vrijdag 18 september 2026

TOONDERMANIA


Op zaterdag 19 juli 1997 kwamen we met de veerboot vanuit Holyhead, Wales, aan in Dublin. We reden naar onze eerste stop, een B&B in Greystones. Ik had een schilderachtig plaatsje verwacht maar het bleek er nogal posh en prozaïsch te zijn, hoewel er een roze volle maan boven de rotsen en de zee scheen en de penetrante geur van een afvalvuur vanuit een ommuurde tuin walmde. De gastvrouw vertelde me dat meneer Toonder en zij praktisch buren waren. Om de hoek, een paar huizen verder, in de hooggelegen Church Lane, lag Eyrefield Lodge, waar mijn jeugdheld sinds 1965 woonde: een kapitale villa in een grote beboste tuin. Maar meneer Toonder was a very private person, zei ze waarschuwend. Dat haalde een streep door mijn overmoedige plan, hem de hand te gaan schudden. Ik ben altijd blij geweest met die beslissing, vooral toen ik later meer van de man Toonder ben gaan begrijpen. Het was natuurlijk leuk geweest als we hem toevallig waren tegengekomen, tijdens ons avondwandelingetje onder de roze maan. Ik had dan hoofs kunnen buigen en wie weet waren we aan de praat geraakt.

Mijn Toondermanie begon in mijn vroege jeugd, toen ik de Bommelverhalen in de Donald Duck eigenlijk mooier en vooral geheimzinniger vond dan de strips van Disney. Een hele wereld ontvouwde zich voor me toen ik op tweede kerstdag 1968 (we waren bij opa en oma in de Rijnstraat op bezoek en mijn vader en ik ontvluchtten even de stoffige feestmiddagsfeer) in boekhandel Favié Geld speelt geen rol zag liggen. Ik kon niet wachten tot de winkel weer openging. Van het bestaan van de krantenstrips met tekststroken had ik niets geweten, en nu bleek er zelfs al eerder een bundel met die Tom Poes-verhalen 'voor volwassenen' te zijn verschenen, Als je begrijpt wat ik bedoel (1967). Ik kon mijn geluk niet op - wat een weelde!
Ik werd een gretig lezer, een navolger - met pen en Oost-Indische inkt probeerde ik dezelfde sfeer als Toonder op papier te krijgen - en toen ik in de vijfde gym een scriptie moest schrijven voor Nederlands lag het voor de hand dat die over Toonder ging. Als ik dat werkstuk van 22 dichtbeschreven foliovellen nu doorblader valt het me op hoe weinig er toen openbaar was over de gang van zaken in de Toonder Studio's. De mythe van de alleskunner Toonder werd zorgvuldig in stand gehouden en het zou nog jaren duren voor voorzichtige geruchten de wereld in sijpelden over mogelijke assistenten - want één man kon dat toch niet allemaal zelf doen?
Nee, dat kon niet. Toonder gaf dat zelf zuinigjes toe. Maar die Tom Poes-verhalen, die deed hij allemaal helemaal alleen!

In mijn volwassen jaren bleef Bommel een vaste waarde. De verhalen waren blauwdrukken voor situaties in de echte wereld. Het archaïsche idioom was in het mijne gekropen. Op gezette tijden overviel me de lust om de veilige fantasiewereld van de oude verhalen op te zoeken. Ik vond daar zelden wat ik er zocht. De kindertijd wordt niet teruggevonden door de souvenirs ervan te betasten. Dénken aan die souvenirs, dat geeft even een magische glimp van het verloren paradijs. De verleiding is groot om de boeken open te slaan - om ze vervolgens, glimlachend maar licht teleurgesteld na een bladzijde of wat weer dicht te doen. Pas veel later leerde ik om de verhalen zonder te hoog gespannen verwachting te herlezen, gewoon, om het plezier in tekeningen, taal en verhaal.

