vrijdag 30 januari 2026

WARM


Ik pakte mijn gitaar uit en legde mijn teksten klaar. Martijn stemde, Jenny blies haar fluit warm. We trapten af met Een meisje van zestien, ietsje langzamer dan we gewend waren. Een lekker tempo, vonden we. Zonder haast, zonder drang. 
In de auto op weg naar Zaandam dacht ik nog: Och, het is eigenlijk wel mooi geweest. We doen dit al ruim drie jaar, misschien wordt het eens tijd voor iets anders? Maar nu, al zingend en spelend, verspreidde een warmte zich door mijn ziel, anders kan ik het niet zeggen. Het was lekker om deze liedjes die we zo goed kennen weer te zingen en het voelde ook zinvol; het was of ik een oude jas aantrok die me volmaakt paste en me beschermde tegen de winterkou, zei ik tegen mijn medemuzikanten, ik schaamde me nauwelijks voor het cliché. 

Dat was gisteren, op wat Lennaerts 81e verjaardag geweest zou zijn. Zojuist vertelde ik hoe het, bijna tijdens Meester Prikkebeen, zachtjes was beginnen te sneeuwen in Zaandam, met heel kleine, maar suggestieve vlokjes.
'Lennaert keek mee van boven,' zei mijn dochter, die de tafel aan het prepareren was voor een sessie van Vampire: The Masquerade. 'Zo is dat,' knikte ik.
Meteen daarna herinnerde ik me dat ik die frase in iets andere vorm al eens gebruikt had. In een blog uit januari 2013 over de opening van een expositie, voorafgaande aan het Nijgh-festival. 

Blijkbaar had Lennaert die middag met welgevallen op ons neergezien, vanuit zijn hemelse kroeg. Want toen ik de parkeergarage uitreed moest ik mijn ruitenwissers aanzetten. Eerst dacht ik dat het regende. Maar, o wonder, het was sneeuw.

A.s. zondagmiddag, 1 februari, om 15.00 uur, treden we op in de Noordeinder Vermaning.
Noordeinde 18
1485 EV Noordeinde
Entree 15 euro.
Voor de gelegenheid is het programma uitgebreid met nieuw repertoire en een nieuw instrument: naast gitaar, mandoline en percussie bespeelt Martijn ook de bouzouki. Volg de link hieronder om kaartjes te bestellen. Van harte aanbevolen!

