Ik hoorde laatst tweemaal op dezelfde avond iemand gewag maken van ‘de echte economie’, de eerste keer een nieuwscommentator, de tweede maal een Chinees. Ik was verbaasd dat niemand ervan opkeek. Want daar werd nogal wat gezegd. Blijkbaar is die economie waarover iedereen zich zo druk maakt, het kabinet voorop, niet echt. Een virtuele economie, gebaseerd op hypothetisch geld en schommelende getallen, vaak achter de komma. Als de economische groei met 0,1 procent gestegen of gedaald is zegt dat helemaal niets over de werkelijke toestand van de welvaart in de samenleving, zulke nuances zouden misschien beter gewoon genegeerd moeten worden. De wereld zou beter af zijn zonder beurs.
Het probleem van de vluchtelingen is eveneens in cijfers uit te drukken, en die zijn heel wat indrukwekkender dan de economische calculaties, maar we hebben geen getallen nodig om de urgentie daarvan te begrijpen. Meelijwekkende beelden, elke dag, en je zou ze het liefst allemaal in je achtertuin willen huisvesten, als je logeerkamer vol is.
Ik ga nog even verder het lijstje van Grote Thema’s af. IS hakt zichzelf ooit de kop af, daar ben ik van overtuigd. Vroeg of laat roeit het kwaad zichzelf uit. Het is een kwestie van tijd. Tot het zover is moeten we verdomd goed oppassen, de wapens in aanslag, terwijl we tegelijkertijd de fuik van een politiestaat moeten zien te vermijden. Ga er maar aan staan.
Maar nog ernstiger dan dit alles, erger dan beursschommelingen, bootvluchtelingen en terrorisme bij elkaar, is de manier waarop we de aarde naar de kloten helpen. Zodra je je biotoop verwoest hebt tellen alle andere problemen niet eens meer mee, dus je zou verwachten dat die zorg voor onze woonplaats op de eerste plaats kwam. Niet zo. Het blijft in de ogen van de meeste politici een luxeprobleem, iets voor idealisten. Politici kijken niet verder dan de hun toegemeten regeringsperiode, hun blik is doorgaans niet die van een ziener. Ze staren zich blind op de problematiek van de dag. De enige die ik ooit in een verkiezingsdebat een bredere visie heb horen verkondigen, waarin zorgen voor milieu en planeet voorop stonden, was de Partij voor de Dieren. Die kon het zich als kleine speler permitteren om voorbij te gaan aan hete hangijzers. Ik hoorde hun statement aan en was onder de indruk van zoveel inzicht. Temeer daar dat kwam van een partij die zich gezien haar naam juist lijkt te richten op het kleine leed, het kleine belang – dat der wollige huisgenoten en onbezoldigde melkproducenten. Die eerder lijkt in te zoomen dan uit te zoomen. Marianne Thieme werd op slag mijn heldin. De stem die ik vervolgens uitbracht was een stem op wijsheid, prudentie en een brede kijk. Politiek waardeloos natuurlijk, maar politiek is waardeloos als u het mij vraagt – niet meer dan opportunisme en onderlinge steekspelletjes, een middeleeuws toernooi in een modern jasje.
Mijn dochter vertelde hoe ze bij de laatste moesson doornat was geregend, binnen een paar tellen, op de fiets. Een auto passeerde haar. Die reed door de rivier die zij zorgvuldig had gemeden en een tsunami spoelde over haar heen, van hoofd tot voeten – het water liep in haar laarzen. De automobilist stopte bij de volgende hoek, draaide zijn raampje open en verontschuldigde zich, hij had haar niet gezien. Het gaf niets, lachte mijn dochter, ik was toch al zeiknat.
Daar moet het beginnen, als u het mij vraagt, de redding van de wereld: bij een fatsoenlijke en meedogende omgang met elkaar. Aan de andere pool bevindt zich in mijn fantasie een visie van kosmische proporties, die standvastig het hoofddoel in de gaten houdt. De politiek bespeelt het middenveld en stelt zich dienstbaar op. In het besef dat zij, de lokale bestuurders, niet veel meer dan veldwachters, trouble shooters en boekhouders zijn. Dienders, van een visie.
