vrijdag 11 september 2015

ZENMEESTERS

Toch nog onverwacht was het een zoele avond. Ik had met mijn vriend E. afgesproken en we besloten buiten op het terras te gaan zitten. Ik had hem lang niet gezien, we moesten weer even aan elkaar wennen. Bij muntthee en décaf namen we de feiten door. Een update die vooral over de kinderen ging want in onze eigen levens veranderde er niet zo heel veel meer in één, twee jaar. Eenmaal weer op de hoogte van elkaars omstandigheden ontspanden we allebei. E. is psychiater en het gesprek kwam al gauw op zijn vakgebied. We waren op dreef, woorden en zinnen vlogen als luchtige shuttles in de nazomeravond heen en weer, steeds sneller. E.’s vrolijke lach gaf ze extra vaart mee.
Nadat we uitgebreid de oosterse met de westerse aanpak hadden vergeleken, meditatie tegenover cognitieve gedragstherapie, kwam mijn vriend tot de bevredigende slotsom dat ze eigenlijk allebei hetzelfde beoogden: het afstand nemen van de eigen gedachteconstructies, het objectiveren, aanvaarden en daarmee loslaten van het eigen psychische lijden. We kwamen te spreken over Zen, over het pure bewustzijn, het waarnemen van de werkelijkheid dat niet bemodderd wordt door een regen van smoezelige gedachten. E. dacht lang niet altijd, bekende hij schaterend, hij kon vrij gemakkelijk gedachteloos ‘alleen maar zijn’, een piekeraar was hij nooit geweest. Ik benijdde dat. Ik streefde het na, maar echt goed wilde het nog niet lukken, de vertellende stem in mijn hoofd onthield zich zelden van commentaar. Wel kon ik wat die innerlijke criticaster te melden had gemakkelijker loslaten: piekeren deed ik steeds minder, dankzij mijn dagelijkse sessie op mijn yogakussentje.
E. vertelde over een foto van een Tai Chi beoefenende Chinese monnik, die zo’n zotte, wezenloze glimlach had, dat hij er vreselijk om moest lachen. Hij hoefde maar aan die foto te denken of hij snapte wat onthechting inhield, en kon lachen om de absurditeit van het bestaan. Levenswijsheid met een glimlach, instant verlichting door een foto, kon het zo makkelijk zijn?
Hij vertelde over zijn kat, die lag te soezen maar plotseling een gedachte kreeg en opstond om dringend iets te gaan doen. Maar halverwege de tuin was de gedachte verdwenen - de kat keek haar verbaasd na en liet zich ter plekke weer op de grond zakken om zijn woordeloze mijmering te vervolgen.
‘Ik heb met verschillende Zenmeesters samengeleefd – allemaal katten’, citeerde ik Eckhart Tolle.
Ik liep naar huis en genoot na van het geanimeerde gesprek, de vrolijke ontmoeting. Maar halverwege het trappenhuis kreeg ik een gedachte. Ik had van alles willen vragen, advies, steun, raad. In plaats daarvan had ik vrolijk zitten kakelen en een licht ijdel plezier gehad in mijn eigen woorden.
De gedachte zei dat ik dat moest betreuren. Maar terwijl ik de deur opende en mijn eigen oranje zenmeester groette verdween ze weer, de gedachte. Ik maakte een geroosterde boterham met marmelade, dronk nog een glas Açaibessensap, las een hoofdstukje in De tienduizend dingen van Maria Dermoût, en ging vredig slapen.

dinsdag 8 september 2015

DIEFSTAL (waarin een oude schuld vereffend wordt)

‘Levensverhalen’ is een initiatief van de afdeling Nieuw-West van het NIVON (Nederlands Instituut voor Volksontwikkeling en Natuurvriendenwerk) en de ANBO (Algemene Nederlandse Bond voor Ouderen). Vrijwillige schrijvers werden getraind door professionals en vervolgens gekoppeld aan markante ouderen uit de buurt. Van hun levensverhaal, opgetekend tijdens tweewekelijkse sessies aan de keukentafel, werd een boek gemaakt. De eerste tien exemplaren werden afgelopen zondag gepresenteerd in bijzijn van familie, belangstellenden en stadsdeelportefeuillehouder Achmed Baâdoud. Ik was erbij om samen met mijn 86-jarige Muze Joch de middag muzikaal op te fleuren.