vrijdag 23 januari 2026

OPGERAAPT


Het kastje was na weken van bibliofiele armoede aangevuld met nieuwe bandjes. Er was duidelijk een liefhebber van poëzie langsgekomen. Ik tilde bundels op van Leonard Nolens, de op Tweede Kerstdag jongstleden overleden Vlaamse dichter, en van zijn Hollandse collega-romanticus Jean Pierre Rawie. Daarna pas zag ik de verzamelde gedichten van M. Vasalis, degelijk maar onaantrekkelijk uitgegeven. Drie bundels werd me opeens te veel. Ik heb de voornaamste werken van mevrouw Droogleever-Fortuyn-Leenmans alias M. Vasalis al in de kast staan en, hoewel ik warme herinneringen heb aan De idioot in het bad en Afsluitdijk, ben ik nu ook weer niet zo gek op haar werk dat ik het volledig wil bezitten. Maar Vasalis negeren en Nolens en Rawie wél meenemen leek me ook weer vreemd. Ik besloot vandaag met lege handen naar huis te gaan en legde ook Een Hollands drama van Van Schendel, dat ik me al had toegeëigend, terug.
Tevreden over mijn schrale, bij januari passende zelfbeheersing (de boekenkasten zouden vandaag niet verder gaan uitpuilen) liep ik verder. Naast een uitspringende nis waarin zich, achter raamglas, sinds jaar en dag een kleine verzameling curiosa bevindt, met een briefje met een telefoonnummer erbij voor eventuele geïnteresseerden, stonden wat soortgelijke voorwerpen op straat: een gipsen Mariabeeld, een tabouretje, onduidelijke stukken houtsnijwerk. Een vrouw met een rollator (ik ken haar van vroeger, ze had ooit een winkeltje met antiquiteiten in mijn straat) stond ervoor stil. 'Dit mag je zomaar meenemen,' zei ze met weifelende stem. Ik knikte, mompelde mijn verbazing, liep door maar draaide me om en keek toe hoe ze het tabouretje loswrikte uit de verzameling. Toen ze zich weer in beweging had gezet ging ik terug; zonder dat ik het me bewust was geweest had ik in die luttele minuten of zelfs seconden een keus gemaakt: ik had het verdiend na mijn ascetisch negeren van de boekjes. Ik pakte het Mariabeeld op, het was een kleine vijftig centimeter hoog. Ik zag dat de Heilige, Wonderdadige Maagd onder haar blote voeten een fel gekleurde, venijnig ogende slang in bedwang hield of misschien vertrapte. Haar armen hield ze uitnodigend gespreid, geen zoetelijk kindje belemmerde haar dat. 
Boven borg ik mijn boodschappen weg en zocht naar een geschikte plaats voor het beeld. Dat was nog lastig, want alle oppervlakken in mijn huis zijn druk bezet met de vele memorabilia en siervoorwerpen die ik niet wil wegdoen. Uiteindelijk besloot ik het op het mahoniehouten Indische kastje in mijn halletje te zetten, voor de antieke spiegel van oma, tegenover de krullerige dubbele wandkandelaar, onder de krans van gedroogde rozenbottels, overgebleven van een kerstmis van jaren her. Op de witte kast van waaibomenhout waarin allerlei nuttige rommel ligt, pillen, potjes, etuis, opladers, ducttape, gereedschap, en die is afgedekt met de grand foulard die tot voor kort de slijtplekken van de inmiddels het huis uit getakelde Chesterfield bank aan het oog onttrok, was geen plaats meer, daar staan de bloemenvazen. 
Ik bedacht dat de tijd nu toch echt dichtbij komt dat ik in BinnensteBuiten geportretteerd word. Welkom in mijn duurzame bohemien-bedoening; bijna alles van wat hier staat is gekregen, tweedehands gekocht of van straat opgeraapt. 


vrijdag 16 januari 2026

Voorheen Rookzangers Notitieblog 67: oninteressante tijden



Met de sneeuw verdween ook de echte geborgenheid van de eerste week van het nieuwe jaar. In het grijze, dooiende en al snel weer groene park was het uit met de winterpret. De toekomst werd beetje bij beetje zichtbaar, het niemandsland werd voorzichtig ingevuld met coördinaten. 
Wel was ik nog steeds in de ban van die roes, die zoveel productiever was dan de bedwelming van de feestdagen: mijn compositie in wording slokte me op. Het aanvankelijke idee, een "glanzende kiemcel" om met S. Vestdijk te spreken, groeide uit tot wat toch wel een kleine cantate genoemd mag worden. Ik haastte me om zoveel mogelijk te profiteren van deze bui van scheppingsdrang; de buitenwereld klopte al aan de deur en verzocht om mijn inbreng, voordat het zover was moest ik in elk geval alle koorpartijen op papier hebben. 
Ik maalde, overeenkomstig een van mijn voornemens, niet om het nieuws; dat heeft me genoeg dwarsgezeten de laatste jaren. Ik begreep dat de oranje clown nu echt alle redelijke proporties uit het oog aan het verliezen is. Maar er is één vaderlandse militair naar Groenland gestuurd, de clown zal sidderen in zijn Capitoolse bed. Verder probeerde ik mijn ogen en oren zoveel mogelijk te sluiten voor wat er tot me doordrong uit de boze buitenwereld. 
Vriend Robert postte een gedichtje op Facebook van Brian Bilston. Ik kende hem niet, het bleek een pseudoniem van Paul Millicheap te zijn, geboren in 1970 te Birmingham. Deze Poet Laureate of Twitter publiceerde online poëzie, vooral light verse, die hem 400.000 volgers opleverde. Die populariteit leidde tot reguliere, papieren uitgaven. 
Eergisteren deed ik mijn middagdutje met de katten maar mijn brein stond na een morgen componeren nog te veel aan om weg te dutten bij het beschouwen van de wolken die langs het raam dreven. Ik herinnerde me het gedichtje dat mijn vriend had gepost, hem, en ook mij, uit het hart gegrepen. Ik deed een vertaalpoging die ik me voornam later te zullen verfijnen.