Aldus oreerde Rookzanger machteloos vanaf zijn stamtafel.
vrijdag 28 augustus 2015
dinsdag 25 augustus 2015
Tandarts, zomerregen
De nieuwe tandarts had me een doemscenario voorgespiegeld. Hij is een nog erg jonge, ambitieuze man, tanden en kiezen zijn voor hem alles. Hij keek me ernstig, zelfs dramatisch aan, met indringende blik. Ik sputterde wel wat tegen, vertelde hem over mijn financiële status, zei dat dat allemaal niet zomaar ging, wat hij me daar voorstelde, dat ik daar eens goed over moest nadenken. Maar ik moest wel buigen voor zoveel overredingskracht. Ik luisterde gedwee naar zijn instructies over de juiste bewegingen die een tandenstoker dient te maken en overzag ondertussen in gedachten paniekerig mijn agenda en mijn bankrekening.
Zijn daaropvolgende preek over niet roken, vitamines, weerstand en gezond leven relativeerde alles wel wat.
‘O, ben je er zo een?’ dacht ik. De andere tandarts, mijn leeftijd, is anders, laconieker. Die had natuurlijk mijn niet helemaal gezonde tandvlees ook allang gezien, maar erover gezwegen, en gedaan wat hij kon, per sessie. Urgent was het toch immers niet? Nee, zo’n vaart zal het allemaal wel niet lopen, dacht ik in een poging om mezelf gerust te stellen. We zijn niet perfect, waarom zouden onze gebitten perfect moeten zijn? Eeuwige jeugd en maakbare perfectie zijn een illusie die deze jongeman misschien nog koestert maar mij boezemt de onvolmaaktheid minder angst in.
Maar buiten, met een afspraak voor over twee weken op zak, wogen de woorden van de nieuwe tandarts zwaar op mijn gemoed. De serie afspraken die ik de komende maanden zou moeten maken was noodzakelijk, wilde ik mijn gebit op lange duur behouden. Ik kon daar mijn ogen niet voor sluiten. Ik googelde de behandeling en ik zag ze voor me, die uren in de martelstoel, ze waren als grote zwarte blokken die dwars over het parcours van mijn leven waren gezet. Ik liep er in gedachten al tegenaan, ik kon er niet omheen.
‘Stel je niet zo aan,’ zei mijn dochter toen ik bij haar mijn beklag deed. ‘Daar hoef je toch niet nu al tegenop te zien? Een paar dagen van tevoren, oké, maar nu al? Dat is ziek.’
Als ik toch ziek was mocht ik ook op bed gaan liggen, en dat deed ik dan ook.
Het begon te regenen. De druppels lekten langs mijn raam. Ik keek er naar en werd een moment lang warm van binnen. Ik heb een goede verstandhouding met de regen, we begrijpen elkaar met een half woord. Ik knipoogde naar het raam. Daardoor aangemoedigd verdubbelde de regen zijn inzet. Verdriedubbelde, verveelvoudigde: woeste buien ratelden neer, vormden een dicht gordijn van water dat soms, op een windvlaag, schuin begon te hangen, precies zoals echte gordijnen doen.
Ik herinnerde me hoe ik een paar dagen eerder een mooi moment, een potentieel geluksmoment, bijna had laten schieten, doordat mijn gedachten, geheel overbodig zoals later bleek, in beslag werden genomen door dingen waar ik tegenop zag. We zaten op een fluisterboot op het Sapmeer, in de Noord-Hollandse Eilandpolder. Het water was roerloos, spiegelglad. Toen zagen we hoe kleine poeltjes verschenen. Spetters van een subtiel buitje sloegen in, er vormden zich kringen omheen, een heel zacht tikken klonk in het riet. Een zomerregentje op het water. Ik pakte mijn fototoestel, zoomde in en drukte af, bewaarde het ogenblik voor later en ging weer door met piekeren.
