vrijdag 28 november 2025

BANKWACHT



Veertien jaar geleden liet mijn vader ons bij zich komen. Hij deed nogal geheimzinnig. Tijdens de koffie met krentenmik en pralines bleek dat hij ons nog bij zijn leven wat wilde schenken. Toen we weer naar huis reden, mijn broers, mijn zuster en ik, grapten we over een overvaller die ons nu zou beroven. De violist-dirigent Jaap van Z. was in die tijd beroofd terwijl hij loaded uit het casino kwam, vandaar.
Ik besloot verstandig het geld op de bank te zetten maar hield wat cash achter voor luxe: een panamahoed en een Chesterfield bank. De panama draag ik nog, zomers, al wordt hij wat sleets. De Chesterfield bank viel me tegen. Hij zat en vooral lág niet lekker en de kleur van het leer was te flets. Van donker beitsen kwam het nooit. Toen hij een paar jaar geleden gaten begon te vertonen ontstond bij het begin van het binnenseizoen het voornemen om een nieuwe bank te kopen. Nog voor kerstmis.

Er gingen een paar kerstmissen overheen maar dit jaar was het zover. We zaten te borrelen en mijn laksheid kwam onder vuur. Ik pakte mijn telefoon en kocht resoluut een nieuwe bank. Veiligheidshalve dezelfde als mijn dochter heeft, alleen in de kleur forest green, dat contrasteert mooi met al het rood in mijn kamer. Nu begon het wachten want de levering zou wel even duren.

Toen de datum naderbij kwam waarop de tweeënhalfzitsbank  bezorgd zou worden begon ik merkwaardig nerveus te worden. Hoe moest de oude, ooit met touw-en-blok omhoog gehesen, eruit? Weer getakeld? En door wie? En, belangrijker nog: zou de nieuwe bank wel door het kronkelende trappenhuis passen?
Hier moet ik misschien iets uitleggen. Een kleine twee jaar geleden is, na lange leegstand, het appartement onder me gekocht door S. Deze jongeman, de aardigste buurman die men zich wensen kan trouwens, heeft alles state of the art. Onder zijn supervisie werd het trappenhuis gegentrificeerd. Glad gestucte wanden, nieuwe verf, stemmig tapijt, alles chic en prachtig. Mogelijk omdat ik hem in de eerste tijd onopzettelijk heb dwarsgezeten met een lek in de douchecel en misschien omdat ik mezelf in contrast met zijn status des te meer een bohemien vind, was het denkbeeld dat er bij het vervoer schade aan onze gemeenschappelijke ruimte zou ontstaan me niet alleen onwelkom, nee: het spookte door mijn hoofd op een obsessieve manier. De nacht voordat de mannen van de vervoersbedrijven (de Amsterdamse Meubelophalers voor de Chesterfield, het Westfriese DutchNed voor de nieuwe bank) zouden komen had ik twee heftige dromen. In de eerste ging de bosgroene tweeënhalfzitter weliswaar door de bochten van de trap maar het voze stucwerk kruimelde al weg als je er een vinger op zette. In de tweede schrok ik voor dag en dauw wakker van een hijskraan die met zwaailichten de straat blokkeerde, ik wist niet hoe snel ik me in mijn kleren moest hijsen.

In werkelijkheid zaten mijn jongste dochter en ik om tien uur klaar. Alles was opzijgeschoven, de doorgang naar de balkondeuren was vrij. Om elf uur zou de aftandse bank worden opgehaald. Daarna, tussen halftwee en halfvier, kwam de nieuwe. In een ideale wereld.
De ophalers appten: er was wat oponthoud, was het erg als ze wat later kwamen? Nee, dat was niet erg. Dat ik al die tijd met mijn neus tegen het glas gedrukt naar de regen stond te kijken, niet in staat om iets te doen, was hun zaak niet. Ik grapte tegen mijn dochter dat de beide bedrijven waarschijnlijk tegelijk zouden arriveren, met chaos tot gevolg.
Om halfeen moest mijn dochter naar haar werk. Ze wenste me sterkte. Er was inmiddels duidelijkheid: de ophalers zouden pas rond drie uur komen. Dat gaf me de rust om wat te zingen en wat luit te spelen. 
Dit keer hielden ze woord. Om drie uur bevestigden ze de katrol aan de hijsbalk. Terwijl, inderdaad ja, ik had het over mezelf afgeroepen, op datzelfde moment de collega's uit Hoorn mijn nieuwe bank aan het monteren waren.

