vrijdag 16 oktober 2020

ONTSTOPPEN

De Opper Ontstopper kwam, al even na achten 's ochtends, een vrolijke blozende jongen met stekeltjeshaar. Hij zou, met een cameraonderzoek waarop we al een maand wachtten, voor eens en voor altijd een einde maken aan de voortdurende problemen met de afvoer. Al sinds het begin van de zomer moeten we, om een waterballet te voorkomen, de slang van de wasmachine in de gootsteen hangen - en dan maar hopen dat die niet overstroomt. Je went aan alles, dus ook hieraan, maar het zou toch wel fijn zijn om eens op de gewone manier een wasje te kunnen draaien.
Drie ontstoppers van mindere rang waren hem voorgegaan. Ze haalden de veer door de leidingen, lieten die een tijdje heen en weer schuren, en verklaarden zelfverzekerd, dat het zo goed moest zijn. Niet dus. De eerste had de reiniging beperkt tot het stuk pijp direct na de wasmachine, de tweede had het gedeelte onder de gootsteen erbij gepakt, en de derde was zelfs verder gegaan, helemaal tot aan de douche. Gediplomeerd cameraman nummer vier begon bij het begin, onder de verwarmingsketel.
'Hé,' zei ik, 'je collega's zijn niet op dat idee gekomen.'
'Het is meer werk, maar ik doe de dingen graag een beetje grondig,' zei de chef opgeruimd. Hij joeg zijn veer diep het buiswerk in. Op het schermpje dat aan zijn apparaat bevestigd was, was een groezelig expressionistisch schilderij te zien, vergelijkbaar met de eerste echo van een ongeboren baby. Hier en daar waren er witte plekken.
'Er zit heel veel vet in,' oordeelde de loodgieter.
'Maar hoe kan het,' vroeg ik me hardop af, 'dat je voorgangers dat hebben gemist? Die hebben toch een hele tijd staan ragen.'
'Daar heb ik dat cameraatje voor,' zei hij. 'Ik kan precies zien waar ik moet zijn.'
Het zou een hoop tijd en moeite besparen, dacht ik, als alle monteurs van de Amsterdamse Ontstoppings Centrale zo'n gadget hadden. Maar misschien waren deze herhaalde bezoekjes wel een structurele manier om geld te maken, de woningbouwvereniging betaalt immers. Ging het soms altijd zo, in oplopende sessies, beginnend met een humeurige, onwetende onderknuppel en eindigend in een triomferende schoonmaakbeurt door de Meester, die op camera wordt vastgelegd? Geen wonder dat stekeltjeshaar zo'n goed humeur had.
Hij dweilde ook nog eens fluitend de keukenvloer schoon toen hij klaar was, als het keurmerk van een geslaagde klus.


dinsdag 13 oktober 2020

MINDER



Vandaag precies vijfennegentig jaar geleden werd mijn vader geboren. Ik moet dezer dagen vaak aan hem denken. Hoe zou hij deze tijd hebben ervaren? Kan ik postuum nog iets van hem leren?
Ik heb me al meerdere malen vruchteloos voorgenomen, sinds het vallen van de herfst, om de wereld maar de wereld te laten en me terug te trekken in mijn eigen cocon. Niet uit desinteresse of uit gebrek aan begaanheid met mijn medemens, maar simpel omdat de toestand aan me begint te vreten. Ik word angstig en nerveus van alle onzekerheid, misselijk van het gelul op de media en somber van het voortdurende hameren op ziekte, dood en verderf. En aangezien ik niet in de positie ben om iets nuttigs bij te dragen aan het debat of om het zwabberende beleid met een verrassend inzicht en een goedgemikte opmerking bij te sturen is het verstandig, voor mijn eigen geestelijke gezondheid, om dan maar de gordijnen dicht te trekken en me te concentreren op de onvergankelijke wereld van mijn dromen, mijn interesses en mijn fantasieën. Maar dat is nog knap lastig, want ik ben geen zestien meer.

