vrijdag 30 maart 2018

Gekakel en gekraai


Het was een kippenhok geweest, iedereen kakelde en kakelde maar. Ik had me voorgenomen stoïcijns te blijven en vredig glimlachend mijn werk te doen, alle strubbelingen aan me voorbij te laten gaan. Lekker te zwaaien met mijn stokje en verder niets. Maar onverschilligheid werd onbehagen en onbehagen ergernis, en toen die een zeker verzadigingspunt had bereikt zette ik mijn operastem op. Een beetje verbaasd en licht verontrust hoorde ik mezelf het koor de les lezen. Respectloos en onbeschoft, noemde ik hun gedrag: een sopraan deed vreselijk haar best om mooi te zingen en zij kakelden er dwars doorheen. Daarna was het even stil. Ik ging weer zitten. Ik hoorde hoe de regisseur zich verplicht voelde ook een duit in het zakje te doen. Mijn uitvallen van boosheid zijn hoogst zeldzaam, mijn sluimerend temperament moet grondig worden opgewarmd wil het zijn eigen gang gaan. En dan maakt het ook - eventjes - indruk.

De volgende dag schreef ik een mail aan het bestuur, dat het zo niet langer ging. Misschien had ik dat beter niet kunnen doen. Ik ging naar Zen en probeerde te mediteren maar daar kwam weinig van terecht. Pas tegen het einde van de sessie merkte ik waar ik was: niet in de repetitieruimte maar in het zendo. De hele verdere dag was ik moe, die vreemde moeheid die met spanning te maken heeft. Een dutje doen helpt niet, een eind wandelen helpt niet. Ik voelde me als een logge ballon waarin te veel lauwe lucht is geblazen.
Had ik de zaken maar op hun beloop moeten laten? Onthechting; ja, daar streef ik naar. Maar ook wil ik betrokken zijn. Wat ik doe wil ik met aandacht doen. Hier leken twee spirituele principes hevig te botsen. Hoe kon ik onthecht betrokken zijn?
Ik reed naar de Staatsliedenbuurt. Ik had de sleutel van het zaaltje waarin de donderdagse solistenrepetities plaatsvinden vergeten aan de regisseur te geven. Zelf kon ik niet opendoen, want ik moest eerst de kerkdienst van Witte Donderdag leiden en zou er pas later op de avond zijn. Ik dwaalde door de lange straten van die mij slecht bekende buurt, waarvan er opvallend veel met ‘van’ beginnen. Boven de woonkazernes van het voormalige krakersbolwerk bolden de wolken wit op in een fletsblauwe lucht; het was, na een verregende woensdag, opeens lente geworden. De muffe perslucht in mijn ballon zette door de warmte nog een beetje meer uit. In de Van B.-straat kon ik halverwege niet verder. Een speelplaatsje blokkeerde de weg. Ik draaide een zijstraat in en reed op richtingsgevoel door de buurt tot ik in het vervolg van de straat kwam, dat bleek te grenzen aan de Haarlemmerweg. Hier was het stil, een beetje dorps. Vogels kwetterden kalm. Ik dacht vol verlangen aan ons naderende uitje met Pasen.  Een hotel met gelagkamer in de Achterhoek, net als vorig jaar. Paasvuren. Wandelingen. Weg van de stad en het hoenderhok. 
Ik deed de envelop waarin ik de sleutel had gestoken in de brievenbus.  Op de terugweg stond ik een tijdje vast in de altijd-drukke Van Baerlestraat. Toen ik thuiskwam dacht ik: je hebt nu ruim anderhalf uur verspild met het doen van iets dat niet gedaan had hoeven worden, als je je kop erbij had gehouden. Als je je niet gek had laten maken door al het gekakel.  Als je die haan in jezelf niet had laten kraaien. En daarmee had ik het antwoord op mijn eerdere vraag. Het is allemaal een kwestie van timen en doseren. Betrokkenheid is goed. Maar te veel betrokkenheid, zonder onthechting op zijn tijd, is contraproductief.  

dinsdag 20 maart 2018

De rode Bommel van Matena

We aten oesters in Hotel Buiten aan de Sloterplas, Karl en Renate, mijn vriendin en ik. Het was praktisch de vooravond van mijn verjaardag, en Karl had een fors pakket bij zich. 
'Ik weet niet of je het leuk vindt, anders mag je het gerust wegdoen,' zei hij, 'ik heb dit het afgelopen jaar in diverse boekwinkeltjes verzameld.' 
Ik pakte het uit en er kwam een hele verzameling Bommeliania tevoorschijn: de Bommel Glossy, de Bommel Reisgids, en andere dergelijke publicaties voor liefhebbers. Ik zei dat ik dat wel degelijk nog steeds leuk vond. We legden de boekjes terzijde, verdiepten ons in de menukaart en vroegen plagerig aan de piepjonge ober of er wel genoeg hagel in de fazant zat.

