vrijdag 28 augustus 2026

LIJSTJE

Dinsdag brak ik met mijn ingebakken weekindeling. Die slaat nergens meer op voor een pensionado en heeft sowieso nooit ergens op geslagen - ik ben immers mijn eigen baas. Ik stapte in de auto en reed naar de polder om mijn vriendin te verrassen.
De wind woei flink door de nazomers blauwe hemel. Eilandenweer, zei mijn vriendin. We plukten een uur lang distels uit het weiland, daarna spoelde ik het zweet af en las ik in een tuinstoel Het fregatschip Johanna Maria van Arthur van Schendel uit; in de schaduw, glas verantwoorde Riesling van de Ekoplaza binnen handbereik.
Mijn vriendin had nog wat andere klussen te doen. Werk voor twee, op de boerderij, ook als je geen schapen meer hebt. We aten een salade met stokbrood en wat overgebleven stukken pizza. Toetje met pruimen uit eigen tuin toe.
's Avonds ging de wind liggen, de vleermuizen kwamen, en we keken lang naar de sterren. Twee steelpannen, groot en klein, Poolster.

De volgende morgen reed ik terug naar de stad. Las op het balkon in Wim Hazeu's biografie van Marten Toonder. Sufte even op bed met de katten.
Daarna had ik een ingeving die de dreigende landerigheid doorbrak.
Hoe ik erbij kwam, geen idee, - maar die oude gitaar van het eerste decennium La Passione, die al twintig jaar lag te verstoffen in haar gehavende koffer met stickers fragile erop, een verminkt en incompleet instrument: stemmechaniek kapot, een barst in het bovenblad, vier ontbrekende snaren, - daar moest iets mee gebeuren en waarom niet nu?
Het eerdere plan, dat ik dit product uit de werkplaats van Ricardo Sanchis in Valencia maar gewoon moest wegdoen, desnoods bij het grofvuil, leek me nu bizar. Ik schoot in mijn slippers en droeg de koffer door de zwoele middag naar de winkel waar ik de gitaar ooit gekocht had, gaf mijn wensen te kennen en ging met een licht gevoel naar huis om een was te draaien of iets dergelijks; maar eerst zat ik nog een tijdje op een bankje aan de kade en keek naar de flonkeringen in het water.

Als ik grip op de dingen verlies ga ik lijstjes maken. Meestal gebeurt dat als ik druk ben met verplichtingen die te veel van elkaar verschillen en me zorgen maak of het allemaal wel op tijd af komt.
Maar die behoefte aan orde op zaken stellen kan ook ontstaan, als je juist te weinig om handen hebt. In het grote drijfzand van een lange zomer bijvoorbeeld. Als je ontevreden bent en naar structuur begint te verlangen. 
Ik stuurde mijn zoon een foto van de gitaar in de werkplaats. Ah ja, ik hou ervan, antwoordde hij. Frisse wind. Wat je in huis hebt ook daadwerkelijk KUNNEN gebruiken en in orde maken.
Het succes van de gitaar smaakte naar meer. Daar kwam het lijstje. Eerst in mijn hoofd, later als mail aan mezelf, in bed. 

Dat schilderijtje van Ger, vlak voor zijn dood aan mij geschonken, moet nu toch eindelijk een mooi, romantisch lijstje krijgen. Die oude geïnfecteerde computerschijfjes met brieven en verhalen, al jaren klaarliggend op mijn bureau, moeten naar een bedrijf worden gestuurd, dat ze, schoongemaakt, van WordPerfect naar Word kan overzetten. Enzovoorts, genoeg te doen, ook zonder schapen.
Zaak is wel, het voor het eind van de zomer te doen. Want als de routine van koren, lessen, concerten en missen weer begint verdwijnt de urgentie. Dan is het oplappen van een oude gitaar de minste van mijn zorgen.


vrijdag 21 augustus 2026

Rembrandt, Vestdijk, en... Rens


In de jaren 70 kochten mijn ouders van een colporteur de Rembrandt Bijbel. Zouden er nog ergens op de wereld mannen langs de deur gaan om een luxe boekwerk te slijten aan overrompelde burgers die gestoord worden in hun after dinner dip? 