Mijn vader woonde niet op driehoog in de grote stad maar in een ruime bungalow die verscholen lag in de uitlopers van een bos. Daar bracht hij zijn dagen door met zijn vleugel, zijn boeken, zijn schaakspel, zijn glas wijn en zijn mijmeringen. Aan tv had hij een hekel. Het apparaat was verbannen naar een zijkamer, waar zijn vrouw haar favoriete programma's bekeek terwijl hij een boek uitzocht en zich voorbereidde op een vroeg bed. Het wereldgebeuren drong wel tot hem door, vanuit de kolommen van het Eindhovens Dagblad, maar meer dan een dreigend gerommel aan de horizon was dat niet. Hij had een computer ('kompjóééter') en was ingevoerd in de geheimen van het internet, maar dat gebruikte hij uitsluitend om YouTube-filmpjes van geliefde zangers en pianisten af te spelen en om veelbelovende boeken te bestellen waarover hij in de kunstrubriek van de krant had gelezen. Hij kwam niet veel meer buiten, hoewel hij vroeger een fanatiek wandelaar was geweest. Een zondags loopje naar een plaatselijk café nu en dan, soms een autoritje naar het dorp van zijn jeugd, en dat was het. Het leven van een oude man. Hij zei nooit: 'Het zal mijn tijd wel uit duren,' maar je zag het hem denken.

Nee, mijn vader zou met een lockdown geen moeite hebben gehad. Er zou niets wezenlijks veranderd zijn in zijn leven. Café De Cuijt dicht? Och, dat kon er ook nog wel bij. Ouder worden was geen pretje. 'Alles wordt alleen maar minder', citeerde hij graag zijn favoriete komiek Ton van Duinhoven, met een bitterzoet lachje.
Ik vraag hem in gedachten wat hij vindt van de dreigende nieuwe restricties. Ik had me voorgenomen allerlei leuke dingen te gaan doen buitenshuis als remedie tegen de somberheid. Stedenreisjes, musea, concerten, etentjes. 
Hij schudt zijn hoofd een beetje weemoedig. Ik vraag me af of hij me wel begrepen heeft.
'Tja,' zegt hij dan. 'Het is me wat.' En, oplevend: 'Zeg, die cd van Jonas Kaufmann die ik van je gekregen heb, nou, die is geweldig hoor. Geen Mario del Monaco natuurlijk, daar kan niemand aan tippen, maar tjongejonge - een stém, wat een stém!'


(Afbeelding: Branch Hill Pond, Hampstead, door John Constable)


vrijdag 9 oktober 2020

LOTR

Je kunt het ook omdraaien. Soms biedt deze tijd ongekende kansen. In de eerste voorjaarsmaanden heb ik de mooiste stadswandelingen van mijn leven gemaakt. Ik had de straten en pleinen praktisch voor mezelf. En gisteren had ik de luxe om met zo'n twintig andere waaghalzen de grote zaal van de waarschijnlijk mooiste bioscoop van Nederland, Tuschinsky, te delen. Spettertjes mens die de rode harmonie van het sierlijke en sfeervolle theater nauwelijks konden bederven. Ik was er met mijn dochter om de vertoning van The Lord of the Rings in de ongeknipte versie te zien. Vijfenveertig kilometer verderop deed mijn broer hetzelfde. Hij stuurde een foto. Zijn zaal was lang niet zo mooi, maar in zijn stoel kon je desgewenst slapen. Ik rekende op een fikse houten kont na vier uur kijkgenot.

Geen bier, had ik bedacht. Want ik wilde niet het naar de wc gaan steeds maar uitstellen om allerlei gemaskerd gewurm langs Andere Mensen te vermijden. In de praktijk bleek dat een onnodige voorzorg want onze rij was verder leeg. Mijn dochter snoepte van een medium pak popcorn. Ik stelde me tevreden met een reep chocola.
Natuurlijk kenden we de film goed. Zo goed als het boek, in mijn geval. Maar ik verheugde me erop om de talloze scènes die in de eerste versie waren gesneuveld (om het publiek niet onnodig op de proef te stellen) nu in het echt te zien - toch iets anders dan op dvd thuis. En, dat moet gezegd,  die vielen niet tegen. Wat moeten al die figuranten gebaald hebben, dacht ik meelevend, toen destijds bleek dat hun Grote Momenten, de feest- en kroegscènes in de Gouw of in Breeg, de eindmontage niet gehaald hadden. Goeie, doorleefde koppen zijn daarbij. En wat wordt er ouderwets veel pijp gerookt! Een Nieuw-Zeelandse pijpenmaker moet daar goed geld aan hebben verdiend. Want - ervanuit gaande dat de tabaksrook niet digitaal is gesimuleerd - ze deden het allemaal prima, die fantasiemodellen. Voor iedere roker een ander, van geblakerde neuswarmertjes, krom of recht, tot lange houten Gouwenaren. Zelfs die brave Frodo wordt in deze extended version betrapt op het smoren van een pijpje. Ook de overvloedige landschappen en sfeervolle decors zijn een lust voor het oog. We mochten ons langer laven aan Hobbitstee, Breeg, elvenstad Rivendel, de dwergenmijnen van Moria en het betoverde woud van Lothlorien dan in de oorspronkelijke bioscoopversie. Dat was fijn.

