Van Lennaert Nijgh, die vandaag eenenzeventig zou zijn geworden, is niet zoveel beeldmateriaal voorhanden als je wel zou verwachten bij iemand met zo'n bekende naam. Hij was typisch de man achter de schermen - daarvoor, in het volle licht, stond Boudewijn de Groot. Een van de weinige bewegende beelden die we van hem hebben is een filmpje in de serie Dode Dichters: hij leest De reiziger, een liedtekst voor de plaat Hoe sterk is de eenzame fietser. Zijn voordracht maakt duidelijk dat tussen de geschreven tekst en de gezongen versie nogal wat verschillen zijn. Maar ook zonder Vera Beths' beroemde vioolsolo blijven de verzen overeind: een ontroerend gedicht, en dat vond Lennaert zelf ook, getuige zijn half verontschuldigende, half trotse lachje aan het eind.
Gisteren hadden we een schoolconcert met vooral liedjes uit de recente voorstelling De kersentent, over een verlopen circusfamilie. De laatste show was net zo treurig geweest als het einde van het zieltogende circus - maar een handvol bezoekers had de koude, natte nevel getrotseerd om naar ons te komen kijken en ik had me afgevraagd wat ik daar in hemelsnaam deed, daar op dat podium, dat als een verdwaald vlot dreef in een zee van stilte. Er was dus iets goed te maken.
De Zevende Montessori School staat aan het Rembrandtpark, in Overtoomse Veld, het enige stukje Nieuw-West dat - deels - binnen de ring ligt. De kolossen van de Nachtwachtlaan, waar ooit mijn oom en tante een in mijn ogen luxe flat bewoonden, baadden in een helder licht; nieuwsgierige krokusjes kwamen kijken of het echt al lente was. Waar, door schermen aan het oog onttrokken, het verkeer zich suizend over de A10 bewoog, had vroeger een straatweg door massa's zand geleid. Het was al zo lang geleden, ik kon mijn herinnering niet scherp stellen.

Toen we ons hadden geïnstalleerd en het geluid hadden getest stroomde de gymzaal vol met kinderen. Kinderen in allerlei kleuren, maar allemaal rond de acht jaar oud - de middenbouw. Ik had me enige zorgen gemaakt over hun aandachtsspanne, maar dat bleek voor niets: ze luisterden engelachtig braaf, gefascineerd zelfs. Lawaai maakten ze alleen als het mocht: ze klapten hard en in de maat mee met Het Monster van de Sloterplas, waarvoor ik mijn spannendste vertelstem opzette. Als ze de legende nog niet kenden, dan had ik nu nieuwe zieltjes gemaakt.
Om Joch, de zevenentachtigjarige vertolkster van mijn liedjes, te introduceren, vroeg ik de klassen tot wanneer je kon blijven zingen.
'Tot half vijf,' opperde een jongetje.
Na enig democratisch overleg werd besloten dat zingen van alle leeftijden is.
'En hoe oud denken jullie dat die meneer is?' vroeg Daniël, de bassist, die muziekles geeft op die school.
'Tachtig!'
Ik schudde van nee met mijn witte manen en wees naar een andere opgestoken vinger, in de hoop op een beter antwoord.
'Vierentachtig!'
Hm. Nog een poging.
'Zesentwintig.' Een pleasertje.
Als een vers opgeladen batterij verliet ik de school.
Laat de kinderen komen,
laat de kinderen komen,
ik heb aan ze gedacht.
Ze zullen mij niet kennen
en ze zullen mij niets vragen,
ze hebben niets verwacht.
En niemand zal begrijpen
wat ik doen kom in dit huis,
maar de kinderen zullen zeggen:
de reiziger is thuis.
(Illustratie: uit 'Tachtig teksten' (1975), Piers Hayman; foto: Fred Martin)