Gebed voor oninteressante tijden

Geef me een geen-nieuws-dag,
Een ingetogen dag,
Met niets in 't bijzonder in zicht
Dan de tijd die verstrijkt,
Een glas dat leeg blijkt,
Een herhaling van Flikken Maastricht.

Gun me een goed-nieuws-dag,
Een ik-heb-geen-mening-dag,
Een dag die alleen wordt besteed
Aan tijd met zijn twee,
Wat lokale teevee,
Een dag die je snel weer vergeet.

(Prayer for Uninteresting Times, Brian Bilston)

                                                                     *

Met Ierse nachten heeft Vestdijk bepaald niet zijn beste boek geschreven, al waren tijdgenoten een andere mening toegedaan: er werd zelfs gesproken van "zijn absolute meesterwerk". Mij kon het boek in elk geval niet erg boeien, het eerste boek van deze wonderlijke schrijver waarover ik dat moet zeggen. De materie, het Ierland van de negentiende eeuw, zwaar zuchtend onder het Engelse juk, ben ik ontgroeid. Magie, folklore, whiskey en Keltische romantiek bekoorden me mateloos toen ik decennia jonger was, nu is dat niet genoeg om een roman te kunnen dragen. De schuld ligt misschien bij de hoofdpersoon. Door de ogen van deze opgroeiende jongen zien we alles gebeuren zonder dat hijzelf gestalte krijgt. Reisgids Vestdijk had zoveel te melden, zoveel couleur locale te schilderen in taal, dat hij aan de invulling van de protagonist niet toekwam, die blijft een lens waardoor we de gebeurtenissen waarnemen, niet veel meer. Dat maakt dat de lezer niet erg betrokken raakt bij het fictieve Ballyvourney en zijn inwoners. De moeder van de jongen, een tragisch personage in haar gefrustreerde talent en haar betrokkenheid bij het arme, onderdrukte dorp, komt beter uit de verf maar de roman is te fragmentarisch om haar drama voelbaar en aangrijpend te maken.

Ik heb me vaak afgevraagd waarom ik zo laat, pas in mijn negenenzestigste levensjaar, een Vestdijk-lezer ben geworden. Vanmiddag, wandelend door de lenteachtige straten, nadat ik in de weggeefbieb in de Ter-B.-straat maar liefst drie boeken van hem had gevonden, viel me een voorzichtig antwoord in.
Vroeger had ik geen boodschap aan die manische woordenvloed, aan die openingspassages die rumoerig met de deur in huis vallen; ik wilde boeken die begonnen met Er was eens of In het jaar 18.., in de goede stad A., ik zocht in mijn boeken een bezonnen oordeel over de wereld, ik hield van de maximen van de wijzen, waaraan ik me kon vastklampen als het leven me te chaotisch was. Nu ik tamelijk oud aan het worden ben en enige wijsheid heb verworven (haha, jaja) verlang ik van een boek soms dat het me drenkt in de wilde levensstroom. Overzicht en geruststellende routine heb ik al genoeg in het echte leven, in mijn literatuur wil ik iets anders: weer jong zijn, desnoods ten koste van mijn gemoedsrust. 