Hoe ze tot stand waren gekomen, die verhalen, werd in de loop der tijd steeds duidelijker. Namen vielen, Ben van 't Klooster, Piet Wijn, Fred Julsing, Dick Matena. Assistenten deden het voorwerk, schetsten de plaatjes, Toonder inkte die met penseel en inkt, nadat hij had gecorrigeerd en gegumd waar hij dat nodig vond. Hij hield de supervisie en zette zijn handtekening. Het was ZIJN creatie en dat bleef het, hoeveel tekenaars en schrijvers hem ook terzijde hadden gestaan.
Dit vond ik allemaal nog wel te begrijpen. Het was zelfs het begin van een nieuwe fascinatie. Want, als anderen aan de Bommelsaga hadden meegewerkt, wie dan precies, en waaraan, en hoe? Daar viel nog heel wat te puzzelen.
Minder fijn was de schok die de gebundelde correspondentie van Toonder en Matena te weeg bracht. Wat jij, jonge vriend (2009) gaf een ontluisterend beeld van de geniale dwingeland die Toonder was. Ik schreef er destijds dit blog over. 
Ik las het brievenboek drie jaar na publicatie. In datzelfde jaar 2012 kreeg ik met kerstmis van mijn koor de toen net verschenen biografie van Wim Hazeu, eenvoudig Marten Toonder geheten. Het was een prachtig uitgegeven boek, ruim 700 pagina's lang, met niet één maar twéé leeslintjes: een voor de tekst en een voor het uitgebreide notenapparaat. Ik was er blij mee maar zette het pronkstuk ongelezen in de kast naast de andere Toonder-boeken. De brieven aan Matena hadden een nare nasmaak achtergelaten en voorlopig had ik even genoeg van de mens Toonder. Zijn verhalen bleef ik gewoon lezen als die lust me overviel. Ik ging de diverse stijlen onderscheiden en noemde Piet Wijn mijn favoriete Bommeltekenaar.


Wat er de aanleiding van was dat ik een paar weken geleden de biografie van Hazeu na 14 jaar begon te lezen weet ik niet meer. Al snel was ik verslaafd. Had ik daarom zo lang gewacht? Zo'n verslaving slokt je op; mijn oude gepieker over de precieze toedracht van alles in Toonders leven en - vooral - zijn kunst begon weer en hield me soms uit mijn slaap.
Hazeu schreef een grondige, met documentatie stevig gefundeerde biografie die leest als een roman. Toonders leven leverde genoeg stof daarvoor - ook de driedelige autobiografie uit de jaren 90 heeft alle trekken van een romantisch epos. Maar Toonders uitgangspunt was een boeiende vertelling te maken en met de waarheid nam hij het niet te nauw. Hazeu blijft scrupuleus bij de feitelijke toedracht en levert desondanks een meeslepend verhaal af.

Tot mijn genoegen merkte ik dat de wrok tegen mijn tyrannieke jeugdheld, die ik sinds het brievenboek koesterde, al lezende begon te slijten. Jazeker, ook uit deze bladzijden steeg het op, het beeld van de moeilijke, grillige, ongrijpbare, egocentrische man, de man die volgens de flaptekstschrijver altijd minstens twee kanten heeft: de argeloze en de slimme, de realist en de magiër. Nuchtere Groninger met een Keltische fantasie, kluizenaar en charmante poseur, zakenman en visionair, wijsgeer en centenweger. Maar het levensverhaal bracht ook begrip voor de onaangename kanten van Toonder. Een jeugd met een afwezige vader (Marten senior, zeekapitein) en een afstandelijke, hypochondrische moeder die het gezin voortdurend deed verkassen zodat Marten nooit vriendjes kon hebben; een door Hazeu maar ook door Marten zélf benoemde autistische aanleg - zulke bagage maakt een normaal gezelschapsleven niet makkelijk. Toonder kon en wilde zich in andermans standpunt niet inleven, móest de dingen naar zijn eigen hand zetten maar wist dat zelden tactvol te doen. Het wekte ongeloof en verbazing dat een verlegen en charmante heer zo bot en lomp kon zijn en zo weinig genereus was voor zijn trouwe medewerkers. Alles draaide om Toonder en zijn onvermoeibaar vormgegeven andere wereld.