Een van de geportretteerden was meneer Brockhoff, hoorde ik, voormalig tuinder en kruidenier in Geuzenveld. Een schokje ging door me heen. Ik keek het zaaltje rond maar geen van beide kandidaten, twee oude heren met rollator, kwam me bekend voor. Dat was niet zo gek natuurlijk, er waren een kleine vijftig jaar verstreken sinds ik klant was van die buurtwinkel aan de Troelstralaan, vlak om de hoek van de Willem van Hembyzestraat waar ik woonde. Aan de presentatrice diste ik een mooi verhaal op. Ik was erg geschrokken, zei ik, want ik had ooit een appeltje bij Brockhoff gejat. Ze lachte en vroeg onmiddellijk aan de catering of er ook appels waren. Nee, die waren er niet. Maar was een mandarijn ook goed?
Toen meneer Brockhoff in het zonnetje werd gezet gaf ze het woord aan mij. Ik vertelde over mijn Geheime Jongensclub, 'De Zwarte Schaduw', die vergadering hield in ons schuurtje. Geïnspireerd, natuurlijk, door Pietje Bells 'De Zwarte Hand', want veel oorspronkelijke fantasie had ik niet. Dat je door een ballotagecommissie moest om daar lid van te mogen worden. Iedere aspirant moest een opdracht vervullen, en de mijne was, dat ik een appel moest stelen uit de fruitbakken die voor Brockhoffs winkel stonden uitgestald. Dat had mijn hele leven op mijn geweten gedrukt, zei ik, en daarom wilde ik meneer Brockhoff bij dezen zijn appeltje teruggeven, noodgedwongen in de vorm van een mandarijn, maar het ging om de symboliek nietwaar? Brockhoff lachte hartelijk en verklaarde met een scherp Nieuw-West-accent dat wat hem betreft de schuld vereffend was.
In de pauze keek ik het boekje in dat gewijd was aan de tuinder en kruidenier. Ik zag de zwart-witfoto’s van het winkelinterieur. Ik herkende veel maar er kwam ook een onbestemd gevoel van onbehagen boven, als een verre kiespijn - iets van onmin, iets in de nadagen van de winkel – alsof mijn verhouding met de gruttersfamilie niet zo goed was geweest. Ik kon er mijn vinger niet op leggen en besloot de vormeloze herinnering maar naar het rijk der dromen te verwijzen. Ik heb veel gedroomd over mijn Geuzenveldse jeugd en vaak weet ik niet precies wat herinnering is en wat droom. Die tijd is een mist waaruit soms scherpe contouren opduiken, maar waarin minstens zoveel versluierd blijft.

Na afloop stond ik nog even met de familie Brockhoff te praten. Dochter Truus was kind aan huis geweest bij mijn buurmeisjes, Loes en Karin. Ik moet haar gekend hebben maar mijn geheugen gaf niet thuis. Ik vertelde Brockhoff een andere anekdote. Dat op de koperen bruiloft van mijn ouders de drank rond middernacht op raakte, en dat mijn vader aangebeld had op hun privéadres. Brockhoff had in pyjama opengedaan en hem zonder te morren een fles jenever verkocht. Geuzenveld was een dorp toen. De oude heer wist het niet meer, maar hij lachte uitbundig.
Wat ik hem echter niet vertelde was de ware toedracht van het appeltje. Ik had die verdraaid – de gelegenheid vroeg om een pasklare anekdote, de waarheid was ingewikkelder. In werkelijkheid was ik de bendeleider van de Geheime Club geweest, en daarmee de opdrachtgever. Zelf bleef ik laf buiten schot terwijl een van mijn rekruten het fruit jatte. Daar schaamde ik me meer om dan om die kwajongensdaad.
Toen ik Joch naar buiten begeleidde, gitaar en bloemen onder de ene arm, de andere in die van Joch genesteld, zag ik Brockhoff aan de stoeprand, half zittend op zijn rollator – hij wachtte op zijn lift. Een sterke, wat gedrongen man, felle ogen, markante kop. Het mandarijntje hield hij in zijn vrije hand geklemd.