vrijdag 9 januari 2026

IJsvrij, Bruch en Frost

In het park zag ik kindjes die op een gierend sleetje voortgetrokken werden, flink ingepakt, met rode wangen; die zullen later, over twintig, dertig jaar, zeggen, net als wij dat doen: in mijn jeugd sneeuwde het altijd. 
Ik maakte deze week opnieuw kennis met een heel oud fenomeen: ijsvrij. De besturen van mijn beide koren vonden het niet verantwoord om 's avonds naar de repetitie te gaan. Kwieke mensen, die zangers, maar op leeftijd, en hardnekkige fietsers, anders dan hun dirigent; en die malle maar verstandige helmpjes beschermen je niet tegen een gebroken heup. 
Zo werd het een week zonder afleiding van buitenaf. Ik kon me helemaal wijden aan het componeren van nieuwe muziek, een klein requiem op teksten van onder meer Rimbaud, voor de aanstaande dodenherdenking. Mijn dagelijkse wandeling door het park was vooral woensdag sprookjesachtig mooi. Maar zelfs toen het gisteren flink ging dooien bleef het sneeuwdek ginds onverlet, door de koude ondergrond. De vogels hadden honger, er werd flink gekrijst. Ik hoopte maar dat de roerdomp en de ijsvogels nog een wak konden vinden.
Na die welbestede dagen trok ik me terug in de veilige kuip van mijn oudroze zetel. Ik betreurde het wel een beetje dat ik uitgerekend nu, in deze zeldzame omstandigheden, geen sfeervol glas wijn of nog liever cognac kon drinken; eigen schuld: als ik een wat matiger mens zou zijn hoefde ik me na de feestdagen niet zo te straffen met strenge onthouding en kon ik met gerust hart een uitzondering maken.
Ik herinnerde me hoe mijn vriend E. en ik vele jaren geleden in de huiskamer van zijn ouderlijk huis (de ouders waren blijkbaar elders) op meeslepend volume het vioolconcert van Bruch hadden gedraaid. We dronken er cognac bij. Buiten woedde een sneeuwjacht en we waren romantisch gestemd. De oude, dikke kat, die van E.'s vader aan tafel mocht zitten en lekkere hapjes rosbief of vis toebedeeld kreeg, hoorde er niet van op, van die luide violen; hij sliep rustig door. Maar als er iets tikte in de potkachel spitste hij alert de oren; wij verwonderden ons daarover. Selectief luisteren, het buitensluiten van als onwenselijk beschouwde geluiden -  is dat hoe je met tinnitus moet leren omgaan? Mijn eigen oorsuizen was aan het eind van de decembervieringen op schrikbarend hoog niveau geraakt, parallel met het opgejaagde ritme van mijn hart. Al na een paar dagen sober leven werd het suizen weer normaal, een schelp vol wind en branding, en ook het hart hervond zijn gewone slag.
Ik herinnerde me nog een avond met vriend E., die net als ik door de kunsten gefascineerd was: deze avond was bij mij thuis, in Slotermeer, ook mijn ouders waren uithuizig. Het moet een paar jaar voor die sneeuwavond zijn geweest. We zaten aan de eettafel en tekenden met pen en Oost-Indische inkt. E.'s tekening heette Des pas sur la neige, naar de pianomuziek van Debussy die op stond. Of het die avond ook sneeuwde weet ik niet meer, misschien is de associatie uitsluitend op rekening van de muziek te schrijven. Ik vraag me af of hij die tekening nog heeft; de mijne, Glupo de Zeebold genaamd, bezit ik nog. 
Bij gebrek aan stemmige drankjes ontspande ik me na de arbeid met de televisie. Vier dagen exact dezelfde programma's op NPO2 en NPO 2 Extra, afgerond met een half uurtje luit spelen en de lezing,  in bed, van Vestdijks Ierse nachten en iedere avond een verhaaltje uit Dubliners van James Joyce als slaapmutsje.
We lieten de kerstboom nog maar even staan. Jammer dat de timing van dit winter wonderland niet beter was gedaan door de Natuur.
Wel dik in orde was de timing van het verschijnen van mijn nieuwe bundel vertalingen. Frost, Robert Frost. Toen ik vanmiddag op weg ging naar Lokaal 't Loosje waar ik uit handen van uitgever Jaap Schipper het eerste exemplaar zou ontvangen, regende het nog, een kille, miezerige regen. Op de terugweg joegen dikke vlokken sneeuw wanordelijk door de asgrijze lucht, de eerste bleven alweer liggen op bomen en autodaken. In de tram keek ik beurtelings naar de door Breitner geënsceneerde stad en naar de prachtig bedrukte bladzijden van het in terracottakleurig papier ingenaaide boekje. Het komt binnenkort officieel uit. Als u interesse heeft, laat het me gerust weten. 

