vrijdag 2 november 2018

Daar woont opa


Of er een oorzakelijk verband bestaat weet ik niet. Ik hoop het, want dan zou je misschien kunnen spreken van een soort Verlichting, hoe alledaags die ook was.
We stonden uit onze meditatie op voor de kinhin: geconcentreerd achter elkaar aan lopen in een kring, elke kleine pas heel bewust gezet, voetje voor voetje. In plaats van meteen in haar handen te klappen zei de Zenmeesteres: 'Tradities moet je af en toe doorbreken, om alles eens van een andere kant te bekijken. Dus ik wil jullie vragen om je om te draaien en vandaag de andere kant op te lopen.' Klap. Daar gingen we, tegen de klok in. Het voelde vreemd, na drie jaar met de klok mee.
Toen we weer gingen zitten nam ik een iets andere houding aan dan anders: de zelfverzonnen positie waarin ik zat voor ik het allemaal op de officiële manier leerde doen. Een brede grijns trok door mijn lichaam en bereikte tot slot mijn mond, waar hij even bleef nagloeien. Ik had plotseling een enorm goed humeur gekregen.
Later die ochtend ging ik met mijn kinderen en mijn kleindochter naar de Geitenboerderij in het Amsterdamse Bos. Langs het pad ernaartoe was een hut gebouwd. Een wigwam van dikke, kronkelende takken. Ik rende erheen, wrong me naar binnen en hurkte op het klamme bladertapijt. 'Hier woont Opa,' riep ik naar mijn kleindochter.
Ze bekijkt alles altijd heel peinzend, met die lichte, ernstige ogen van haar, maar nu was ze toch echt wel even van haar stuk gebracht. Flabbergasted stond ze daar. Tot er een verrukte lach doorbrak. Ze trok haar vader aan zijn mouw en zei: 'Daar woont Opa.'
Pats! Wereldbeeld omgedraaid en bijgesteld. Later zal ze misschien zeggen: 'Toen ik klein was geloofde ik dat mijn opa in een hutje in het bos woonde.'
De gekke opa. Het is een fijne rol. De opa die aan conventies maling heeft, die de orde in de wereld, nog maar zo kortgeleden aangeleerd, met zijn strapatsen doorbreekt.
Even later zat ik op een schommel. Dat heb ik veel te weinig gedaan de afgelopen jaren. De invallende regen deerde me niet in het minst.
In de ogen van kleine kinderen zijn opa's Zenmeesters. Maar in feite leren de opa's zelf het meest, door zich te spiegelen in die verbaasde kinderblik. Die werkt nog beter dan kinhin tegen de klok in.


(Foto: Maria van Spaendonck)



dinsdag 30 oktober 2018

BEDRIEGEN


Een dure zwarte auto draaide het zijstraatje in. Het raam schoof open en de bestuurder wenkte me met urgentie. Ik liep naar hem toe en zag een uiterst verzorgde jongeman met een zwart baardje. Hij vroeg me in het Engels de weg naar Schiphol. Ik legde hem uit hoe hij op de Ring moest geraken. 'Are you Italian?' vroeg hij. Nee. 'Have you ever been to Italy, you look just like an Italian!' Alsof dat land besmettelijk was.
Terwijl ik hem in het Italiaans vertelde dat ik daar weleens geweest was, ja, floepte het irritante knipperlichtje van een déjà-vu in mijn hoofd aan. Ik had dit al eens meegemaakt. En ook toen al eens.
De man leek een moment van besluiteloosheid te overwinnen en zei toen met een brede witte lach dat hij modeontwerper was, hij werkte voor Emporio Armani en Versace, hier is mijn kaartje. Hij schudde warm mijn hand, zei ciào, en reed verder, niet de kant van Schiphol op.

Ik dacht even over de ontmoeting na. Groef in mijn geheugen. Vorig jaar was me bijna hetzelfde overkomen. Twee Italianen toen, die urgent hadden gewenkt uit een dure auto in een zijstraat. Hen had ik meteen in het Italiaans geantwoord, en het was me opgevallen dat de bestuurder al na de eerste woorden ongeïnteresseerd zijn hoofd afdraaide. En hadden zulke dure auto's soms geen navigatie? Degene die me had aangesproken luisterde nog even beleefd naar mijn uitleg over de route naar de luchthaven. Toen was daar eveneens die hartelijke handdruk geweest.

