woensdag 18 maart 2020

OP SLOT (3)

Dag 2, vervolg



Troost TV

In het uitgebeende DWDD kondigen Paul Haenen en Matthijs hun initiatief Troost TV aan. Tja, denk ik, sympathiek, maar ook verstandig. Iedereen wijkt anders uit naar Netflix, want op de NPO ontkom je niet gemakkelijk aan de sombere schaduw van het zo minuscule, maar reusachtig ogende virus. Het stuitert rond in het decor van ieder actualiteitenprogramma, als kwaadaardig fluorescerende, futuristische ballonnen. Maar het soort programma's waar Haenen en van Nieuwkerk mee komen trekt me dan weer niet. Nostalgische herhalingen uit onschuldiger tijden. Love Letters terug op de buis. Huuu. Jeroen Krabbé schuift vervolgens aan om over zijn serie over Chagall te praten. Hij lijkt nerveus.
Om acht uur wordt er vanaf de balkons flink geklapt voor de 'helden van de zorg'. Ik houd niet zo van moderne rituelen, en u zult me niet gauw betrappen op het meelopen in stille tochten, knuffels of bloemen neerleggend voor deze of gene, maar dit ontroert me toch wel. Een meer dan verdiend applaus.
Het nieuws daarna maakt dat ik denk aan mijn blog van een tijd terug, voor de dreiging realiteit werd, over infodemie. Ik heb de hele dag een goed humeur gehad, ondanks een vederlicht kuchje en een temperatuurtje, maar nu komt alles weer hard binnen. Het ergste is nog dat ik mijn dochter met mijn stemming besmet. Die heeft net een langverwacht pakketje gekregen en wil daarvan genieten, maar de oorlogsverslaggeving op de achtergrond maakt haar dat zichtbaar moeilijk.
Ik ben ondertussen met mijn broer aan het Appen. 'Vanaf nu weer media-distancing,' tik ik. 'Boeken! Escapisme! We kunnen toch niets doen, behalve braaf opvolgen wat Ze zeggen. Dat is geen kop in het zand, dat is gezond verstand.'
Maar de tv blijft aan en de serie over Chagall vind ik onverwacht boeiend. Krabbé, ijdel als hij is, doet het goed, hij sleept je mee. Dit is inderdaad troostend, beter dan Linda de Mol. Meer kunst en minder nieuws vanaf nu, besluit ik voor ik ga slapen.


Illustratie: portret van Marc Chagall door zijn leraar Yehuda (Yuri) Pen (1854-1937)

'
[Voor wie dit via de link op Facebook leest en nieuwsgierig is naar wat voorafging, druk linksboven op 'startpagina'.]


dinsdag 17 maart 2020

OP SLOT (2)

Dag 2.



In memoriam Johnny Kuiper

Vorige week dinsdag overleed regisseur Johnny Kuiper. Hij was al lange tijd ziek en werd 74 jaar.
Kuiper werd geboren in Dwingeloo, doorliep de kweekschool, maar was ambitieus en wilde zijn horizon verruimen. Hij trok in de late jaren 60 naar Amsterdam. Daar richtte hij de culturele studentenvereniging CREA op, die nog steeds springlevend is. Onderdeel daarvan was het politiek geëngageerde Handke-Weiss Gezelschap. Toen onmin over budgetten (het zou een leitmotiv in zijn loopbaan worden) hem ertoe dwong CREA te verlaten nam hij zijn geesteskind Handke-Weiss mee.

Kuiper was mijn eerste kennismaking met de hoofdstedelijke muziektheaterwereld. Nog niet zo lang terugverhuisd naar mijn geboortestad, en recent afgezwaaid van het conservatorium, reageerde ik op een advertentie. 'Zangers gezocht'. De audities waren in Studio Korte Leidse, een schilferend en galmend bedrijfsgebouw nabij het Leidseplein. Achter een tafel zat Johnny, met trillende vingers mentholshaggies draaiend. Achter de piano zat Tom Löwenthal, zijn muzikale kompaan in veel van zijn talrijke ondernemingen. Ik zong iets toepasselijk links van Eisler. Johnny was enthousiast en zou dat blijven. Hoewel we cultureel een heel verschillende achtergrond hadden en nooit vrienden zouden worden begrepen we elkaar uitstekend op emotioneel en artistiek niveau.

