dinsdag 7 september 2021

Ouwe jongens doen


6.

Vlucht naar België

Omdat het eindelijk echt mooi weer geworden was besloten we nog een dag te blijven. We reden naar het Château d'Ansembourg, een van de kroonjuwelen van de Vallei van de Zeven Kastelen waarvan ook ons eigen burchtje in Simmer een groezelig pareltje was. Onderweg parkeerden we de auto aan de bosrand en wandelden naar de Villa Romana - het bordje had ons al een paar keer lokkend gewenkt. Het bleek om een uitgebreide nederzetting te gaan, deels uitgegraven en mondjesmaat gerestaureerd. We zagen hoe in de stilte van het bos archeologen, merendeels studenten, met kwastjes en schepjes in de weer waren.
De poort van het kasteel was open, ook voor auto's. Maar een pijl P wees naar een parkeerplaats verderop. Braaf volgden we die. Maar van wie waren al die auto's in de cour dan? Een hotel was het niet. Privéterrein, stond er, maar het zag er ook niet uit als een adellijk woonhuis of als een appartementencomplex. Sylvia en Amélie vertelden ons die avond dat kasteel en landgoed aan een sekte behoorden. Van welke overtuiging wisten ze niet. Geheimzinnige knipoog: 'Er gebeuren wel meer vreemde dingen in Luxemburg.' Dat verklaarde waarom de uitgestrekte tuinen, met een laan vol classicistische beelden, productieve moeskassen en spuitende waterwerken, zo goed onderhouden waren. Goedkope arbeidskrachten genoeg. 
Na het eten bij de tent namen we nogmaals afscheid in de bistrot. We mochten niet weg voor er een glas Sprudelwein (de uitstekende méthode champenoise van Bernard-Massard uit Grevenmacher - in 1978 had ik die caves bezocht) op onze gezondheid was gedronken.
De volgende ochtend stond in het teken van vogels. Terwijl ik koffie dronk zag ik een grote zwarte vogel voorbijvliegen in het heuvelbos. "Kraai", registreerde ik automatisch. Maar tegelijk hoorde ik een helder en doordringend geluid, alsof iemand op een feestfluitje blies. Ik pakte mijn kijker en ja: de roestrode kop was onmiskenbaar. Een zwarte specht. Nummer twee op mijn verlanglijst, net onder de raaf. Hij of zij was zo genadig om een tijd lang op een tak te blijven zitten en ik verzadigde mijn ogen.
De tent was al drooggewreven en ingepakt toen ik een groene flits zag en gekwetter hoorde. Een van Alex zijn parkieten. Ik riep Steve erbij. De kooi was dicht, vreemd genoeg. Hij belde Alex maar die nam niet op. Sylvia wandelde naderbij met haar hond Boubou. Vooruit, nog een keer Äddi dan, en succes met de vogelvangst.

Vandaag, een zonnige woensdag, was mijn vriendin aan de beurt om het verleden op te zoeken. Einddoel was een favoriete camping van haar ouders, in Pouilly-sur-Meuse. We verlieten het "lilliputachtige landje" (Dr. L. van Egeraat) en reden via zo klein mogelijke weggetjes de ruimere landschappen van Frankrijk in. In Mouzon (bekend van de viltproductie, u weet wel) bekeken we de indrukwekkende, opvallend lichte Notre-Dame en bestelden koffie met gebak in een patisserie. Rond drie uur bereikten we de Maas. De camping bestond nog, lag inderdaad idyllisch tussen de wilgen aan de stille rivier, maar was inmiddels een kampplaats voor stacaravans geworden. Geen voorzieningen, en in het dorpje was ook niets. Dan toch maar liever naar de concurrentie even verderop, "Les Bouleaux" in Inor. Hun website (animatie, entertainment!) deed het ergste vrezen maar het bleek net zo'n stille caravancamping te zijn - alleen mét restaurant en bar, onder een aantrekkelijke pergola. Pizza op het menu, helemaal goed. Een stamgast wees ons de weg naar een grasveldje in de schaduw van een grote boom, liep met ons mee naar de receptie. De beheerder leunde uit haar slaapkamerraam en wuifde dat het goed was. Ga maar ergens staan. Inchecken doen we later wel.
Een uur later zaten we aan ijskoude drankjes. De beheerder/kok/barvrouw pakte haar opschrijfboekje erbij. Registrer. Aha, nu zal die CoronaCheck toch een keer van pas komen, dacht ik, en dat formulier met de verklaring-onder-erewoord. Maar nee. "Pays-Bas, tent en auto, één nacht". Dat was het. 

Een subtiel motregentje leidde de volgende dag in. We braken de tent af voor het weer slechter zou worden en gingen op weg. Het plan was om onze tocht te eindigen in de Franse Ardennen: hotelletje, beetje cultuur. 