Nieuw voor mij was de woelige periode tussen zijn beide huwelijken in waarover Toonder zelf niet heeft geschreven. Phiny Dick stierf in 1990. In 1996 hertrouwde hij met componiste Tera de Marez Oyens die hij twee jaar eerder had leren kennen; ze was ongeneeslijk ziek en stierf al snel na de bruiloft. Men leze het aangrijpende Tera (1998). Na de dood van zijn eerste levensgezellin Phiny belandde hij in een zware periode. Hij leefde op toen hij benaderd werd door Sieglinde Mense, een 35-jarige gescheiden vrouw met drie jonge kinderen. Toonder was tachtig. Wat begon met fanmail en een naar Ierland gestuurde bos witte bloemen op zijn verjaardag werd een relatie. Zij vergezelde hem naar de gelegenheden waar een beroemd artiest geacht wordt op te draven, corrigeerde zijn schrijfsels (ze had taalwetenschap gestudeerd) en verdrong algauw zijn zoon Eiso als redacteur, vertrouwensman en zaakwaarnemer, tot diens verdriet. Ze stond op de loonlijst onder de noemer public relations. Toonder 'regelde' en kocht achtereenvolgens drie huizen voor haar en haar gezin, zodat ze rustig samen konden zijn als hij in Nederland was. Als je niet beter wist zou je denken aan een golddigger: rijk suikeroompje trekt grif de portemonnee. Maar dan wel een goudgraver met wie je over de zwarte kunsten kon praten. Uiteindelijk kwamen er scheuren in hun relatie. Wat die precies inhielden naast irritaties over en weer (Toonder stoorde zich aan de drukke zoontjes, die moesten de kamer uit als hij er was) wordt in Hazeus verhaal niet duidelijk; voor het eerst laten de bronnen het afweten: blijkbaar zijn er geen brieven van Linde bewaard; heeft Eiso die verbrand toen hij orde op zaken moest stellen na zijn vaders zelfmoordpoging en opname in een Iers ziekenhuis in 2001? Omdat de relatie tussen vader en oudste zoon toen al op de klippen was gelopen en Eiso een wrok moet hebben gekoesterd tegen de vrouw die hem had verdrongen is dat goed mogelijk. Merkwaardig genoeg is op het internet niet één enkel spoortje te vinden van (Sieg)linde Mense, die in 1956 geboren is, hetzelfde jaar waarin ik geboren ben, en googelt u mij maar eens!


Zo gaf het boek antwoorden waarnaar ik op zoek was maar wierp het ook nieuwe raadsels op.
Ik leerde dat niet alleen Jan Gerhard maar ook Lo Hartog van Banda regelmatig - met ideeën en plots - bijdroegen aan de verhalen, die vervolgens door Toonder zelf werden uitgewerkt. Wat betreft de tekenaars van de Bommelstrip en hun exacte functie - mijn oude vraag - is het boek duidelijk voor zover het in het relaas te pas komt. Er zijn anderhalf decennium later gelukkig bronnen beschikbaar die elkaar misschien hier en daar tegenspreken maar die aan elke nieuwsgierigheid ruimschoots voldoen. De Comiclopedia van stripwinkel Lambiek bijvoorbeeld, of de zeer uitvoerige website De Bommel schatkamer van Ron Kurvink. 

Inmiddels heb ik het uit. Vanaf nu kan ik weer aan andere dingen denken dan aan Toonder. Het einde was aangrijpend en ontluisterender dan de briefwisseling met Dick Matena. Wat je ook tegen die man kunt hebben, iemand die zo gestraft wordt voor zijn gebrek aan empathie verdient slechts medeleven.
Na de dood van zijn twee echtgenoten en zijn enige broer ("Mijn beste vriend") Jan Gerhard (1914-1992) verloor hij in snel tempo zijn adoptiefdochters Jeanette en Mari-Lou en zijn jongste zoon Onno. 
Toonder zelf hield het nog een tijd vol, met de moed der wanhoop. Hij rommelde nog wat met Matena aan een herstart van de Bommel-reeks (zie mijn blog De rode Bommel van Matena) en bracht zijn laatste dagen in het Rosa Spier Huis door, allengs morsiger en suffiger. Hij gleed weg naar de Andere Wereld in de nacht van 27 juli 2005.
Ik citeer Wim Hazeu: 'Bij de plechtigheid op dinsdag 2 augustus in crematorium Westerveld te Driehuis was Eiso niet aanwezig.' 

                                                                        *

'Of de strips van Toonder ook na zijn dood nog gelezen zullen worden [...] weet ik niet. Ik denk, en ik hoop, dat Bommel nog wel enige tijd door onze landen rond zal waren, omdat hij, geheel los van zijn entourage, een "mens" is, die velen, ondanks zijn fouten, ondanks zijn hopeloze gestuntel, zijn gebroddel en dikdoenerij, zijn prots en hardnekkige domheid, zeer liefhebben, al zouden we hem misschien liever niet als buurman hebben.'

Uit: Marten Toonder en Ollie B. Bommel, een scriptie van Jan-Paul van Spaendonck (1974)

Illustratie: Ben van 't Klooster, voor een liber amicorum ter gelegenheid van Toonders 70e verjaardag. Toonder had op tv bij Sonja Barend beweerd dat hij de Bommelstrip geheel alleen maakte. De tekening werd niet geplaatst.