(Foto's: Shirley Brandeis)

vrijdag 4 september 2015

HERFSTGEDACHTEN

Met de balkondeuren sloot ik ook het boek van de zomer. Op een enkel stormachtig uur na hadden ze al die maanden opengestaan.
Het is oppassen nu dat mijn sombere buien het niet voor het zeggen krijgen: de tijd dat ik het najaar verwelkomde als een periode van behaaglijk binnen zitten met de gordijnen dicht en een kaarsje aan is allang voorbij. De wereld komt ook met de gordijnen dicht glashard binnen, ik kan er mijn ogen niet voor sluiten, zoals vroeger. En vrolijk word je er niet van, wat daar dagelijks uit alle windstreken je kamer binnen waait. Ik ken mensen die gestopt zijn met kranten lezen en tv kijken - te veel negatieve prikkels. Voor mij is dat geen oplossing. Ik ben nog niet zo héél lang geleden begonnen me voor de actualiteit te interesseren en ik vind dat een goede ontwikkeling, een logische ontwikkeling ook. Ik wil niet zo'n kunstenaar zijn als Eric Vloeimans die niet verder kijkt dan zijn trompet lang is en bij wijze van spreken niet weet hoe laat het is. Bertrand Russell schreef al dat ons leven begint als een bronbeekje en tegen het einde opgaat in een grote, steeds breder wordende stroom. Je verruimt je blik, ontwikkelt gevoel voor verantwoordelijkheid voor de wereld waarin je leeft.
Maar wat ik vervolgens als artiest met dat verantwoordelijkheidsgevoel moet doen is een tweede. Toen ik 'beroemder' was dan nu heb ik ooit eens een benefietconcert georganiseerd, maar dat zie ik me nu niet meer doen. Schrijven? De tienduizendste worden die over die foto van dat driejarige jongetje schrijft? Een opiniërend schrijver moet een breed podium hebben. Je woorden moeten iets in beweging kunnen brengen; je mening nauwgezet verwoorden en verdedigen tegen een zwijgende spiegel frustreert, en maakt eenzaam - wat is de zin van deze getoonde betrokkenheid? En het kan toch niet zo zijn dat het enige effect van geëngageerdheid een vergrote kans op een herfstdepressie is: dan zou het allemaal voor niets zijn, die zich verbredende stroom van Russell - want aan een gedeprimeerde meevoeler heeft de wereld ook geen moer.
Niet schrijven dan maar, en het wereldleed hoofdschuddend en in stilte verwerken? Dat is in elk geval minder ijdel, in twee betekenissen.
Ja, ik kan er verder maar beter over zwijgen, over de grote thema's, besluit ik. Maar de lust om over mijn eigen doen en laten te berichten heb ik ook niet - dat lijkt zo futiel vergeleken met alles wat er in de wereld speelt.
Buiten stroomt de regen neer. Ik open het venster op de wereld om deze woorden te luchten - en doe het weer dicht. Op zijn tijd is een weinig escapisme gezond. Als de storm te hevig is moet je het raam weten te sluiten.


(Illustratie: Marten Toonder)

