Rondom een opengekrabde insectenbeet op de zijkant van mijn linkervoet verscheen een rode vlek die zich als een zeeanemoon uitbreidde. Een dag later kleurde de plek pimpelpaars. De huid was strak, maar niet warm, pijnlijk of gezwollen. Mijn dochter dacht aan een bloeduitstorting, maar mijn vriendin vond het er niet goed uitzien, herinnerde zich de teken in de Ardennen en op de Drentse camping en drong aan op een consult bij de huisarts.
Ik belde met de assistente. Het was erg druk op de praktijk maar als ik een foto stuurde kon ze samen met de dokter kijken of een afspraak nodig was. Ik maakte een plaatje van de donkere vlek (waarschijnlijk bloedvergiftiging, waarschijnlijk levercirrose) en stuurde die op. Even later werd ik gebeld: de dokter wilde me graag even zien. Schikte half twee?
Veel te vroeg was ik bij de huisartsenpost. Ik liep nog een rondje, Schubertstraat, Wagnerstraat, voor ik in de lege wachtkamer plaatsnam. Een kwartier verstreek. Nog eens een stil kwartier later keek er een vrouw om de hoek. Even een update. Het speet haar maar de dokter was weggeroepen voor een spoedgeval. Hoe lang wilde ik nog wachten? Ik zei dat ik nog wel even tijd had, en ik was hier nu toch. Een half uurtje later was ze er weer. Helaas! Het ging allemaal veel langer duren dan gehoopt, de afspraak moest naar de volgende dag verzet worden.
Ontevreden liep ik naar huis. Een uur zitten op een bankje in het park is plezierig. Diezelfde ledigheid in een wachtkamer voelt heel anders.
Vandaag was de anemoon duidelijk minder fel gekleurd. Het waaide flink en het regende. Ik ging toch, afspraak is afspraak. Stipt om halftwee verscheen een jongeman met blosjes op de gladde wangen. Hij keek eens goed, kneep wat en oordeelde: 'Lyme is het zeker niet. Ik kan er niets anders van maken dan een bloeduitstorting. Antibiotica hoeft niet, een zalfje heeft geen zin. Hou het in de gaten, maar het gaat vrijwel zeker vanzelf weer over.'
Ik trok mijn sok en schoen weer aan.
'Dus van amputatie is geen sprake?'
Hij had even tijd nodig om te schakelen van ernst naar scherts. Toen zei hij met een voorzichtig lachje: 'Nee. Maar dat kan altijd nog.'
Voorheen Rookzanger
vrijdag 4 september 2026
ANEMOON
zondag 30 augustus 2026
Maar stiekem snakken wij…
Subtiel, vernuftig, met verfijnde pracht,
Lijkt ons bestaan in lichte dans te draaien
Om ’t grote Niets dat wij aldus verfraaien,
Waaraan het zijn ten offer is gebracht.
O al die mooie dromen, speels en blij
Ons aangeblazen, harmonieus ontbloeid,
Diep onder jullie oppervlakte gloeit
De zucht naar nacht, naar bloed, naar barbarij.
In leegte wervelt zonder dwang of nood
Ons leven, altijd wel tot spel bereid,
Maar stiekem snakken wij naar werk'lijkheid,
Naar diepe moederschoot, naar pijn en dood.
Hermann Hesse, 1901 (in 1943 gepubliceerd in “Das Glasperlenspiel”)
Copyright vertaling: JPvS
Anmutig, geistig, arabeskenzart
Scheint unser Leben sich wie das von Feen
In sanften Tänzen um das Nichts zu drehen,
Dem wir geopfert Sein und Gegenwart.
Schönheit der Träume, holde Spielerei,
So hingehaucht, so reinlich abgestimmt,
Tief unter deiner heiteren Fläche glimmt
Sehnsucht nach Nacht, nach Blut, nach Barbarei.
Im Leeren dreht sich, ohne Zwang und Not,
Frei unser Leben, stets zum Spiel bereit,
Doch heimlich dürsten wir nach Wirklichkeit,
Nach Zeugung und Geburt, nach Leid und Tod.
vrijdag 28 augustus 2026
LIJSTJE
Dinsdag brak ik met mijn ingebakken weekindeling. Die slaat nergens meer op voor een pensionado en heeft sowieso nooit ergens op geslagen - ik ben immers mijn eigen baas. Ik stapte in de auto en reed naar de polder om mijn vriendin te verrassen.