I.M. Wim Hazeu (1940-2024) en Dick Matena (1943-2026)


vrijdag 11 september 2026

Memory Lane


We zijn het huis een beetje aan het opruimen, mijn dochter en ik. De bedoeling is dat er binnenkort een schoonmaker wordt geronseld. Vroeger kwam elke derde week Slama de boel kuisen, die Berber-liedjes zong tijdens de afwas en zich altijd eerst bukte om mijn katten te begroeten. Na de pandemie ben ik haar uit het oog verloren - haar telefoon gaf een piepsignaal en waar ze woonde wist ik slechts ongeveer. Zou ze nog wel leven? Ik vrees het ergste.
Voor er, eindelijk, vervanging voor haar komt, moet alles wel een beetje netjes zijn: een hulp in de huishouding kan tenslotte ook "nee" zeggen. We hebben gedweild en gestofzuigd, de ontstopper komt volgende week de langzaam dichtgeslibde keukenafvoer opfrissen, er zijn al twee tassen met lege flesjes naar de statiegeldautomaat gebracht. De derde zou ik vanmorgen wegbrengen.

Er was geen regen voorspeld maar hij viel toch. Ik ben altijd blij als de voorspellingen niet kloppen, zoals dat vroeger heel gewoon was. Vreemd genoeg alleen als het tegenvalt: blijft voorspeld noodweer uit, dan voelt dat als 'flauw'. Maar ieder onaangekondigd buitje maakt me een moment lang gelukkig.
Ik stond buiten met die zware tas naar de passerende paraplu's te kijken en veranderde mijn plan. De druppels werden al dikker. Geen Museumplein vandaag, te ver lopen. Ik stapte in mijn auto en reed naar de Stadionbuurt. Daar zou ik eerst de Appie bezoeken en vervolgens bij de Ekoplaza een fles goede Riesling kopen, Vom Berg
Toen ik mijn ecologische versnaperingen in de auto had gelegd was het droog. Ik had mijn vaste parkwandeling gemist en besloot hier een ommetje te maken. Via het Van Tuyll van Serooskerkenplein, dat ooit ontworpen was om een zichtlijn te werpen op het Olympisch Stadion, wandelde ik naar de kade. Opeens herinnerde ik me dat ik toen ik hier woonde, tussen 1984 en 1989, na het avondeten een vaste wandeling maakte: uit mijn Jasonstraat de voetgangersbrug van het Zuider Amstelkanaal over, en dan langs het Spinoza Lyceum via de volgende brug (nr. 414) terug langs de Stadionkade. Daar liep ik nu. Iets in mij overreedde me tot een tochtje langs Memory Lane. 

De Jasonstraat was zo goed als onveranderd. Ik keek op nummer 40 naar binnen: in de erker waar mijn werkkamertje was geweest, met bureau en tikmachine, en die later het babykamertje van Martijn werd, stond een bed. Ik was verbaasd dat er een bed in paste - in de grotere zijkamer waar wij toen sliepen was er al nauwelijks plaats voor. Ik dacht aan mijn vervelende buurman, een nerveuze leraar Engels die aan hoofdpijn leed en altijd klaagde over geluidsoverlast. Natuurlijk had hij gelijk, ik timmerde te hard op de piano toen en zong uit volle borst, maar ik stelde nu vast dat er een heel trappenhuis tussen zijn en mijn huis lag. Daarboven woonde een Franse lerares met een pruik, die volgens een koperen plaat aan de buitenmuur les aan huis gaf. Haar volwassen dochter woonde bij haar in. Zij hebben slechts één keer geklaagd, op het feest na mijn eindexamen conservatorium. Weet je wel hoe laat het is? Het mag nu echt wel wat zachter. Het was drie uur 's nachts en we draaiden ZZ Top, Sharp Dressed Men, snoeihard. Ik excuseerde me met dubbele tong en gaf de volumeknop een zwaai naar links.
De bakker op de hoek was er niet meer, daar was nu een sportschooltje. De slijter waar ik mijn slanke beugelflessen Leeuw-bier haalde was allang weg. De drogist was een Thaise massagesalon. Maar in de Argonautenstraat stonden de paardenkastanjes nog net zo herfstig als toen: die knoestige Toonder-bomen hadden me destijds verzoend met het wonen in de stad. Ik passeerde het bakstenen verenigingsgebouwtje met speeltuin waar we een kwartje per bezoek moesten betalen en kwam terug op de Van Tuyll van Serooskerkenweg. Hermes, Antiek en Curiosa was er nog. Ik snuffelde een beetje, aarzelde bij een stenen tjobek - die van ons was in de inboedel van mijn ex beland vroeg of ze weleens glazen met groene voet hadden ('ja, maar niet nu'), luisterde nog even naar Witchy Woman, en zocht de auto en het heden op.