Robert Frost:
Aan de wind die dooi brengt
Gedichten gekozen en vertaald door Jan-Paul van Spaendonck
Statenhofpers, Den Haag


vrijdag 2 januari 2026

RAMPTOERISME


Op Nieuwjaarsdag was ik rusteloos. We hadden een goede jaarwisseling gehad, traditioneel geëindigd met bubbels, hapjes en oude videoclips - gelukkig waren de Les Humphries Singers er ook weer bij (Mexico!!!!). De dag begon met de oliebol die ik op Oudejaarsavond wegens overbelasting van de maag had versmaad. Wat nu te doen? Ik ben de eerste dag van het jaar gaan beschouwen als een onbezorgde feestdag, mijn favoriete dag misschien wel. In mijn geboortestad puilen cafés en restaurants dan uit, vol opgelucht volk dat eensgezind de kater wegdrinkt; vreemden spreken je aan, iedereen zit in hetzelfde schuitje, de volgende dag is alles weer normaal maar nu is het nog feest. De druk is van de ketel, er hoeft even niets meer, behalve zo goed mogelijk herstellen van de vorige avond. 

Hier in de polder was alles potdicht. Horeca, voor zover die er is, opent pas op 2 januari zijn deuren. Zelfs de supermarkt is gesloten. Iedereen zit thuis, kijkt Weense walsen, Netflix of schaatsbaantjes, likt zijn wonden en bereidt zich voor op de eerste werkdag.
Ik voelde, naast die ongedurigheid, een onzekerheid: we hadden het er nog niet over gehad; hoe zou het vallen als ik mijn vriendin voorstelde om net zoals anders naar Wildschut te gaan voor bitterballen en haren van de hond en daarna naar de buurtpizzeria voor een groot bord tagliatelle alla bolognese, om de avond thuis te besluiten met oude, liefst eigen cd's, alvorens comateus te bed te gaan, helemaal toe aan de reinigende soberheid van januari? Zou ze niet liever thuisblijven, blij om eens niet aan mijn geliefkoosde ritueel te hoeven meedoen? Ik had geluk dat het hard woei en flink regende, ijsregen nog wel: een wandeling zat er nu niet in.
Ze streek over haar hart en via stille binnenweggetjes reden we naar Amsterdam. Daar aangekomen was het ondanks die mooie omwegen nog wat vroeg voor het café. We brachten onze bagage boven, groetten mijn dochter, wisselden verhalen uit over de avond ervoor, en besloten een rondje Vondelpark te doen. Kijker mee, ik beloofde mijn vriendin haar de roerdomp te laten zien. Daarna konden we ook even ramptoerisme bedrijven en de afgebrande Vondelkerk gaan bezichtigen.


Het was koud en modderig maar droog. De roerdomp was zo goed om zich te laten zien. Als voorafje kregen we een zwerm staartmeesjes (misschien wel mijn favoriete vogelsoort) en twee nerveuze vuurgoudhaantjes, eentje streek bijna op mijn ijsmuts neer.
De omgeving van de Vondelkerk was afgezet maar we zagen toch wel hoe enorm de schade was; ik hoop van harte dat ze de monumentale schepping van Pierre Cuypers gaan restaureren. Wat in Parijs kan, moet hier toch ook kunnen. 
Terug in het park - de lucht was dreigend duister geworden - kwam er een bak hagel op ons neer. We haastten ons naar het Blauwe Theehuis, dat als Elronds Laatste Huiselijke Huis feeëriek en vriendelijk oplichtte in het kale park. Daar heerste een hipstersfeer die ik vandaag goed kon hebben, in de mildheid die ik jegens de wereld en de mensheid voelde. Er werden bordspelletjes gedaan, tafelvoetbal, Mens erger je niet! Bakjes friet voor de kinderen, gemberthee en bier van Brouwerij 't IJ voor paps en mams. 
'Ik wil toch ook nog even naar Wildschut,' zei ik toen mijn IJndejaarsbier (9 %) op was. Het was inmiddels weer droog.
In mijn stamcafé van weleer waar ik dagelijks de krant las en koffie verkeerd dronk en door het personeel 'de man met het pijpje' werd genoemd, voor Covid de routine veranderde en de wandeling door het park in plaats kwam van het cafébezoek, was een tafeltje vrij in het achterste gedeelte, het intieme, met de zachte zetels. Ik ken daar niemand meer maar we werden meteen bediend. Aan de tafel naast ons zat een van de bedienden van toen, een aardige jongeman die me de eerste koffie van het nieuwe jaar altijd gratis schonk en me een kaart met persoonlijke nieuwjaarswensen gaf. Hij had een klein meisje op schoot. We gaven elkaar een hand en praatten wat. De bitterballen waren weer opvallend goed, zeker als je ze vergeleek met de bitterballen die we de dag ervoor in de bioscoop van Hoorn hadden gegeten, waar we de zwarte komedie De laatste Viking hadden gezien. 

