar ik ontmasker dat idee onmiddellijk als een manifestatie van een vaag schuldgevoel en laat het fluitend verdampen. Ook een postbode mag het wel eens meezitten.
(Illustratie: Jan Wiegers, 'Landschap met postbode')
*************************************************************************************************
Nu bestellen, nog net voor de kerst in huis: 'Bankjeszomer', verhalen en columns. Bankjeszomer is een uitgave van Uitgeverij Flanor.
U kunt het boek bestellen door 17,50 over te maken op NL85.INGB.0680.2522.15 van W.S. Huberts te Nijmegen onder vermelding van NR. 81, Bankjeszomer.
Vergeet niet uw naam en adres te vermelden.
U krijgt het dan zo spoedig mogelijk thuisgestuurd.
Labels:
Amsterdam,
mindfulness,
Post Zuid
woensdag 17 december 2014
Post Zuid (6)
Rookzanger heeft, daartoe verleid door romantische fantasieën over het mooie buitenleven der postbodes, een tijdelijk overschot aan vrije tijd en de hopelijk eveneens tijdelijke behoefte aan extra verdiensten (of misschien in een vlaag van verstandsverbijstering) zich aangemeld als decemberhulp bij de posterijen. De komende tijd doet hij daarvan verslag.
Dag 7.
Kun je als hulppostbode ook een identiteitscrisis hebben?
Ik antwoord maar meteen: ja hoor.
Ik zit om half tien aan de vergadertafel, in mijn hoedanigheid als componist. We spreken over een productie die volgend jaar herfst in première moet gaan. Maar ik denk aan de regen en aan mijn ronde straks, en hoe ik de tijd tussen de vergadering en mijn postloop moet doorbrengen, want naar huis gaan heeft geen zin, daar is het te kort voor. De penningmeester begint over mijn boek, dat hij heeft gelezen, maar die pet kan ik even niet vinden in mijn assortiment hoofddeksels en ik kom niet verder dan wat schutterige dankbetuigingen voor zijn complimenten en nee, je wordt er niet steeds vrolijk van, dat is waar.
In de auto gaat mijn telefoon. Het is Rob, vanuit het sorteercentrum, die me meldt dat hij mijn post met een eerdere zending kon meegeven, zodat ik al om elf uur kan starten. Ik ben hem innig dankbaar. Rob en ik zijn een geweldig team! Ik parkeer vlakbij het depot (het is mijn zone, dat had ik al gecheckt), koop een croissantje bij de bakker en haal mijn post op. Ik probeer mijn rug recht te houden terwijl ik het karretje met één hand door de dichte regen duw. Want wat is er nou precies misgegaan?
Gisteren, na mijn eerste echte postloop zonder toezicht, wachtte me niet de huiselijke en tevreden avond waarop ik me had verheugd. Hoe de kerstboom ook flonkerde, ik voelde me onbehaaglijk, bedreigd. Koortsig ook, mijn oren suisden en ik had behoorlijk veel last van mijn rug. Mijn dochter was naar een kerstborrel, dus ik warmde een rest pasta op, keek naar het journaal en ging vroeg slapen. In bed viel het me in dat ik van de ronde van die dag niets zou kunnen navertellen, behalve de ontmoeting met de eenzame mevrouw die ik gisteren optekende. Ik had als een bezetene mijn aandacht laten opzuigen door enveloppen, adressen en huisnummers. Als een idiot savant in spe was ik door de wijk geraasd. Dat was wel heel ver verwijderd van het beeld dat ik had gehad van het werk: een beetje meditatief wandelen en ondertussen lichtpuntjes verspreiden in de digitale deemstering van onze tijd.
Als ik merk dat ik weer zo gespannen en fanatiek begin te bestellen fluit ik mezelf terug. Mijn leven hangt er toch niet vanaf? Ik vertraag mijn pas en haal diep adem, zoom uit naar het grotere verband van bakstenen huizen. Het werkt. In het antiquariaat halverwege dwing ik mezelf rustig in de bakken te kijken om me eraan te herinneren dat ik nog niet zo heel lang geleden een kamergeleerde en Kammersänger was. Ik koop een paar boeken en maak een praatje met de eigenaar, een man met een ziekenfondsbril en een walrussnor. Even later spreekt een verregende vrouw me aan, het type warrige, weldenkende oudere dame dat ik van mijn eigen buurt zo goed ken. Oud-Zuid van voor de overname door yuppen en rijke provincialen. Ik heb u al een paar keer zien lopen, mijn neef heeft het ook gedaan, zegt ze. Het loopt zo lekker hè? Ik beaam dat, en neem het ter harte.
Op twee derde van mijn ronde, op de hoek van de Hendrik Jacobszstraat en de Pieter Lastmankade, stop ik voor een rookpauze. Dat wordt inmiddels al een gewoonte en dat is goed, ik houd van vaste gewoonten en vaar er wel bij.
Daarna is het zo gepiept. Ik loop kalm verder terwijl ik grote rookwolken blaas uit mijn natte pijp, een postbode zoals ik het bedoeld had. Identiteitscrisisje voorbij. Voorlopig.