Het was een mooi boek, in een cassette, boordevol etsen en tekeningen, die de sprookjes van de Heilige Schrift beter weergaven dan de anonieme schrijvers van dat Boek.
Het inspireerde mijn vader om na het eten een stukje eruit voor te lezen, naar oude traditie. Hoewel hij die traditie nooit had gekend, want katholieken hebben niet zoveel met de Schrift, zeker niet met het OT, buiten de verplichte uurtjes in de kerk. Maar goed, mijn vader dacht op die manier tegengas te geven aan de chaos waarin het gezin met opgroeiende pubers was beland. Een moment van saamhorigheid en inkeer. Hij hield het niet lang vol.

Aan dat boek, aan de deur gekocht, moest ik denken toen ik deze week in het weggeefkastje in mijn straat een rode linnen band met goudopdruk zag: Rembrandt en de Engelen, twaalf gedichten en een acrostichon. Auteur S. Vestdijk, uitgeverij Stardust Theatre B.V.
Geïntrigeerd opende ik het. Het bleek te gaan om een herdruk van Vestdijks cyclus uit het jubileumjaar 1955: het 350ste geboortejaar van Rembrandt. In het 400ste geboortejaar, 2005 dus, kwam er, geheel naar de geest van onze tijd, een musical. Rembrandt de Musical. De producenten daarvan, onder wie Henk van der Meijden, zochten naar inspirerende teksten en vonden in een antiquariaat de vergeten gedichten van S. Vestdijk. Diens weduwe (en de beheerder van zijn nalatenschap), de 30 jaar jongere Mieke Vestdijk (1938-2018), gaf toestemming om citaten daaruit te gebruiken in het libretto.
En er kwam dus dat rijk geïllustreerde boek, met een voorwoord van Mieke en een portret van SV door Paul Citroen.

Heus een mooi boek hoor, degelijk, verzorgd, en smaakvol vormgegeven; maar ik blijf me toch afvragen wat Simon, een begaafd amateurpianist en muziekkenner van het meer verfijnde soort, Bruckner, Debussy, Mahler, Pijper, gevonden zou hebben van Rembrandt de Musical. 
En zou hij zijn wenkbrauwen niet hebben opgetrokken bij die uitgeverij - geen Arbeiderspers of Bezige Bij, maar Stardust Theatre B.V.?
Soms is het goed dat een mens niet alles weet; de eigen nalatenschap kan men nog min of meer beheersen, maar het Nachleben van ons werk moeten we overlaten aan hen die na ons komen.

                                                                     

                                                                                *

Kortgeleden werd ik benaderd door de zoon van "Rens". Hij wil een boek over zijn vader gaan schrijven. Of ik nog aanvullingen had op het blogje dat ik in 2015 aan hem wijdde?
Ik zette mijn geheugen aan het werk en omdat het nog zomer is en ik alle tijd heb sloeg ik er oude dagboeken op na.
Wat ik in dat blogje schreef was qua chronologie niet juist, dat bleek al gauw. Ik zocht verder en vond genadeloze correcties op mijn herinnering, die weer eens een mooi rond verhaal had gemaakt van wat in werkelijkheid veel rommeliger was.
Zoon V. en ik maakten een afspraak. Ergens moest ik nog een foto hebben van Rens, die, bleek uit mijn dagboek, een tijd in mijn koortje I Dodici had gezongen. Die zou ik om hem een plezier te doen meenemen.

Ik open de laatjes van de smalle archiefkast van roodgeverfd hout die meestal veilig gesloten de wacht houdt naast de deur van mijn cockpit. Dat is gevaarlijk werk. Ik ben wel gewend aan de confrontatie met het gefotografeerde verleden van de afgelopen 25 jaar, het digitale tijdperk. Die plaatjes rouleren als schermbeveiliging op mijn computer. Er is veel veranderd in die kwarteeuw, maar de spelers zijn dezelfde gebleven.
Met dit rode kastje is het anders. Elk laatje herbergt oude foto's die al heel lang wachten op een betere plek. Vooral uit de jaren 90 en het begin van deze eeuw. Een andere vrouw, vertrouwd en vreemd, vergezelt mijn andere zelf.
Dit is gif. De verleiding is groot, lezer, om stil te blijven staan bij elk verrassend residu van een lang vervlogen jaar, elke vergeten gebeurtenis of gelegenheid. Maar ik blader snel door, stapel na stapel, map na map, met het verstand op nul. Ik neem me streng voor er nu helemaal niets mee te doen, met dit toxische archief, en er later eens serieus, liefst met een chaperonne erbij of onder andere veilige begeleiding, naar te kijken, - de hele zooi te ordenen en zéér, zéér uit te dunnen. Al was het maar voor mijn kinderen later. Dat zij niet hoeven te verzuipen, in een toch al moeilijke tijd, in die overstelpende overvloed van een voorgoed verdwenen wereld.