dinsdag 1 september 2015

ADERLATING


We kruipen tegenwoordig graag bij elkaar, we zijn dol op massabijeenkomsten, schreef Rob Schouten laatst in zijn column in Trouw. Koningsdag, de Uitmarkt, Sail, om maar te zwijgen van al die honderden zomerfestivals, we laten geen gelegenheid onbenut om een mierenhoop te vormen. Vroeger was dat anders. Op historische momenten, ja, maar als alles zijn dagelijkse gangetje ging en er geen dramatische aanleiding voor was keken de mensen wel beter uit.
Ik moest aan die observatie denken toen ik naar Zomergasten keek. Psychiater en filosoof Damiaan Denys stelde de angstcultuur van onze tijd aan de kaak. We waren als individu erg op onszelf aangewezen en konden niet meer vertrouwen op de mensen boven ons. Een waar woord. Autoriteit is sinds de jaren zestig ontmanteld en ontmaskerd, iedereen is maar gewoon een omhoog gevallen buurjongetje. Obama maakt YouTube-filmpjes, de koning praat plat, pastoors zitten aan je piemeltje, god bleek een collectief verzinsel te zijn, de professor doet leuk in DWDD. Mijn oma sprak ‘de dokter’ nog met een hoofdletter uit, voor haar was de huisarts een onfeilbare geestelijke reus, een seculaire priester. Nu moesten we uit Denys’ mond horen dat hij, een belangrijke autoriteit op het gebied van angststoornissen, topman van de vaderlandse psychiatrie, geen idee had waar angst vandaan kwam. Hij kon niet anders dan de angst bestrijden en hopelijk elimineren. En de hersenen, voegde hij er tot overmaat van ramp aan toe, waren grotendeels terra incognita. Van die hele immense binnenwereld hadden we nog geen voortuintje of stadsplantsoentje in kaart gebracht.
Ik huiverde en dacht met heimwee terug aan de psychiaters van de eerste generatie, Freud, Adler, Jung. Die moesten het zonder noemenswaardig neurologisch onderzoek doen en vulden dat hele onontgonnen terrein op met verhalen. Romantiek misschien en geen wetenschap, maar eigenlijk zo gek nog niet: de mens heeft verhalen nodig, als houvast. Hun grote en coherente mythes over archetypen, minderwaardigheidscomplex en vaderbinding maakten een chaotische wereld hanteerbaar, boden een kader aan waar ons denken en voelen op de een of andere manier in te plaatsen was. Een beetje boetseren en wringen was het soms wel, maar het paste erin, daar zorgde oom zenuwarts wel voor.
Een toonaangevend psychiater die toegeeft dat hij zo goed als niks weet van wat onze stoornissen veroorzaakt, en zonder enige affectie van autoriteit en alwetendheid over films en mondharmonicaspelers babbelt, omdat die iets zeggen over zijn vak, over het ‘impliciete’ daarvan, dat niet met woorden is uit te drukken, daar moest ik wel even van slikken. De postmoderne psychiatrie! Psychoanalyse had afgedaan en pillen bleken niet alleenzaligmakend, een overkoepelend theoretisch systeem ontbrak. Elektrische stimulatie van diepe hersengebieden stond nog in de kinderschoenen maar leek veelbelovend. Maar hoe of het precies werkte? Vooralsnog behielp men zich vooral met cognitieve gedragstherapie. En de charmante Denys ging het theater in met een voorstelling over angst, omdat hij daarin de waarheid, die hij voelde maar niet kon bewijzen, beter kon uitdrukken dan in zijn academische werk.
Nogmaals ging een rilling over mijn rug. Voelde! Toen de medische wetenschap nog jong was had men een heilig vertrouwen in aderlatingen. Kwaad bloed aftappen gaf lucht. Men plaatste met graagte bloedzuigers op ons sidderende lijf. De beestjes werden er zelfs massaal voor gekweekt. Deze lukrake praktijken komen ons nu hopeloos primitief en grof voor, ons lichamelijke welzijn wordt nu onnoemelijk veel efficiënter bediend. Maar hoe zit het dan met ons psychische welzijn? Ik kreeg plotseling sterk de indruk dat de psychiatrie de fase van de bloedzuigers nog lang niet ontgroeid is. Of op zijn gunstigst in een nog zeer experimentele fase verkeert. SSRI’S, EMDR, mindfulness, een voorzichtige dieptestimulatie, hoe en óf het werkt is ongewis, maar vooruit, je probeert eens wat. Je moet wel, nu de Weense gezaghebbers van hun troon zijn gestoten en ook hun Amerikaanse opvolgers de wijsheid niet in pacht bleken te hebben. Wie geestelijk lijdt is overgeleverd aan de chirurgijn en zijn bloedzuigers.