Sedan bleek een echt Franse stad, met geelgrijze negentiende-eeuwse appartementsgebouwen in Parijse stijl. Maar het oogde er niet erg levendig onder de sombere hemel. Charleville-Mézières daarentegen, waarop ik mijn zinnen had gezet wegens het Rimbaud-museum, bleek veel groter dan ik had gedacht en erg druk. Er was blijkbaar iets gaande, de stad was dichtgeslibd met auto's en alle parkeerplaatsen waren propvol. Weg hier! Geen stress op het laatst, noordwaarts, naar België!

En zo kwam het dat we onze reis eindigden in Vresse, voormalig kunstenaarsdorp aan de Semois. In een dood gat vlak voor de Belgische grens hadden we toch nog die CoronaCheck moeten tonen - in een snackbar, "Le Roi Dagobert", waar we brochettes en een kleintje friet aten. 
Het was een waardig einde van een fijne vakantie. In een hotel tegen de rotswand (en dan ook "Hôtel des Roches" geheten) werden we verwelkomd door een Aziatische vrouw die zangerig maar onverstaanbaar Engels sprak. Zouden de Chinezen hier ook al de zieltogende boel overgenomen hebben? En uit respect voor de historie en de locale sfeer de antieke gravures en de opgezette, mottige everzwijnskop hebben laten hangen? Nee, het bleek de Vietnamese vrouw van de norse baas te zijn. Haar dochtertje zat ernaast met haar tablet, ze vertaalde in keurig Frans: 'Petit déjeuner entre huit et dix.'
We aten in een prima brasserie, klassiek: coq au vin en lamsmuis met rozemarijn. Nette kleren aan, anders hadden we die voor niets meegesleept. Terwijl we buiten zaten te borrelen en ik mijn vakantiedagboekje bijwerkte, wachtend tot de keuken open zou gaan, bonden drie passerende ruiters hun paarden aan en dronken een biertje, zittend op de rand van het terras. Later kwamen ze ook eten, we groetten elkaar als oude bekenden.

Einde



zaterdag 4 september 2021

Ouwe jongens doen


5.

Panne en Portugezen

We zitten in de auto om naar Diekirch te gaan. Ik draai de sleutel om en in plaats van het vertrouwde geronk klinken er een paar droge tikken, als het geknetter van statische elektriciteit. Tegen beter weten in doe ik het nog eens. Morsdood. Waarschijnlijk hebben we de telefoons te lang aan de oplader laten hangen. 
Plotseling voelen we ons machteloos, gestrand in de wildernis. Geen ritje, geen vervoer, geen eten, niks. De bar is vandaag dicht. Alex is weg, solliciteren. Ik loop naar het kampje van Steve. Hij weet ergens een oude acculader te liggen. Hij sluit het stoffige kistje aan met mijn roestige startkabels. Ik start. Droog geknetter, meer niet. Er zit niets anders op dan de ANWB te bellen. Ze vragen mijn locatie en beloven contact op te nemen met hun zusterorganisatie ter plaatse, de ACL, Automobile club de Luxembourg. Ik krijg een sms'je met mijn casenummer en het verzoek opnieuw te bellen als er na twee uur nog niemand is. Het wachten begint. 
Waarom kan ik onder dergelijke omstandigheden niet rustig gaan zitten lezen? Ik ijsbeer van tent naar campingingang en terug. Na twee uur is er natuurlijk nog niemand. Ik bel opnieuw. Het meisje van de ANWB belooft persoonlijk de collega's te bellen, blijft u even aan de lijn. Na Radar Love en nog een nummer van dezelfde lengte is ze er weer. Excuus, het is erg druk. Nog anderhalf uur gaat het duren. De monteur belt zodra hij er bijna is.
Inderdaad gaat anderhalf uur later mijn telefoon. Monteur ziet nergens een blauwe Ford met panne. Is er soms nóg een camping in Simmer? Ja, een paar kilometer verderop. Ik had toch echt naam en adres van An der Ho opgegeven, maar de mens is eigenwijs - blijkbaar dacht hij zó wel te weten waar hij moest zijn. Vijf minuten later rijdt een knalgeel wagentje het terrein op. Een vriendelijke, ietwat mollige jongeman stapt uit. Hij klaart de klus behendig, controleert of de accu het blijft doen en accepteert beleefd een koekje. Tegen zessen gaan we alsnog op pad. 