Over de film zelf bleef mijn oordeel ongewijzigd. De Orcs zijn het probleem. Wij liefhebbers mogen blij zijn dat iemand het überhaupt aandurfde (en de ambitie en de ondernemingszin had) om zo'n onverfilmbaar geacht epos te realiseren, maar het zou fijn zijn geweest als Peter Jackson iets meer goede smaak had gehad. Hij heeft een serieuze acteursfilm willen maken maar kon geen weerstand bieden aan zijn voorliefde voor splatter movies. Zo wordt er op topniveau geacteerd door met name het Britse trio sirs: Ian Holm, Ian McKellen en Christopher Lee, en ook een aantal van de jongere collega's leveren goede prestaties. Maar hun psychologische uitdieping contrasteert opvallend met de pulp fiction en de visuele herrie van de vele, zwaar op computeranimatie leunende spektakelscènes. Dat wringt, en dat maakt de film als geheel onevenwichtig. En ook ongeloofwaardig: we zien die menselijke helden, met al hun zwakheden, het opnemen tegen onverslaanbare CGI vechtmachines, en, geloof het of niet, die tengere Viggo Mortensen (Aragorn, zoon van Arathorn) kan wel dertig van die afgrijselijke Uruk-Hai tegelijk aan! In een stripverhaal dondert dat niet, maar in een serieus heldenepos (wat de Lord of the Rings wel degelijk is) komt het storend over; het belemmert identificatie met de personages en zit de ontroering over hun lot in de weg. Als het gecompliceerde karakter Boromir uiteindelijk sterft (een worstelend en over-ambitieus, maar in wezen integer persoon) nadat hij door vele pijlen is doorboord, zou dat aangrijpend kunnen zijn. Want we mochten hem ondanks alles. Maar ik kijk naar die horror-aap die de bovenmaatse pijlen heeft afgeschoten en word afgeleid door zijn lachwekkend enge, blauwgeverfde kop.
Het gebrek aan smaak van Jackson werkt ook de andere kant op negatief: de elven laten hun paleizen blijkbaar decoreren door een weinig getalenteerd navolger van Carel Willink die de klassieke oudheid verkeerd heeft begrepen. Tuincentrum-sculptuur in plaats van hoog-renaissance. En, belangrijker: vriendschap en loyaliteit (een belangrijk thema bij Tolkien) ontaarden als vanzelf in dweepzucht. De kameraadschappelijke liefde tussen Frodo en Sam, de eigenlijke helden van het verhaal, druipt van het sentiment. Het huilerige slot van deel III is niet om aan te zien, maar dat is voorlopig nog niet aan de beurt in Tuschinsky.

En toch, en toch: de gevreesde vier uur vlogen voorbij, ook zonder bier. Ik liep door de spookachtig stille stad naar huis met het gegil van de ringgeesten nog vers in mijn oren. En thuisgekomen bedacht ik dat al die passages die uit de boeken zijn weggelaten óók best verfilmd hadden mogen worden. Ik had de capriolen van Tom Bombadil gemist, het Oude Woud, de paddenstoelenmaaltijd bij boer Van der Made, en nog zo wat. Waarom niet zes uur, als je toch al zo'n end op weg bent? 
Een goede film dus. Magistraal zelfs, als dat betekent dat je met kloeke meesterhand een groot werk schept zonder al te veel op subtiele nuances te letten.