vrijdag 28 augustus 2015

KOFFIETAFELPRAAT

Ik hoorde laatst tweemaal op dezelfde avond iemand gewag maken van ‘de echte economie’, de eerste keer een nieuwscommentator, de tweede maal een Chinees. Ik was verbaasd dat niemand ervan opkeek. Want daar werd nogal wat gezegd. Blijkbaar is die economie waarover iedereen zich zo druk maakt, het kabinet voorop, niet echt. Een virtuele economie, gebaseerd op hypothetisch geld en schommelende getallen, vaak achter de komma. Als de economische groei met 0,1 procent gestegen of gedaald is zegt dat helemaal niets over de werkelijke toestand van de welvaart in de samenleving, zulke nuances zouden misschien beter gewoon genegeerd moeten worden. De wereld zou beter af zijn zonder beurs.
Het probleem van de vluchtelingen is eveneens in cijfers uit te drukken, en die zijn heel wat indrukwekkender dan de economische calculaties, maar we hebben geen getallen nodig om de urgentie daarvan te begrijpen. Meelijwekkende beelden, elke dag, en je zou ze het liefst allemaal in je achtertuin willen huisvesten, als je logeerkamer vol is.
Ik ga nog even verder het lijstje van Grote Thema’s af. IS hakt zichzelf ooit de kop af, daar ben ik van overtuigd. Vroeg of laat roeit het kwaad zichzelf uit. Het is een kwestie van tijd. Tot het zover is moeten we verdomd goed oppassen, de wapens in aanslag, terwijl we tegelijkertijd de fuik van een politiestaat moeten zien te vermijden. Ga er maar aan staan.
Maar nog ernstiger dan dit alles, erger dan beursschommelingen, bootvluchtelingen en terrorisme bij elkaar, is de manier waarop we de aarde naar de kloten helpen. Zodra je je biotoop verwoest hebt tellen alle andere problemen niet eens meer mee, dus je zou verwachten dat die zorg voor onze woonplaats op de eerste plaats kwam. Niet zo. Het blijft in de ogen van de meeste politici een luxeprobleem, iets voor idealisten. Politici kijken niet verder dan de hun toegemeten regeringsperiode, hun blik is doorgaans niet die van een ziener. Ze staren zich blind op de problematiek van de dag. De enige die ik ooit in een verkiezingsdebat een bredere visie heb horen verkondigen, waarin zorgen voor milieu en planeet voorop stonden, was de Partij voor de Dieren. Die kon het zich als kleine speler permitteren om voorbij te gaan aan hete hangijzers. Ik hoorde hun statement aan en was onder de indruk van zoveel inzicht. Temeer daar dat kwam van een partij die zich gezien haar naam juist lijkt te richten op het kleine leed, het kleine belang – dat der wollige huisgenoten en onbezoldigde melkproducenten. Die eerder lijkt in te zoomen dan uit te zoomen. Marianne Thieme werd op slag mijn heldin. De stem die ik vervolgens uitbracht was een stem op wijsheid, prudentie en een brede kijk. Politiek waardeloos natuurlijk, maar politiek is waardeloos als u het mij vraagt – niet meer dan opportunisme en onderlinge steekspelletjes, een middeleeuws toernooi in een modern jasje.
Mijn dochter vertelde hoe ze bij de laatste moesson doornat was geregend, binnen een paar tellen, op de fiets. Een auto passeerde haar. Die reed door de rivier die zij zorgvuldig had gemeden en een tsunami spoelde over haar heen, van hoofd tot voeten – het water liep in haar laarzen. De automobilist stopte bij de volgende hoek, draaide zijn raampje open en verontschuldigde zich, hij had haar niet gezien. Het gaf niets, lachte mijn dochter, ik was toch al zeiknat.
Daar moet het beginnen, als u het mij vraagt, de redding van de wereld: bij een fatsoenlijke en meedogende omgang met elkaar. Aan de andere pool bevindt zich in mijn fantasie een visie van kosmische proporties, die standvastig het hoofddoel in de gaten houdt. De politiek bespeelt het middenveld en stelt zich dienstbaar op. In het besef dat zij, de lokale bestuurders, niet veel meer dan veldwachters, trouble shooters en boekhouders zijn. Dienders, van een visie.
Aldus oreerde Rookzanger machteloos vanaf zijn stamtafel.