Waarom ik me toch zo'n zorgen heb gemaakt, bang oudwijf dat ik ben, snapte ik meteen al niet meer toen de actie eenmaal in gang was gezet. 
De jongen van DutchNed keek schattend het trappenhuis in. Gaf wat strakke instructies aan zijn kompaan en in no time was de bank boven. Manoeuvreren, ja. Paniek, nee. En schade, hoezo?
Na het eten deed ik een heerlijk dutje op het bosgroene fluweel. Als je eigen baas bent verlies je langzamerhand het vertrouwen in anderen, is dat het? Laat mij zingen en dichten - de rest, meubels, transport en alle praktische zaken van deze wereld laat ik voortaan met een gerust hart aan anderen over.

vrijdag 21 november 2025

WIJK AAN ZEE


De vroege morgen, het was nog donker, moest wat van me. Ik vertrouwde op mijn levende wekkers en ze lieten me niet in de steek: om tien over zeven slopen ze over het bed, zoveel mogelijk onrust verspreidend. Snorrenbaarden streken langs mijn wang, mijn zij was een ligplaats die, als ik moest afgaan op het vele kontdraaien en verplaatsen, niet echt comfortabel was. Ik knipte mijn lampje aan en tot verbazing van de katten kregen ze zonder morren zo vroeg al hun voer, waar ik normaal een schijnmanoeuvre zou uithalen: naar de gang, met in mijn kielzog Snuf en Snuitje, en terug in bed, met hermetische sluiting van de slaapkamerdeur achter me. Gefopt! 
Na een douche, koffie en een speltbol met ham en kaas was het licht. Lichter dan anders. Buiten was de lucht winters fris. Ik moest mijn ramen flink schoonkrabben voor ik kon gaan rijden. Dat, en de dreigende noodzaak om te tanken, zorgde voor enig oponthoud maar het tankstation was dicht, het verkeer was fluide en stipt op de door de dame van Maps beloofde tijd was ik op het industrieterrein bij Beverwijk. Ik liet de auto achter in handen van de garagisten en begon een beetje te wandelen door die altijd vreemde wereld van bedrijven, loodsen en straten die meestal parallelweg, ventilatorpad en monitorlaan heten. Maar het was koud en mijn vriendin appte dat ze door het onvoorziene  krabben wat later kwam. Ik ging terug naar de garage, kreeg koffie en een krantje en wachtte tot ik werd gehaald. 
We reden naar Wijk aan Zee. In hotel Zonnevanck waar ik ooit had meegedaan aan de singer-songwriterwedstrijd van het Juttersfestival (tweede geworden, Maarten van Roozendaal prees mijn voordracht maar lachte een beetje om mijn archaïsche taalgebruik) dronk ik een verrassend goede latte van loeihete melk en at ik een lekker stuk appeltaart zonder slagroom. Het dieet had vrijaf. We wandelden over het strand, het zand was hard en glad, de zee was blauw als de lucht met wat wit schuimende golfjes. De kou was lekker, het waaide niet.