De wind woei flink door de nazomers blauwe hemel. Eilandenweer, zei mijn vriendin. We plukten een uur lang distels uit het weiland, daarna spoelde ik het zweet af en las in een tuinstoel Het fregatschip Johanna Maria van Arthur van Schendel uit; in de schaduw, glas verantwoorde Riesling van de Ekoplaza binnen handbereik.
Mijn vriendin had nog wat andere klussen te doen. Werk voor twee, op de boerderij, ook als je geen schapen meer hebt. We aten een salade met stokbrood en wat overgebleven stukken pizza. Toetje met pruimen uit eigen tuin toe.
's Avonds ging de wind liggen, de vleermuizen kwamen, en we keken lang naar de sterren. Twee steelpannen, groot en klein, Poolster.
De volgende morgen reed ik terug naar de stad. Las op het balkon in Wim Hazeu's biografie van Marten Toonder. Sufte even op bed met de katten.
Daarna had ik een ingeving die de dreigende landerigheid doorbrak.
Hoe ik erbij kwam, geen idee, - maar die oude gitaar van het eerste decennium La Passione, die al twintig jaar lag te verstoffen in haar gehavende koffer met stickers fragile erop, een verminkt en incompleet instrument: stemmechaniek kapot, een barst in het bovenblad, vier ontbrekende snaren, - daar moest iets mee gebeuren en waarom niet nu?
Het eerdere plan, dat ik dit product uit de werkplaats van Ricardo Sanchis in Valencia maar gewoon moest wegdoen, desnoods bij het grofvuil, leek me nu bizar. Ik schoot in mijn slippers en droeg de koffer door de zwoele middag naar de winkel waar ik de gitaar ooit gekocht had, gaf mijn wensen te kennen en ging met een licht gevoel naar huis om een was te draaien of iets dergelijks; maar eerst zat ik nog een tijdje op een bankje aan de kade en keek naar de flonkeringen in het water.
Als ik grip op de dingen verlies ga ik lijstjes maken. Meestal gebeurt dat als ik druk ben met verplichtingen die te veel van elkaar verschillen en me zorgen maak of het allemaal wel op tijd af komt.
Maar die behoefte aan orde op zaken stellen kan ook ontstaan, als je juist te weinig om handen hebt. In het grote drijfzand van een lange zomer bijvoorbeeld. Als je ontevreden bent en naar structuur begint te verlangen.
Ik stuurde mijn zoon een foto van de gitaar in de werkplaats. Ah ja, ik hou ervan, antwoordde hij. Frisse wind. Wat je in huis hebt ook daadwerkelijk KUNNEN gebruiken en in orde maken.
Het succes van de gitaar smaakte naar meer. Daar kwam het lijstje. Eerst in mijn hoofd, later als mail aan mezelf, in bed.
Dat schilderijtje van Ger, vlak voor zijn dood aan mij geschonken, moet nu toch eindelijk een mooi, romantisch lijstje krijgen. Die oude geïnfecteerde computerschijfjes met brieven en verhalen, al jaren klaarliggend op mijn bureau, moeten naar een bedrijf worden gestuurd, dat ze, schoongemaakt, van WordPerfect naar Word kan overzetten. Enzovoorts, genoeg te doen, ook zonder schapen.
Zaak is wel, het voor het eind van de zomer te doen. Want als de routine van koren, lessen, concerten en missen weer begint verdwijnt de urgentie. Dan is het oplappen van een oude gitaar de minste van mijn zorgen.
vrijdag 21 augustus 2026
Rembrandt, Vestdijk, en... Rens
In de jaren 70 kochten mijn ouders van een colporteur de Rembrandt Bijbel. Zouden er nog ergens op de wereld mannen langs de deur gaan om een luxe boekwerk te slijten aan overrompelde burgers die gestoord worden in hun after dinner dip?
Het was een mooi boek, in een cassette, boordevol etsen en tekeningen, die de sprookjes van de Heilige Schrift beter weergaven dan de anonieme schrijvers van dat Boek.
Het inspireerde mijn vader om na het eten een stukje eruit voor te lezen, naar oude traditie. Hoewel hij die traditie nooit had gekend, want katholieken hebben niet zoveel met de Schrift, zeker niet met het OT, buiten de verplichte uurtjes in de kerk. Maar goed, mijn vader dacht op die manier tegengas te geven aan de chaos waarin het gezin met opgroeiende pubers was beland. Een moment van saamhorigheid en inkeer. Hij hield het niet lang vol.