dinsdag 25 augustus 2015

Tandarts, zomerregen


De nieuwe tandarts had me een doemscenario voorgespiegeld. Hij is een nog erg jonge, ambitieuze man, tanden en kiezen zijn voor hem alles. Hij keek me ernstig, zelfs dramatisch aan, met indringende blik. Ik sputterde wel wat tegen, vertelde hem over mijn financiële status, zei dat dat allemaal niet zomaar ging, wat hij me daar voorstelde, dat ik daar eens goed over moest nadenken. Maar ik moest wel buigen voor zoveel overredingskracht. Ik luisterde gedwee naar zijn instructies over de juiste bewegingen die een tandenstoker dient te maken en overzag ondertussen in gedachten paniekerig mijn agenda en mijn bankrekening.
Zijn daaropvolgende preek over niet roken, vitamines, weerstand en gezond leven relativeerde alles wel wat.
‘O, ben je er zo een?’ dacht ik. De andere tandarts, mijn leeftijd, is anders, laconieker. Die had natuurlijk mijn niet helemaal gezonde tandvlees ook allang gezien, maar erover gezwegen, en gedaan wat hij kon, per sessie. Urgent was het toch immers niet? Nee, zo’n vaart zal het allemaal wel niet lopen, dacht ik in een poging om mezelf gerust te stellen. We zijn niet perfect, waarom zouden onze gebitten perfect moeten zijn? Eeuwige jeugd en maakbare perfectie zijn een illusie die deze jongeman misschien nog koestert maar mij boezemt de onvolmaaktheid minder angst in.
Maar buiten, met een afspraak voor over twee weken op zak, wogen de woorden van de nieuwe tandarts zwaar op mijn gemoed. De serie afspraken die ik de komende maanden zou moeten maken was noodzakelijk, wilde ik mijn gebit op lange duur behouden. Ik kon daar mijn ogen niet voor sluiten. Ik googelde de behandeling en ik zag ze voor me, die uren in de martelstoel, ze waren als grote zwarte blokken die dwars over het parcours van mijn leven waren gezet. Ik liep er in gedachten al tegenaan, ik kon er niet omheen.
‘Stel je niet zo aan,’ zei mijn dochter toen ik bij haar mijn beklag deed. ‘Daar hoef je toch niet nu al tegenop te zien? Een paar dagen van tevoren, oké, maar nu al? Dat is ziek.’
Als ik toch ziek was mocht ik ook op bed gaan liggen, en dat deed ik dan ook.
Het begon te regenen. De druppels lekten langs mijn raam. Ik keek er naar en werd een moment lang warm van binnen. Ik heb een goede verstandhouding met de regen, we begrijpen elkaar met een half woord. Ik knipoogde naar het raam. Daardoor aangemoedigd verdubbelde de regen zijn inzet. Verdriedubbelde, verveelvoudigde: woeste buien ratelden neer, vormden een dicht gordijn van water dat soms, op een windvlaag, schuin begon te hangen, precies zoals echte gordijnen doen.
Ik herinnerde me hoe ik een paar dagen eerder een mooi moment, een potentieel geluksmoment, bijna had laten schieten, doordat mijn gedachten, geheel overbodig zoals later bleek, in beslag werden genomen door dingen waar ik tegenop zag. We zaten op een fluisterboot op het Sapmeer, in de Noord-Hollandse Eilandpolder. Het water was roerloos, spiegelglad. Toen zagen we hoe kleine poeltjes verschenen. Spetters van een subtiel buitje sloegen in, er vormden zich kringen omheen, een heel zacht tikken klonk in het riet. Een zomerregentje op het water. Ik pakte mijn fototoestel, zoomde in en drukte af, bewaarde het ogenblik voor later en ging weer door met piekeren.
Deze regen vroeg meer aandacht. Hij liet zich niet zo makkelijk wegzetten voor latere referentie, hij wilde nu gezien worden. Ik keek en keek, net zo lang tot het ernstige gezicht van de tandarts begon te vervagen en weggespoeld werd door de druppels.