vrijdag 4 september 2026

ANEMOON

Rondom een opengekrabde insectenbeet op de zijkant van mijn linkervoet verscheen een rode vlek die zich als een zeeanemoon uitbreidde. Een dag later kleurde de plek pimpelpaars. De huid was strak, maar niet warm, pijnlijk of gezwollen. Mijn dochter dacht aan een bloeduitstorting, maar mijn vriendin vond het er niet goed uitzien, herinnerde zich de teken in de Ardennen en op de Drentse camping en drong aan op een consult bij de huisarts.
Ik belde met de assistente. Het was erg druk op de praktijk maar als ik een foto stuurde kon ze samen met de dokter kijken of een afspraak nodig was. Ik maakte een plaatje van de donkere vlek (waarschijnlijk bloedvergiftiging, waarschijnlijk levercirrose) en stuurde die op. Even later werd ik gebeld: de dokter wilde me graag even zien. Schikte half twee?
Veel te vroeg was ik bij de huisartsenpost. Ik liep nog een rondje, Schubertstraat, Wagnerstraat, voor ik in de lege wachtkamer plaatsnam. Een kwartier verstreek. Nog eens een stil kwartier later keek er een vrouw om de hoek. Even een update. Het speet haar maar de dokter was weggeroepen voor een spoedgeval. Hoe lang wilde ik nog wachten? Ik zei dat ik nog wel even tijd had, en ik was hier nu toch. Een half uurtje later was ze er weer. Helaas! Het ging allemaal veel langer duren dan gehoopt, de afspraak moest naar de volgende dag verzet worden.
Ontevreden liep ik naar huis. Een uur zitten op een bankje in het park is plezierig. Diezelfde ledigheid in een wachtkamer voelt heel anders.
Vandaag was de anemoon duidelijk minder fel gekleurd. Het waaide flink en het regende. Ik ging toch, afspraak is afspraak. Stipt om halftwee verscheen een jongeman met blosjes op de gladde wangen. Hij keek eens goed, kneep wat en oordeelde: 'Lyme is het zeker niet. Ik kan er niets anders van maken dan een bloeduitstorting. Antibiotica hoeft niet, een zalfje heeft geen zin. Hou het in de gaten, maar het gaat vrijwel zeker vanzelf weer over.'
Ik trok mijn sok en schoen weer aan.
'Dus van amputatie is geen sprake?'
Hij had even tijd nodig om te schakelen van ernst naar scherts. Toen zei hij met een voorzichtig lachje: 'Nee. Maar dat kan altijd nog.'


zondag 30 augustus 2026

Maar stiekem snakken wij…


Subtiel, vernuftig, met verfijnde pracht,
Lijkt ons bestaan in lichte dans te draaien
Om ’t grote Niets dat wij aldus verfraaien,
Waaraan het zijn ten offer is gebracht.

O al die mooie dromen, speels en blij
Ons aangeblazen, harmonieus ontbloeid,
Diep onder jullie oppervlakte gloeit
De zucht naar nacht, naar bloed, naar barbarij.

In leegte wervelt zonder dwang of nood
Ons leven, altijd wel tot spel bereid,
Maar stiekem snakken wij naar werk'lijkheid,
Naar diepe moederschoot, naar pijn en dood.


Hermann Hesse, 1901 (in 1943 gepubliceerd in “Das Glasperlenspiel”)
Copyright vertaling: JPvS

Anmutig, geistig, arabeskenzart
Scheint unser Leben sich wie das von Feen
In sanften Tänzen um das Nichts zu drehen,
Dem wir geopfert Sein und Gegenwart.

Schönheit der Träume, holde Spielerei,
So hingehaucht, so reinlich abgestimmt,
Tief unter deiner heiteren Fläche glimmt
Sehnsucht nach Nacht, nach Blut, nach Barbarei.

Im Leeren dreht sich, ohne Zwang und Not,
Frei unser Leben, stets zum Spiel bereit,
Doch heimlich dürsten wir nach Wirklichkeit,
Nach Zeugung und Geburt, nach Leid und Tod.


vrijdag 28 augustus 2026

LIJSTJE

Dinsdag brak ik met mijn ingebakken weekindeling. Die slaat nergens meer op voor een pensionado en heeft sowieso nooit ergens op geslagen - ik ben immers mijn eigen baas. Ik stapte in de auto en reed naar de polder om mijn vriendin te verrassen.
De wind woei flink door de nazomers blauwe hemel. Eilandenweer, zei mijn vriendin. We plukten een uur lang distels uit het weiland, daarna spoelde ik het zweet af en las in een tuinstoel Het fregatschip Johanna Maria van Arthur van Schendel uit; in de schaduw, glas verantwoorde Riesling van de Ekoplaza binnen handbereik.
Mijn vriendin had nog wat andere klussen te doen. Werk voor twee, op de boerderij, ook als je geen schapen meer hebt. We aten een salade met stokbrood en wat overgebleven stukken pizza. Toetje met pruimen uit eigen tuin toe.
's Avonds ging de wind liggen, de vleermuizen kwamen, en we keken lang naar de sterren. Twee steelpannen, groot en klein, Poolster.