Niet veel later stond ik in Paradiso te zingen op een speelvloer die bedekt was met een woud van geurende kerstbomen. We voerden Het Zilvermeer van Kurt Weill uit. Mijn rol heette eenvoudig: 'de eerste man'. Het was de eerste van vele rollen onder zijn regie. Die goeie lieve brulboei Tabe Bas deed mee, de latere GTST-acteur Bartho Braat, en de jonggestorven Bert Luttjeboer, ik zou hen goed leren kennen. Tom dirigeerde. Die kerstbomen, per vrachtwagen aangevoerd, waren typerend voor de aanpak van Johnny. Groot, groter, grootst had zijn motto kunnen zijn, voor less is more had hij geen begrip. Een plan om in het kader van een theaterspektakel tanks over het Leidse Plein te laten rijden werd serieus overwogen, tot hilariteit van de mensen om hem heen.

Voor Johnny was het artistieke doel heilig. Maatschappijkritische kunst was sacrosanct. Als iets veel meer geld kostte dat het budget toeliet was het zuchtend, maar met tintelende ogen: 'Dat moet dan maar...' Financiële bezwaren vond hij in zijn hart kleinburgerlijk, zodat je als zanger eigenlijk nauwelijks om je onbetaalde honorarium durfde vragen. Die mentaliteit leverde hem enige faillissementen op. Hij zat die uit, zoals wij nu onze quarantaines, en veerde terug met nóg grotere, nóg veelomvattender projecten. Hij deed daarmee een zwaar beroep op de goodwill van de vaste club geestverwanten waarmee hij zich omringde, maar kwam er uiteindelijk mee weg door zijn oprechte bevlogenheid, zijn welsprekende overtuigingskracht en de warmte van zijn persoonlijkheid.

Het laatste wat ik met hem deed was de opera Alzheimer van Chiel Meijering en Bert Keizer, in 2006. Artistiek gezien volgens mij (niet iedereen was die mening toegedaan) een succes en we trokken volle zalen. Maar halverwege de tournee sprong alles stuk op de met ruime voet (zeg maar gerust zevenmijlslaarzen) overschreden fondsen. Ik heb nog een bijeenkomst van gedupeerden bijgewoond, maar van een kale kip is het slecht veren plukken. Verdere projecten, waaronder een megalomane viering van 100 jaar Eerste Wereldoorlog, brachten het niet verder dan de papieren status. Aan het werven van fondsen had hij een dagtaak, maar uiteindelijk had hij te veel mensen tegen zich in het harnas gejaagd.

Afgelopen donderdagavond belde Tom Löwenthal me, ik had hem in geen jaren gesproken. Op het studentikoos late tijdstip waarop vroeger in creatief Amsterdam vooral werd gewerkt, namelijk als de brave burgers al op een oor lagen. Ik knipte slaperig mijn lampje aan en hoorde het doodsbericht. Of ik iets wilde zingen bij de uitvaart. Ik moest daar over nadenken, bekende ik. 'Of hadden jullie ruzie?' vroeg hij voorzichtig. 'Nee, Tom, we hadden geen ruzie. Ik mocht hem ondanks alles graag.'
De volgende dag belde ik terug. Ik zing bijna nooit meer, ik ben uit conditie, zei ik; Eislers Ballade von der Wohltätigkeit is veel te hoog voor mijn oudere stem - 'en eerlijk gezegd, ik ben stikzenuwachtig door die coronacrisis, mijn kop staat er helemaal niet naar.' Tom begreep het heel goed en zou iets anders verzinnen.
Vanmiddag is de uitvaart. Of er veel publiek zal zijn is maar de vraag. Ik ben er in elk geval niet bij.
Met spijt in het hart, dat wel, en een licht schuldgevoel. Als ik aan Johnny denk zie ik twinkelende ogen achter een stalen brilletje, ruik ik mentholsigaretten en hoor ik het karakteristieke 'Kan het stil?!', met luide, boze stem.
Het is nu stil.