Die foto van Rens als koorzanger was er niet bij.


zondag 16 augustus 2026

MIDWEEK


Een diepe vermoeidheid volgde op ons verjaardagscadeau.
Toen we zeventig werden, mijn vriendin en ik, kregen we van de kinderen een vakantiereisje. De agenda's van mijn drukbezette nakomelingen werden vergeleken en er werd een ruim huis uitgekozen - niet te ver, want het ging om vier nachten, een midweek.
Het werden de vertrouwde Ardennen. Zoon en gezin planden hun vakantie de week ervoor in de buurt, zodat het mooi aansloot. Wij haakten de maandag van de tweede week van hun verblijf aan.
Het afgelegen huis was prachtig. Een typisch Belgische fantasie van natuursteen met een romantisch torentje met weerhaan en ingewikkelde, door riskante trappen verbonden verspringende kamers, die de feitelijk nogal kleine ruimte tot een koel labyrint maakten.
Vooral dat koele was welkom want het was bloedheet. Een grote bostuin eromheen met buizerds, vossen en vuursalamanders (naar verluid, de kreekjes waren drooggevallen). Een jeu-de-boulesbaan. De barbecue lieten we maar onaangeroerd. Die droogte, de natuurbranden; bovendien waren er veganisten onder ons.

Anders dan op vroegere vakanties werd er nauwelijks gedronken. Mijn jongste dochter en ik moesten het vaandel hooghouden en deden dat dapper maar met verstandige reserve. Althans, mijn jongste dochter. Ik deed mijn best en vermeed excessen maar al met al ging er toch flink wat (lichte, verkwikkende) Luxemburgse wijn doorheen.
Veel deden we ook overigens niet. De hete dagen werden ontspannen gevuld met familieplezier. Er was ruimte om te lezen of gitaar te spelen, er werd goed gekookt uit wat Delhaize en Carrefour te bieden hadden, de zeventigers hoefden niets te doen, wat fijn was, heel fijn, het eigenlijke cadeau.

De woensdag was bestemd voor toerisme dat een ritje naar een riviertje oversteeg. Kleinzoon N. was vlak voor onze aankomst jarig geweest en mijn vriendin had het briljante idee gehad hem mee te nemen naar de Abdij van Stavelot. Daar is in de gewelven een permanente tentoonstelling ingericht die gewijd is aan het naburige circuit van Francorchamps. Zalen vol legendarische racewagens: hij rende opgewonden rond en zijn vader, die ook van auto's houdt (als driejarig jongetje kon hij automerken aan hun wieldoppen herkennen - mij was het, toen 33, nooit opgevallen dat auto's verschillende wieldoppen hadden), - zijn vader deed drie keer de ronde met hem, terwijl wij in de bovenzalen van het Benedictijner klooster het leven van Guillaume Apollinaire bestudeerden, die als jongeling een tijd verbleef in Stavelot, en ons vergaapten aan Japanse houtsneden van Hokusai (de beroemde Grote golf van Kanagawa, eerste druk, met het originele houtblok) en Hiroshige (mijn favoriete Brug in de regen).
We aten op een terrasje in de schaduw en 's avonds keken we hoger op de heuvel, bij het helaas gesloten Relais des Pêcheurs, naar de zonsverduistering.
Daarna waren er vallende sterren.
De volgende dag was het weer tijd voor lezen, spelen en klooien. 