Terug in de stad beantwoordde ik een mail van Vaughan, die de Linnaeus Cantate persklaar maakt. Meteen was ik weer in de flow van de afgelopen dagen. Ik heb vaker concerten met het koor en met V. als pianist, en ook maakt hij vaker mijn partituren netjes. Maar dit keer is het anders. Die cantate, mijn eerste serieuze werk als componist, alweer 13 jaar geleden, is onze signature song. En ik moet erin aantreden als baritonsolist, met noten die me een decennium later minder makkelijk afgaan. Toch is dát het niet, wat me in een lichte, tintelend actieve roes van werklust en nerveuze opwinding brengt: het is, denk ik, vooral het feit dat ik dit niet alleen doe, dat ik niet alleen als baasje voor dat koor sta, maar dat iemand anders zo serieus meedenkt en het tot zijn eigen verantwoordelijkheid heeft gemaakt. Dat doet me denken aan de oude dagen van La Passione, waarin Vincent en ik samen (nos contra mundum) het beste uit alles haalden, vanuit ons gemeenschappelijk geloof in het Belang van de Zaak en in het ongetwijfeld ongehoord prachtige en onontkoombare eindresultaat. Ik vind zo intensief samenwerken fijn en doe het te weinig. Dat besef daalde in toen ik meteen na de strandwandeling me boog over maatnummers, notenwaarden, metronoom-aanduidingen, verbindingsboogjes en dynamische tekens, alsof er niets anders bestond op de wereld.
De garage belde. Maar zelfs de schadeanalyse, het feit dat ik mijn auto een week moest missen en de gepeperde rekening konden mijn goede humeur niet bederven.


Vrijdag 28 november 2025, 20:30 uur:

Linnaeus, een botanische cantate

Linnaeuskoor Amsterdam o.l.v. Jan-Paul van Spaendonck
Met onder anderen Vaughan Schlepp, piano en Lucas van Helsdingen, sopraansax en basklarinet

Café Belcampo, OBA
De Hallen, Amsterdam (Hanny Dankbaarsteeg 10)
Toegang 15 euro
Reserveren: cafebelcampo.nl/agenda


vrijdag 14 november 2025

Voorheen Rookzangers Notitieblog 64: een najaarslied


Vrijdag, de 14e november van ons jaar 2025: van alle herfstige dagen van de afgelopen maand was dit de herfstigste. Een dikke grijze lucht vol motregen, een lichte maar strenge wind die ook hardnekkige blaadjes liet dwarrelen, een palet van kleuren die niet meer vlamden maar tot een harmonieus roodbruin versmolten. Het seizoen had een verzadigingspunt bereikt. Hierna zouden er gaten in de wereld vallen waardoor je de winter zag liggen. 
Ik zat op een bankje. Natte kont, ik had niet de moeite genomen een stukje bank droog te wrijven. Het park was praktisch van mij, net als tijdens de pandemie, lang geleden. Een reiger vloog op, ging klapwiekend over de sloot linksaf, bedacht zich, maakte een lompe draai en verliet mijn zichtveld over rechts. Een aalscholver dook onder, kwam een paar meter verder met lege snavel boven. Het water zag er koud uit. 
Voor mijn rechteroog danste een vlek, een lasso die werd uitgeworpen als ik van kijkrichting veranderde, de lus miste altijd doel. Het was begonnen met lichtflitsen en geschitter in mijn ooghoeken, de volgende dag was de dansende vlek er. Een tweede ring van Weiss, de oogarts beaamde het. De eerste was nog zichtbaar op mijn netvlies zei ze - dat ik die bijna nooit meer zag kwam door het corrigerend vermogen van ons brein: nutteloze visuele informatie wordt weggefilterd op den duur.
Hoewel ik niet blij was met deze nieuwe blijk van veroudering vond ik het een bevredigend idee dat de fantoomring op mijn linkeroog links in Amsterdam, in OLVG-West, en die op mijn rechteroog rechts in de stad, in OLVG-Oost was gediagnostiseerd. Als je dan toch iets mankeert dan maar liever symmetrisch. Jazeker, als kind telde ik stoeptegels.