De foto was de enige die ik op internet kon vinden. Zo heb ik hem niet gekend. In latere jaren was hij een mollige grijnzende man met een grote snor en een wonderlijke kuif. Maar ik herken hem aan zijn ogen.

maandag 16 maart 2020

OP SLOT (1)

Op consequentie zal men mij niet gauw betrappen. Wie zei dat ook weer? Ik eigen het me graag toe. Vrijdag kondigde ik aan voorlopig even niet te schrijven. 'Voor oorlogverslaggever deug ik niet,' lichtte ik toe. Ik heb nu besloten om juist dát te proberen: van dag tot dag optekenen wat er in de strijd tegen Covid-19 in Amsterdam te zien is. Mijn eigen gevoelens zal ik voor de verandering zoveel mogelijk buiten beschouwing laten. Waarvan akte. Lach niet zo smalend, lezer!

Dag 1.

Mijn vriendin roept van beneden dat mijn telefoon gaat. Het is half negen. Mijn dochter zou als het goed is nu in het vliegtuig moeten zitten, terug naar Engeland. Dus ja, opnemen graag! Te laat, de voicemail slaat aan. Ik herken het nummer niet, een 020-nummer. Bezorgd toets ik 1233 in. Ik beluister de boodschap. Een hese mannenstem met zwaar Amsterdams accent. 'Met Johan, je hebt me gebeld. Kun je me terugbellen op 06..... Groeten aan Jo.'
Ik ken geen Johan en Jo.
Nu ik eenmaal wakker ben besluit ik tegen mijn voornemen in niet langer in bed te blijven. Mijn vriendin is aan het Appen, mailen en bellen voor haar werk, de yoga is afgezegd. Ik douche, mediteer een kwartiertje, en zie dat de zon doorbreekt. We drinken koffie. Op het dak van de loods trippelt een kwikstaartje, een roodborstje strijkt neer in de dakgoot, een koolmeesje kijkt nieuwsgierig in het pas opgehangen nestkastje. Ik loop de tuin in. Twee vlinders, kleine vossen, buitelen over elkaar. Het is ondanks alles lente, zoveel is duidelijk.