De volgende morgen reed ik terug naar de stad. Las op het balkon in Wim Hazeu's biografie van Marten Toonder. Sufte even op bed met de katten.
Daarna had ik een ingeving die de dreigende landerigheid doorbrak.
Hoe ik erbij kwam, geen idee, - maar die oude gitaar van het eerste decennium La Passione, die al twintig jaar lag te verstoffen in haar gehavende koffer met stickers fragile erop, een verminkt en incompleet instrument: stemmechaniek kapot, een barst in het bovenblad, vier ontbrekende snaren, - daar moest iets mee gebeuren en waarom niet nu?
Het eerdere plan, dat ik dit product uit de werkplaats van Ricardo Sanchis in Valencia maar gewoon moest wegdoen, desnoods bij het grofvuil, leek me nu bizar. Ik schoot in mijn slippers en droeg de koffer door de zwoele middag naar de winkel waar ik de gitaar ooit gekocht had, gaf mijn wensen te kennen en ging met een licht gevoel naar huis om een was te draaien of iets dergelijks; maar eerst zat ik nog een tijdje op een bankje aan de kade en keek naar de flonkeringen in het water.

Als ik grip op de dingen verlies ga ik lijstjes maken. Meestal gebeurt dat als ik druk ben met verplichtingen die te veel van elkaar verschillen en me zorgen maak of het allemaal wel op tijd af komt.
Maar die behoefte aan orde op zaken stellen kan ook ontstaan, als je juist te weinig om handen hebt. In het grote drijfzand van een lange zomer bijvoorbeeld. Als je ontevreden bent en naar structuur begint te verlangen. 
Ik stuurde mijn zoon een foto van de gitaar in de werkplaats. Ah ja, ik hou ervan, antwoordde hij. Frisse wind. Wat je in huis hebt ook daadwerkelijk KUNNEN gebruiken en in orde maken.
Het succes van de gitaar smaakte naar meer. Daar kwam het lijstje. Eerst in mijn hoofd, later als mail aan mezelf, in bed. 

Dat schilderijtje van Ger, vlak voor zijn dood aan mij geschonken, moet nu toch eindelijk een mooi, romantisch lijstje krijgen. Die oude geïnfecteerde computerschijfjes met brieven en verhalen, al jaren klaarliggend op mijn bureau, moeten naar een bedrijf worden gestuurd, dat ze, schoongemaakt, van WordPerfect naar Word kan overzetten. Enzovoorts, genoeg te doen, ook zonder schapen.
Zaak is wel, het voor het eind van de zomer te doen. Want als de routine van koren, lessen, concerten en missen weer begint verdwijnt de urgentie. Dan is het oplappen van een oude gitaar de minste van mijn zorgen.


vrijdag 21 augustus 2026

Rembrandt, Vestdijk, en... Rens


In de jaren 70 kochten mijn ouders van een colporteur de Rembrandt Bijbel. Zouden er nog ergens op de wereld mannen langs de deur gaan om een luxe boekwerk te slijten aan overrompelde burgers die gestoord worden in hun after dinner dip? 

Het was een mooi boek, in een cassette, boordevol etsen en tekeningen, die de sprookjes van de Heilige Schrift beter weergaven dan de anonieme schrijvers van dat Boek.
Het inspireerde mijn vader om na het eten een stukje eruit voor te lezen, naar oude traditie. Hoewel hij die traditie nooit had gekend, want katholieken hebben niet zoveel met de Schrift, zeker niet met het OT, buiten de verplichte uurtjes in de kerk. Maar goed, mijn vader dacht op die manier tegengas te geven aan de chaos waarin het gezin met opgroeiende pubers was beland. Een moment van saamhorigheid en inkeer. Hij hield het niet lang vol.