                                                                                *

Gisteren was ik bij Vaughan. Hij begeleidt het Linnaeuskoor bij veel van onze concerten. Soms neemt zijn eveneens prachtig spelende partner Felicity het van hem over. Op de repetities speel ik zelf piano maar bij openbare optredens besteed ik dat het liefste uit aan bekwamere handen zodat ik de mijne vrij heb om te dirigeren.
Vaughan was bezig geweest de cantate die ik voor het 20-jarig bestaan van het koor heb geschreven te zuiveren van onhandigheden (het was mijn eerste ervaring met het notenprogramma Finale geweest) en er een doorlopende, professioneel ogende partituur van te maken. Ik zat naast hem en keek mee op het grote scherm van de Mac. Verwonderd over al die noten die ik dertien, veertien jaar geleden had bedacht. Linnaeus, een botanische cantate heet het stuk voluit. En het moest klinken als een boeket veldbloemen. De teksten zijn een polyglotte verzameling uit diverse bronnen en de muziek is eclectisch, zéér eclectisch. Ik heb er alles ingestopt wat ik kende. Van Latijnse hymnen alla Orff, via folk, belcanto, hoogromantiek, een Zweeds kinderliedje en het neoclassicisme van Stravinsky tot recitatieven die pendelden tussen Bach, Puccini en Monteverdi. Ik weet nog dat ik destijds twijfelde of dit wel kon. Ik heb in het beginstadium een stukje laten horen aan een in de kunsten geletterde vriend en hem die vraag voorgelegd; hij was van mening dat er niets aan de hand was en dat ik gewoon moest doorgaan met dit huzarenstukje. Zo ontstond een hommage aan de Zweedse arts, plantkundige, zoöloog en geoloog die ons koor zijn naam heeft gegeven. (Puur toeval trouwens: het koor repeteert op het Linnaeushof).
In de loop der jaren hebben we de 'Linnaeus Cantate' een goede handvol keren uitgevoerd, meestal op een plantkundige locatie, in een hortus of palmenkas. 
Dit najaar bezingen we de grondlegger van de biologische taxonomie op onze vaste stek: de OBA in de Hallen. Kom luisteren!