dinsdag 6 oktober 2020

SCHIEDAM

Ik had geleerd van een eerdere ervaring in het Westfries Museum en dit keer wel netjes de tickets uitgeprint. Maar het ging er ontspannen aan toe in de monumentale hal van het Stedelijk Museum Schiedam. Er werd koffie en thee gedronken, je kon het zelf pakken, inclusief 'wat lekkers', en na afloop bepalen wat je het waard vond. Dat tijdsvak - ach, niemand stond hier te klokken. Dit was dan ook, in hun eigen woorden: het museum waar gelachen mag worden.
Ik ben normaal niet zo'n voorstander van 'leuk', zeker niet in museale sfeer, maar dit sympathieke museum, gevestigd in het voormalige Sint Jacobs Gasthuis, geeft er een subtiele invulling aan. Eigenlijk is het ook niet zozeer 'leuk' als wel 'los' dat hier de sfeer kenmerkt. Geen wandelroutes en plastic stroken, maar bordjes in vette letters met een asterisk na elke zin (blijkbaar hun huisstijl) die ons de weg wijzen. 'Toch naar beneden? Heb je al in de spiegel gekeken?' En inderdaad, in verkeersspiegels kun je zien of er een tegenligger aankomt. Normaal zou ik afgehaakt hebben bij het bordje: 'En wat vond je er tot nu toe van?', maar op dat moment had het museum me al ingepakt, en ik passeerde het met een toegeeflijke grijns.
We kwamen er voor een zaalvullend werk van de 'kinetische' kunstenaar Zoro Feigl (Amsterdam, 1983) getiteld Zwermen. In een ronddraaiende, aan het plafond bevestigde vliegende schotel liggen honderden metalen balletjes. Door het bewegen van de schijf rollen die alle kanten op, onvoorspelbaar, en vormen daarbij altijd variërende patronen die inderdaad verrassend veel op zwermen spreeuwen lijken. Het ruisen van de installatie vervult het hele gebouw - op de trap onderweg ernaartoe meende ik dat er een stevige regenbui op het dak ratelde. Je mag er gerust onder gaan liggen en dat is dan ook precies wat ik deed. De suizende zwerm in het lichte wit boven mijn hoofd had een prettig hypnotiserend effect.
Daarna een zaal vol kleurig en vitalistisch werk van CoBrA, en ik was eigenlijk al tevreden. De grote, knappe maar tamelijk lege doeken van het hyperrealisme die volgden bezag ik onaangedaan. 
En toen was er toch nog een verrassing. Een paar kleine doekjes van Beth Namenwirth (1969). Trump die naar de Guernica van Picasso staat te kijken, de dikke brede brug naar ons toegekeerd, met aan weerszijden twee gehelmde bewakers met machinegeweer. Geschilderd als een impressionistisch miniatuurtje. En vooral Nudes with Smartphones, de titel spreekt voor zich. Ik las eerst 'Nymphs' en dat was eigenlijk nog mooier geweest.  
Na precies anderhalf uur, de duur van de tijdssleuf, begon mijn mondmasker me te benauwen en verlangde ik naar frisse buitenlucht. Het jenevermuseum sloegen we maar over. We dwaalden door de lekker rommelige historische binnenstad en streken neer in een eetcafé dat met de naam Záálig ook al een gooi naar 'leuk' deed. 


Stedelijk Museum Schiedam is voorlopig gesloten wegens renovatie.


vrijdag 2 oktober 2020

HARD

Ik wandelde door de regen en probeerde te verklaren waarom ik me sinds de nieuwe maatregelen zoveel beter voelde. Wel bezorgd, maar dat ben ik bijna altijd. Er was een gevoel van opluchting geweest. Iets van "ik haak af, ze zoeken het allemaal maar uit". Ik zou toeschouwer worden de komende winter en me uit het debat terugtrekken, in woord en gedachten. Ik liep naar de Albert Heijn. Dit bevrijdende voornemen wilde ik vieren met paddenstoelen en een mooie fles rood.
Een jongen met een blond baardje versperde me de weg. 'Mag ik een foto van u maken?' vroeg hij.
'Waarom?' vroeg ik verbaasd.
'Ik maak foto's van mensen. En u ziet er zo hard uit, met die stijl en zo.' 