(Illustratie: Vincent van Gogh, 'Portret van de postbode Joseph Roulin', 1888)
Dag 7.
Kun je als hulppostbode ook een identiteitscrisis hebben?
Ik antwoord maar meteen: ja hoor.
Ik zit om half tien aan de vergadertafel, in mijn hoedanigheid als componist. We spreken over een productie die volgend jaar herfst in première moet gaan. Maar ik denk aan de regen en aan mijn ronde straks, en hoe ik de tijd tussen de vergadering en mijn postloop moet doorbrengen, want naar huis gaan heeft geen zin, daar is het te kort voor. De penningmeester begint over mijn boek, dat hij heeft gelezen, maar die pet kan ik even niet vinden in mijn assortiment hoofddeksels en ik kom niet verder dan wat schutterige dankbetuigingen voor zijn complimenten en nee, je wordt er niet steeds vrolijk van, dat is waar.
In de auto gaat mijn telefoon. Het is Rob, vanuit het sorteercentrum, die me meldt dat hij mijn post met een eerdere zending kon meegeven, zodat ik al om elf uur kan starten. Ik ben hem innig dankbaar. Rob en ik zijn een geweldig team! Ik parkeer vlakbij het depot (het is mijn zone, dat had ik al gecheckt), koop een croissantje bij de bakker en haal mijn post op. Ik probeer mijn rug recht te houden terwijl ik het karretje met één hand door de dichte regen duw. Want wat is er nou precies misgegaan?
Gisteren, na mijn eerste echte postloop zonder toezicht, wachtte me niet de huiselijke en tevreden avond waarop ik me had verheugd. Hoe de kerstboom ook flonkerde, ik voelde me onbehaaglijk, bedreigd. Koortsig ook, mijn oren suisden en ik had behoorlijk veel last van mijn rug. Mijn dochter was naar een kerstborrel, dus ik warmde een rest pasta op, keek naar het journaal en ging vroeg slapen. In bed viel het me in dat ik van de ronde van die dag niets zou kunnen navertellen, behalve de ontmoeting met de eenzame mevrouw die ik gisteren optekende. Ik had als een bezetene mijn aandacht laten opzuigen door enveloppen, adressen en huisnummers. Als een idiot savant in spe was ik door de wijk geraasd. Dat was wel heel ver verwijderd van het beeld dat ik had gehad van het werk: een beetje meditatief wandelen en ondertussen lichtpuntjes verspreiden in de digitale deemstering van onze tijd.
Als ik merk dat ik weer zo gespannen en fanatiek begin te bestellen fluit ik mezelf terug. Mijn leven hangt er toch niet vanaf? Ik vertraag mijn pas en haal diep adem, zoom uit naar het grotere verband van bakstenen huizen. Het werkt. In het antiquariaat halverwege dwing ik mezelf rustig in de bakken te kijken om me eraan te herinneren dat ik nog niet zo heel lang geleden een kamergeleerde en Kammersänger was. Ik koop een paar boeken en maak een praatje met de eigenaar, een man met een ziekenfondsbril en een walrussnor. Even later spreekt een verregende vrouw me aan, het type warrige, weldenkende oudere dame dat ik van mijn eigen buurt zo goed ken. Oud-Zuid van voor de overname door yuppen en rijke provincialen. Ik heb u al een paar keer zien lopen, mijn neef heeft het ook gedaan, zegt ze. Het loopt zo lekker hè? Ik beaam dat, en neem het ter harte.
Op twee derde van mijn ronde, op de hoek van de Hendrik Jacobszstraat en de Pieter Lastmankade, stop ik voor een rookpauze. Dat wordt inmiddels al een gewoonte en dat is goed, ik houd van vaste gewoonten en vaar er wel bij.
Daarna is het zo gepiept. Ik loop kalm verder terwijl ik grote rookwolken blaas uit mijn natte pijp, een postbode zoals ik het bedoeld had. Identiteitscrisisje voorbij. Voorlopig.
(Illustratie: Vincent van Gogh, 'Portret van de postbode Joseph Roulin', 1888)
Labels:
Amsterdam,
mindfulness,
Post Zuid
dinsdag 16 december 2014
Post Zuid (5)
Rookzanger heeft, daartoe verleid door romantische fantasieën over het mooie buitenleven der postbodes, een tijdelijk overschot aan vrije tijd en de hopelijk eveneens tijdelijke behoefte aan extra verdiensten (of misschien in een vlaag van verstandsverbijstering) zich aangemeld als decemberhulp bij de posterijen. De komende tijd doet hij daarvan verslag.
Dag 6.
Ik had een vette tegenzin. In het gedoe, in de kou. Te diep, te lekker geslapen - de dag leek me in contrast vijandig toe, leeg en bleek. Maar veel kouder dan het nu was kon het toch niet worden. Ik dacht aan mijn vriend Karl die me onlangs verteld had dat hij de rest van het jaar het liefst een dekentje over zich heen zou trekken. Een diep verlangen kwam in het kielzog van die herinnering mee. Een verlangen naar cocoonen, de kerstboom stond immers al.