Aan dat boek, aan de deur gekocht, moest ik denken toen ik deze week in het weggeefkastje in mijn straat een rode linnen band met goudopdruk zag: Rembrandt en de Engelen, twaalf gedichten en een acrostichon. Auteur S. Vestdijk, uitgeverij Stardust Theatre B.V.
Geïntrigeerd opende ik het. Het bleek te gaan om een herdruk van Vestdijks cyclus uit het jubileumjaar 1955: het 350ste geboortejaar van Rembrandt. In het 400ste geboortejaar, 2005 dus, kwam er, geheel naar de geest van onze tijd, een musical. Rembrandt de Musical. De producenten daarvan, onder wie Henk van der Meijden, zochten naar inspirerende teksten en vonden in een antiquariaat de vergeten gedichten van S. Vestdijk. Diens weduwe (en de beheerder van zijn nalatenschap), de 30 jaar jongere Mieke Vestdijk (1938-2018), gaf toestemming om citaten daaruit te gebruiken in het libretto.
En er kwam dus dat rijk geïllustreerde boek, met een voorwoord van Mieke en een portret van SV door Paul Citroen.
Heus een mooi boek hoor, degelijk, verzorgd, en smaakvol vormgegeven; maar ik blijf me toch afvragen wat Simon, een begaafd amateurpianist en muziekkenner van het meer verfijnde soort, Bruckner, Debussy, Mahler, Pijper, gevonden zou hebben van Rembrandt de Musical.
En zou hij zijn wenkbrauwen niet hebben opgetrokken bij die uitgeverij - geen Arbeiderspers of Bezige Bij, maar Stardust Theatre B.V.?
Soms is het goed dat een mens niet alles weet; de eigen nalatenschap kan men nog min of meer beheersen, maar het Nachleben van ons werk moeten we overlaten aan hen die na ons komen.
Kortgeleden werd ik benaderd door de zoon van "Rens". Hij wil een boek over zijn vader gaan schrijven. Of ik nog aanvullingen had op het blogje dat ik in 2015 aan hem wijdde?
Ik zette mijn geheugen aan het werk en omdat het nog zomer is en ik alle tijd heb sloeg ik er oude dagboeken op na.
Wat ik in dat blogje schreef was qua chronologie niet juist, dat bleek al gauw. Ik zocht verder en vond genadeloze correcties op mijn herinnering, die weer eens een mooi rond verhaal had gemaakt van wat in werkelijkheid veel rommeliger was.
Zoon V. en ik maakten een afspraak. Ergens moest ik nog een foto hebben van Rens, die, bleek uit mijn dagboek, een tijd in mijn koortje I Dodici had gezongen. Die zou ik om hem een plezier te doen meenemen.
Ik open de laatjes van de smalle archiefkast van roodgeverfd hout die meestal veilig gesloten de wacht houdt naast de deur van mijn cockpit. Dat is gevaarlijk werk. Ik ben wel gewend aan de confrontatie met het gefotografeerde verleden van de afgelopen 25 jaar, het digitale tijdperk. Die plaatjes rouleren als schermbeveiliging op mijn computer. Er is veel veranderd in die kwarteeuw, maar de spelers zijn dezelfde gebleven.
Met dit rode kastje is het anders. Elk laatje herbergt oude foto's die al heel lang wachten op een betere plek. Vooral uit de jaren 90 en het begin van deze eeuw. Een andere vrouw, vertrouwd en vreemd, vergezelt mijn andere zelf.
Dit is gif. De verleiding is groot, lezer, om stil te blijven staan bij elk verrassend residu van een lang vervlogen jaar, elke vergeten gebeurtenis of gelegenheid. Maar ik blader snel door, stapel na stapel, map na map, met het verstand op nul. Ik neem me streng voor er nu helemaal niets mee te doen, met dit toxische archief, en er later eens serieus, liefst met een chaperonne erbij of onder andere veilige begeleiding, naar te kijken, - de hele zooi te ordenen en zéér, zéér uit te dunnen. Al was het maar voor mijn kinderen later. Dat zij niet hoeven te verzuipen, in een toch al moeilijke tijd, in die overstelpende overvloed van een voorgoed verdwenen wereld.
Die foto van Rens als koorzanger was er niet bij.
zondag 16 augustus 2026
MIDWEEK
Een diepe vermoeidheid volgde op ons verjaardagscadeau.
Toen we zeventig werden, mijn vriendin en ik, kregen we van de kinderen een vakantiereisje. De agenda's van mijn drukbezette nakomelingen werden vergeleken en er werd een ruim huis uitgekozen - niet te ver, want het ging om vier nachten, een midweek.