Even was ik totaal in de war, tot ik begreep dat 'hard' de nieuwste versie van mieters, tof of cool moest zijn. Hard is het nieuwe vet. Ik knikte mijn goedkeuring.
De jongen tilde een reusachtige polaroidcamera omhoog, drukte af, stak het plaatje in zijn zak, groette en liep verder. Ik zou later op de dag wel op de een of andere Insta account voorbijkomen. Wat had die jongen in mij gezien? Ik keek in de spiegelende ramen van de super.
Een gedeukte hoed met ijzerbeslag die slap was van vele regens. De wollen shawl van mijn schoonvader die eruitzag als een Burberry die jaren had liggen rijpen in de vochtige kelders van een vervallen herenhuis, slordig om mijn keel gewikkeld. Een grijs vakantiejack met vele overvolle zakken, waarvan de rits niet meer sloot. Een mosgroen V-hals truitje van een duur merk. Voeg daarbij een flinke witte baard, een modderige spijkerbroek en dito stappers van Ecco. Als wandelstok gebruikte ik een bovenmaatse plu met oranje en groene blokjes. 
Als 'hard' betekende dat ik maling had aan mode of goede smaak dan had de jongen helemaal gelijk.
Nu nog zien diezelfde onverschilligheid vol te houden jegens de komende winter.


dinsdag 29 september 2020

PAVILJOEN


Al bij het begin van de wandeling vond ik de eerste vliegenzwam van het jaar. Onder een bepaalde hoek gefotografeerd zag je niet dat hij aangevreten was door iets dat vliegenzwammen kan eten zonder daar ziek van te worden. 
Het was vroeger een truc om de kinderen tot meer wandelenthousiasme te bewegen: wie de eerste vliegenzwam vindt krijgt een gulden. Dat werd traditie en de gulden werd stilzwijgend opgewaardeerd naar een euro.
Ik vergat mijn vriendin om die verdiende munt te vragen Een slecht teken, vond ik naderhand. Kinderspelletjes zijn welkom in deze sombere tijden. Misschien was die paddenstoel trouwens wel als voetbal gebruikt, want niet alle kinderspelletjes zijn leuk.
We liepen door het Zwanenwater, een duinreservaat van Natuurmonumenten nabij Callantsoog. Duinlandschappen in de herfst hebben een weemoedige schoonheid. Al dat golvende bruin in zachte tinten zover het oog reikt, hier en daar bespikkeld met het geel van een late bloem of het oranje van een bes - het maakt je rustig maar vrolijk word je er niet van. Nog even en het is winter, zegt dat landschap.
Vroeger hield ik erg van de herfst maar van die liefde is alleen een soort esthetisch genoegen overgebleven. Het is vechten om de moed erin te houden als je die bruine stilte te lang op je in laat werken.

Toen we het meertje hadden gerond en onze vijf kilometer hadden volgemaakt reden we langs de kust naar Sint Maartenszee. De ruitenwissers gingen aan. We hadden dorst en zin in troostvoedsel. Een ouderwetse gebakken vis, in een krokant jasje van broodkruim of deeg, met een flinke helft citroen en een hoop friet, dat was wat het strandpaviljoen ons zou moeten serveren. Het was nog een flink end lopen van de parkeerplaats naar de strandtent, dwars door opnieuw een hoop mooie maar treurige duinen. Het paviljoen had twee vestigingen: Noord en Zuid. Toen we na twintig minuten bij de noordelijke aankwamen bleek die gesloten, leeg en verlaten. Dat was niet zoals het ons beloofd was: "Strandpaviljoen geopend" had op een bord bij de ingang van de duinen gestaan - weliswaar in het enkelvoud, dat is waar. Ik staarde op het verregende papiertje. Mijn vriendin liep een eind achter me, die had ergens iets staan fotograferen. Ik had een ontmoedigend visioen van dat hele end teruglopen en weer in de auto te moeten stappen om opnieuw onze koers te bepalen, terwijl de middag al natter en donkerder werd. Dit was geen moment voor overleg, geen moment voor twijfel. Dit was een moment om door te pakken. Rechts was de horizon leeg, links zag ik in de verte het silhouet van een gebouw. Ik wees die kant op en marcheerde over het strand, kop in de wind, verstand op nul, om niet te hoeven denken aan de mogelijkheid dat ik het mis had. 