Deze nieuwe ontmoeting was de schakel tussen die vreemde gebeurtenis en het verhaaltje dat ik eerder op dit blog publiceerde. Over een man die, op weg naar Schiphol, zijn dure Armanispul voor een zacht prijsje wilde slijten aan mij, midden op straat, omdat hij er anders invoerrechten op zou moeten betalen bij de douane. De drie gebeurtenissen vertoonden opvallende overeenkomsten. Zouden die twee mannen ook in de mode hebben gezeten? Maar waarom was dat dan niet ter sprake gekomen, en, waarom had deze derde verdoolde Italiaanse reiziger geen poging gedaan me iets te slijten, maar me tóch dat kaartje gegeven?

De enige oplossing die ik kon verzinnen was van taalkundige aard. De eerste kledingvertegenwoordiger was, toen hij me zijn waar begon te tonen in de geopende achterbak, schijnbaar zonder reden overgegaan van een volstrekt helder Italiaans op een vaag en rommelig Engels. Blijkbaar droeg het rookgordijn van linguïstische verwarring bij aan het welslagen van de truc. De twee mannen van vorig jaar hadden het bij voorbaat al vermoeid opgegeven toen ze merkten dat ik hun taal sprak. En deze derde ook, maar hij zat blijkbaar zo vast in zijn rol dat hij me toch nog dat kaartje gaf.

Thuis googelde ik de naam op het keurige visitekaartje. Geen overeenkomsten, de achternaam bestond niet eens in het Italiaans. Wel klopte het adres van de vestigingen van de grote modehuizen in Milaan en Florence. Verder zoekend vond ik enige waarschuwingen voor deze kledingfraude, her en der op de planeet. Altijd de gezochte luchthaven, parkeerterreinen, achterstraatjes, altijd die belasting, die omzeild diende te worden. De merkkleding in de kofferbak kwam uit China.

Afgelopen zomer ontmoette ik in het Portugese Sintra een Siciliaanse graaf. We hadden een leuk gesprek op het terras van een restaurant. Een ooit knappe, jongensachtige man wiens gezicht ontsierd werd door een grote wrat. Misschien mede daarom straalde hij iets eenzaams uit. Hij was polospeler, vertelde hij, had overal ter wereld gewoond en grote wedstrijden gespeeld, en uiteindelijk was hij in Sintra neergestreken, voorlopig: het beviel hem hier. Hij nam afscheid, maar kwam even later terug van zijn auto om me een flodderig kaartje te geven, zo bij de copyrette vandaan. Daar stond het, achter zijn naam: Conte di Valle dei Giunchi. We lachten een beetje om dat knullige kaartje, en ik zei tegen mijn vriendin dat hij zelfs voor een Siciliaanse graaf wel erg slordig Italiaans sprak -  en hij had de c uitgesproken als een scherpe s, zoals Portugezen doen.
Ook hem had ik gegoogeld. En tot mijn verbazing bleek er een Wikipedia-lemma aan hem gewijd te zijn, in het Spaans. Met foto. Hij was inderdaad een gevierd polospeler, maar hij kwam uit Afrika. Hij had zelfs een politiek boek over Mozambique geschreven. Hij had zitting gehad in het Olympisch comité van Zimbabwe. De adellijke titel stond er ook bij, maar geen woord over Sicilië, terwijl hij toch had verteld daarvandaan te komen.
Deze man was geen con man maar een echte conte geweest. Dat intrigeerde me. Waarom zou iemand die zijn sporen heeft verdiend en zo'n interessante achtergrond heeft (hij had in wel vijf Afrikaanse landen gewoond), een man die bovendien Wikipedia gehaald heeft, waarom zou zo iemand zijn eigen leven nóg mooier willen maken?
En wat zouden die gesoigneerde mannen in die dure auto's nou helemaal verdienen met die Chinese nep merkkleding, als je al hun aanzienlijke bedrijfskosten eraf trok?
Bedriegen is blijkbaar iets wat in het bloed zit.