vrijdag 7 november 2025

STEMMINGEN


Soms word ik wakker alsof ik hier niets te zoeken heb.
Dat mailde ik mezelf, om het niet te vergeten, vlak voordat ik slapen ging. 
Het was bedoeld voor een stukje over stemmingswisselingen. Ik had een gesprek gehad met mijn oude vriend de zingende psychiater E. en onder veel meer was de bipolaire mens aan bod gekomen. Hoe leg je iemand die het verschijnsel niet kent, uit wat een ochtenddepressie is? Hoe vertel je hoe het voelt als je wakker wordt met die uitgeputte, naargeestige ontheemdheid die ik in bovenstaand citaat beschrijf? Theoretisch weet je, dat opstaan, douchen, de gewone dingen doen, de beste remedie is, maar eer je je daartoe kunt zetten is er veel moed-verzamelen nodig. Een wekker zou gunstig zijn, een vaste baan, de van hogerhand opgelegde verplichting om uit je bed te stappen - ik heb het allemaal in de kliniek waar ik destijds zes weken verbleef geleerd. 
De Zenmeesteres had me die morgen verrast met een formulering die ik nog niet had gehoord. Voor de meditatie inging had ze gezegd: wees welkom in je lichaam. Dat verzoende me plotseling met allerlei twijfels: ach, laat ook maar, gewoon even een half uurtje zitten en ademen. 
Mijn geleerde vriend vertelde dat hij soms strontziek werd van de duizenden vragenlijsten en de eindeloze reeks stempels en categorieën waar zijn vakgebied van uitpuilde en dat hij meer waarde hechtte aan een intuïtieve benadering van iedere client als een uniek en eenmalig mens, een buitencategorie. Ik hoop dat ik hem goed begrepen heb. Je moest tastend in het hoofd van de ander kruipen en de formulering vinden die bij diegene dat inzicht of die verbetering aanstuurde waarnaar je op zoek was. Ik vergeleek het met het gebruik van de metafoor in het zangonderwijs, waarover mijn eindscriptie van het conservatorium ging. Und die Welt fängt an zu singen, triffst du nur das Zauberwort, verwoordt Eichendorff het in een beroemd gedicht. Magie en neurobiologie hebben veel gemeen, vertelde mijn vriend. Denkbeelden en gevoelens sturen het immuunsysteem aan, net zo goed als farmacie dat doet, de twee zouden elkaar moeten tegemoetkomen in plaats van te bestrijden. (Ik hoop dat ik hem goed begrepen heb.)
De dag ervoor, na de woensdagse koorrepetitie, had een andere tenor me gevraagd hoe het met me ging. We keken naar de volle maan, waarlangs wolken streken. Ik aarzelde met antwoorden. Ik had nog steeds vrij veel last van de naweeën van een euforisch reisje door het oostelijke buurland. Mijn aangeboren stemmingsstoornis speelde op, aangewakkerd door de sturm und drang van de zinderende herfst, de wisselende decors van het Teutoburger Wald en een teveel aan spraakwater (vooral Dunkelweizen en Grauburgunder). Had ik soms last van de herfst, van de vallende blaadjes? wilde deze tenor weten; hijzelf merkte eigenlijk niets van de wisselende seizoenen en verheugde zich reeds op de eerste erwtensoep.
Nee, zei ik, last is het woord niet. Ik houd erg van de herfst maar als ik me te veel overgeef aan het wild-romantische ervan kan ik van de weeromstuit flink in de put raken. Het laatste kan ik missen als kiespijn, het eerste zou ik niet graag willen missen, hoewel een leven zonder highs (en daarmee ook lows) natuurlijk in alle opzichten veel verstandiger is.
Vanochtend stond ik op met de lust, noem het maar zo, om een stukje te gaan schrijven. Dat is wel wat anders dan die zwarte tegenzin die ik eerder noemde. Tegelijk vind ik die plotselinge ervaring van zinvolheid bij het vooruitzicht iets te gaan formuleren verdacht. Voor je het weet jaag je de stemming in je hoofd weer te hoog op, en voor je het weet komt er weer een maandag waarop je niets te zoeken hebt. 


Illustratie: Andreas Aschenbach (1815-1910): "Aufklarung, Küste von Sizilien" (1847)


[Uit deze notities valt met flinke inspanning en geslepen concentratie een samenhangend verhaal te maken - maar uit zelfbescherming tik ik dit - een schets, meer niet - op yoghurt en koffie in plaats van bij de vrijmibo. Geen euforie, wat ik bidden mag!]


vrijdag 31 oktober 2025

HERBSTREISE



We hadden de herfstvakantie moeten overslaan wegens drukte en verplichtingen. Het weekend erna was met potlood genoteerd. Ik hield nog een slagje om de arm maar tot mijn opluchting reed mijn vriendin gisteren stipt om elf uur voor. 
Bad Bentheim was de eerste stop in Duitsland. Bekend terrein maar het landhotel dat we tamelijk op de bonnefooi hadden besproken overtrof alle verwachtingen. Zelden beter verbleven, zelden beter verwend, gegeten. Ik zou hier lang en lyrisch over uitweiden ware het niet dat ik dit, uit dwangmatige discipline, op mijn telefoon tik in een veel minder idyllische hotelkamer in het aardige maar saaie plaatsje Lienen. Gisteravond kon ik in mijn bed in het landelijke oord geen bladzij Hermans lezen omdat Onder professoren me te veel deed denken aan het Hollandse klimaat dat we zojuist onverwacht succesvol achter ons hadden gelaten; in plaats daarvan had ik mijn gewillig luisterende vriendin gedichten van Heine voorgefluisterd. Nu, na een lange dag toerisme, onder andere in het charmante vakwerkhuizige Tecklenburg van onze opa's, en een smakelijk maal bij Achmed en zijn jonge vrouw, geloof ik dat Hermans er wel weer in gaat. Ik schenk nog een laagje weinbrand in een tandenpoetsglas en groet u allen hartelijk. Volgende week hoop ik weer wat substantiëlers te melden te hebben.