Onderweg besluiten we dat Larochette voor vandaag ver genoeg is. In dit schilderachtige plaatsje, in het Luxemburgs om voor de hand liggende redenen simpelweg Fiels ("rots") genoemd, moet ik volgens mijn reisdagboek van 1978 al eerder geweest zijn; ik heb er zelfs gelogeerd, boven een door Nederlanders gedreven café; maar ik herinner me er niets van. We klimmen naar de burcht om het eten te verdienen. Een terras beneden op het marktplein lijkt veelbelovend maar blijkt bij nader inzien een soort pizzeria volgens MacDonalds-format te zijn, waar je de bestellingen aan een balie moet doen en je drankjes uit een automaat moet trekken. We ontvluchten de toeristenfamilies, lopen weer omhoog en strijken neer op het beschaduwde terrasje van café Fielser Stuf, tussen de oude mannetjes. Een man van hooguit 1,5 meter hoog met een groot hoofd (ik zag pas dat hij zo klein was toen ik opstond) neemt onze bestellingen op. Mijn Duits snapt hij nauwelijks, Frans gaat wat beter. Later begrijp ik dat het hier Portugezen zijn. Bijna de helft van Larochette is van Portugese komaf. 
Als ik dorstig van mijn bier drink en genietend een slokje Poire neem word ik toegeknikt door een man die een tafeltje verderop aan de straatkant zit. Sportieve kledij van dure snit, een bordeauxrode baseballcap. Hij rookt een pijp, een Dunhill, zie ik. Algauw zijn we in gesprek, dankzij de sociale vaardigheden van mijn vriendin, die hem complimenteert met zijn rookgerei. Ja, het staat hem goed, vind ook ik, en mocht ik nog maar eens.... De man bestelt nog een bier, en ach, doe er voor mij ook maar een Birnchen, een peertje, bij, - kijkt ons met een sluwe, charmante glimlach aan en gaat er eens goed voor zitten. Hij vertelt geestige anekdotes waarvan het einde steevast in het geraas van een voorbijrijdende traktor of bus verloren gaat, dat tegen de oude muren van het steile straatje weerkaatst. Als we de laatste happen van onze Portugese biefstuk op hebben weten we alles van zijn 86-jarige leven en zijn internationale carrière als architect van vooral staalconstructies. Maar hij weet ook het een en ander van ons: anders dan overbuurman Alex is hij nieuwsgierig naar zijn gesprekspartner. Als hij hoort dat ik koordirigent ben vertelt hij dat hij altijd in een koor heeft gezongen. Na nog een bier staat hij op en zingt het terras toe, met welluidend vibrerende tenor. 
Dan komt de eigenares naar buiten, handenwringend en met rollende ogen. Ze begint druk te praten tegen de architect maar als ze ziet dat wij met hem in gesprek zijn richt ze haar verhaal evengoed tegen ons, alsof we haar al lang kennen. Haar vader gaat vannacht sterven, zegt ze. Ze was nog niet zo lang geleden bij hem, in Portugal, en toen zag ze de dood al in zijn blik. Hij wil niet meer leven. Nu ligt hij in het ziekenhuis... ze laat een foto op haar telefoon zien van een wasbleke man met een mondkapje voor... en niemand mag bij hem. Is dat niet onmenselijk?
'Heeft hij Covid?' wil mijn vriendin weten. 'Nee, en toch mag niemand erbij. Mijn zuster niet, niemand. Ze mogen alleen door het raam naar hem kijken. En hij zal vannacht sterven!'
De vrouw verdwijnt weer naar binnen en wij zijn een poosje stil. De architect steekt een nieuwe pijp op, blaast grote rookwolken uit en hervat zijn verhaal.
Het wordt donker en we moeten nog een weg vol haarspeldbochten terug. We staan op, rekenen af en nemen hartelijk afscheid. Als we even later het terras voorbijrijden is hij verdwenen. Terug naar zijn zelfontworpen huis buiten het stadje waaromheen hij een bos van 120 bomen heeft aangeplant dat op de kaart als zone protégé staat aangemerkt.

(Wordt vervolgd)


vrijdag 3 september 2021

Ouwe jongens doen

 


4.

Ardennenoffensief en earthships

We stonden daar best, op An der Ho, we hadden het naar ons zin, er was genoeg te zien in de buurt, het weer viel mee; dus we besloten een paar dagen te blijven. 
Zaterdag was het wel zaak, zei men, om de auto buiten het terrein te parkeren, als we nog ergens heen wilden gaan; de camping zou dan tegen de avond volstromen met Amerikaanse legervoertuigen. Zestig militaire oldtimers, in bezit van hobbyisten die de achtergebleven residuen van het Ardennenoffensief draaiende hielden, deden op hun jaarlijkse rondrit de camping aan. We konden mee-eten, maar er was alleen gemengde ham - gekookt, gebakken en rauw - met friet; ook zonder menukaart was het al een hele klus voor de vrijwilligers om al die monden te voeden.