'Nog steeds leuk' is verre van adequaat uitgedrukt. De besmetting met het Toondervirus die ik in jonge jaren heb opgelopen gaat nooit over. Ik slaag er nog maar zelden in om een heel verhaal uit te lezen maar blijf gefascineerd door alles wat met Toonder te maken heeft. Ik ben lid van Facebookpagina´s en geniet van de plaatjes die daarop worden gezet, die me meer zeggen dan de verhalen tegenwoordig: ze zijn een wereld op zichzelf, ingekaderd als schilderijtjes, ze rakelen de oude magie op, door de suggestie die er nog steeds vanuit gaat, los van de toch wat pedante, soms stroeve of juist rammelende verhalen.
Die fascinatie leidde een aantal jaar geleden tot een grote teleurstelling. Ik las de briefwisseling tussen Toonder en Dick Matena en de eerste donderde van zijn voetstuk. Een charmante dwingeland, een geslepen regisseur die zijn medewerkers voor hem liet dansen en zelf met de eer ging strijken.
Goed, wijzer geworden - anonieme tekenaars zoals de geniale Piet Wijn maakten de potloodtekeningen van de Bommelstrip, Toonder inktte ze 'slechts' - pakte ik de draad weer op, las af en toe wat in de Bommelsaga en genoot van de plaatjes en de herinnering. Alles was in wezen in orde. Tot vorige week.

Bij het verjaardagspakket was een ballonstrip: Tom Poes en de Pas-kaart. In 2014 gemaakt door dezelfde Dick Matena. De ochtend na het etentje monsterde ik de toestand van de wereld en besloot dat het wijs was om me nog wat in bed terug te trekken. Een stripboekje kon ik nog wel aan, dacht ik.
Ik begon achterin. In een interview over de ontstaansgeschiedenis van de strip vertelt Matena (destijds zeventig) dat hij twee ballonstrips had gemaakt samen met Toonder, na diens pensioen. Toonder gaf de aanwijzingen, Matena tekende. Dit had de derde moeten worden, maar aan de samenwerking kwam een vroegtijdig einde. Toonder werd gek van zijn eigen onmacht - hij kon niet langer uitvlakken, voordoen en corrigeren - en Matena werd gek van Toonder: de vriendschap tussen beide stijfkoppen dreigde te bezwijken onder de samenwerking.
Toen het verhaal jaren later alsnog werd voltooid - of liever: opnieuw werd gemaakt - wilde Matena meer dan een Tom Poes-avontuur zoals die in de Donald Duck stonden, hij wilde een klassieke Bommel maken. 

Hier begint de ellende, denk ik. Want de in 2005 overleden Toonder had per testament beschikt dat 'zijn' Bommel uitsluitend nog in ballonstrips mocht voortleven; de beroemde tekststrip nam hij mee het graf in. Als resultaat van die restrictie heeft de 'enige wettige opvolger' van Toonder een ballonstrip gemaakt die bomvol staat met overladen tekstballonnetjes. Dat maakt een rommelige indruk. Maar misschien nog rommeliger zijn de tekeningen zelf: Matena heeft een eigen, snel ogende stijl en experimenteert nog steeds graag. Maar na lezing van het verhaal moest ik steeds, bijna dwangmatig, de tekeningen opnieuw bekijken: was dit nou 'snel', 'eigen stijl', of gewoon slordig? Die bomen, die niets van de romantische Toonderbomen hadden met hun gestileerde kronkels en knoesten, maar uit enkele penseelstreken of pennenveegjes bestonden... was dat opzet? En het feit dat Slot Bommelstein er op strook zes geheel anders uitziet dan op strook 16... opzettelijke vrijheid, of verstrooidheid, willekeur? Strookje 10 lijkt wel onaf en half-ingekleurd... En dan Bommel zelf! Die heeft een bij vlagen barse hondenkop, die een geheel nieuwe interpretatie laat zien van de vertrouwde heer zoals we hem uit de dagstrip kennen.

