vrijdag 27 maart 2015

WERELD


In When the World Screamed, Conan Doyle’s voorlaatste verhaal over de flamboyante Professor Challenger, de ‘holbewoner in een net pak’, las ik een regel die me aan het denken zette.
‘I am so busy, however, with my own profession […], that I know little of what is going on in the world outside my own special interests,’ zegt de verteller van het verhaal, ene Peerless Jones.
Een man of vrouw van de wereld, het is ouderwetse term geworden, stammend uit een tijd dat het niet zo vanzelfsprekend was om buiten je eigen kringetje te kijken. We zijn tegenwoordig allemáál van de wereld, pepert het liedje van Thé Lau ons dagelijks via een NPO-reclame in. En inderdaad, programma’s als DWDD suggereren dat we er bovenop zitten, met onze neus op de actualiteit. Bij alles wat er speelt, politiek, cultureel of anderszins, voelen we ons betrokken. Lui op de bank hangend horen we erbij, passief weliswaar, maar onmiskenbaar.
Steeds vaker bekruipt me het onbehaaglijke gevoel dat dit engagement eerder een keurslijf is dan een gezonde, empathische betrokkenheid bij de medemens.
Ik ken een paar mensen zonder televisie (en dan heb ik het niet over de jeugd die online kijkt, maar over generatiegenoten die helemaal niet kijken). Vroeger stemde ik een beetje halfhartig in met het oordeel dat die wat wereldvreemd waren maar steeds meer neig ik ertoe ze gelijk te geven. De voortdurende informatiestroom en het willen beantwoorden aan de expliciete verwachting dat we bij blijven, of het nu via tv of internet is, scheppen een waakzaamheid die tegelijk een soort aandachtsvacuüm is.
Ik leg dat uit met een voorbeeld uit eigen praktijk.
Gisteren had ik de hele dag zitten schrijven en ’s avonds was mijn hoofd leeg. Niet lekker leeg, maar ontdaan van vitale sappen. Ik keek tv maar niets boeide me. Ik graasde het net af maar bespeurde weerzin tegen wat ik daar aantrof. Toch had ik het gevoel dat ik erbij moest blijven, dat ik tot het bedtijd was een opmerkzaam lid van de menselijke kudde moest zijn. ‘Opzitten’ moest ik, of liever opblijven, tot de elf in de klok was.
Tegen tienen zette ik pc en tv uit en nam ik een hete douche, want ’s morgens was ik gehaast mijn deur uit gegaan voor een afspraak en ik had mijn dagelijkse stroom warm water gemist. Daarna deed ik de lichten uit, schudde mijn hoofdkussens op en strekte me uit in bed, het boek op de borst. Meteen was alles anders. Al na een paar zinnen was mijn waakzame spanning verdwenen en wandelde mijn fantasie de deur uit. Soms aan de hand van een gids, zoals de geciteerde zin van Conan Doyle, soms zonder begeleiding en vogelvrij. Waarom was dat eerder op de avond niet gelukt, waar was dat geestelijk potentieel toen, op het moment dat ik het in mijn verveling nodig had? Vroeger kon ik het heel goed - overdag lezen, wegdromen, mijmeren. Probleemloos: ik moest me zelfs dwingen iets nuttigs te gaan doen omdat ik anders mijn dagen als een spelend kind vermorste. Het lijkt wel of dat tegenwoordig niet meer mag. Maar van wie niet en waarom niet?
Er is natuurlijk een simpele oplossing – nog vroeger naar bed gaan. Maar dat voelt als een vlucht met de staart tussen de benen. Is het dan een idee om na het eten rigoureus de knoppen uit te zetten en net te doen of de buitenwereld er niet is? Op vakantie lukt me dat zonder moeite dus het zou hier en nu toch ook mogelijk moeten zijn; immers, het ongeziene donker achter de gordijnen van Amsterdam is hetzelfde als het donker buiten de luiken van een huis in Bretagne of Liguria. Of is mijn mediaverslaving daardoor te ver gevorderd, is de voortdurende verbinding met de wereld om ons heen een dwangbuis geworden?
Toen de vastentijd begon heb ik getekend voor een suikervrij regime. Volgende week is het Pasen en dan is het voorbij. Ik geloof niet dat het me veel goeds heeft opgeleverd. Beter had ik me misschien net als mijn zuster de sociale media kunnen ontzeggen. En dan ook maar meteen de tv. Het zou ongetwijfeld moeite hebben gekost. Want wie erop getraind is om een man van de wereld te zijn moet dat ook weer langzaam afleren.



(Illustratie: 'Avondlezen', Georg Vilhelm Pauli, 1884)

1 opmerking:

Vitalski zei

ah ha, de doyle-o-flimie continues!!