Wij maakten onze eigen toer. Deden Koerig aan waar we burcht en uitbundig barokke kerk bekeken en wat dronken in een door de Chinezen overgenomen dorpskroeg. Vonden het pottenbakmuseumpje in Kehlen dicht wegens C. (Dat vond ik persoonlijk niet zo'n ramp). In Luxemburg moet je winkels zoeken met een sterke lamp dus we waren blij met een zich spontaan aanbiedende Proxy Delhaize, waar we worsten en groenten kochten voor op het eenpits gasstelletje; in de ham met alle speelgoedsoldaten hadden we niet zo'n zin.

"Na wat voorstadjes komen we in de stille, écht plattelandse streek boven de hoofdstad, en, geaccentueerd door het grijze weêr en de stilte, leek het net of we door de middeleeuwen zwierven, herfstige middeleeuwen van Hesse: het rook overal (...) naar vuren. Er waren overal koeien, dorpjes lagen in zichzelf besloten, niet als in Nederland vanuit een kern eindeloos uitgebouwd, in de dalen, slechts nu en dan zagen we een mens, die in de rust van het land zijn werk deed, en verder waren er zeer veel kraaien, die telefoondraden bezetten zoals elders zwaluwen. Hun macabere krassen en de geur van rook in die eindeloze stilte moeten voornamelijk de middeleeuwse atmosfeer hebben bepaald."

Zo was het, volgens mijn dagboek, in 1978. Nu reden we door een saai achterland waar de levenloze dorpen volgebouwd waren met dure gladgestuukte dozen, nieuwbouw of renovatie. De tuinen leken op begraafplaatsen, coniferen en kiezel, makkelijk in het onderhoud: de forenzen die hier wonen verblijven het grootste deel van de tijd in de hoofdstad. Vastgoed is peperduur in Luxemburg. Wie hier zo'n gerenoveerd boerenhuis bezit heeft wat te besteden maar doet dat voornamelijk elders.

Op de camping bleek het met die drukte wel mee te vallen. Na de worst met ui, paprika en tomaat gingen we naar de bar om nog even te ruiken aan de sfeer. De meeste chauffeurs waren al afgedropen. Of we nog wat wilden eten, er was ham en friet genoeg over? Nee bedankt, Amélie, maar we gaan vroeg naar bed vanavond. Ik had nog geen letter gelezen maar die avond vond ik eindelijk de rust om in de tent een hoofdstukje tot me te nemen bij het licht van de solaire WakaWaka zaklamp.

De volgende morgen, een zondag, gaan we de glibberige geitenbrug over en maken een lange wandeling door het bos aan de overkant van de Äisch, de paraplu als wandelstok in de hand. We lopen tot Simmerschein, aan het eind van het rivierdal, en weer terug. In die anderhalf uur komen we alleen twee mountainbikers tegen.
Terug bij de tent vraagt Alex ons of we zin in koffie hebben.
Alex is onze overbuurman. Een goedgebouwde, licht getinte Brit, met rasta-haar dat hij bij mooi weer in een knotje draagt. Hij slaapt in de kajuit van een aan land getrokken scheepje dat Serenity heet. Daarachter, tegen de bosrand, staat een partytent met parketvloer die als zijn huiskamer dient. Hij is vanuit Cornwall op drift geraakt, volgde zijn Russische vrouw naar Luxemburg tot die er met een Italiaanse pizzabaas vandoor ging en woont hier nu permanent, weer of noodweer, met zijn twee parkieten. Dit weekend is zijn zevenjarig zoontje bij hem. We hebben Alex, die een sonore basstem heeft, door zijn smartphone al veel horen praten, leunend tegen zijn oude Ford. Over de deal met een Duitse company die nu bijna rond is. De meeste tijd verlummelt hij met frisbeeën met een andere schipbreukeling. Soms stijgt er een wietwolk uit de kajuit.
In de partytent is het verrassend comfortabel. Een reusachtige parasol, op zijn kant neergelegd, beschut ons tegen de wind. We krijgen koffie uit een espressomachine in grote bij elkaar passende koppen - 'Haha, they were all stolen from Costa Coffee'. Alex vertelt over zijn turbulente leven. Hij groeide op bij hippie-ouders die de hele dag mediteerden - oooohmmm - en heeft vooral gezworven, gevaren. Leeft van klus tot klus. Op dit moment heeft hij nog precies twintig euro op zak. Maar hij heeft grote dromen en hoopt ooit een stuk land te bezitten om volledig selfsupporting te zijn. Hij weet precies hoe je warmte uit compost haalt en van afval huizen kunt bouwen, praktisch voor niets. YouTube-filmpjes leerden hem de principes en hij heeft als vrijwilliger geholpen om earthships te bouwen uit autobanden en modder. 'And did they actually float?' vraag ik. Hij lacht diep en legt uit wat een earthship is. Een aardehuis, zelfvoorzienend en gemaakt van gerecycled materiaal.
Na een uurtje nemen we afscheid. We hebben vooral geluisterd. Alex is een onderhoudend prater maar niet werkelijk geïnteresseerd in wat een ander inbrengt. Hoort je even toegeeflijk aan en gaat weer verder met zijn eigen verhaal. Een egocentrische charmeur, vinden we, maar opvallend lief en geduldig tegen zijn schuwe zoontje.