(Illustratie: Meesteroplichter Joris Goedbloed, door Marten Toonder)


vrijdag 26 oktober 2018

JAN

Ik herkende hem niet meteen. Hij zat voorovergebogen in een rolstoel, een broodmagere man van negentig. Maar toen hij me aankeek zag ik die vertrouwde schittering in zijn donkere ogen, en ook zijn brede mond - al ontbraken er nogal wat tanden - riep herinneringen op: altijd een charmante lach, praatgraag, de tolk van een onverwoestbaar goed humeur. Hij was de eerste in onze straat met een tv, de eerste met een auto. Een zwierige, moderne man, een man van de jaren zestig. Op de ontbijttafel stond een broodrooster en uit de radio klonk 'lichte grammofoonmuziek'. Bij de familie U. was alles sneller en lichter dan bij ons.
Zijn zoon stelde me aan hem voor. 'Weet je nog wie dit is, pap? Jan-Paul. Uit de Willem van Hembyzestraat.'

'De zoon van Jan en Mea,' verduidelijkte ik.
'Ach, Jan?' zei hij. 'Hoe gaat het met u?'
'Nee, niet Jan,' zei ik. 'Mijn vader is al twee jaar dood. Ik ben zijn zoon, Jan-Paul.'
Even trok er een schaduw over zijn gezicht. Heel even maar. Hij veerde opmerkelijk snel terug en er kwam wat vrolijke wartaal uit de tandeloze mond. Toen ik hem weer kon volgen begreep ik dat hij wilde weten wat ik hier kwam doen, in het verzorgingstehuis.
'Ik treed straks op met een koor. Thalia. Ik ben de dirigent.'
'Ach, en doe je zelf ook nog wat?' vroeg hij.
'Ik zwaai met het stokje. Ik ben de baas.' Hij lachte.
Het werd tijd om naar de kleedkamer te gaan. Ik schudde zijn gewichtloze hand.
'Dag Jan,' zei hij.

In memoriam Jan van Spaendonck, 13 oktober 1925 - 26 oktober 2016



(Foto: Astrid van der Velde-van Dolen)


dinsdag 23 oktober 2018

Herfstvakantie

Rode blaadjes vielen niet direct omlaag maar dansten sierlijk heen en weer alsof ze niet konden kiezen tussen luchtstroom en zwaartekracht. Eenmaal op de grond beland schoffelden ze nog even rond tussen hun voorgangers. Ritselden.
Tok! Er plofte een dennenappel neer, die had niks te kiezen.
Ik zat op een stoel voor het chaletje en zag hoe blauw de lucht was. Ik sloeg dit alles in me op - de blaadjes, de dennenappel en de lucht - om er later over te kunnen schrijven.
Maar nu de dinsdag is aangebroken bedenk ik me, en besluit ik de overige beelden van die dag te laten voor wat ze zijn. Het is herfstvakantie. Ik probeer het voorbeeld van de dwarrelende blaadjes te volgen en maar zo'n beetje te zwieren, speelbal van grotere krachten dan ikzelf.
Wordt vervolgd.


Pas verschenen: 'Dorst'.
HIER te bestellen.