Deze regen vroeg meer aandacht. Hij liet zich niet zo makkelijk wegzetten voor latere referentie, hij wilde nu gezien worden. Ik keek en keek, net zo lang tot het ernstige gezicht van de tandarts begon te vervagen en weggespoeld werd door de druppels.
vrijdag 21 augustus 2015
LIJKWADE
De oude gevelpandjes aan de overkant van mijn straat zijn jarenlang speelbal geweest van strijdende machten: huisjesmelkers, de gemeente, de kraakbeweging. Onlangs is er een vierde speler bijgekomen, en die heeft definitief het pleit beslecht. Het Grote Geld is gekomen, heeft het terrein overzien, kansen geroken op nog meer Groot Geld en zijn plan getrokken.
Aan het begin van de zomer organiseerde de nieuwe eigenaar een informatiebijeenkomst voor buurtbewoners in Wildschut, met een hapje en een drankje. Het sloop- en wederopbouwscenario werd onthuld, de architect lichtte zijn ontwerp toe. De buurt was mondig maar machteloos, de topman van de schimmige constructies van BV’s die schuilgaat achter de ‘eigenaar’ maakte duidelijk dat we konden morren wat we wilden over de hoogte van de nieuwbouw en het verlies van daglicht dat dat voor ons betekende, maar dat hij dat hoffelijk terzijde zou leggen. Zijn gladgeschoren schedel, zijn sportschoolgestalte en zijn maatkostuum straalden onverzettelijkheid uit.
Het Grote Geld pakt de dingen groot aan. Er wordt niet zomaar gesloopt, dat zou te ordinair zijn. Veel manuren en veel materieel zijn gestoken in het imago van het nieuwe project, dat 12 Van Ruysdaels gaat heten: 4 townhouses, 6 appartementen en 2 penthouses op de plek waar zeven panden 21 etagewoningen herbergden, gaat u maar na.
De onderkant is afgeschermd met glimmend zwarte panelen: drie dagen werk voor een heel team. Daarna werd een reclamedoek opgehangen, stijlvol zwart, met artist’s impressions van de nieuwe huizen en een reusachtige R, vergezeld van de kreet Modern Luxury – alleen al de buizenstructuur waaraan het doek is bevestigd kostte dagen werk. En waartoe dit alles? Die panden gaan tegen de vlakte, toch? En twaalf flats in Oud-Zuid verkoop je ook zó wel.
‘Het zal de prijs wel opdrijven. Ik heb allang opgegeven me er druk over te maken,’ zei mijn onderbuurman toen ik hem op straat tegenkwam, ‘maar ik blijf me verbazen. Dit is een wereld waar ik totaal geen affiniteit mee heb.’
Inmiddels zijn de gevolgen van deze zorgvuldige sloopvoorbereiding duidelijk. Iedere keer als ik mijn huiskamer binnenkom zie ik een mat zwart vlak, en moet ik me ervan verzekeren dat de zon nog gewoon schijnt. Ik voel me ook een beetje bedreigd, alsof ‘ze’ mij en de andere gewone mensen in hun gewone huizen eigenlijk liever weg zouden hebben uit de chique straat die dit in hun verbeelding reeds is. Ik bewaak mijn fort en houd het hier nog wel een jaartje of wat uit, maar helemaal lekker voelt het niet. Er wringt iets. Ik voel me een onwelkome kwantiteit in de ogen van al die grote spelers, die ruimte en steen uitsluitend zien als belegging en winstobject, een sjofele man, een residu uit de verzorgingsstaat die van sociale woningbouw profiteert op een locatie waar zoiets toch eigenlijk niet kan.
Gisteren heeft er de hele middag een jongeman in een zwart pak met een rode das op de stoep gezeten, geduldig wachtend in de zon tot er een paar fotografen kwamen. De reclamepanelen waren afgezet met paaltjes en koorden zoals in een museum. 'Van Ruysdael', begrijpt u! Ik keek toe vanaf mijn balkon. Er fietste een echtpaar langs. De man keek naar me op en riep lachend: ‘Ah, de tevreden buren! Mooi toch? Van krakers naar nouveau riche!’
Ik gaf hem grijnzend gelijk. Van krakers naar nouveau riche - ik vraag me af wat ik liever heb. Ik kijk naar de glimmende lijkwade die de arme karkassen van die mooie, opzettelijk verwaarloosde en uitgezogen pandjes bedekt, en geloof dat ik het antwoord wel weet.