Tijdens onze wandeling hadden we een fanfare gehoord. Die speelde steeds hetzelfde stuk. Ik hield het op een repetitie onder leiding van een nogal dwangmatig perfectionistische dirigent. Maar in de bistrot die middag horen we dat het vandaag Kirmes is. De fanfare gaat dan van deur tot deur om een aubade te brengen en wat geld op te halen. We krijgen een traditionele snee rozijnenbrood met Kirmes-Schinken. Op de bar staan flessen zelfgestookte honinglikeur (Hunneg Drëpp). De vaste jongens hebben allemaal een flink borrelglas goudkleurige vloeistof naast hun bier staan. Al spoedig ik ook. Als dat maar goed gaat.

(Wordt vervolgd)



dinsdag 31 augustus 2021

Ouwe jongens doen


3.

Slaapzak en Corvus corax

De volgende morgen was het eerste dat uit de mist in mijn hoofd opdoemde de vage herinnering aan een verschijning. We sliepen al toen een stem ons zachtjes bij onze naam noemde. Mijn vriendin ritste de tent open. Het was Sylvia, de jongere vriendin van Amélie. Ze wonen vlak bij elkaar in Koerig, een paar dorpen verderop. Samen met een paar andere vrijwillers, waaronder de stille Steve die als beheerder functioneert en met zijn vijfjarig dochtertje Alicia in een kampement op het terrein woont, houden ze de camping draaiende, en vooral de bistrot: de laatste plek waar mensen uit de buurt elkaar bij een drankje kunnen ontmoeten sinds het hotel dicht is. Er wordt gezocht naar iemand die de boel wil overnemen maar de autochtonen hebben er geen zin in (te verwend, zu faul, zegt Amélie) en de aspirant beheerder moet wel Letzeburgs spreken.
Sylvia kwam ons een slaapzak aanreiken, nagelneu, gloednieuw, verzekerde ze. We hadden bij de uitwaaierende borrel verteld over ons haastige vertrek. Hoe we naast bordjes ook beddengoed vergeten waren. Gelukkig hadden we een paar fleecedekens bij ons. Ik wikkelde een handdoek om mijn hoodie voor onder mijn hoofd. De nachten waren niet koud. Maar de nagelnieuwe slaapzak was welkom.
Ik herinnerde me ook de uitstekende spaghetti bolognese, de sfeer die luidruchtig werd toen de plaatselijke visvereniging aan hun stamtafel plaatsnam en bier en wijn begon te hijsen, maar verder niet zo heel veel concreets. Schenken Sie nochmal ein, es ist Urlaub. Aan de drukke gesprekken had ik aan het eind niet veel meer bij te dragen, grammaticaal correct of niet. 
Ik waste me, besloot het douchen tot later op de dag uit stellen als ik het systeem had doorgrond, zette koffie en zonk in een stoel voor de tent. Mijn schuldgevoel sneed ik de pas af met de troostrijke vaststelling: 'Maar ik róók niet meer, geen sigaret gebietst!'
Op dat moment hoorde ik in de bomen op de heuvel een diep, schor gekras, een peinzend krakende stem, een Maarten van Rossem uit het dierenrijk. Ik raadpleegde oplevend mijn vogel-app BirdNet en die bevestigde wat ik al hoopte: "Raaf. Corvus corax. Vrijwel zeker." Ik stuurde het geluidsfragment door naar mijn jongste dochter, eveneens een onvermoeibaar speurder naar de raaf. Ze antwoordde: 'Hoezo "vrijwel"? 100 %!!!'
Ik vergat mijn bedruktheid op slag. Mijn dag was goed. De raaf stond op nummer één van mijn verlanglijstje. Ik had hem dan wel niet gezien (alleen groen in de lens van mijn kijker) maar wél gehoord: vrijwel, nee, 100 % zeker.

Na het ontbijt wandelen we door het dorp waar ik alle observaties doe die ik, vooruitlopend op de werkelijkheid, in mijn vorige blog heb beschreven, en rijden naar Mersch, een prozaïsch stadje waar ik geen bijzondere herinneringen aan heb behalve een zandstenen kerk in barokstijl, Romeinse termen, en de weg ernaartoe. Uit mijn dagboek van 1978:

Onderweg zien we enige prachtige kastelen. Alles is zo prachtig groen, blauw, glanzend en onbedorven, dat het bijna pijn doet. We wanen ons in een restje geïdealiseerde middeleeuwen. Een droomtocht. Geen mens gezien.