In de uitleiding staat een fax van Toonder afgedrukt. Daarin geeft hij kritiek op Matena's Bommel: die is veel te rood (hij moet teddybeer-gelig zijn), de oortjes zijn te groot, en het voorhoofd is te hoog waardoor hij een te intelligente indruk maakt (sic!); de oude reumatische hand levert er een tekening bij van hoe het wél moet. Een verrassend staaltje van trefzekerheid, dat de van zijn voetstuk getrokken Toonder weer een beetje op de sokkel hijst. 'Slechts inktte...' Dat bittere oordeel kan bij het grofvuil.
In Tom Poes en de Pas-kaart heeft Matena deze instructies van zijn voormalige leermeester aan zijn laars gelapt. Ik kwam er al terugbladerend maar niet uit: was dit opzet of onmacht? Stijl of zwakte? Laat hierover geen misverstand bestaan: Matena kan het als geen ander. Zie achterin het album het prachtige ontwerp voor de nooit voltooide eerste versie van het verhaal, helemaal in de beste Toonderstijl gedaan. Waarom is hij dan zo eigenzinnig aan de haal gegaan met zijn legaat?
De boeddhist in mij zegt dat Matena mag doen wat hij wil met Bommel... Toonders zegen heeft hij gekregen, en wie ben ik om de verandering tegen te willen houden? 
Maar iets anders in mij - iets dat zoekt naar houvast en bestendigheid - verzet zich hevig tegen deze chaos. Bommel was - met de dood van zijn bedenker - af. Dat was fijn overzichtelijk. Nu rommelt hij maar door in Rommeldam in zijn rode pels, en hoe ik dat in mijn wereldbeeld moet inpassen weet ik niet zo gauw.

En het aller-, allerergste heb ik voor het laatst bewaard: Bommel rookt geen pijp!


Naschrift: Ik las het verhaal in de albumversie uit 2015, waarin vier stroken per bladzijde staan afgedrukt. Waarschijnlijk draagt deze gecomprimeerde druk wel bij aan de rommelige indruk. De oorspronkelijke oblong-uitgave met één (grote) strook per bladzijde zal ongetwijfeld in Matena 's voordeel uitpakken.

dinsdag 13 maart 2018

Tussen Andreasplein en Zwarte Pad, derde jaargang!


Marijke. Pluiziger truitje droeg geen meisje. Zachtroze was het, in mijn herinnering. We waren verlegen verliefd op elkaar. Op de schrikkeldans van donderdag 29 februari 1968 vroeg ze me ten dans, tot mijn lichte, plezierige schrik. Ik zal hevig gebloosd hebben maar heb verder aan die gelegenheid geen herinnering; het meeste van die tijd heeft zich in een mist teruggetrokken, ook deze schrikkeldans.
Vijftig jaar later zit ze vooraan in het Van Eesteren Museum  als ik zing over Geuzenveld, het dorp-in-de-stad waar we allebei vandaan komen. De tekst is van Peter B., onze klasgenoot van toen. Die dook een jaar of vijf geleden uit diezelfde mist op en bemoeide zich op aangename wijze met mijn leven tot hij weer ruggelings verdween, eerst langzaam, allengs sneller, onderweg naar een zelfgekozen kluizenaarschap; al zijn sporen wiste hij al doende uit: zelfs op Internet (waar ooit twee blogs van hem floreerden) is niets meer van hem te vinden. 

Uit de straten duiken nevels op.
Spelend met de stilte keer ik terug,
en voed mijn sluimerend verlangen 
met geluiden van een vergeten dag.