Labels:
Amsterdam,
architectuur,
tijdgeest
woensdag 19 augustus 2015
Een kleine Beneluxreis (en een veerpontje naar Duitsland)
5. Limburg
Een kerkklok slaat, een koe loeit. Nachtelijke, bruine geluiden allebei, het een wat helderder dan het andere.
Dit is voor mij het geluk van reizen: slapen naast iemand die je volledig vertrouwt, met wie je dag en nacht optrekt zodat je je ook zonder woorden met elkaar verbonden voelt. Buiten is een wereld waar je niets van verlangt en die niets van jou verlangt – morgen ben je weer ergens anders.
Het bleek nog moeilijk om Nederland terug te vinden. Via het enige stuk snelweg van onze reis (van de Luxemburgse grens naar Verviers) kwamen we in de Voerstreek terecht. De Voerstreek is een topografische fuik. Omdat we uit een mengsel van romantiek en koppigheid geen tomtom bezitten moesten we het met een niet al te gedetailleerde kaart doen. Nergens was een bord naar een herkenbare plaatsnaam in Nederland, steeds weer dezelfde verwijzingen naar dorpjes die allemaal op ‘voeren’ eindigden. We wilden naar Noorbeek. We wisten dat het heel dichtbij moest zijn, op een steenworp afstand zelfs, maar waar? Ik vroeg de weg. De ene keer moest ik Frans gebruiken, een tweede keer Nederlands: blijkbaar waren we de grens gepasseerd. Groene weggetjes brachten ons tot tweemaal toe terug bij ons uitgangspunt. Dat het ons uiteindelijk lukte om Noorbeek te vinden is een triomf van het oriëntatievermogen van mijn vriendin over de tekortschietende, onwillige bewegwijzering van die sombere, nurkse Voerstreek.
Deze reis begon met een gesprek met mijn vader, waarin ik hem vertelde over de Limburgse traditie om hoge dennen om te kappen en die voor de kerk op te stellen. Dat had ik op tv gezien. Ik was het gesprek allang weer vergeten, er leek zoveel gebeurd te zijn in de dagen dat we op weg waren. Nu rijden we door Noorbeek, op weg naar huis, en uit mijn ooghoek zie ik een kale stam de hemel in prikken, met alleen aan de top nog een bosje takken. De voet steekt in het zand en is ingeklemd tussen de stoeptegels. Kloing! Een kwartje valt vrolijk. Op het terrasje waar we kersenvlaai eten doe ik navraag. Ja hoor, vertelt de waard, iedere tweede zondag na Pasen, al eeuwen lang. In Mheer zijn ze vorig jaar ook weer begonnen de oude traditie nieuw leven in te blazen. Het is een heel spektakel, veertig werkpaarden in optocht trekken de den, die wordt opgesteld om het dorp van de pest te vrijwaren. Gewijd aan Sinte Brigida, maar in de andere dorpen hebben ze er een andere heilige voor. Tevreden drink ik mijn cappuccino.
Ik zou zoiets eigenlijk niet eens moeten opschrijven, u zou me ervan kunnen beschuldigen dat ik dingen verzin om mijn verhaal mooi rond te breien. Maar de waarheid kan wonderlijker zijn dan fictie. Ik had me dit jaar doelen gesteld die niet gehaald werden. We zouden naar Halle, omdat Witse daar speelt. Een idiote reden om een stad te bezoeken en dat is dan ook terecht niet gebeurd. We zouden naar Wervik om het tabaksmuseum te zien, maar in Lier had ik al mijn Semois-tabak gekocht en een pijpencollectie heb ik thuis ook. Deze Limburgse traditie was er niet bij geweest, ik was er niet naar op zoek.
Laat ik het er maar op houden dat de werkelijkheid hier een literaire gedaante had aangenomen.
Einde
dinsdag 18 augustus 2015
Een kleine Beneluxreis (en een veerpontje naar Duitsland)
4. Luxemburg
Wat zocht ik er? De voetstappen van mijn jongere zelf. Ik heb er vele liggen, in dat kleine, groen-glooiende boerenlandje. De oudste werden vergezeld door die van mijn ouders, broers en zuster, de jongste dateren van het eind van de vorige eeuw.