Zo lyrisch ben ik nu niet maar vooral het eerste gedeelte van de weg is inderdaad prachtig, en dat Château d'Ansembourg met zijn uitgestrekte slottuinen besluiten we later te gaan bezoeken. Ik kan mijn jongere zelf ook wel begrijpen. Waar wij nu snel doorheen rijden, zeventig km per uur, was een heel eind fietsen toen, heuvel op heuvel af, en de betovering kreeg alle kans. 
We lunchen in een hippe bakker (die heb je hier blijkbaar ook) waar de voertaal dan ook meteen Frans is. In de Cactus doen we boodschappen. Dan breekt de zon door, voor het eerst in dagen. Terug in Simmer ga ik met open vizier de bar binnen. Zoals iemand die van een paard gevallen is meteen weer in het zadel moet worden geholpen, vóór de schrik zich invreet. Ik word er stralend begroet. Niets aan de hand. Goed geslapen?
We eten Flammkuchen en daarna wandelen we in de schemering over de geitenbrug de weilanden en het bos in. Het uitzicht op Simmer met de burcht erboven is sprookjesachtig mooi.
Voor de tent drinken we nog wat en ik leg op een filmpje voor het thuisfront glashelder uit wat er op dat moment door me heen gaat: 'Een kleine camping, een kaarsje, een glas, de stilte - dat is geluk.'

(Wordt vervolgd)


zondag 29 augustus 2021

Ouwe jongens doen

 


2. 

Van Heel naar Simmer, vervolg

Toen mijn schoonmoeder heel oud werd, wilde ze alleen nog maar vertrouwde plaatsen weerzien als er een uitje of reisje werd gepland; "ouwe jongens doen", heette dat in de familie.
We hadden ons los weten te rukken van de uitvoerige bespiegelingen van de waardin, die vooral het goede in de mens wenste te zien (waar wij het natuurlijk alleen maar mee eens konden zijn), en we overwogen de verschillende mogelijkheden. In de plannen was Frankrijk favoriet geweest maar nu begon Luxemburg steeds meer te lokken. Ik wist daar wel wat ouwe jongens liggen die ik graag nog eens wilde doen en mijn vriendin kende het landje nauwelijks.
Omdat er bij Luik een tunnel was afgesloten reden we met een flinke omweg via Marche-en-Famenne en Bastogne naar Martelange. Mijn hoogbejaarde routekaart leerde ons dat het vandaar niet ver was naar Septfontaines. Daar waren mijn toenmalige vriendin en ik ooit, in 1978, onze fietstocht door Luxemburg begonnen, onze eerste vakantie samen. Wat zou er nog van over zijn na drieënveertig jaar? Gevaarlijk experiment!

De beboste heuvels eromheen waren nog net zo sprookjesachtig mooi, dat voorop. Het plaatsje zelf was nog net zo stil als vroeger maar wel wat opgedirkt. Veel van de oude boerenhuizen waren gerenoveerd, gestuukt en 'knap' gemaakt. In de praktijk betekent dat netjes maar lelijk. Het hotel Des Roches waar we destijds hadden gegeten wat de pot schafte en tussen de plaatselijke innemers hadden zitten borrelen stond er nog maar was sinds lang in onbruik; aan de gaten en kieren te zien was het het stadium van opknappen voorbij en zou het binnenkort wel afgebroken worden. Uit de fontein met zeven monden waarmee de naam van het dorp wordt gevierd droop nog hetzelfde bronwater. De middeleeuwse burcht boven lag er verlaten bij; destijds zagen we tot onze verbazing een koperen naambordje op de poort "van ene Garetti of Bezetti" zoals mijn dagboek beweert. De familie die de burcht nog steeds bezit woonde er toen ook, deels - moeilijk voor te stellen als je de lege vensterbogen en afgebrokkelde muren ziet. Het steile middeleeuwse geitenbruggetje over de Äisch was overwoekerd met struiken, de bomen eromheen waren groot geworden en er lag een lap asfalt overheen om te voorkomen dat je uitglijdt op de klamme rotsen. Maar het was nog net zo schilderachtig als toen.

Een belangrijker verschil bleek uit het plaatsnaambord. Onder Septfontaines staat nu prominent Simmer en zo noemt iedereen de plaats ook. Toen we er fietsten werd het Luxemburgs (Lëtzebuergesch) nog als een soort Duits dialect beschouwd. Zes jaar later, in 1984, kreeg het de status van officiële landstaal. Streektalen vervlakken of verdwijnen meestal geleidelijk onder invloed van de dominante landstaal. Het markante Luxemburgs wordt door ruim de helft van de bevolking dagelijks gesproken. Het is een oude variant van het Moezelfrankisch die wel wat op Limburgs lijkt. Het verschilt minder van het Duits dan het Nederlands van het Duits verschilt maar is toch, ook historisch gezien, een geheel eigen en voor een buitenlander niet eenvoudig te begrijpen taal. Gelukkig spreekt vrijwel iedereen in dit polyglotte landje (19 procent van de bevolking heeft Portugees als eerste taal) ook vloeiend Duits en Frans, en redelijk Engels.