In de buurtpizzeria, die in The Rough Guide of zoiets moest staan, want het zit er altijd vol met jonge buitenlanders die op de bescheiden prijzen afkomen, was de baas, normaal een zwijgende, somber uitziende man, eerder Turks dan Italiaans, al heb ik het hem nooit gevraagd, in een opvallend jolige bui. Misschien had zijn therapeut hem gezegd dat hij wat minder onderdanig moest zijn, je weet het niet. Hij berispte me om het gebruik van het woord 'karaf'. Dat was een liter, haha, dit halfje mocht die naam niet hebben. De bruschette met rauwe ui en tomaat zette hij zonder commentaar neer maar mijn bestelling voor het hoofdgerecht trok hij in twijfel. Tagliatelle... met bolognesesaus? Is dat lekker? Dat hoort niet, het hoort met penne. Ik ging er maar niet op in maar haalde mijn gelijk tegenover mijn vriendin, die carbonara at (met room!): tagliatelle is de oorspronkelijke pastasoort bij deze saus, zo heb ik het zelf kunnen constateren in Bologna. Volgens de Italianen bestaat er niet eens zoiets als spaghetti bolognese, laat staan dat je er penne mee serveert.
Een grappa met espresso toe. Misschien om mijn lacherig aangevochten eer te herstellen gaf ik een ruime fooi.

Thuis draaiden we nog onze kerst-cd van negen jaar geleden, waarop mijn gestorven vriend G. zingt. Zijn warme, gruizige stem trof me onverhoeds en ik was in tranen voor ik het wist. Dat voelde bevrijdend en bevrijding is wat je zoekt op Nieuwjaarsdag.

Voorheen Rookzanger wenst jullie allemaal een mooi, vredig, gezond en zo mogelijk gelukkig 2026 toe!



zaterdag 27 december 2025

KERSTGROET


Daar zit hij dan, de blogger die zich Voorheen Rookzanger noemt. Achter het toetsenbord. Hij besefte opeens dat de dag ervoor, de vrijdag, voorbij was gegaan zonder zijn wekelijkse blog. Het was namelijk Tweede Kerstdag geweest, en hij had die heilige dag besteed aan het koken voor zijn familie en aan het eten, drinken, praten en zingen met die familie. Luidruchtig was het weer geweest, jazeker, het kerstfeest; en onmatig, jazeker, hoewel sommigen zich geweldig aan hun van tevoren gestelde maxima hadden gehouden. Voorheen Rookzanger had zich niks voorgenomen dus hij had die eventuele maxima flink overschreden, merkte hij de morgen erna.
Daar zit hij dan, de blogger, derde kerstdag. Omdat het zaterdag is, weekend, kerstvakantie bovendien, heeft hij zich een zwaar winterbier ingeschonken, Voorheen Rookzanger. Januari is nog ver. Een diepvriespizza zal het worden, straks. Niet moeilijk doen. In 2026 wordt alles anders.

(De illustratie is het omslag van de voorlaatste "Donald Duck" uit 1956, mijn geboortejaar)


vrijdag 19 december 2025

ROERDOMP


Het was goed weer voor vogels. Vlak bij het huis van mijn vriendin, verscholen in de Eilandspolder, liggen het Kerkemeertje en het Uilenbosje. Het eerste heeft een vogeluitkijkpost, het tweede weliswaar geen uilen, maar ik heb er ooit mijn eerste en enige beflijster gezien. Bovenal is het rondom dit laarzenpad erg stil; alleen het suizen van de wind, verder is er weinig te horen.
Om de vogels af te schrikken had ik mijn kijker meegenomen. Afgezien van een Grote Canadese Gans zagen we dan ook weinig. Toen we het zompige rondje door riet en struikgewas hadden gelopen vloog er een flinke zwerm vogeltjes op die zo snel bewogen dat ik ze niet scherp in beeld kon krijgen. Tegen de grijze lucht was er geen kleur te onderscheiden. Later determineerde ik ze op grond van hun dansende manier van vliegen en het geluid als overtrekkende kepen. Maar zonder ondersteunend bewijs van mijn ogen vond ik de waarneming toch niet helemaal bevredigend.