Het werden de vertrouwde Ardennen. Zoon en gezin planden hun vakantie de week ervoor in de buurt, zodat het mooi aansloot. Wij haakten de maandag van de tweede week van hun verblijf aan.
Het afgelegen huis was prachtig. Een typisch Belgische fantasie van natuursteen met een romantisch torentje met weerhaan en ingewikkelde, door riskante trappen verbonden verspringende kamers, die de feitelijk nogal kleine ruimte tot een koel labyrint maakten.
Vooral dat koele was welkom want het was bloedheet. Een grote bostuin eromheen met buizerds, vossen en vuursalamanders (naar verluid, de kreekjes waren drooggevallen). Een jeu-de-boulesbaan. De barbecue lieten we maar onaangeroerd. Die droogte, de natuurbranden; bovendien waren er veganisten onder ons.
Anders dan op vroegere vakanties werd er nauwelijks gedronken. Mijn jongste dochter en ik moesten het vaandel hooghouden en deden dat dapper maar met verstandige reserve. Althans, mijn jongste dochter. Ik deed mijn best en vermeed excessen maar al met al ging er toch flink wat (lichte, verkwikkende) Luxemburgse wijn doorheen.
Veel deden we ook overigens niet. De hete dagen werden ontspannen gevuld met familieplezier. Er was ruimte om te lezen of gitaar te spelen, er werd goed gekookt uit wat Delhaize en Carrefour te bieden hadden, de zeventigers hoefden niets te doen, wat fijn was, heel fijn, het eigenlijke cadeau.
De woensdag was bestemd voor toerisme dat een ritje naar een riviertje oversteeg. Kleinzoon N. was vlak voor onze aankomst jarig geweest en mijn vriendin had het briljante idee gehad hem mee te nemen naar de Abdij van Stavelot. Daar is in de gewelven een permanente tentoonstelling ingericht die gewijd is aan het naburige circuit van Francorchamps. Zalen vol legendarische racewagens: hij rende opgewonden rond en zijn vader, die ook van auto's houdt (als driejarig jongetje kon hij automerken aan hun wieldoppen herkennen - mij was het, toen 33, nooit opgevallen dat auto's verschillende wieldoppen hadden), - zijn vader deed drie keer de ronde met hem, terwijl wij in de bovenzalen van het Benedictijner klooster het leven van Guillaume Apollinaire bestudeerden, die als jongeling een tijd verbleef in Stavelot, en ons vergaapten aan Japanse houtsneden van Hokusai (de beroemde Grote golf van Kanagawa, eerste druk, met het originele houtblok) en Hiroshige (mijn favoriete Brug in de regen).
We aten op een terrasje in de schaduw en 's avonds keken we hoger op de heuvel, bij het helaas gesloten Relais des Pêcheurs, naar de zonsverduistering.
Daarna waren er vallende sterren.
De volgende dag was het weer tijd voor lezen, spelen en klooien.
Dus, waarom, vraagt u zich ongetwijfeld af, lezer: waarom die "diepe vermoeidheid" van de openingszin?
Welnu. Vrijdag vertrokken we vlot, deden nog wat boodschappen voor thuis (rauwe ham, koekjes, confiture, artisanale bieren, Riesling, etc.), hadden nog de overmoed om in het begin klein te rijden, - en kwamen, eenmaal op de snelweg, in een enorme file bij Luik terecht. Die was echter helemaal NIETS vergeleken bij de epische file bij Eindhoven, waar al het verkeer op de toch al gevoelige rondweg op één rijbaan geperst moest worden. We kropen auto voor auto voort, en stonden praktisch stil, ruim een uur lang. Toen kwamen er mysterieuze files na Den Bosch (we konden geen aanleiding ontdekken) en nog wat gewone vrijdagdrukte. Al met al duurde een ritje van ruim drie uur nu, inclusief een plas- en koffiepauze, mínstens dubbel zo lang. 's Nachts zag ik auto's flitsen in mijn ooghoeken, zoals vroeger, als ik lange dagen over autobanen had gejakkerd, en mijn benen waren slap van het optrekken en remmen.
Het volgende noteer ik om het niet te vergeten.
Blijkbaar was dit een zwarte vrijdag. Ik kende alleen de zwarte zaterdag. Die voortaan koste wat kost mijden! Google is your friend, check data!
En: moet er per se in hartje zomer naar die contreien worden gereisd op een riskante datum: ga via Nijmegen naar de Bundesbahn, zoef naar het Zuiden en sla ergens bij Verviers af naar België. MIJD DE A2!