Aan dat boek, aan de deur gekocht, moest ik denken toen ik deze week in het weggeefkastje in mijn straat een rode linnen band met goudopdruk zag: Rembrandt en de Engelen, twaalf gedichten en een acrostichon. Auteur S. Vestdijk, uitgeverij Stardust Theatre B.V.
Geïntrigeerd opende ik het. Het bleek te gaan om een herdruk van Vestdijks cyclus uit het jubileumjaar 1955: het 350ste geboortejaar van Rembrandt. In het 400ste geboortejaar, 2005 dus, kwam er, geheel naar de geest van onze tijd, een musical. Rembrandt de Musical. De producenten daarvan, onder wie Henk van der Meijden, zochten naar inspirerende teksten en vonden in een antiquariaat de vergeten gedichten van S. Vestdijk. Diens weduwe (en de beheerder van zijn nalatenschap), de 30 jaar jongere Mieke Vestdijk (1938-2018), gaf toestemming om citaten daaruit te gebruiken in het libretto.
En er kwam dus dat rijk geïllustreerde boek, met een voorwoord van Mieke en een portret van SV door Paul Citroen.

Heus een mooi boek hoor, degelijk, verzorgd, en smaakvol vormgegeven; maar ik blijf me toch afvragen wat Simon, een begaafd amateurpianist en muziekkenner van het meer verfijnde soort, Bruckner, Debussy, Mahler, Pijper, gevonden zou hebben van Rembrandt de Musical. 
En zou hij zijn wenkbrauwen niet hebben opgetrokken bij die uitgeverij - geen Arbeiderspers of Bezige Bij, maar Stardust Theatre B.V.?
Soms is het goed dat een mens niet alles weet; de eigen nalatenschap kan men nog min of meer beheersen, maar het Nachleben van ons werk moeten we overlaten aan hen die na ons komen.

                                                                     

                                                                                *

Kortgeleden werd ik benaderd door de zoon van "Rens". Hij wil een boek over zijn vader gaan schrijven. Of ik nog aanvullingen had op het blogje dat ik in 2015 aan hem wijdde?
Ik zette mijn geheugen aan het werk en omdat het nog zomer is en ik alle tijd heb sloeg ik er oude dagboeken op na.
Wat ik in dat blogje schreef was qua chronologie niet juist, dat bleek al gauw. Ik zocht verder en vond genadeloze correcties op mijn herinnering, die weer eens een mooi rond verhaal had gemaakt van wat in werkelijkheid veel rommeliger was.
Zoon V. en ik maakten een afspraak. Ergens moest ik nog een foto hebben van Rens, die, bleek uit mijn dagboek, een tijd in mijn koortje I Dodici had gezongen. Die zou ik om hem een plezier te doen meenemen.

Ik open de laatjes van de smalle archiefkast van roodgeverfd hout die meestal veilig gesloten de wacht houdt naast de deur van mijn cockpit. Dat is gevaarlijk werk. Ik ben wel gewend aan de confrontatie met het gefotografeerde verleden van de afgelopen 25 jaar, het digitale tijdperk. Die plaatjes rouleren als schermbeveiliging op mijn computer. Er is veel veranderd in die kwarteeuw, maar de spelers zijn dezelfde gebleven.
Met dit rode kastje is het anders. Elk laatje herbergt oude foto's die al heel lang wachten op een betere plek. Vooral uit de jaren 90 en het begin van deze eeuw. Een andere vrouw, vertrouwd en vreemd, vergezelt mijn andere zelf.
Dit is gif. De verleiding is groot, lezer, om stil te blijven staan bij elk verrassend residu van een lang vervlogen jaar, elke vergeten gebeurtenis of gelegenheid. Maar ik blader snel door, stapel na stapel, map na map, met het verstand op nul. Ik neem me streng voor er nu helemaal niets mee te doen, met dit toxische archief, en er later eens serieus, liefst met een chaperonne erbij of onder andere veilige begeleiding, naar te kijken, - de hele zooi te ordenen en zéér, zéér uit te dunnen. Al was het maar voor mijn kinderen later. Dat zij niet hoeven te verzuipen, in een toch al moeilijke tijd, in die overstelpende overvloed van een voorgoed verdwenen wereld.

Die foto van Rens als koorzanger was er niet bij.


zondag 16 augustus 2026

MIDWEEK


Een diepe vermoeidheid volgde op ons verjaardagscadeau.
Toen we zeventig werden, mijn vriendin en ik, kregen we van de kinderen een vakantiereisje. De agenda's van mijn drukbezette nakomelingen werden vergeleken en er werd een ruim huis uitgekozen - niet te ver, want het ging om vier nachten, een midweek.
Het werden de vertrouwde Ardennen. Zoon en gezin planden hun vakantie de week ervoor in de buurt, zodat het mooi aansloot. Wij haakten de maandag van de tweede week van hun verblijf aan.
Het afgelegen huis was prachtig. Een typisch Belgische fantasie van natuursteen met een romantisch torentje met weerhaan en ingewikkelde, door riskante trappen verbonden verspringende kamers, die de feitelijk nogal kleine ruimte tot een koel labyrint maakten.
Vooral dat koele was welkom want het was bloedheet. Een grote bostuin eromheen met buizerds, vossen en vuursalamanders (naar verluid, de kreekjes waren drooggevallen). Een jeu-de-boulesbaan. De barbecue lieten we maar onaangeroerd. Die droogte, de natuurbranden; bovendien waren er veganisten onder ons.