Dinsdagavond, ik wilde een productieve dag afsluiten met een hoofdstuk Ierse nachten, voelde ik bij het uitkleden opeens een onderhuids knobbeltje van een kleine centimeter op mijn rechterbovenbeen, net boven de knie. Googelen leverde een aantal scenario's op, van rooskleurig tot zwart. Ik besloot meteen de volgende dag de dokter te bellen en me verder niet te veel zorgen te maken. Maar ik sliep slecht en was de volgende dag onuitgerust.
In het park zag ik alles als door een floers. Ik was er wel, maar was er ook niet. De scenario's (de zwarte, niet de rooskleurige) domineerden mijn denken en ik leefde in een gevreesde toekomst in plaats van in het moment. 

Daar kwam R. aangereden op zijn scootmobiel. R. is een alerte, goedlachse, langharige vijftiger die elke dag zijn ronde maakt, uitgerust met een sigaartje, een joint en een flesje tripel. Hij weet veel, van van alles, en de andere lanterfanters van het park respecteren hem als een autoriteit op vrijwel ieder gebied. Volgens M. heeft hij uitgezaaide longkanker maar laat hij zich niet behandelen: hij ziet wel hoe het loopt, ooit zullen ze hem dood op straat vinden, tot dan toe maakt hij er het beste van.
R. wees naar het lege ooievaarsnest en vroeg of ik ze al gezien had. Ja, zei ik begrijpend, gisteren zat er een op het wiel. R. knikte en doceerde met zijn rauwe accent over het veranderende migratiegedrag van de vogels, opperde zijn vermoeden dat het jonge voorbijgangers waren geweest, niet de vaste bewoners van het park.
Vlak voor hij verder reed vroeg hij: 'Ga je nog naar de roerdomp?'

Daar schrok ik een beetje van. De Roerdomp is de naam van de kleuterschool waar ik mijn levenslange vriend Robert leerde kennen en naar verluid met Henk Poort in de zandbak heb gespeeld. Maar de weg terug daarnaartoe is er niet - Hier wird kein zweites Mal gelebt!
De verbazing moet op mijn gezicht te lezen zijn geweest want R. remde en nam de tijd voor uitleg. Er was in het park een roerdomp neergestreken, het was op het nieuws geweest. Vogelaars uit de wijde omtrek kwamen kijken, want de "rietreiger" is een zeldzame en vooral heimelijke vogel: ze zijn zo goed in camouflage dat de kans er een te zien klein is. En wat dit exemplaar hier in de stad deed was een raadsel waarover zelfs de stadsecoloog zich had gebogen. 
Ik bedankte R. voor zijn tip en liep naar het achterafpaadje aan het water dat hij me gewezen had. Inderdaad zag ik daar een samenscholing mensen m/v, gekleed in dekkende kleuren en uitgerust met camera's en kijkers.
En al snel zag ik, niet in de kenmerkende paalhouding, maar voorovergebogen over de sloot speurend naar vis, de roerdomp. Niet mijn eerste, heel lang geleden had ik er een in het voorbijgaan langs een vaart zien staan, in het riet, met de nek stijf gestrekt zoals het hoort. Zo rustig bekeken viel het me op hoe groot en lomp het dier was, op zijn dikke groene poten. Tegen de vogelaars naast me veinsde ik verbazing: 'Hé, maar... is dat... een roerdomp?' Ik kreeg een kijker in handen en we maakten een praatje. Ik bleef nog wat staan turen, groette, en ging verder.
Na een tijdje daagde het besef, dat ik al een kwartier niet aan de knobbel had gedacht. 


Illustratie: Henri Verstijnen (1882-1940)