We reden langs de Moezel maar wat ik zocht vond ik niet: Grevenmacher was te rommelig, Wormeldange te saai, Remich veel te druk. En wat was toch dat aardige stadje waar ik ooit met mijn vriend Karl had gelogeerd? We reden zelfs door tot Remerschen en Schengen. Ik herkende niets. Terug op de snelweg langs de rivier viel de munt. Precies aan de andere kant, in het noorden, Wasserbillig, dat was het geweest! We passeerden alle wijnstadjes in omgekeerde volgorde en reden Wasserbillig binnen. Ja, geen vergissing mogelijk, hier was het, en hier was het precies goed. Hier zou ik for old times’ sake mijn roemer Luxemburgse wijn drinken. Als ze die tenminste nog hadden, roemers bedoel ik, want die glazen met groene voet waren ondertussen behoorlijk uit de mode geraakt.
Maar het hotel van toen was inmiddels niet meer in bedrijf. Een man aan de toog wees ons de enige andere mogelijkheid: met het veerpontje naar de Duitse oever; in Oberbillig, daar was een Gasthof.
We staken de rivier over, ik haalde mijn nette jasje uit het busje. We dineerden voortreffelijk, maar de beloofde Elbling was suikeriger dan die van de overkant, Weissburgunder bleek een betere optie. Helaas in een gewoon glas, geen gedraaide groene voet. Vanaf het terras zag ik Luxemburg onder een roze avondhemel liggen. Het was symbolisch: vanaf de ooit versmade zijde van de rivier hadden we uitzicht over het verleden. Aan de overkant lag het. Daar kon je niet slapen, daar was geen bed meer. Je zag het liggen, vanaf een plaats, waar het eigenlijk beter was. Als een ansichtkaart – mooi, maar onbereikbaar.
De volgende morgen gingen we de grote brug bij Grevenmacher over en reden naar het hart van het land. In het Müllerthal parkeerden we het busje naast de auto’s van alle landgenoten. Klein Zwitserland, die Kleine Luxemburger Schweiz, het was er nog steeds prachtig. Ik stelde me maar voor dat al die gezinnen met kinderen die ons voorgingen langs het kronkelige wandelpad mijn eigen familie van lang geleden waren. Misschien zou een van die kinderen over vijftig jaar net zo’n pelgrimstocht naar het verleden maken als ik nu deed.
In Bettendorf gingen we abrupt van de weg af. Aan de Sûre lag een grazige camping, in een straat ernaast verleidde een bordje ‘Floomaart’ ons, dat moest Lëtzebuergesch voor vlooienmarkt zijn. We zetten onze tent op aan het water, pal tegenover een verlaten graanfabriek die op een achttiende-eeuws kasteel leek. Het water dat de molen in beweging had gezet ruiste luid, we moesten met stemverheffing spreken. We kochten het een en ander op de rommelmarkt en streken neer op een terrasje onder een parasol. Het hoorde bij een bistro annex tuincentrumpje dat gedreven werd door twee blondgeverfde, zwaar getatoeëerde zusters. Een felrode ara krijste tussen de exotische planten. Een van de zusters vertelde dat het huis eerst aan hun grootouders en toen aan hun oom had toebehoord, een hoogleraar chemie die als hobby cactussen kweekte. Na zijn dood hadden ze hun baan opgezegd en waren ze in het voorvaderlijke huis hun bedrijf begonnen. De bistro stond nog vol met oma’s spullen, gezellige bric-à-brac die op de Floomaart niet zou hebben misstaan.
En zo kwam het dat ik toch nog mijn Luxemburgse Elbling kreeg, uit een glas met groene voet, zoals het hoort.
(Wordt vervolgd)
maandag 17 augustus 2015
Een kleine Beneluxreis (en een veerpontje naar Duitsland)
3. Wallonië
Boven het dal van de Lesse onweerde het. Het was het hevigste onweer dat ik ooit meemaakte.