Ik miste mijn vaste dinsdagmorgenblogroutine en deed ordeloos en nerveus klusjes tot het moment was aangebroken dat ik op de fiets kon stappen. Verloren uren, uren van wachten. Moest het dan echt, nog zo’n week? Ik had bewezen dat ik zoiets kon doen, nou was het wel weer genoeg.
Maar vanaf dat ik voet op de trappers zet klaart mijn stemming op. Een fijn regentje valt dat onmiddellijk lijkt op te lossen in het zonlicht.
Ik doe mijn ronde en bereid me mentaal voor op B.- straat 6 huis.
De vorige keer heeft ze me nog een standje gegeven. Ze sprak me aan terwijl ze vertrouwelijk uit het raam van haar erker leunde. ‘Die andere meneer geeft me de post altijd zo in handen. Nou moet ik helemaal naar de voordeur om het vak open te maken.’ Ik had juist de magere bestelling in haar bus gedaan en er was geen weg terug. Ik beloofde beterschap, ik zou het nog wel leren.
Vandaag manoeuvreer ik mijn karretje langs de Canta die haar stoep blokkeert en zwaai met het bundeltje voor haar raam, precies zoals mijn collega me heeft geleerd. Het gaat open en haar gezicht verschijnt. Ik geef haar de post.
‘Zo, een kerstkaart!’ Een brede lach, ze mist een paar tanden. ‘Lukt het een beetje?’ vraagt ze meelevend.
‘Ja hoor,’ zeg ik, terwijl ik aanstalten maak een reclamekrantje van de Blokker in haar brievenbus te duwen.
‘Waarom doe je dat nou, die heb je me net gegeven!’
O ja. Stom.
‘Ik wil ze wel, die blaadjes,’ zegt ze. ‘Ik pluis ze altijd na. Ik zit vierentwintig uur per dag thuis moet je weten. De buren hoeven ze niet, die zijn rijk. Nou lieverd, tot morgen maar weer!’ Het raam gaat dicht.
Ik ben er inmiddels aan gewend dat je als postbode vaak gegroet wordt op straat, vaker dan toen ik nog wel eens op tv kwam en mensen mijn kop ergens van dachten te kennen. Maar het is een tijd geleden dat ik ‘lieverd’ ben genoemd.
Dag 6.
Ik had een vette tegenzin. In het gedoe, in de kou. Te diep, te lekker geslapen - de dag leek me in contrast vijandig toe, leeg en bleek. Maar veel kouder dan het nu was kon het toch niet worden. Ik dacht aan mijn vriend Karl die me onlangs verteld had dat hij de rest van het jaar het liefst een dekentje over zich heen zou trekken. Een diep verlangen kwam in het kielzog van die herinnering mee. Een verlangen naar cocoonen, de kerstboom stond immers al.
Ik miste mijn vaste dinsdagmorgenblogroutine en deed ordeloos en nerveus klusjes tot het moment was aangebroken dat ik op de fiets kon stappen. Verloren uren, uren van wachten. Moest het dan echt, nog zo’n week? Ik had bewezen dat ik zoiets kon doen, nou was het wel weer genoeg.
Maar vanaf dat ik voet op de trappers zet klaart mijn stemming op. Een fijn regentje valt dat onmiddellijk lijkt op te lossen in het zonlicht.
Ik doe mijn ronde en bereid me mentaal voor op B.- straat 6 huis.
De vorige keer heeft ze me nog een standje gegeven. Ze sprak me aan terwijl ze vertrouwelijk uit het raam van haar erker leunde. ‘Die andere meneer geeft me de post altijd zo in handen. Nou moet ik helemaal naar de voordeur om het vak open te maken.’ Ik had juist de magere bestelling in haar bus gedaan en er was geen weg terug. Ik beloofde beterschap, ik zou het nog wel leren.
Vandaag manoeuvreer ik mijn karretje langs de Canta die haar stoep blokkeert en zwaai met het bundeltje voor haar raam, precies zoals mijn collega me heeft geleerd. Het gaat open en haar gezicht verschijnt. Ik geef haar de post.
‘Zo, een kerstkaart!’ Een brede lach, ze mist een paar tanden. ‘Lukt het een beetje?’ vraagt ze meelevend.
‘Ja hoor,’ zeg ik, terwijl ik aanstalten maak een reclamekrantje van de Blokker in haar brievenbus te duwen.
‘Waarom doe je dat nou, die heb je me net gegeven!’
O ja. Stom.
‘Ik wil ze wel, die blaadjes,’ zegt ze. ‘Ik pluis ze altijd na. Ik zit vierentwintig uur per dag thuis moet je weten. De buren hoeven ze niet, die zijn rijk. Nou lieverd, tot morgen maar weer!’ Het raam gaat dicht.
Ik ben er inmiddels aan gewend dat je als postbode vaak gegroet wordt op straat, vaker dan toen ik nog wel eens op tv kwam en mensen mijn kop ergens van dachten te kennen. Maar het is een tijd geleden dat ik ‘lieverd’ ben genoemd.
Abonneren op:
Posts (Atom)




.jpg)