Nu het oude hotel gesloten was moesten we een camping zoeken, ofschoon het weer niet erg veelbelovend was. We vonden er een net buiten het dorp. "An der Ho". Een lange strook groen, iets heuvelopwaarts aan de beboste toegangsweg, met een flinke handvol stacaravans en een enkel tentje. De receptie was in de bistrot, lazen we op een bordje. Die ging pas om vier uur open. Officieel, dan. Er was een vrouw aan het werk, die netjes een masker voordeed zodra ze ons zag binnenkomen. Ze was de glazen aan het spoelen en poetsen, zei ze, maar ze zou iemand bellen. We spraken over roemers, Römer, die helaas uit het openbare leven waren verdwenen, maar thuis gebruikte zij ze nog steeds. Die met de dikke gedraaide voet voor de slobberwijn, de elegantere met de dunne pootjes voor een fijner glas, een Pinot gris of een Auxerrois. Twee minuten later kwam de beheerder eraan. Hij wees ons vriendelijk de weg: kies maar, plek zat.
Toen de tent stond liepen we naar het restaurantje dat inmiddels gasten verwelkomde, de vier was in de klok. De gesoigneerde grijze vrouw die de glazen had gepoetst (Amélie, zou later blijken) schonk ons de eerste van vele Elblings in. 

(Wordt vervolgd)


zaterdag 28 augustus 2021

Ouwe jongens doen


1. 

Van Heel naar Simmer

De lente was grauw en nat geweest en de zomer al niet veel beter. Mijn humeur was matig, ik verveelde me en geloofde niet dat het nog wat worden zou dit jaar. Een handvol mooie dagen, een uitstapje Duitsland, een lang weekend kamperen op de eigen boerderij - dat was het dan. Misschien dat een mooie herfst of Indian Summer nog iets goed kon maken. Voorlopig rekende ik nergens meer op. 
Maar toen kwam mijn vriendin toch nog met het voorstel om de tassen te pakken en op zwerftocht te gaan. Het was een zonnige zondag en ik kreeg plotseling een ouderwets gevoel van reislust. Weg uit de stad, weg van alles, weg uit deze tijd, het verleden in, naar Franse hotelletjes in stille dorpjes en slaperige stadjes in glooiende en groene streken, Le Cheval Blanc, Hotel de la Poste, coq au vin, een p'tit rouge... 

De dagen erna was het opnieuw grauw, winderig en nat weer. Ik pakte mijn spullen zonder al te veel verwachtingen en zonder de voorpret die even was opgelaaid. Veel verder dan Noord-Frankrijk wilden we niet gaan, de schrik zit er toch in dezer dagen en je blijft het liefst een beetje dicht bij huis. Ook in de dichtstbijzijnde buitenlanden was het weer niet veel soeps. En dan was er die ontmoedigende pandemische rompslomp: reispapieren invullen en online opsturen naar België - "Wat is uw eindbestemming en uw adres aldaar?" (Eindbestemming? We gingen zwerven... geen idee!), een formulier uitprinten en ondertekenen voor Frankrijk, waarin ik "naar eer en geweten" verklaarde niet in contact te zijn geweest met een moderne melaatse en geen van de volgende ("...") symptomen vertoonde - vrolijk werd je er niet van. Alleen Luxemburg stelde geen bepaalde eisen.

Ik haalde mijn vriendin op. Maar die was nog niet zover. Er moest nog van alles in orde worden gemaakt voor ze de deur achter zich dicht kon trekken. Ik hielp haar met inladen, deed mijn best niet ongeduldig te worden maar kon niet voorkomen dat ze zich opgejaagd voelde. Ik schijn dat met mensen te doen. Iets met uitstraling. Toen we om half vier wegreden was de stemming geprikkeld. Maar gaandeweg ontspanden we. On the road, eindelijk weer eens!
Ergens tussen Weert en Roermond vroeg ik: 'Heb je eigenlijk borden enzo bij je? Ik zag ze niet bij het inpakken.'
Nee dus. Nou ja, minpuntje. Als je je pinpas en paspoort maar bij je hebt komt alles goed, is ons oude reismotto. CoronaCheck komt daar tegenwoordig nog bij.

