De vaccinatie vond plaats in dezelfde kerk waar ik vaak met operettevereniging Thalia had opgetreden. Het was vriendelijk weer, ik wandelde erheen. Op het plaatsje voor de kerk was het zo stil dat ik me afvroeg of ik me niet vergist had in tijdstip of locatie. Twee mannen waren op hun gemak aan het praten, over hun fiets geleund, in de zon. 'Ach, en mogen we tóch niet naar Spanje, dan hebben we altijd nog onze caravan in Bakkum.' Ik liep naar de ingang en zocht naar een papier met instructies, protocol, waarschuwingen. Het was er niet. Ik deed mijn mondmasker voor, duwde de dikke glazen deur open en oriënteerde me. Her en der in de schemerige ruimte stonden stoelen waarop mensen rustig zaten te wachten. Dwars op de ingang, op de plek waar bij onze optredens de kaartjes werden verkocht, stond een tafel die als receptie diende. Achterin, op het altaar, onder de pijpen van het monumentale orgel, zag ik mijn huisarts en zijn assistenten; daar gebeurde het blijkbaar, het prikken.
Ik gaf mijn formulieren af en kreeg er een registratiekaart voor terug. 'Gaat u maar naar de piano, dan wordt u geroepen als u aan de beurt bent.' Ik keek naar de vleugel, rechts achterin. Een mooie maar wat levensmoede Steinway, matzwart. In gedachten zag ik Brian Fieldhouse zitten die onaangedaan zijn partituren ordende en af en toe een klaterend arpeggio of een lastig loopje speelde, terwijl rondom hem alles in rep en roer was: zangers en zangeressen die zich druk maakten over alles wat er nog te doen is zo vlak voor een concert. Zaalopstelling, licht, rekwisieten, de prijzen voor de tombola, koffie en thee, kostuums, make-up: waar was die drukte nu? Dat alles was veel te lang geleden.
Ik ging naast de schim van de oude Brian staan, keek even verlangend over zijn schouder mee. Een aria van Verdi, een duet van Puccini misschien. De klep van de vleugel was dicht, gespeeld werd er hier niet meer. Ik keek afwachtend naar het podium en kreeg meteen een uitnodiging. Zoals ik vroeger de zangers met een zwierig gebaar had gevraagd hun positie in te nemen zo werd ikzelf nu naderbij gedirigeerd. 'Hebt u Corona doorgemaakt?' Toch nog een toets van dramatiek in deze ontspannen setting. Normale ziektes krijg of heb je, Corona maak je door. 'Nee,' zei ik. Ik deed mijn hoodie uit, wees mijn linkerarm aan. Een miniem prikje met een flinterdun naaldje, net boven mijn tattoo. Dat was wel wat anders dan de dikke spuiten vol thiamine die ze rechtstandig mijn bil in hadden gehengst, destijds in de kliniek. 'Ik heb er niets van gemerkt, knap hoor,' zei ik, terwijl ik opstond en mijn kleren in orde maakte.
Ik moest op een stoel gaan zitten om een eventuele allergische reactie af te wachten. Het tijdstip waarop ik de kerk mocht verlaten had de doktersassistente op een geel stickertje geschreven dat op mijn registratiekaart was gekleefd. Een kwartier lang keek ik vredig naar de glas-in-loodramen. Ik had nooit eerder gezien wat ze voorstelden.