Dag Peter... Ik respecteer je keuze en verberg je voortaan weer achter een initiaal.
Robert Eksteen, onze wederzijdse vriend, de Dwarse Man, is er ook: schuin achter Marijke zit hij, een beetje achteraan zoals zijn gewoonte is. Twee vreemde namen schieten me te binnen, als ik die bedaagde heer zie en mijzelf in zijn ogen zie -  een andere bedaagde heer: Lorrik en Sorrik. Lorrik en Sorrik waren onze kinderlijke alter ego's, onder die naam bevolkten we onze eigen planeten, waarvan we gedetailleerde kaarten mee naar school namen. Er was ook een Jorrik: de naam van Peters avatar. Ik zie me nog staan bij de ingang van de Pieter Jelles Troelstraschool met zo'n landkaart in handen. Het was de rechter zijingang van de school, aan de Savornin Lohmanstraat. (Dat is wel vreemd, want aan die kant gingen we binnen tot en met de derde klas; de vierde klas hadden we les in het houten noodgebouw, de vijfde en zesde brachten we door op de bovenverdieping van de linkervleugel van de school. Het ontwerpen van hele planeten en hun bewoners lijkt me meer iets voor de hogere klassen, maar ik kan me vergissen; helaas is dit nooit meer te verifiëren: al wat ik heb is dat plaatje, dat zich niet laat ontkennen, dat er ontegenzeggelijk is, van ons bij de linkerpoort van de school, met die kaart van een fictieve wereld in onze handen. Ik geloof dat het een herfstdag was.) 

Het boekje wordt gepresenteerd. Tussen Andreasplein en Zwarte Pad, deel drie alweer, ditmaal met bijdragen van twintig schrijvers die ofwel in Nieuw-West hebben gewoond of dat nog steeds doen. Eerste exemplaren gaan naar boekenblogger Leo Willemse en sportjournalist David Endt, beiden uit de buurt afkomstig. David is hier vanwege het motto van het boekje, een gedicht van zijn vader Enno Endt. Ik heb die verzen ooit op muziek gezet en ze zojuist ten gehore gebracht. We maken een praatje. Hij blijkt een charmante man en bedankt me gracieus voor de uitvoering. Slotervaart, 1958 heet het gedicht. Het stamt uit 1994 en staat in facsimile op pagina vijf:

Geboren, en daarvan uitgerust -
met jong-en-domzijn toegerust,
de buitenwijk van een winterstad:
huizen in de vriesklucht strak,
een boom, nog klein, en zonder blad
dat roert, dat het gemoed verwart..
Glashelder ruim is naast de stad
een buitenwijk onbewust.

Een strakke, geometrische buurt, een tekentafelbuurt. Ontworpen door Cornelis van Eesteren, aan wie nu een museum is gewijd. Wel geen nieuwe planeet, zoals wij ze in Geuzenveld ontwierpen, maar toch... een nieuwe stad, gedrapeerd rondom een kunstmatig meer.
Ik bekijk het omslag van het boek. Een sfeervol aquarel van Hans Duyvendak, emeritus architect en vader van 'mijn' Marijke. Een rijtjeshuis in de sneeuw, in Geuzenveld - in precies zo een huis woonden wij. Ik had nooit kunnen bedenken dat er ter ere van onze prozaïsche nieuwbouw ooit zulke romantische kunst gemaakt zou worden; beetje Turner, beetje Haagse School... Alleen al het feit dat dit en soortgelijke aquarellen uit de mist van het verleden zijn opgedoken rechtvaardigt het verschijnen van dit fijne boek.

Tussen Andreasplein en Zwarte Pad is te bestellen via www.stichtingdriehoek.nl


vrijdag 2 maart 2018

Brabantsche brieven

Te vondeling gelegde boeken, je ziet ze steeds meer, al of niet met een bordje 'gratis meenemen' erbij. 
Vroeger was er in mijn buurt één kastje aan de straat, op de Stadionweg, tegenover het Beatrixpark. Nu tel ik er vijf in een straal van een paar honderd meter rondom mijn huis. En je hoeft niks terug te leggen in ruil voor het meenemen, men is allang blij dat ze niet in de papierversnipperaar terechtkomen, de wegens ruimtegebrek uit huis geplaatste publicaties.

Het zijn trouwens niet alleen kastjes aan de straat die de verweesde boekjes uitstallen; ook in openbare ruimten (cafés, buurthuizen, hotels, campings) zie je ze steeds meer, op planken langs de muur of gewoon ordeloos opeengestapeld; aandoenlijk, maar ik word er zo langzamerhand wel een beetje mies van. Zwerfkatten in zuidelijke landen, schurftig, broodmager en vuil. Ze afschieten is een daad van erbarmen.