vrijdag 19 oktober 2018

GRASDUINEN

Onlangs kreeg ik de postzegelverzameling van mijn opa in bezit. Ik weet niet wat ik ermee moet, het is een enorme doos vol boeken en enveloppen. Hij heeft daar na zijn vijfenzestigste hele avonden over gebogen gezeten, loep en pincet bij de hand. Hoewel die rigide opsplitsing van het leven in een werkzaam bestaan en het welverdiende pensioen voor zzp'ers nauwelijks geldt, denk ik toch vaak na over de invulling van mijn dagen als ik niet meer hoef te werken. Blijven mijn bezigheden boeiend en zinvol als ze niet langer functioneel zijn?
Deze week heb ik weer een paar uur met Schumann aan de vleugel doorgebracht. Dat gebeurt me zo nu en dan. Als het lekker gaat moet ik oppassen dat ik niet al zingend ga dagdromen. Want zodra ik het gevoel krijg dat ik er nog iets mee moet, met dat zingen, word ik te fanatiek en forceer ik me. Ontevreden over wat ik niet meer vanzelfsprekend kan (waar is die soepele hoogte van vroeger?) zing ik verbeten door tot ik terug bij af ben. En dan is de lol er ook weer af, van Schumann. Hees steek ik een pijp op - wat dondert het ook allemaal?
Vroeger moest ik mijn brood verdienen met zingen. Tegenwoordig dirigeer, componeer, coach en schrijf ik. Af en toe staat er een optreden als zanger op de agenda en dan ga ik in training. Maar de dagen van dwangmatig vocaliseren en angstig op elk teken van verkoudheid letten zijn voorbij. Je weet het natuurlijk nooit - ik ken een tenor van 78 die nog in stralende concertvorm is - maar ik vermoed dat ik geen recitals meer zal zingen in mijn leven. Dat is niet erg. Er is een tijd voor alles. Sterker nog, het is heel genoeglijk om met Schubert of Schumann alleen onder een pianolampje te verblijven zonder iets met het resultaat te moeten. Waarom schiet het woord grasduinen me te binnen? Het is als wandelen door een tuin, dit zingen. Ik ruik aan de bloemen van de Romantiek, bewonder en betast ze. Hier en daar snoei ik wat. Ik giet wat water over de aarde en trek wat dorre takjes weg. Ik zet de partituren op de lessenaar en ja, grasduin in het vertrouwde repertoire, stel een boeketje samen dat bij mijn stemming past. We hebben het fijn samen, de meesters van de negentiende eeuw en ik, en mijmeren wat bij de woorden van Heine die door de melodieën worden gedragen om beter het hart te kunnen bereiken. Zolang de ambitie zich gedeisd houdt is alles in orde.


Pas verschenen: mijn 'onthutsend eerlijke' boek "Dorst, kroniek van een 'romantische' obsessie". 
200 pagina's, nog geen 15 euro.
HIER bestellen.

dinsdag 16 oktober 2018

Drinkende koe aan slootkant


Mijn vriendin zat op een vermolmde kano in de sloot en sneed riet weg met een kleine zeis. Het was de tijd voor de jaarlijkse slootcontrole van het waterschap, en dan is het altijd even ploeteren in de modder om geen boete te krijgen. Ik zat aan de waterkant in de zon. Om toch de schijn op te houden dat ik als goede vriend meehielp pakte ik de bossen riet van haar aan en legde ze op de oever. De beste exemplaren gingen op een aparte stapel, bedoeld om het afdakje voor de schapen opnieuw te dekken. De andere vormden, liefst met veel zwarte drab, een 'aanlandingsproject' aan de slootkant. Door die modder konden de controleurs in elk geval zien dat er hier gewerkt was, ook al was misschien niet alles perfect in orde op de dag van de schouw. In een emmer naast me lagen handschoenen en wat gereedschap. Ik had er mijn glas witte wijn ingezet, zodat het niet zou omvallen in het oneffen gras. Nu en dan nam ik een slokje, terwijl ik de rust van het polderleven tot me door liet dringen. Aan de overkant naderde een koe. Zij keek nieuwsgierig naar ons. Koeien zijn gezelligheidsdieren, zegt mijn vriendin. De koe knipoogde vriendelijk, boog zich voorover en met een lange witte tong dronk ze van het water beneden. 'Kijk, een koe die Paulus Potter nadoet,' zei ik.

Een liederencyclus op gedichten van mijn vriend Robert Eksteen heet Ars Naturae Magistra. De kunst is de leermeesteres van de natuur. Een dwarse verdraaiing van het motto waarnaar de hoofdstedelijke dierentuin is genoemd. Hoe waar, deze ironische omkering, dacht ik. Want onze observatie van de natuur wordt gekleurd door wat we hebben geleerd, door wat de beeldende kunst ons heeft laten zien. Net zoals we vogelzang versimpelen tot de liedjes de we kennen. In werkelijkheid strooien de vogels lustig met intervallen en intonaties die in ons toonsysteem nauwelijks te vatten zijn, hoezeer Olivier Messiaen ook zijn best heeft gedaan.
We luisteren en kijken zelden onbevangen, maar interpreteren op grond van een kader van soortgelijke waarnemingen. Dat is overigens precies wat de meditatie ons probeert bij te brengen: kijken en luisteren zonder verwachting, zonder vooropgezet idee van wat we gaan zien en zullen horen - de werkelijkheid voor de verandering eens ongefilterd laten binnenkomen.
Voorbeelden werpen, net zo goed als meningen, obstakels op voor zuivere waarneming en worden daarmee vooroordelen. Ik zag een koe. Ik meende een drinkende koe van Paulus Potter te zien. Maar toen ik die later googelde bleek die in die vorm niet te bestaan. Het doek dat mij voor ogen stond toen ik het voor de hand liggende etiket 'Paulus Potter' op mijn natuurwaarneming plakte was van Willem Maris. Mijn verbeelding had het overgeschilderd in de stijl van Potter.