Ik neem de weg langs het Alkmaarder Meer. Voor me rijdt iemand in een Renault Kangoo, niet veel harder dan 60. Niemand doet een poging hem in te halen. Tijd zat vandaag, en de zon schijnt lekker op water en weiland.
In Amsterdam passeer ik een stille Coentunnel. Ik neem de afslag Oud-West in plaats van die naar Zuid, om iets meer van de stad te zien. Er wordt veel gefietst, business as usual, ogenschijnlijk. Er draait een ambulance met snerpende sirene de Parnassusweg in. Er rijden dagelijks tientallen ambulances door Amsterdam, maar deze ene klinkt erger dan anders. Ik parkeer en besluit al voor ik naar huis ga mijn vaste rondje Vondelpark te lopen. Café Gruter, het chique George WPA: waar anders bij het eerste lenteweer overmoedige wittewijndrinkers op het terras zouden zitten is nu slechts kale stoep te zien. Geen zilveren koelemmers om het zonlicht te vangen. De stoelen staan opgestapeld binnen. In het park is de sfeer vrolijk, het is er druk, bijna net zo druk als normaal in maart. Maar met een ander publiek: veel ouders met kinderen, wandelend, fietsen, ballend. Het handjevol jonge toeristen dat over is verspreidt de vertrouwde brandgeur van wiet. Blijkbaar hebben ze nog tijdig een coffeeshop kunnen plunderen. Op een bankje zitten een paar mensen Corona bier te drinken. Zij vinden dat misschien stoer, galgenhumor, maar ik kan er niet om lachen.
Albert Heijn, Museumplein. Ik zie één mondkapje. Een grote Afrikaanse man in een fleurig geel en rood gewaad houdt de zelfscanner voorzichtig vast met blauwe keukenhandschoenen. Afgezien van de bekende hamstergevoelige zaken is de winkel goed bevoorraad. En niet álle pijnstillers zijn op: een paar doosjes Advil, Saridon en Finimal liggen er nog. En natuurlijk ibuprofen, sinds te lezen was dat gebruik van ontstekingsremmers misschien niet zo gunstig is bij het virus. En zowaar twee of drie pakken tissues. Overdaad!
In afwachting van de toespraak van de minister-president, de eerste keer dat zoiets gebeurt sinds de oliecrisis van 1973, begrijp ik, is de sfeer in de stad veel minder spookachtig dan ik verwacht had. Een vleugje vakantie, bij alle ongerustheid, een tweede kerstdag in maart.
Alleen dat bordje op het vergrendelde Concertgebouw  geeft me even een schok: 'OP LAST VAN DE OVERHEID...'

vrijdag 13 maart 2020

Lenteloos voorjaar


Van alle verjaardagen die ik heb meegemaakt - vandaag is mijn vierenzestigste - is er niet een zo bedrukt begonnen. Het is niet belangrijk, in het licht van wat er allemaal gebeurt, 'klein leed', zullen we maar zeggen, maar wel veelbetekenend: voor het eerst werd ik niet wakker met dat gevoel van lichte voorpret, dat me zelfs in mijn donkerste perioden niet helemaal in de steek liet, want zo kinderlijk ben ik altijd gebleven. Niet meteen, maar toch al heel snel, greep ik naar mijn telefoon, ondanks mijn stellige voornemens om die tenminste vandaag uit te laten. Al even snel had ik drie alarmerende stukjes verslonden, genoeg om ieder restje voorpret in de kiem te smoren.

Lieve lezers, ik geloof niet dat ik veel opbeurends te melden heb, en voor oorlogsverslaggever deug ik niet. Dus ik denk dat ik de komende tijd maar een pauze inlas, een bezinningspauze, laten we het zo maar noemen, om er nog iets positiefs uit te halen.
Woensdagavond repeteerden we nog voor een herdenkingsconcert op 4 mei. We hopen natuurlijk dat dat gewoon door kan gaan, er wordt al genoeg afgelast. De woorden van het eerste lied dat we zongen waren van de toen nog zeer jeugdige Hanny Michaelis (1922-2007), uit een gedicht dat Oorlogsvoorjaar heet.

Zonlicht scheert langs in onrustige vlagen;
Bomen en mensen, zich krommend van pijn,
Derven het uitzicht op mildere dagen...
Lenteloos voorjaar, uw tuin werd woestijn.

Aldus de latere mevrouw Van het Reve, die evenwel ook een heel ander register kon bespelen, zoals blijkt uit:

Briljant filosoferend
over het leven liet ik
de aardappels verbranden.
Een onmiskenbaar bewijs 
van emancipatie.