Ik neem er soms eentje mee naar huis. Uit hebzucht, uit medelijden ('dat is toch zonde om weg te doen') of uit oprecht verlangen het werkje te lezen. Dat laatste komt weleens voor, gelukkig. Zo las ik Kurt Vonnegut, Evelyn Waugh, Arthur van Schendel, Bertus Aafjes, Graham Swift, T.S. Eliot en Janwillem van de Wetering in edities die in andere gevallen bij de Kringloop terecht waren gekomen.

Mijn laatste exemplaar komt uit het Sarphatihuis. We repeteren daar met de operette. Gewezen dronkaards schuifelen er spookachtig door de gangen; Ramses Shaffy was niet de enige lijder aan het Syndroom van Korsakoff die in dat statige negentiende-eeuwse gebouw zijn laatste dagen sleet.
In een onduidelijke tussenruimte op de eerste verdieping staan rijen boeken uitgestald, rug aan rug op een loos muurtje. Delen van de Winkler Prins, vergeelde romans; mooie en moeilijke boeken vaak, die schrijnend laten zien dat de rondwarende schimmen met hun holle blik ooit een actief geestelijk leven hebben gekend.
Het in grijs linnen gebonden boek met de titel Brabantsche brieven van Dré had ik al een paar maal in handen genomen, als ik in de pauze even mijn piano ontvluchtte en door de gangen dwaalde. Maar ach, wat moest ik ermee? Het zag er wel mooi uit, verlucht met kleine vignet-achtige houtsneden. Maar zou ik zoiets ooit lezen? Toch nam ik het afgelopen dinsdag in een impuls mee en stopte het in de tas bij de partituur van La vie Parisienne.

In bed bladerde ik het door, hier en daar las ik wat. Mijn vader had dat beter gedaan, in dialect schrijven, vond ik. Die schreef in zijn verhalen alleen de van het standaard Nederlands afwijkende woorden fonetisch op. Deze schrijver, zich verschuilende achter zijn alter ego Dré - woonachtig in Ulvenhout en van beroep varkensfokker (vèrkensfokker) -, imiteerde onvermoeibaar de spreektaal, zodat het woordbeeld bepaald onrustig werd. 'Want as ge wa-d-ouwer wordt, dan gerokte weer olleen.' Wa-d-ouwer... Dat is nog een stapje verder dan Nescio met zijn paste-n-i wel op.... Als je daaraan begint zou ook 'gewoon' Nederlands een exotische bladspiegel opleveren. 
Wat ik las vond ik op het eerste gezicht nogal melig. De poëzie van 'een' Felix Timmermans (aan wie ik moest denken door de streektaal en door die houtsneden) was hier ver te zoeken. Het humoristisch bedoelde boekje uit de late jaren twintig mikte vermoedelijk op een stads lezerspubliek dat zich liet vertederen door de benijdenswaardige onbevangenheid en vermeende natuurlijkheid van die Brabantse boeren, leek me zo; de uitgever (L.J. Goddard) zetelde niet voor niets in Den Haag.

De volgende dag googelde ik. De schrijver kwam uit Breda, heette A.A.L. Graumans (1894-1955), was tekenaar en journalist, auteur van een veelgeprezen socialistische roman, populair door zijn radiopraatjes en cursiefjes in 'sappig Brabants', hoofdredacteur van de Gooi- en Eemlander, lid van de NSB; na de oorlog tot vijf jaar ontzegging van beroepsuitoefening veroordeeld, niet lang daarna gestorven. Een fotootje liet een man zien met een forse kuif en een pijp. Een foute, pijprokende dialectschrijver - onze eigen Felix Timmermans, jawel.

Het boekje had me de vorige avond in bed eerlijk gezegd nogal treurig gemaakt. Wat ik ermee wilde was namelijk onmogelijk: het met mijn vader bespreken; kende hij de auteur, wat vond hij ervan? 
Besluiteloos bladerde ik het nog eens door, streek met mijn vingers over het ruwe linnen. Het was een mooi verzorgd boek maar het moest maar weer terug naar het Sarphatihuis.
Ik had, besefte ik, Brabantsche brieven eigenlijk voor mijn vader opgeraapt.

zaterdag 17 februari 2018

Requiem voor een VW-busje




















In 't volst vertrouwen ging 'k van huis,
ver weg van katten, bed en buis -
want wat kon mij daarginds gebeuren?
Het busje was een rijdend thuis.