vrijdag 21 augustus 2015

LIJKWADE


De oude gevelpandjes aan de overkant van mijn straat zijn jarenlang speelbal geweest van strijdende machten: huisjesmelkers, de gemeente, de kraakbeweging. Onlangs is er een vierde speler bijgekomen, en die heeft definitief het pleit beslecht. Het Grote Geld is gekomen, heeft het terrein overzien, kansen geroken op nog meer Groot Geld en zijn plan getrokken.
Aan het begin van de zomer organiseerde de nieuwe eigenaar een informatiebijeenkomst voor buurtbewoners in Wildschut, met een hapje en een drankje. Het sloop- en wederopbouwscenario werd onthuld, de architect lichtte zijn ontwerp toe. De buurt was mondig maar machteloos, de topman van de schimmige constructies van BV’s die schuilgaat achter de ‘eigenaar’ maakte duidelijk dat we konden morren wat we wilden over de hoogte van de nieuwbouw en het verlies van daglicht dat dat voor ons betekende, maar dat hij dat hoffelijk terzijde zou leggen. Zijn gladgeschoren schedel, zijn sportschoolgestalte en zijn maatkostuum straalden onverzettelijkheid uit.

Het Grote Geld pakt de dingen groot aan. Er wordt niet zomaar gesloopt, dat zou te ordinair zijn. Veel manuren en veel materieel zijn gestoken in het imago van het nieuwe project, dat 12 Van Ruysdaels gaat heten: 4 townhouses, 6 appartementen en 2 penthouses op de plek waar zeven panden 21 etagewoningen herbergden, gaat u maar na.
De onderkant is afgeschermd met glimmend zwarte panelen: drie dagen werk voor een heel team. Daarna werd een reclamedoek opgehangen, stijlvol zwart, met artist’s impressions van de nieuwe huizen en een reusachtige R, vergezeld van de kreet Modern Luxury – alleen al de buizenstructuur waaraan het doek is bevestigd kostte dagen werk. En waartoe dit alles? Die panden gaan tegen de vlakte, toch? En twaalf flats in Oud-Zuid verkoop je ook zó wel.
‘Het zal de prijs wel opdrijven. Ik heb allang opgegeven me er druk over te maken,’ zei mijn onderbuurman toen ik hem op straat tegenkwam, ‘maar ik blijf me verbazen. Dit is een wereld waar ik totaal geen affiniteit mee heb.’

Inmiddels zijn de gevolgen van deze zorgvuldige sloopvoorbereiding duidelijk. Iedere keer als ik mijn huiskamer binnenkom zie ik een mat zwart vlak, en moet ik me ervan verzekeren dat de zon nog gewoon schijnt. Ik voel me ook een beetje bedreigd, alsof ‘ze’ mij en de andere gewone mensen in hun gewone huizen eigenlijk liever weg zouden hebben uit de chique straat die dit in hun verbeelding reeds is. Ik bewaak mijn fort en houd het hier nog wel een jaartje of wat uit, maar helemaal lekker voelt het niet. Er wringt iets. Ik voel me een onwelkome kwantiteit in de ogen van al die grote spelers, die ruimte en steen uitsluitend zien als belegging en winstobject, een sjofele man, een residu uit de verzorgingsstaat die van sociale woningbouw profiteert op een locatie waar zoiets toch eigenlijk niet kan.

Gisteren heeft er de hele middag een jongeman in een zwart pak met een rode das op de stoep gezeten, geduldig wachtend in de zon tot er een paar fotografen kwamen. De reclamepanelen waren afgezet met paaltjes en koorden zoals in een museum. 'Van Ruysdael', begrijpt u! Ik keek toe vanaf mijn balkon. Er fietste een echtpaar langs. De man keek naar me op en riep lachend: ‘Ah, de tevreden buren! Mooi toch? Van krakers naar nouveau riche!’
Ik gaf hem grijnzend gelijk. Van krakers naar nouveau riche - ik vraag me af wat ik liever heb. Ik kijk naar de glimmende lijkwade die de arme karkassen van die mooie, opzettelijk verwaarloosde en uitgezogen pandjes bedekt, en geloof dat ik het antwoord wel weet.