Dus, waarom, vraagt u zich ongetwijfeld af, lezer: waarom die "diepe vermoeidheid" van de openingszin?
Welnu. Vrijdag vertrokken we vlot, deden nog wat boodschappen voor thuis (rauwe ham, koekjes, confiture, artisanale bieren, Riesling, etc.), hadden nog de overmoed om in het begin klein te rijden, - en kwamen, eenmaal op de snelweg, in een enorme file bij Luik terecht. Die was echter helemaal NIETS vergeleken bij de epische file bij Eindhoven, waar al het verkeer op de toch al gevoelige rondweg op één rijbaan geperst moest worden. We kropen auto voor auto voort, en stonden praktisch stil, ruim een uur lang. Toen kwamen er mysterieuze files na Den Bosch (we konden geen aanleiding ontdekken) en nog wat gewone vrijdagdrukte. Al met al duurde een ritje van ruim drie uur nu, inclusief een plas- en koffiepauze, mínstens dubbel zo lang. 's Nachts zag ik auto's flitsen in mijn ooghoeken, zoals vroeger, als ik lange dagen over autobanen had gejakkerd, en mijn benen waren slap van het optrekken en remmen. 

Het volgende noteer ik om het niet te vergeten.
Blijkbaar was dit een zwarte vrijdag. Ik kende alleen de zwarte zaterdag. Die voortaan koste wat kost mijden! Google is your friend, check data!
En: moet er per se in hartje zomer naar die contreien worden gereisd op een riskante datum: ga via Nijmegen naar de Bundesbahn, zoef naar het Zuiden en sla ergens bij Verviers af naar België. MIJD DE A2!

[Ik wil een Zwartboek aanleggen van al die dingen die men zich voorneemt nooit meer te zullen doen, en die je gaandeweg toch weer vergeet. Valkuilen waarin je blijft trappen. Bepaalde gerechten in bepaalde restaurants eten bijvoorbeeld. Toch maar weer naar die en die oude held gaan kijken of luisteren van wie je weet dat hij of zij het niet meer kan, etc. En dan dat boekje regelmatig doorlezen.]


vrijdag 7 augustus 2026

SCHOENEN

Ik moest nodig nieuwe schoenen hebben. De oude gunde ik nog een laatste wandeling, samen liepen we door de zonnige ochtend naar de Leidsestraat, waar de Ecco-winkel is.
Wás: hoe ik ook keek, het vertrouwde logo wilde zich niet vertonen. Ik zocht op mijn telefoon en las dat er nu een Nelsonwinkel moest zijn op nr. 4, blijkbaar was die ook alweer verdwenen.
Door naar de Kalverstraat dan maar, een koopgeul die ik liever vermijd. Het was nog vroeg, de drukte viel mee. Inderdaad, op 101 was een Ecco-zaak. Het was er uitverkoop en er was weinig keus. De bruine variant van mijn vaste schoenen (ik begon ooit met zwarte, daarna werden het bruine, onlangs ben ik uit noodzaak naar zwart teruggekeerd) hadden ze alleen in maat 42, zei het meisje achter de kassa in het Engels. Zwarte, dan maar weer. Ik paste ze voor de zekerheid even, liet haar de plastic overtolligheden eraf knippen, zei dat ik ze aanhield, en betaalde. Nee, een tasje voor mijn oude paar hoefde ik niet, I'll throw them away. Ze keek me een beetje raar aan. Bij de eerste de beste afvalbak hield ik woord. 

Opening soon, gesloten, hier komt binnenkort, verhuisd naar. Dat zie je veel in de Leidsestraat. Ik had honger en trek in koffie en zocht de Starbucks waar ik de vorige keer dat ik hier was zulk lekker bananenbrood had gegeten. Nergens te vinden. Dan maar de ouderwetse banketbakker Kwakman op de hoek van de Prinsengracht. Maar meteen na binnenkomst al zag ik dat het mis was. In de vitrines lag dezelfde herrie als overal elders in toeristengebied. In cellofaan geperste, te kort gebakken panini, grote koeken, American of stroop, droge brownies, fantasiegebak, aan het zicht onttrokken door dikke, veelkleurige room. Geen fatsoenlijk broodje te zien. Ergens achter de buitenlandse werknemers lag een mandje met verpieterde croissantjes. Ik verliet binnensmonds vloekend het pand. 
Verderop in de Leidse was er wél een Starbucks. Ook hier sprak men geen Nederlands. Maar goed, ik spreek Engels, meestal beter dan het uit alle windstreken aangewaaide personeel. En het voordeel van een keten is de constante kwaliteit. De flat white en de bananencake waren hier net zo lekker als ik me van de regenachtige morgen in de afgelopen lente herinnerde, toen ik naar de paradontoloog heen en weer was gelopen en bij het verdwenen filiaal was neergestreken. Spotify stond op "blues". Ik at en dronk goedkeurend en keek om me heen. Dat deed verder niemand. De meeste twintigers en dertigers hier hadden oortjes in en waren in telefoon of laptop verdiept. Een jonge moeder verdeelde haar aandacht over minstens vier dingen: ze hield de baby stil die in een draagslinger op haar borst hing, ze dronk haar Matcha, voerde een indringend telefoongesprek én ze knikte driftig mee met het ritme van Howlin' Wolf. Ik vroeg me af hoe haar hoofd er vanbinnen uitzag.