Voorsmaak van de lente, 17 februari 2018

Ik keek naar oude foto's en ze leefden weer -
alleen van dat glas witte wijn kon dat niet komen;
ik opende de deur naar het balkon en hoorde
de eerste merel van het jaar.


maandag 29 januari 2018

Een vreemde vriend


In december werd Ga met me mee, zelfportret in 100 stukken gepresenteerd, een nieuwe bloemlezing met nagelaten teksten van Lennaert Nijgh, samengesteld door Peter Voskuil. Voskuil schreef eerder, in 2007, de biografie Testament.
   Ik was uitgenodigd maar ben niet gegaan. Deels omdat ik niet lekker was, deels door iets anders, iets groters. Ik merkte dat ik geen zin meer had om me in dat kringetje van Nijgh-mensen te begeven. Nijgh was mijn vriend, mijn pennevriend vooral, toen ik een dertiger en veertiger was. Als ik denk aan die tijd ken ik mezelf niet terug; ik kijk in een vervormende spiegel. Voor vrienden van toen geldt dat in nog heviger mate. Nog steeds fascineert Nijgh me, maar zoals een andere schrijver me zou kunnen fascineren, een die ik nooit gekend heb en die al eeuwen dood is. Ik denk niet vaak meer aan hem als aan een vriend. Hoogstens is hij de vriend van die vreemde versie van mijzelf. Die tweede dood van Nijgh maakt me ongemakkelijk en bedroefd, en daarom ben ik niet naar Haarlem gegaan.

Behalve de mettertijd gegroeide afstand tussen ons is er nog een reden voor die vervreemding. Sinds zijn dood is er zoveel over hem geschreven en gepraat. Taboes zijn doorbroken, geheimen naar buiten gekomen en ik heb mijn beeld van Lennaert zeer moeten bijstellen. Postuum is hij een andere man dan hij bij zijn leven was; voor mij tenminste.
   Lennaert was een junk. Hij is gestorven aan een mishandeld en uitgewoond lichaam. Ik heb dat toen nooit gezien, en zelfs intimi die het wel zagen wilden het niet zien. Lennaert verzweeg en ontkende het en dus was het er niet. Achteraf zijn alle signalen duidelijk. Hoe hij opgeknapt van de wc terugkwam, als we een afspraak in een van zijn stamcafés hadden, hoe zijn doffe ogen dan oplichtten hoewel hij pas één glaasje Beerenburg op had. Iedereen wreef hem alcoholisme aan, dat paste beter bij de schipper/dichter die in zijn hart een negentiende-eeuwer was dan de coke en de speed. Maar ik heb me er altijd over verwonderd hoe zo weinig drank iemand zo kon uithollen. Die paar glaasjes Weduwe Joustra die hij traag naar binnen zoog konden zoveel kwaad niet doen.  Zelfs als je er zijn kettingroken en zijn slechte eet- en slaapgewoonten bij optelde.