Anders dan op vroegere vakanties werd er nauwelijks gedronken. Mijn jongste dochter en ik moesten het vaandel hooghouden en deden dat dapper maar met verstandige reserve. Althans, mijn jongste dochter. Ik deed mijn best en vermeed excessen maar al met al ging er toch flink wat (lichte, verkwikkende) Luxemburgse wijn doorheen.
Veel deden we ook overigens niet. De hete dagen werden ontspannen gevuld met familieplezier. Er was ruimte om te lezen of gitaar te spelen, er werd goed gekookt uit wat Delhaize en Carrefour te bieden hadden, de zeventigers hoefden niets te doen, wat fijn was, heel fijn, het eigenlijke cadeau.

De woensdag was bestemd voor toerisme dat een ritje naar een riviertje oversteeg. Kleinzoon N. was vlak voor onze aankomst jarig geweest en mijn vriendin had het briljante idee gehad hem mee te nemen naar de Abdij van Stavelot. Daar is in de gewelven een permanente tentoonstelling ingericht die gewijd is aan het naburige circuit van Francorchamps. Zalen vol legendarische racewagens: hij rende opgewonden rond en zijn vader, die ook van auto's houdt (als driejarig jongetje kon hij automerken aan hun wieldoppen herkennen - mij was het, toen 33, nooit opgevallen dat auto's verschillende wieldoppen hadden), - zijn vader deed drie keer de ronde met hem, terwijl wij in de bovenzalen van het Benedictijner klooster het leven van Guillaume Apollinaire bestudeerden, die als jongeling een tijd verbleef in Stavelot, en ons vergaapten aan Japanse houtsneden van Hokusai (de beroemde Grote golf van Kanagawa, eerste druk, met het originele houtblok) en Hiroshige (mijn favoriete Brug in de regen).
We aten op een terrasje in de schaduw en 's avonds keken we hoger op de heuvel, bij het helaas gesloten Relais des Pêcheurs, naar de zonsverduistering.
Daarna waren er vallende sterren.
De volgende dag was het weer tijd voor lezen, spelen en klooien. 

Dus, waarom, vraagt u zich ongetwijfeld af, lezer: waarom die "diepe vermoeidheid" van de openingszin?
Welnu. Vrijdag vertrokken we vlot, deden nog wat boodschappen voor thuis (rauwe ham, koekjes, confiture, artisanale bieren, Riesling, etc.), hadden nog de overmoed om in het begin klein te rijden, - en kwamen, eenmaal op de snelweg, in een enorme file bij Luik terecht. Die was echter helemaal NIETS vergeleken bij de epische file bij Eindhoven, waar al het verkeer op de toch al gevoelige rondweg op één rijbaan geperst moest worden. We kropen auto voor auto voort, en stonden praktisch stil, ruim een uur lang. Toen kwamen er mysterieuze files na Den Bosch (we konden geen aanleiding ontdekken) en nog wat gewone vrijdagdrukte. Al met al duurde een ritje van ruim drie uur nu, inclusief een plas- en koffiepauze, mínstens dubbel zo lang. 's Nachts zag ik auto's flitsen in mijn ooghoeken, zoals vroeger, als ik lange dagen over autobanen had gejakkerd, en mijn benen waren slap van het optrekken en remmen. 

Het volgende noteer ik om het niet te vergeten.
Blijkbaar was dit een zwarte vrijdag. Ik kende alleen de zwarte zaterdag. Die voortaan koste wat kost mijden! Google is your friend, check data!
En: moet er per se in hartje zomer naar die contreien worden gereisd op een riskante datum: ga via Nijmegen naar de Bundesbahn, zoef naar het Zuiden en sla ergens bij Verviers af naar België. MIJD DE A2!

[Ik wil een Zwartboek aanleggen van al die dingen die men zich voorneemt nooit meer te zullen doen, en die je gaandeweg toch weer vergeet. Valkuilen waarin je blijft trappen. Bepaalde gerechten in bepaalde restaurants eten bijvoorbeeld. Toch maar weer naar die en die oude held gaan kijken of luisteren van wie je weet dat hij of zij het niet meer kan, etc. En dan dat boekje regelmatig doorlezen.]