Op het Leidseplein begon mijn rechter hiel te branden. Het strakke nieuwe leer was bezig zich in mijn huid in te vreten. Zou wel een blaartje worden. Ik stapte op tram 24, zowat de enige Amsterdamse tram die een onveranderd traject rijdt sinds de jonge honden van de gemeente het hele OV hebben omgegooid, god weet waarom, en liet me naar huis vervoeren. Op de vrijdagse boekenmarkt op het Spui, gelukkig ook niets veranderd voor zo lang als het duurt, had ik niets gekocht; op dat moment vervulde me dat met een lauw soort trots maar nu had ik er spijt van. Als trofee om mee naar huis te nemen had ik alleen die knellende schoenen aan mijn voeten.



vrijdag 31 juli 2026

HARNS

Soms kan het voordelen hebben om niets te willen vastpinnen. Van die school is mijn vriendin. De datum hadden we na veel aarzeling en mild gekibbel bepaald. De locatie had tastenderwijs aan duidelijkheid gewonnen. Elzas, Vogezen. Hotels aan de Rijn met glanzend gepoetste glazen met groene voet.
Toen het zover was schrikten de extreme temperaturen ons af. Waar was het nog te doen? Het gebied rond de Wadden.
We mikten op de 21 graden in Harlingen, stad van Vestdijk die ik hoognodig eens moest zien.
Daarnaartoe via ons aangeraden mooie plaatsen en tot de verbeelding sprekende locaties in het Oosten van ons prachtige, niet al te hete en vooral niet brandende land.
Zodoende stuurt uw Blogger Voorheen Rookzanger u deze ansicht vanuit een hotelkamer in Harns, bakermat van de grote schrijver, die hier geëerd wordt met plaquettes, beeldhouwwerk en permanente museale tentoonstelling. Een mooie, hoogstens iets te toeristische historische havenstad, door zeewind gestreeld, waar de scheepshoorn van het veer naar Vlieland prettig loeit.


vrijdag 24 juli 2026

Thuis bij Jan Steen

 

Op een van mijn favoriete Jan Steens zien we de schilder als violist. Zijn aandacht wordt afgeleid door een grijnzende feeks achter hem, die hem aanmoedigt om te drinken. Ondertussen steelt een blonde versie van Amy Winehouse het zojuist verdiende geld uit zijn beurs. De vedelaar is danig van haar gecharmeerd, zo maakt de stenen pijp die uit zijn gulp omhoog wijst ons duidelijk. In werkelijkheid zal Steen dit model ook wel graag gezien hebben, want ze komt op meer schilderijen voor, met name op de protestantse versie van Het Sint Nicolaasfeest; dat zegt althans mijn oog, ik heb er niks over gelezen en misschien heb ik ongelijk en zie ik wulpse spoken. 

In De Lakenhal in Leiden vieren ze het vierhonderdste geboortejaar van Steen met een expositie: 'Thuis bij Jan Steen'. Een eeuw geleden telde de viering van Steens driehonderdste, eveneens in De Lakenhal, veel meer schilderijen: 78, uit binnen- en buitenland. Nu zijn het er 'slechts' 28, uitsluitend uit Nederlandse collecties; vervoer en verzekering van dit soort meesterwerken zijn vrijwel onbetaalbaar geworden. 
Ik liep er rustig rond, bekeek sommige doeken aandachtig, andere met minder interesse, wat me tot de voorlopige conclusie bracht dat Steen een wat onevenwichtige schilder is die de goede middelmaat plotseling spectaculair ontstijgt met brutale humor, ongehoord levendige details en karakters die ons over de eeuwen heen aankijken alsof het Leienaars van nu zijn.  
Zoals vaak bij tentoonstellingen moest mijn aandacht worden gewekt door iets onverwachts voor ik het geheel met enthousiasme kon bezien. Dit keer waren dat drie spelende kinderen.