That's the spirit! Ik neem me voor het nieuws de rest van de dag verder stoer te negeren en een leuke verjaardag te hebben. Even de kop in het zand!


woensdag 11 maart 2020

SPREEUWEN


Mijn hooggeleerde vriend Saphier vertelde dat hij na zijn pensioen niet wilde worden als zovelen van zijn collega's, die een vinger in de academische pap willen houden en verbitterd moeten aanzien hoe ze langzaam vergeten worden. Zelf wilde hij een streep achter zijn loopbaan zetten. Gewoon maar een beetje leven. 'In een bus stappen en kijken waar je terechtkomt.' We praatten over onthechting en ouder worden. Om een beetje gelukkig oud te worden, zei hij, was het nodig te beseffen dat je een onderdeel van het grote geheel bent. Alleen dan kon je vrede met je eigen sterfelijkheid hebben. 'Wat doet mijn ikje er nou toe?' Hij keek graag naar filmpjes van zwermen spreeuwen, of scholen vissen. Die leerden hem het belang van het collectief, tegenover het in ons westerse wereldbeeld zo hooggeschatte individu. Dat gaf hem een rustig gevoel. 'Hoe heet die Disney-film? Die met dat visje?'  Ik zag mijn geleerde vriend zijn geleerde vakliteratuur wegklikken en op YouTube naar Finding Nemo gaan en moest lachen.
De dagen erna was het een en al Corona wat de klok sloeg. Ik verbaasde me over mijn eigen gevoeligheid voor de collectieve bezorgdheid die door de gretige media flink wordt aangehitst. Ik kon niet van mijn telefoontje afblijven. Met mijn verstand was ik tamelijk laconiek. Ik beriep me tegenover paniekerige mensen graag op de koele cijfers. Maar hoe ik ook de geruststellende lijstjes bestudeerde, als zalvende en sussende mantra's, ik bleef nerveus, angstig zelfs, gedeprimeerd.
Het lijkt soms, als je de media moet geloven, alsof de maatschappij als een kaartenhuis in elkaar aan het storten is. Het is moeilijk te accepteren dat we zo opeens in tijden van crisis terecht zijn gekomen, terwijl we nog lang niet klaar waren met die andere grote kwesties: migratie, klimaat, weet u nog?
Volgens mij is het verstandig om nu even geen zwermen spreeuwen te bekijken. Ik laat mijn telefoontje uit en wacht tot het lente wordt.

(foto: Erika Veld, uit: 'Spreeuwig'. Uitg. Dander)


vrijdag 6 maart 2020

SEIZOENSARBEID

Sinds 2003 maak ik scheurkalenders. Dat komt zo. We vierden Oudejaarsavond bij onze vrienden Peter en Yvonne Loeb. Zij bestierden een uitgeverij (Interstat B.V.) die voornamelijk wenskaarten, kalenders en schoolagenda's publiceerde: stationary, 'bedrukt papier', zoals Peter graag zei. Peter vertelde die avond dat ze voor 2003 met een scheurkalender over The Lord of the Rings kwamen, toen hot vanwege de filmtrilogie. De champagne vloeide en ik riep brutaal: 'Maar er mag geen onzin in staan!'
'Waarom maak je hem zelf niet?' ketste Peter fijntjes terug. Ik schonk nog eens bij en beloofde stoer dat ik dat zou doen.

Die eerste kalender was hard werken, maar ik bleek er handig in te zijn en leerde al snel de juiste aanpak bij zoiets. Niet tobben, discipline en vooruitzien. Indachtig de woorden van Laozi: 'Ook een mars van duizend mijl begint met de eerste stap' berekende ik hoeveel stukjes ik per dag moest maken om comfortabel de deadline te halen. Vervolgens zette ik het dreigende einddoel uit mijn hoofd en tikte dagelijks mijn portie. En zie, om en nabij de geplande datum was de kalender klaar om naar vormgever, corrector en drukker te gaan. In het begin voelde dat als een klein wonder.