[Ik wil een Zwartboek aanleggen van al die dingen die men zich voorneemt nooit meer te zullen doen, en die je gaandeweg toch weer vergeet. Valkuilen waarin je blijft trappen. Bepaalde gerechten in bepaalde restaurants eten bijvoorbeeld. Toch maar weer naar die en die oude held gaan kijken of luisteren van wie je weet dat hij of zij het niet meer kan, etc. En dan dat boekje regelmatig doorlezen.]
vrijdag 7 augustus 2026
SCHOENEN
Ik moest nodig nieuwe schoenen hebben. De oude gunde ik nog een laatste wandeling, samen liepen we door de zonnige ochtend naar de Leidsestraat, waar de Ecco-winkel is.
Wás: hoe ik ook keek, het vertrouwde logo wilde zich niet vertonen. Ik zocht op mijn telefoon en las dat er nu een Nelsonwinkel moest zijn op nr. 4, blijkbaar was die ook alweer verdwenen.
Door naar de Kalverstraat dan maar, een koopgeul die ik liever vermijd. Het was nog vroeg, de drukte viel mee. Inderdaad, op 101 was een Ecco-zaak. Het was er uitverkoop en er was weinig keus. De bruine variant van mijn vaste schoenen (ik begon ooit met zwarte, daarna werden het bruine, onlangs ben ik uit noodzaak naar zwart teruggekeerd) hadden ze alleen in maat 42, zei het meisje achter de kassa in het Engels. Zwarte, dan maar weer. Ik paste ze voor de zekerheid even, liet haar de plastic overtolligheden eraf knippen, zei dat ik ze aanhield, en betaalde. Nee, een tasje voor mijn oude paar hoefde ik niet, I'll throw them away. Ze keek me een beetje raar aan. Bij de eerste de beste afvalbak hield ik woord.
Opening soon, gesloten, hier komt binnenkort, verhuisd naar. Dat zie je veel in de Leidsestraat. Ik had honger en trek in koffie en zocht de Starbucks waar ik de vorige keer dat ik hier was zulk lekker bananenbrood had gegeten. Nergens te vinden. Dan maar de ouderwetse banketbakker Kwakman op de hoek van de Prinsengracht. Maar meteen na binnenkomst al zag ik dat het mis was. In de vitrines lag dezelfde herrie als overal elders in toeristengebied. In cellofaan geperste, te kort gebakken panini, grote koeken, American of stroop, droge brownies, fantasiegebak, aan het zicht onttrokken door dikke, veelkleurige room. Geen fatsoenlijk broodje te zien. Ergens achter de buitenlandse werknemers lag een mandje met verpieterde croissantjes. Ik verliet binnensmonds vloekend het pand.
Verderop in de Leidse was er wél een Starbucks. Ook hier sprak men geen Nederlands. Maar goed, ik spreek Engels, meestal beter dan het uit alle windstreken aangewaaide personeel. En het voordeel van een keten is de constante kwaliteit. De flat white en de bananencake waren hier net zo lekker als ik me van de regenachtige morgen in de afgelopen lente herinnerde, toen ik naar de paradontoloog heen en weer was gelopen en bij het verdwenen filiaal was neergestreken. Spotify stond op "blues". Ik at en dronk goedkeurend en keek om me heen. Dat deed verder niemand. De meeste twintigers en dertigers hier hadden oortjes in en waren in telefoon of laptop verdiept. Een jonge moeder verdeelde haar aandacht over minstens vier dingen: ze hield de baby stil die in een draagslinger op haar borst hing, ze dronk haar Matcha, voerde een indringend telefoongesprek én ze knikte driftig mee met het ritme van Howlin' Wolf. Ik vroeg me af hoe haar hoofd er vanbinnen uitzag.
Op het Leidseplein begon mijn rechter hiel te branden. Het strakke nieuwe leer was bezig zich in mijn huid in te vreten. Zou wel een blaartje worden. Ik stapte op tram 24, zowat de enige Amsterdamse tram die een onveranderd traject rijdt sinds de jonge honden van de gemeente het hele OV hebben omgegooid, god weet waarom, en liet me naar huis vervoeren. Op de vrijdagse boekenmarkt op het Spui, gelukkig ook niets veranderd voor zo lang als het duurt, had ik niets gekocht; op dat moment vervulde me dat met een lauw soort trots maar nu had ik er spijt van. Als trofee om mee naar huis te nemen had ik alleen die knellende schoenen aan mijn voeten.