De zalen zijn onderverdeeld door grote panelen waarop, naast tekst, details van de schilderijen zijn afgedrukt. Ik zag ze en was verrukt door die drie: een jongen en een meisje die aan het knikkeren zijn en een kleiner meisje met een pop in haar armen dat de meest geheimzinnige, donkere, ondoorgrondelijke ogen heeft die je je kunt voorstellen. Wat er in haar omgaat is een kosmisch raadsel. De oudere twee praten en lachen en opeens vroeg ik me af hoe het Hollands dat zij in de zeventiende eeuw spraken geklonken zou hebben: zo levend sprongen ze uit de verf dat ik ze meende te kunnen horen; kon ik de demper maar uitschakelen! 
En vooral vroeg ik me af hoe het kon dat ik dit briljante schilderij had gemist! Ik ging de zalen nog eens rond, en nog een keer, een derde keer geassisteerd door mijn vriendin. Nergens!
Pas toen ik het slimme idee kreeg om op de reproductie te zoeken naar een naam had ik beet. Gewapend met "Laban zoekt de door Rachel gestolen terafim" ging ik ten vierde male door de zalen. En ja: daar hing het, een Bijbels tafereel uit 1661 dat me in eerste instantie niet zoveel had gezegd. Bijbelse taferelen, - och... Maar nu kon ik al die gekostumeerde mensen die iets bijbels aan het doen waren negeren en me focussen op de eerst niet opgemerkte spelende kinderen, en op dat vredig slapende hondje, die helemaal niets te maken hadden met dat volwassen gedoe om hen heen en in zalige afzijdigheid zich wijdden aan hun spel, hun slaap. 
De onpeilbare blik van het poppenmeisje kwam beter uit de verf in de uitvergroting; die liet pas zien wat een begenadigd fijnschilder Steen was. Ook de afbeelding hieronder doet er geen recht aan. Via deze link kunt u een iets betere indruk krijgen. 

Hongerig en dorstig geworden door al die uitbundige taferelen deden we de nagedachtenis van de schilderende kroegbaas eer aan op terras en in restaurant. De volgende morgen stond er na een ontbijt in Stadsbakkerij Water & Bloem Japanse kunst op het programma, in het SieboldHuis. Maar eer we daar aankwamen waren we al wandelend geheel doorweekt geraakt door een onverwachte, fijne maar o zo natte miezerregen die ons verlangen deed naar een warme auto. 
Steen en Japan: misschien was het ook niet zo'n goede combinatie geweest.


vrijdag 17 juli 2026

Ich habe die Ehr, Ihr Rezensent zu sein

In jeugdige overmoed solliciteerde ik eind jaren 70 naar de positie van muziekrecensent bij de Amersfoortse Courant, toen nog een zelfstandig dagbladIk kwam uit een muzikaal milieu, had een vaardige pen, wist veel van muziek en beoefende die zelf als hobby: ik achtte mijzelf dus best gekwalificeerd. De krant vond dat ook: ik ging met de trein naar een zangrecital in Harderwijk, schreef een proefkritiekje en werd aangenomen. Vijf tientjes per stukje, een vetpot was het niet.
Ik zou het blijven doen tot ik zelf het podium op ging. Het leek me niet kies om anderen de maat te nemen die feitelijk jouw collega's zijn. Mijn verleden als criticus leidde weleens tot pijnlijke momenten. Een dirigent met wie ik kwam samen te werken was mijn recensie over zijn Lucas Passie van Telemann ("bloedeloos") nog niet vergeten en het kostte wat tijd om de kreukels in onze relatie glad te strijken -  gelukkig had ik ook vleiende dingen over hem geschreven, bij een andere gelegenheid. 