Bij wijze van ansichtkaart, Voorheen Rookzanger 


vrijdag 24 oktober 2025

MAPS



We liepen door het drassige gras rond Huis te Merwede, een stoere middeleeuwse ruïne, een dichtgemetselde donjon, merkwaardig gelegen tussen een penitentiaire inrichting, een industrieterrein en de brede rivier, door de artificiële spreekster van Maps aangeduid als Mérwuhduh. Zomaar een toeristisch uitstapje om de tijd te doden. Het miezerde maar het voorspelde noodweer hield zich nog koest.
We hadden file gehad en voor een lunch was het eigenlijk te laat maar een tosti moest kunnen, die zou het vroege avondeten niet in de weg zitten.
De mooi opgepoetste jongeman die bediende in De Watertoren (kleinschalig hotel-restaurant met uitzicht op de Biesbosch) adviseerde ons Het Magazijn voor ons diner. Reserveren meestal noodzakelijk, maar op donderdag met dit beestenweer zou er wel plek zijn. Zijn advies ging het van hem afgewende oor meteen weer uit, we hadden geen zin in hip en trendy, een klein eethuisje in de buurt van Kunstmin was ons liever. Mogelijk zelfs een Griek, want we gingen naar Mikis de Griek - A Tribute to Theodorakis, een muzikale voorstelling door Bart en Julian Schneemann en vrienden, waaronder de temperamentvolle zanger Vasilis Lekkas (1960).

Het liep anders. Maps stuurde ons naar het Dordtse Osdorp. Het Osdorp van een paar decennia terug. Op de parkeerplaats stapte een jong-oude vrouw met een bleek, strak bekje uit haar gebutste auto. Ze spiedde rond, dook in de bosjes en kwam er met een blikje uit. Dat ging in haar tas en ze liep snel naar de Aldi. Op de hoek van een andere, zo mogelijk nog goedkopere supermarkt dromde een groepje ongure mannen samen, speedy, ongemakkelijk. Er werd gehusseld, er werd crack gerookt. Ik deed net of ik geen deftige hoed op had en liep snel door. Hier moet het zijn beweerde mijn vriendin verbaasd maar ik herinnerde me de schouwburg toch echt als een deftig negentiende-eeuws geval in een statige wijk, aan de rand van een mooi park, niet in een verloederde wederopbouwbuurt. 
We gunden Maps nog een kans.
De ons aanbevolen parkeergarage Energiehuis vonden we na wat rondjes rijden maar een ingang zagen we nergens. Aan straat parkeren dan maar. Toen we eindelijk een automaat hadden gevonden die werkte en niet na heel veel bedenktijd de transactie annuleerde waren we volgens mijn telefoon nog tien minuten verwijderd van Kunstmin. Te voet. We klapten een paraplu uit. Storm Benjamin klapte hem lachend terug. Kletsnat arriveerden we bij Kunstmin. We hadden al besloten het eethuisjesplan maar op te geven en ons tevreden te stellen met het restaurant van het theater, ons kregen ze de straat voorlopig niet meer op. 
Gedempt licht en dichte deuren. Zeven uur gingen die deuren open. Het was vijf uur. 
We zetten er flink de pas in en marcheerden de Sint Jorisweg af. Op weg naar Kunstmin hadden we geen horeca gezien, hier zagen we vooralsnog ook niks. Wind en regen werden zo erg dat mijn vriendin vragend naar een snackbar wees. Dat ging me te ver, even doorzetten nog! Sint Jorisweg ging over in Sint Jorisbrug, die in Steegoversloot. Hé, daar was de bistro La Bohème, daar hadden we iets over gelezen. We gluurden begerig naar binnen. Het zag er wel wat deftig uit voor doornatte reizigers en een menuutje deed ruim vijf tientjes - we aarzelden. Mijn vriendin die een bloedhekel aan regen heeft vond dat we het maar moesten doen. Maar er was nog helemaal niemand, de gepoetste wijnglazen glommen in beschaafd licht en weerkaatsten slechts het smaakvolle interieur. Nog even verder dan maar, nat waren we toch al, verderop begon de Voorstraat, daar leek het levendiger.