Vijf minuten voor we er waren zag ik een lichtje branden. Het gebouw stond op palen. Er was een trap naar boven. Dit moest Paviljoen NewZuid zijn.
Boven tekenden we een klam register. Binnen tochtte het een beetje. De menukaart kwam. Naar de lekkerbekjes of scholletjes konden we fluiten - geen fish and chips hier - "NewZuid", nietwaar?
Maar al na de eerste slok Texels tripel was dat niet erg meer. Zeebaars met saffraansaus en pizza met geitenkaas, spinazie, honing en pijnboompitten waren troostrijk genoeg.


vrijdag 25 september 2020

KAP


Eergisteren belde de buurman. Of ik wist dat de grote esdoorn in de binnentuinen gekapt ging worden? En of ik een bezwaarschrift wilde tekenen? Ik schrok en vertelde naar waarheid dat ik ooit gezegd heb, heel lang geleden: "als ze die boom omzagen ga ik verhuizen". Hij vertelde dat hij in zijn vorige huis de kap van een mooie grote boom had meegemaakt en dat heel naar had gevonden - hij wilde dat niet nog eens meemaken. Onbegrijpelijk ook, in deze tijd, om gezonde bomen te vellen. Wie de kapvergunning had aangevraagd wist hij niet. Wel wist hij te melden, dat de man in wiens tuin de boom wortelt van niets wist, het via via had vernomen, en het "verschrikkelijk" vond. We spraken af dat ik de volgende dag het bezwaarschrift zou tekenen, waarna het aangetekend de deur uitging, want er was haast bij: veel tijd was al verloren gegaan doordat de buurt niet was ingelicht.

De volgende dag stond hij in mijn trappenhuis. Ik zag hem voor het eerst van dichtbij, een gesoigneerde man met een grijze ringbaard en een zijden shawltje. Ik had hem tevoren alleen op straat gegroet als we elkaar passeerden. Hij had zich in de wettelijke procedure goed verdiept. De aanvraag moest bij de gemeente zijn ingediend door de woningbouwvereniging (de officiële eigenaar van de boom), maar was aangezwengeld door een van de omwonenden, wie was niet duidelijk. (Ongetwijfeld een mondige en poenige Nieuwkomer, dacht ik, iemand van buiten die, nu het begeerde wonen op hoofdstedelijke stand gelukt was, ook meteen álles perfect wilde hebben: geen lastige licht wegnemende bomen voor het raam... en kunnen die concerten in het park wat zachter?) De boom was kerngezond en overlast is zelden een doorslaggevende reden voor houtkap, dus er was een hovenier ingeschakeld die had verklaard dat de esdoorn potentieel gevaarlijk was. Waarschijnlijk omdat hij boven de huizen uitstak en wind kon vangen, veronderstelde mijn buurman. Ik fronste de wenkbrauwen. Zelfs met de stormen van de afgelopen jaren was er nog geen takje afgebroken, de boom staat veilig tussen huizenblokken ingeklemd en het deinen wordt zelden zwiepen. Ik zette mijn handtekening. We hebben gedaan wat we konden, zei de buurman, en we zullen er het beste maar van hopen, maar het ziet er somber uit. Het besluit is al genomen, zie dat maar eens terug te draaien.

De hele verdere dag piekerde ik over de plotselinge doem die over mijn woonsituatie was gevallen. Die boom had mijn kinderen geboren zien worden en zien opgroeien; hij gaf me al meer dan dertig jaar het troostrijke gevoel dat ik half verscholen in het groen woonde; 's zomers en 's winters was hij vol leven; de regen ruiste er melodieus op neer; hij was het groene gordijn dat ons scheidde van de dorre steenwoestijn, tussen ons en de huizen aan de overkant was hij een levend, ademend, altijd veranderend scherm - wie haalde het in zijn hoofd om zoiets moois kapot te willen maken? Met terugwerkende kracht zag ik hoe gezegend ik was geweest met zo'n rijkdom vlak achter mijn balkon: ik kon de bladeren ervan zó aanraken als ik me iets over de reling boog. Ik stelde me voor hoe mijn uitzicht zou zijn als de kap een feit zou zijn - leeg, saai, verminkt, voorgoed bedorven. Geen wiegende takken meer om onder het werk door naar te staren. Ik zou moeten aanzien hoe de poenige, mondige en verwende nieuwkomers aan de overkant 's ochtends in hun witte badmantels hun vruchtensapjes dronken. Het gefeest op de dakterrassen van de Airbnb's zou door niets meer aan het zicht ontrokken worden. Ik voelde een machteloze woede en een woeste haat opkomen. Die streden om voorrang met verdriet. Verdriet om het zinloos vernielen van iets wat goed en mooi is en er decennia over heeft gedaan om zo goed en mooi te kunnen worden.