Op 29 januari 1980 schreef ik:

Onlangs nog las ik in een landelijk ochtendblad, dat een bepaalde uitvoering "er best mee door kon", dat het resultaat "wel aardig" was, en dat men zich "er niet eens zó zwaar aan had vertild". Afgezien van het onbeschaamd cynisme van deze vakbroeder, ligt die gevoelsafstomping, die waterige halfslachtigheid niet aan de muziek zelf, noch waarschijnlijk aan de uitvoerders, maar aan het dovend vuur binnen de luisteraar. Ik herinner me hoe ik, met vrienden, vol genotvolle hartenpijn kon dwepen bij Puccini of Rachmaninoff, - de mandfles Chianti op tafel; die intensiteit is helaas vaak tot een "wel aardig vinden" verworden. 

Dat zou mijn credo worden. De uitvoerders deden hun best. Als het allemaal niet zo fijn overkwam kon dat net zo goed aan de luisteraar liggen. Mildheid was het die me leidde.
Alleen in het geval van de authentieke uitvoeringspraktijk (toen nog relatief nieuw) schoot die mildheid nogal eens tekort. Want mijn vader was fout geweest in de barokoorlog (zoals bas-bariton Lieuwe Visser ooit grapte over bas-bariton Henk Smit) en die halve musicologen waren in zijn ogen allemaal cerebrale opportunisten die uit gebrek aan talent naar de historisch verantwoorde vedel of kromhoorn grepen. Als ik die stukjes teruglees schaam ik mij diep. Om het goed te maken speel ik nu luit, zo zacht mogelijk. 

Vanmorgen was ik bij mijn vriend Geerten Meijsing. Hij was zichtbaar ontdaan door een recensie van Carel Peeters in VN. Voor Geerten Meijsing is mislukken een verdienmodel. Een kop om je dag bij voorbaat kapot te maken.
We deelden onze gedachten over het wezen van literaire kritiek. Als je een boek of een schrijver écht niet lust moet je er niet over schrijven, daarover waren we het eens. De tijd van de kunstpausen die bepalen welk leesvoer goed is voor ons gewone mensen is voorbij. Reich-Ranicki en Zeeman zijn dood. Wat heb je aan critici die, vaak met persoonlijke motieven, soms met drijfveren, geboren uit rancune, geen groter genoegen kennen dan een auteur, die jaren aan een boek heeft gewerkt en daaraan zijn beste vermogens heeft gewijd, te kleineren en zelfs te ridiculiseren? Wie is daarbij gebaat, behalve het ego van de criticaster of de handenwrijvende vijanden van betreffende auteur? De lezer nooit. Zelfs als die welwillend is zal er een smet op zijn verwachting blijven - waar rook is, is vuur. 
En voor de kunstenaar kan de schade ernstig en langdurig zijn. Bovengenoemde Rachmaninoff was zo kapot van een vernietigende recensie van zijn eerste symfonie dat hij jarenlang tot niets meer kwam; pas na psychotherapie en hypnose raakte hij er bovenop, en nam glorieus wraak met zijn nog steeds geliefde Tweede Pianoconcert.

De Nederlandse literaire productie is, afgezien van een paar verkoopcijferkanonnen, qua commerciële baten marginaal. De lezerskring van "moeilijke boeken" is niet groot. Een zaak van serieuze, loyale liefhebbers. Die liefhebbers hebben niets aan een negatief uitgangspunt en zitten niet te wachten op een negatieve conclusie. Ze willen zélf bepalen wat ze van het boek vinden en hoeven dat niet voorgekauwd te krijgen. Het enig overgebleven bestaansrecht van de kritiek lijkt mij dan ook in het neutrale verlengde te liggen van de promotie. Herren und Damen Rezensent! Doe de literatuur een lol en probeer door goede informatie meer zieltjes te winnen voor het boek dat u heeft uitgekozen om te bespreken. Denk aan de jonge Van Spaendonck, en wees daarbij mild en respectvol!

Dat het ook anders kan dan de zure, tendentieuze stukken van Carel Peeters, Jack van der Weiden en consorten bewees het stuk van Theo Hakkert in het online magazine VersTwee. Journalistiek goed onderbouwd, informatief, helder en wervend. HIER te lezen. 
Ja, ik ben bevooroordeeld. Maar ik deel zijn conclusie: een schitterend boek.


[Illustratie: Peter Muzeniek (1941). Titel: uit "Abschied" van Eduard Mörike]