Ik werd gevraagd om mijn goede pen en mijn zelfverklaarde expertise over dit specifieke onderwerp, maar de betoonde handigheid maakte me een echte broodschrijver. Jaarlijks werden nieuwe onderwerpen bedacht, inspelend op de tijdgeest. Sommige bleken eendagsvliegen (zoals een kalender over drank, een over downloads, Groen Leven, en De gekte van alle dag, samengesteld uit bizarre krantenberichtjes), andere hielden het wat langer vol (Frankrijk van dag tot dag, Crime Fiction, Oneliners) en enkele waren blijvertjes: ik heb onlangs mijn vijftiende (!) moppenkalender ingeleverd, heb al heel wat Oosterse wijsheden bijeengesprokkeld, en werk nu aan mijn zesde kalender over mindfulness, een onderwerp dat me zoals u weet na aan het hart ligt sinds ik in een kliniek in het zuiden des lands kennis maakte met meditatie, en een oud vooroordeel overboord kon gooien.

Peter en Yvonne hebben de uitgeverij alweer jaren geleden van de hand gedaan, maar gelukkig had de nieuwe directie eveneens behoefte aan een ervaren Kalendermacher, zodat wat ik als seizoensarbeid ben gaan beschouwen gewoon doorging na de overname: de eerste drie, vier maanden van het jaar zit ik dagelijks, omringd door stapels knipsels en boeken, achter de computer, tik mijn tien of vijftien lemma's en zet voor die dag de kalender weer uit mijn hoofd. Soms gaat het vlot, soms is het taai werk. Maakt niet uit: ik heb geleerd nooit méér te doen dan mijn dagrantsoen. Te lang doorgaan als je er lol in hebt betekent vaak een katterige tegenzin de volgende dag en leidt uiteindelijk tot oponthoud. Remmende voorsprong! Alleen bij ziekte of een tussentijds vakantiereisje moet ik de verloren tijd inhalen. Dat betekent dan grotere porties, de regelmaat blijft.

Vandaag rond ik Mindfulness 2021 af. Pagina's 15 tot en met 31 december zijn nu nog blanco maar zullen vanmiddag met beschouwelijke, inzichtelijke en opbeurende tekstjes gevuld zijn. Ik heb er plezier in dit jaar. Het slechte weer en de zorgelijke sfeer daarbuiten maakten de dagelijkse schrijfsessie tot een veilige en behaaglijke retraite in een overzichtelijk wereldje. Ik stak soms zelfs een kaarsje aan, toverde mijn opgeslagen favoriete websites tevoorschijn, en bladerde in de groeiende stapel boeken op mijn bureau. Daar lagen onder meer: Hesse's lieve Siddhartha en grimmige Der Steppenwolf, het cynische Afterzen (Experiences of a Zen Student Out on his Ear) van Janwillem van de Wetering, Bij Lao Tsé op de thee van Michel Dijkstra, Taoist Tales, The Tao of Pooh, Zen Wisdom, en vier verschillende vertalingen van Daodedjing ofwel Tao Te King, waarvan twee uit de boekerij van mijn vader. En als ik zin had schreef ik zelf een toepasselijk tekstje. Zoals dit, getiteld 'Vergankelijkheid':

Het aanvaarden van de vergankelijkheid is een van moeilijkste dingen die er zijn voor de moderne mens. Het leven lijkt maakbaar. Alles lijkt mogelijk en haalbaar. Geluk en succes zijn bijna verplicht: de beloning die ons wordt voorgespiegeld voor hard werken. Maar op het verstrijken van de tijd hebben we geen greep. We kunnen jong proberen te blijven wat we willen, oud worden we toch – als we geluk hebben. Er is geen remedie tegen het onvermijdelijke verval. Het vruchteloos zoeken naar die remedie doet pijn. Alles komt en gaat, niets blijft. Hoe meer we ons verzetten tegen die natuurlijke cadans van opkomst en ondergang, des te meer hebben we ervan te lijden. Alleen als we de vergankelijkheid kunnen accepteren als wezenlijk onderdeel van de schepping zijn vrede en geluk mogelijk.