De eerste halte had ik op goed geluk gekozen en geboekt terwijl mijn vriendin de laatste tuinwerkzaamheden verrichtte. Een hotelletje "ergens in Limburg" om erin te komen. De Heere van Heel in het gelijknamige plaatsje. Zag er aardig uit en was goedkoop.
Heel, vlak bij een watersportgebied aan de Maas, is niet bepaald een interessant dorp, dat zagen we algauw. En in het hotel was het niet bepaald een gezellige boel. Er zat een zwijgzaam gezelschap bordspelletjes te doen alsof ze thuis waren. Monteurs en werklui waren her en der in de weer. Het was er donker en rommelig. De bazin werd door een van de monteurs gehaald. Ze liet ons de kamer zien en legde uit hoe we de sleutel onder een bloempot konden vinden als we na achten nog uitgingen, want dan was er niemand meer. De deur klemde, ze deed voor hoe we die moesten open wrikken.

We installeerden ons in de kamer, daalden snel weer af (dorst, honger) en zochten in de verlaten eetzaal een tafeltje uit waarvan de lamp het deed. Terwijl onze drankjes gebracht werden zagen we een lange tafel vol servies en bestek. Allemaal te koop wegens overtolligheid. Had de zaak de crisis niet overleefd, en gingen ze sluiten? De vriendelijke, overigens praatgrage jonge vrouw ging er niet echt op in. Ze zouden wel zien. Er was gewoon te veel van alles na al die jaren. We kozen een paar bebloemde bordjes uit die de vergeten plastic campingbordjes konden vervangen.
Na het sizzling pannetje met ossenhaas, ui, paddestoelen en paprika, vergezeld van sla en uitstekende friet, wandelden we door het dorp. Het was stil op straat, erg stil. We liepen naar een vervallen kasteel zoals Professor Barabas dat bewoont, gelegen temidden van omgeschoffelde tuinen waar het onkruid hoog opschoot. Terug in het hotel visten we de sleutel uit de bloembak, openden de klemmende deur, legden de sleutel terug en sloten de deur vanbinnen met een andere sleutel, die we eveneens op de bestemde plaats teruglegden. We liepen zorgvuldig de aangewezen route langs de serviestafel om te zorgen dat het alarm niet afging en trokken ons terug op onze kamer.
De kop was eraf.

(Wordt vervolgd)


woensdag 11 augustus 2021

REGENFEEST


Een stevige wind blies over de weilanden en trok aan de bomen, soms met een nijdige ruk. Als rechtgeaard meteoropaat word ik daar onrustig van. Ik kon mijn aandacht redelijk goed bij het boek houden dat ik een beetje afzijdig van de kampeerclub zat te lezen, maar merkte dat ik de dingen minder op hun beloop liet dan vorig jaar, toen het prachtig zomerweer was geweest. Een zeker ongeduld, de dagen gingen veel te snel voorbij: wanneer gingen we nou eens kubb spelen of boogschieten, beste uit zes pijlen? En hoe laat ging de barbecue aan?

De wolken waren elk moment anders; het was interessant weer, zoals we zeiden. Die regen was het ergste niet. Die kwam en ging - halen en brengen. Zelden regende het hard of lang genoeg om je onaangenaam nat te maken, en dan waren er altijd nog paraplu's. 
Vermoeiend was wel het steeds bedacht moeten zijn op verplaatsing. De gezamenlijke loungeplek was in de luwte van de appelbomen. Een kleine douche negeerden we stoer, zeker als de zon erbij scheen, maar als het langer leek te gaan duren werd rap het onderzeil om de bonte haremkleden en kussens heengevouwen en moesten we vluchten naar de vervallen, voor de gelegenheid behaaglijk ingerichte schapenschuur. Daar waren matrasjes en stoeltjes, kaarsen en lantaarns, om maar te zwijgen van een voorraadkast met vele flessen mede, in varianten van kastanje tot dennen en gember, voor als het later werd, en koeler.


Vier dagen duurde het feest. Maandagmiddag waren we weer thuis. We bestelden pizza's, dronken nog een paar biertjes en keken A Hitchhiker's Guide to the Galaxy omdat we het daar bij het kampvuur over hadden gehad; ik snapte er weinig van, dat lag aan de film denk ik. Om negen uur sliep ik. Om twee uur was ik weer klaarwakker en liet alle beelden van de afgelopen dagen voorbijkomen.
Daarmee was het wel verwerkt, dacht ik de volgende morgen. Ik had ook gedacht dat ik opgelucht zou zijn, omdat ik mijn gewone routine weer op kon pakken na al die drukte en gezelligheid.
Maar ik had zwaar de blues. Mijn dochters waren naar hun werk. Wat moest ik in dit lege huis, midden in deze rommelige zomer, met niets om handen dat mijn aandacht kon vasthouden, zonder werk of verplichtingen? Ik wandelde mijn gewone wandeling, deed mijn gewone dingen, in een oorverdovende stilte.