De camping heette Paradiso, een naam die ons het hart deed vasthouden, maar er bleek een prettig rommelig kampeerterrein achter schuil te gaan waar Vlamingen en Walen vreedzaam polyglot samenleefden. We hadden een wandeling gemaakt langs de rivier en gezien hoe kano na kano via een soort ladder het water in werd gespuwd, een spetterende vloot, volgeladen met hele schoolklassen opgewonden jeugd.
In een uitspanning halverwege bleek hoe diep de groene mentaliteit al is doorgedrongen: onze croque-monsieur ging vergezeld van een mooi opgemaakt groentetaartje met niet alleen regionale en ambachtelijke producten, maar zelfs plantes sauvages. Bionade erbij als op een hip terras in de grote stad. We liepen puffend terug over de scherpe rotsblokken, het was smoorheet die dag. Ruisend water, rotsen, mos en varens – ik moet dan altijd een beetje Schubert zingen.
’s Avonds zocht ik vol vertrouwen de tent op. Het VW-busje heeft ruimte genoeg om een echt matras mee te nemen, het ‘WakaWaka’ zonnecellampje deed het uitstekend, slapen was net zo comfortabel als thuis. Ik las een verhaal van Murakami, viel in slaap - en werd weer wakker. Een dikke harde regen kletterde op het tentdak. Om de paar tellen was de hemel zo licht als overdag, de donder ontlaadde zich met een droge klap en rolde dan reutelend verder. Het tempo werd opgeschroefd, bliksemschichten moesten nu een flikkerend web aan de nachthemel vormen. Weerlicht en donder volgden elkaar razendsnel op, het zat vlak boven ons. Ik houd erg van het geluid van regen op een tentje en onweer vind ik normaal gesproken alleen maar sfeervol, maar dit was beangstigend. Je hoorde wel eens verhalen… Zou ik in de auto gaan zitten? In de kooi van Faraday? Maar mijn vriendin sliep er rustig doorheen, en van buiten klonken geen paniekerige stemmen. Ik trok mijn slaapzak over mijn hoofd en probeerde het natuurgeweld te negeren, waarvan ik alleen maar gescheiden werd door een vliesdun laagje stof. Mijn slaap keerde terug maar was oppervlakkig en ongemakkelijk. Het noodweer hield aan tot het allang licht was geworden.
De volgende dag vonden we na een mooie tocht door de Ardennen een prachtige stille camping bij Tintigny, aan de Semois, niet ver van de Luxemburgse grens. Onze buurvrouw van enkele tientallen meters verderop vond het een ‘cadeautje’. Ik had meer aan een 'trouvaille' gedacht. Nadat we bij de Intermarché in een dorp verderop boodschappen hadden gedaan maakten we een maal van tabouleh en merguez voor de tent. Het gouden avondlicht kleurde grijs en een zoele wind stak op. Aan de horizon, ver weg nog, klonk het tromgeroffel van een onweer. Ik hoorde het met nieuwe oren en hoopte maar dat we het voor zouden blijven. De vleermuizen begonnen te vliegen. Ergens veel verderop was het feest. Dubstep beats vermengden zich met de donder. We bleven buiten schot en pakten de volgende morgen een droge tent in.
(Wordt vervolgd)
zaterdag 15 augustus 2015
Een kleine Beneluxreis (en een veerpontje naar Duitsland)
2. Vlaanderen
‘Waar de drie kronkelende Nethen een zilveren knoop leggen; waar plots het spekbuikige, overvloedhoornige Brabant zich scheidt van ‘t mijmerend, magere Kempenland, daar is het.’
Uit een kastje aan straat had ik een wonderlijk boekje meegenomen: Schoon Lier, van Felix Timmermans. Ik heb wel wat met die omstreden dialectschrijver. Zijn met eigen houtsneden verluchte boekjes hebben iets sprookjesachtigs, iets kinderlijks. In deze lofzang verzon hij zijn eigen stad, Lier, meer dan dat hij haar beschreef. Het sprankelende Lier dat uit zijn pagina’s oprijst bestond allang niet meer, zo het ooit bestaan had - Timmermans verbeelding schiep een ideale versie van de stad, ongeveer hetzelfde (maar dan in diapositief) als Georges Rodenbach met Brugge had gedaan in Bruges-la-Morte.