In de week na kerst arriveerde het boek. Voskuil had er een vijftal aan mij gerichte brieven in opgenomen (‘Lieve Zanger!’)  en was zo attent om me als dank het exemplaar toe te sturen dat bij de presentatie voor me klaar had gelegen. Het zag er prachtig uit. Typografisch tot in de puntjes verzorgd en rijk geïllustreerd, net als zijn grote broer Testament
   Ik sloeg het open en zocht de bladzijden op in het laatste gedeelte, waarop de brieven stonden afgedrukt (‘Amice!’, ‘Waarde Liereman!’). 
   Een paar stukjes waren weggelaten, zag ik. Ik vroeg me af waarom, las de voetnoten en was verbaasd.
   ‘Waarlijk, het wordt tijd. Die Winterreise wacht,’ beëindigt Nijgh zijn brief van 31 januari 1994. Het commentaar van Voskuil: ‘Die Winterreise wacht’ – Lennaert koesterde op dat moment plannen om zijn eigen Winterreise te schrijven, en het werk daaraan wachtte dus.
   Verbaasd? Verbijsterd was ik om zoveel onbegrip. Dat bedoelde Lennaert helemaal niet! ‘Die Winterreise’ was in de omgang met Lennaert een vaak terugkerende metafoor die stond voor de eenzame laatste levensjaren, de barre tocht naar het einde. Het ‘Waarlijk, het wordt tijd’ heeft in die context een bijna Bijbelse klank; en de brief, die een dramatisch afgelopen ontmoeting met een jeugdige Geliefde beschrijft, eindigt in mijn lezing in een melancholiek mineur: ‘Te laat! Mijn tijd is om! Niets dan ouderdom en dood in het verschiet!’
   Maar Voskuil leest het als: ‘Sorry, ik moet kappen met deze brief, moet aan de slag met een tekstklus. Doei!’
   Ik zette het aan ergernis grenzende onbegrip van me af en bladerde door het boek. Een rijkdom aan vergeten teksten, opgediept uit laden, overgetikt uit schriftjes. Genoeg om je vingers bij af te likken, als je van Nijgh houdt.
   Maar al die tijd dacht ik, niet voor het eerst: als er fouten staan in wat ik toevallig kan verifiëren, hoe zit het dan met al die dingen waar ik niets van weet? Hoe betrouwbaar zijn al die feiten eigenlijk, die we dagelijks voorgezet krijgen?
    En wat nou, als ik me vergis, en Voskuil het bij het rechte eind heeft?
   Wat is de ware toedracht toch altijd ingewikkeld, en wat zijn we toch allemaal vreemden voor elkaar.


Lennaert Nijgh zou vandaag 73 zijn geworden. 



vrijdag 5 januari 2018

Een tijdelijk afscheid


Het begon ermee dat ik de naam aanpaste omdat de oude de lading niet meer dekte. Vervolgens wisselde ik ongedurig van lettertype, zonder ooit echt tevreden te zijn over het resultaat. Als je zo met de vorm bezig bent is er meestal iets mis met de inhoud.

Jarenlang was dit blog een plaats in het digitale universum waar ik me thuis voelde. Ik kroop er tweemaal in de week in weg, zag uit naar die uren, en zag er met plezier op terug. Een tentje van taal was het, helemaal zelf opgetrokken, een tempeltje ook voor de culte du Moi, een schuil- en rustplaats waarin koffie en tabak heerlijk smaakten.

Het afgelopen jaar was een productief jaar, maar geen fijn jaar. Ik had te veel petten op: de uniformpet van de verkeersregelaar, de directeurenhoed, het baseballpetje van de toffe jongen, de schelpenhoed van de pelgrim, de met inkt bespatte klep van de klerk, de scheve slaapmuts van de kamergeleerde - ik begon ze te verwarren en wist niet meer waar ik het hoofddeksel had gelaten dat ik die en die dag of dat en dat uur nodig had.
Vijf boeken de wereld in geholpen, vier scheurkalenders ingeleverd, ondertussen operettedirigent geworden en mijn andere muzikale bezigheden gewoon blijven doen: het was te veel.

Ik trok me steeds minder graag terug in het tentje. Het leek of het aan de openbare weg lag, het tentdoek was te dun om veiligheid of de suggestie van veiligheid te bieden. Beter kan ik het niet zeggen.

Toen ik in mijn laatste blogje (in de ontwijkende hij-vorm) schreef dat ik een sabbatical wilde houden was dat een wens die eruit floepte voor ik het wist. Pas later besefte ik dat ik het serieus meende. Dus, lezer, u zult een tijdje weinig van me horen. Pas in de lente wil ik dit hervatten. De komende tijd wil ik geheel wijden aan de muziek en alleen dat schrijven wat geschreven moet worden.

Ik sta mezelf natuurlijk ten alle tijde toe om van dit voornemen af te wijken - als ik iets belangrijks te melden heb of de aandrang voel om u en jullie deelgenoot te maken van wat erin me omgaat, zal ik dat zeker niet laten.

Tot dan, adieu! Tabé, aju, de mazzel en houdoe!


(Foto: Paulien Kop)


**************************************************************************



In december is mijn tragikomische roman De sigarenwinkel verschenen. Wilt u dit boek bestellen? Maak dan € 19,50 over op NL85 INGB 0680 2522 15 ten name van W.S. Huberts te Nijmegen, onder vermelding van 'Sigaar’ en met opgave van uw naam en adres. Let op, dit bedrag is inclusief verzendkosten.