En zo kwam het dat we het advies van de jongen uit de watertoren tóch opvolgden. Alles was besproken, vol, gereserveerd, maar als we om halfzeven ons tafeltje wilden prijsgeven mochten we aanschuiven. Een uur en een kwartier, dat moest lukken. Het Magazijn: 
een prachtig art nouveau-pand, vlotte en vriendelijke bediening, lekker eten en lekkere wijn (Grauburgunder) en alles heel schappelijk geprijsd. Ons humeur, dat aan wat schommelingen onderhevig was geweest, laaide op.
Ik wou het snelle maal besluiten met een ouzo bij de koffie maar dat hadden ze niet. Sambuca dan maar. Kauwend op een koffieboontje stelde ik me voor dat het ouzo was. 

vrijdag 17 oktober 2025

DAGOBERT


'U wordt steeds rijker,' stelde mijn belastingconsulent een beetje verbaasd vast.
Ik moest het beamen. Vorig jaar was een vet jaar, dankzij een extra scheurkalender en een paar uitverkochte zalen. Tel daarbij die AOW op, die zo lang als het duurt een gulle toegift is op mijn inkomen want ik werk nog net zoveel als voor mijn 67e - en dat beetje lijfrente... en mijn sobere levensstijl, wars van luxe... mijn voorliefde voor straatvondsten en kringloop: Rijkdom! Ooit houdt dat op - wie weet hoe snel al, als ik zal moeten leven van wat nu nog extraatjes zijn, maar voor het moment is het een fijn gevoel. Dagobert Duck wentelt zich in weelde, spartelt in een lauw bad van glinsterende munten, en overweegt een derde luit te kopen, eentje met acht koren in plaats van zeven.
Achter de hoge ramen van het kapitale pand in Oud-Zuid woedde de herfst. Net als altijd als ik bij mijn hockey of golf (of allebei) spelende belastingman J. ben. Alleen ga ik normaal in november naar hem toe. Dus viel het najaar soms eerder dit jaar? J. dacht van niet. Van het seizoen kwamen we op de wintertijd. Wanneer ging die in? Hij keek in zijn agenda, een mooi ouderwets exemplaar met een ringbandje, in zachtgroen leer gevat. Volgende week pas, ik had ongelijk. De uitbundige versieringen in de statige E.-straat - spinrag, skeletten, kalebassen, doodsbeenderen en dergelijke - waarover ik me verbaasd had, weet J. aan het hoge percentage expats dat hier woont. Amerikanen en Halloween, dat wil wel.
Zo babbelden we een kwartier vol voor het eigenlijke aangeven begon. J. werd nu ernstig en klakte verschillende malen verontrustend met zijn tong terwijl hij de cijfers invoerde die ik hem dicteerde. Gelukkig had ik lekker veel tandartskosten om af te trekken, maar of dat genoeg was?
Nadat alles uit de printer was gerold en ik een krabbel had gezet onder de voor het bureau bestemde uitdraai gaven we elkaar een hand. 
'Tot volgend jaar maar weer,' zei J.
'Bij leven en welzijn,' ketste ik traditioneel terug. 

Voor straf moest ik aanzienlijk meer belasting betalen dan vorig jaar.