We parkeerden in een garage vlakbij de Grote Markt en liepen het plein op. Het zag er allemaal erg aardig uit - Gotisch kantwerk sierde de geveltjes - al was er wel erg veel nieuwbouw tussen de schilderachtige huizen opgetrokken. Maar al lopend viel ons iets op: het was hier merkwaardig stil. Niet de middeleeuwse stilte van Timmermans waarin een eenzame voetstap over de kasseien klettert, maar een levenloze, verveelde stilte. Weinig volk op de been, alleen een handvol bedaagde toeristen. Geen straatrumoer, geen straatmuziek, zelfs geen muzak uit de winkels.
‘Lier is zo dood als een pier,’ rijmde ik flauw, maar mijn vriendin vond: ‘Sommige steden geven zich niet direct gewonnen.’ Dus streken we neer op een terrasje. Het was al laat en we waren moe, dus misschien toch een hotel? De serveerster hielp ons desgevraagd aan een plattegrond en wees ons toeschietelijk op de mogelijkheden.
De Hof van Aragon, werd het. We moesten er aanbellen, er was geen entree, uit een intercom klonk een slaperige stem. Binnen was het net zo verlaten als buiten op de gracht. We betaalden vooruit. De kamer was prozaïsch maar uit ons raam hadden we een mooi uitzicht op de Nete, de Binnennete om precies te zijn. We fristen ons op en gingen op zoek naar een restaurant.
Op het terras van een brasserie met uitzicht op de Zimmertoren en zijn astronomische klok was het levendig genoeg, en we aten er uitstekend. Mijn vriendin een overvloedig ‘Koninginnehapje’ en ik ‘Belgische gehaktballen in tomatensaus’, beide klassiekers volgens de kaart. De aardappelpuree ernaast bevatte veel roomboter, bijna de befaamde purée Magny, en de gehaktballen veel knoflook; ’s nachts lag ik er wakker van. Stille voetstappen gingen nu en dan gehaast over de kinderhoofdjes buiten, een enkele mug zoemde, de zware bronzen klokken van de Sint-Gummaruskerk begonnen gelukkig pas om zeven uur te luiden.
‘s Anderendaags waren we de enige gasten in een statige eetzaal. We lieten ons het ontbijt goed smaken, stalden de bagage bij de receptie en maakten een wandeling over de vesten, een groenstrook die de oude stadswallen markeert. Joggers liepen ons voorbij.
De lucht was helder blauw, in tegenstelling tot de gesluierde hemel van de dag ervoor, en onze indruk van Lier werd wat opgepoetst, ook door het glanzende zilverwerk in de Sint-Gummarus, die we gisteren nog gesloten hadden aangetroffen. In het Timmermans-Opsomerhuis, het museum gewijd aan Lierse kunstenaars, vertelde een medewerker ons dat de schoolvakanties de boosdoener waren, overigens was de stad ‘Lierke Plezierke’ de levendigheid zelve. We hadden onze twijfels maar besloten die voor ons te houden.
De steenweg voerde ons naar onze volgende stop, het Mariabedevaartsoord Scherpenheuvel. Hier kon je je auto laten wijden, meldde een verkeersbord. Dat leek ons niet nodig, maar een kaarsje aansteken deed ik voor de zekerheid maar wel, in een glazen huisje op het kerkplein waar het smoorheet was van de walmende waskaarsen. Op een plantsoentje onder oude platanen aten we een lunch van speltbrood en monnikenkaas uit Postel. De kaas had zijn vorm al behoorlijk verloren door de warmte van de auto en mijn zakmes sneed er soepel doorheen. Het was een drukte van belang in Scherpenheuvel, geloof en toerisme vormen een gelukkig huwelijk.
(Wordt vervolgd)
(Derde foto: portret van Felix Timmermans door Isidore Opsomer, 1878-1967)
Labels:
architectuur,
beeldende kunst,
literatuur,
reizen,
religie
Abonneren op:
Posts (Atom)