Osho, eat your heart out! Of deze, genoteerd na een wandeling in het park, begin deze week:

Ik liep door het Vondelpark en zag dat het pad voor me één grote modderpoel was. Ook het grasveld ernaast leek meer op een moeras dan op een gazon. Ik dacht aan wat Eckhart Tolle had gezegd: 'Als er geen uitweg is, dan is er altijd nog een weg doorheen.’ Zuchtend wilde ik de eerste stap zetten in de glibberige en zuigende modder. Niks aan te doen, mijn schoenen waren volgens de winkel waterdicht, ik zou ze thuis wel even goed schoonmaken.
Maar toen viel mijn blik op de bosjes rechts van het pad. Zo te zien was de grond daar droog. Ik duwde de overhangende takken opzij en baande me over boomwortels en stevige aarde een weg door het halfduister tot ik bij de bestrate wandelweg was aangekomen. Met droge voeten.
Berusting, wu-wei, loslaten, allemaal leuk en aardig, maar soms is het goed een beetje lateraal te denken. Eerst maar eens kijken of er geen omweg is voor je door de drek gaat lopen.

Was getekend, Swami Shri v.h. Rookzanger-san Maharaj



woensdag 4 maart 2020

INFODEMIE


'De verslaggeving over corona is schadelijker dan het virus zelf,' kopt De Volkskrant. Ik lees het graag, het stelt me gerust. De krant zegt in het bijbehorende artikel dat er een infodemic heerst, een razendsnelle opeenvolging van nieuws (en nep-nieuws) over de ziekte die ook aanvankelijke sceptici dreigt mee te sleuren in een golf van hypochondrie, doemdenken en hysterisch vermijdingsgedrag. Ook Trouw waarschuwt voor zo'n infodemie.
Je kunt honderd keer met cijfers zwaaien, tot kalmte manen of beklemtonen dat mondkapjes onzinnige symbolen van schijnveiligheid zijn, het haalt niks uit. De mensheid, eenmaal tot deze staat van paniek gebracht, laat zich daar niet zo makkelijk uit praten. Genieten we ervan, is het onze sensatiezucht die de verspreiding van het mediavirus veroorzaakt? Verveling? Einde-der-tijden-sentimenten? Of ligt de schuld toch meer bij de media zelf, die elkaar aftroeven in berichtgeving en doodsbang zijn dat de concurrent er met een scoop vandoor gaat of meer kijkers, lezers of luisteraars heeft. Volg nu onze live-vlog! Alles over corona! Hoe het ook zij, een pop-up cultuur is ontstaan van totaal onevenredige bezorgdheid en onredelijke angst, die gelijk op gaat met een hevige uitbraak van FOMO (the fear of missing out). We hitsen elkaar kortom lekker op. Waar is de tijd gebleven dat Corona nog gewoon een type sigaar was?

Zelf was ik eerst nogal laconiek over de ernst van het uit een Chinese vismarkt overgewaaide griepje. Maar omdat ik overgevoelig ben voor de stemming om me heen en van nature angstig (en helaas nogal verslaafd aan mijn telefoontje) begon de paniekerige berichtgeving meer en meer op me te drukken. Ik heb nog nooit zoveel naar Nieuwsuur gekeken als in de afgelopen weken. Mijn gezonde verstand liet me niet in de steek maar toch werd ik zenuwachtig, ook door die aanhoudende klagende wind. Ik bezweek zelfs voor een paar sigaartjes - kleintjes, geen bolknakken van het bovengenoemde type - alsof dát hielp. Goed, die wind is nu eindelijk gaan liggen. Maar die andere storm, die van oplopende cijfers en schrille alarmbellen, bepaald niet. Het is verdomme alsof we in apocalyptische tijden leven, alsof de pest, de Zwarte Dood is uitgebroken. Terwijl ik, als ik op straat om me heen kijk en even de kou en de regen weg denk, een gewone, bedrijvige stad zie. Met bedrijvige, zo te zien gezonde mensen. Zonder mondkapjes. En de lente breekt uit, voor wie het wil zien. De ooievaars zijn terug in het park, verliefd klepperend, onwetend van wat ons mensen zo bezighoudt.