(Illustratie: Willem Maris: 'Drinkende witte koe' of 'Zomerweelde')

vrijdag 12 oktober 2018

Boeken met boeken vergelijken

Ik wilde iets schrijven over de weersomstandigheden. Totaal overbodig natuurlijk, want iedereen ziet het om zich heen: de nog erg groene bomen, de overvolle terrassen waarop het hedonistische volkje de witte wijn laat fonkelen in spiegelende glazen, de fietsende meute in T-shirt, geen regenjas te bekennen.
'Het guurde rond Oud-Zuid', had ik al getikt.
Dat was, meende ik, de openingszin van Geerten Meijsings novelle De kerstpijp, en ik wilde deze beknopte maar adequate schildering van weer & sfeer vergelijken met de opening van Dickens' roman Martin Chuzzlewit, die ik op het ogenblik lees. Dickens ruimt in hoofdstuk twee (het eerste hoofdstuk is een inleiding over de familiegeschiedenis) maar liefst drie bladzijden in om hetzelfde te zeggen als Meijsing. Herfstbladeren, rivier en wind worden als personages opgevoerd, de auteur verlustigt zich in zijn natuurbeschrijving en neemt de tijd, alle tijd. Je zou bijna denken dat hij per woord betaald werd.
Ik ging op een stoel staan om de novelle, die bovenin de kast stond, in te zien. Algauw bleek dat mijn geheugen me had bedrogen: de betreffende zin was helemaal de openingszin niet maar trad pas na enige pagina's aan, en vormde, na de introductie van de hoofdpersoon, de inleiding tot de eigenlijke handeling. De verlopen zanger Pasquale van Bemel verlaat met gitaarkoffer zijn huis, hij houdt de beijsde deurknop in zijn hand, betreedt de platgetrapte sneeuw en gaat op weg naar het Max Euweplein, om daar zijn Napolitaanse liederen ten gehore te brengen.
Ik bladerde verder en het viel me op hoeveel parallellen er in deze novelle te vinden zijn met mijn eigen roman De sigarenwinkel, die ik er ook maar even bij pakte. De hele geschiedenis van Pascal van Raemsdoncks pijprookmanie vind je beknopt terug in De kerstpijp, vaak in verwante bewoordingen. Het is alsof ik dat verhaal als uitgangspunt heb genomen voor mijn eigen boek. Toch ligt het anders: Meijsing leende mijn leven voor zijn verhaal en maakte er een prachtige Dickensiaanse kerstvertelling van. Ik nam, jaren later, mijn geschiedenis zelf ook ter hand, noemde de hoofdpersoon als knipoog naar mijn vriend en leermeester: Pascal, en gebruikte dezelfde materie voor een werkje van langere adem.
Zo had ik, vol zelfvertrouwen, die parallellen voor mezelf verantwoord destijds. Maar nu, in een zeer weinig assertieve stemming en vol twijfel aan mijn eigen literaire producten (het uitbrengen van mijn autobiografische boek Dorst heeft me de kriebels gegeven - wat zouden 'de mensen' daar wel niet van denken?), nu zag ik mezelf plotseling als een kleine jongen die zijn grote broer nadoet.
Ik haalde iets te nadrukkelijk mijn schouders op, sloeg beide boeken dicht en zette ze terug in de kast. Besluiteloos keek ik uit het raam waar de Indian Summer zich opmaakte voor weer een dag ongepaste praalhanzerij. Waar dán over te schrijven? Door wat ik daarjuist gelezen had was ik erg naar de herfst gaan verlangen, maar het zal nog wel even duren voor het gaat guren rond Oud-Zuid.


Dorst, kroniek van een 'romantische' obsessie is HIER te bestellen.