Door mijn stille, zonovergoten straat reed stapvoets een auto. Toen ik hem voorbijliep boog een man zich uit het raampje. Knap gezicht, bruine ogen, goed gekapt grijs haar, donkerblauw colbert met een streepje.
‘Buongiorno,’ zei hij warm.
Ik beantwoordde zijn groet.
‘Lei è Italiano?’
Nee, dat was ik niet, maar ik sprak de taal. Hij knikte appreciërend. De toon was gezet, ik was gevleid en bereidwillig. Ik had verwacht dat hij de weg zou vragen maar hij begon, leunend uit zijn portier, een verhaal af te steken. Hij werkte als vertegenwoordiger voor een modefirma en kwam zojuist van de Bijenkorf (‘Kent u die?’) waar hun collectie was gepresenteerd. Nu was hij op weg naar het vliegveld, naar huis, naar Milaan. Hij toonde me zijn paspoort. En hier deed zich een probleem voor: wat te doen met zijn monsters? Hij had geen zin om er belasting over te betalen of om alles in te laten pikken door de douane. Dus als ik interesse had…
Een licht onbehagen roerde zich. Ik wees op een denkbeeldig horloge, dekte me in met de opmerking dat ik maar een paar minuten had. Mijn aarzeling was aanmoediging genoeg. De man stapte uit en opende zijn kofferbak. Een afgerolde plastic hoes onthulde een donkerblauw kostuum. Spiksplinternieuw, zei de man.
Ik kon hem nu helemaal zien; onder zijn dure jasje droeg hij gebleekte jeans met voorgevormde slijtplekken, bijeengehouden door een riem van gevlochten leer. Magere benen met blote voeten staken in glimmende instappers. Zijn Italiaans, dat tot nog toe zorgvuldig gearticuleerd en van A tot Z verstaanbaar was geweest, werd nu slordiger, hij doorspekte het om onduidelijke redenen met slecht uitgesproken Engels.
‘Helemaal gratis,’ pikte ik eruit. ‘Ik wil het weggeven, liever dan dat de douane het in beslag neemt.’
Mijn onbehagen werd waakzaamheid. Ik wees op mijn gekreukte jasje.
‘Ik ben niet het type voor zo’n pak,’ zei ik met een bescheiden glimlach.
Gaf niks, dan had hij iets anders voor me. Van de achterbank haalde hij een blouse. Emporio Armani, las ik aan de binnenkant van de hals.
‘Het kost u niets, alleen…’ - hier zorgde de cocktail van rap Italiaans en modderig Engels voor een taalkundige mist - ‘ik wil een flesje parfum voor mijn vrouw meenemen van de taxfree, als aardigheidje.’ Was dat wat hij zei of begreep ik het verkeerd?
Ik vond de blouse best mooi maar hakte de knoop door. ‘Mi dispiace,’ zei ik, ‘ik kan u niet helpen, ik moet nu echt verder, ik wens u succes.’
Een waas van vermoeidheid was even zichtbaar in zijn ogen maar hij gaf me sportief een hand.
Toen ik een half uur later de deur uitging zag ik de auto in een zijstraat staan. De Italiaan stond op de stoep en praatte met een buurman die in T-shirt en korte broek liep, een tuinschaar in zijn hand.
Die zal hij wel niet met ‘Lei è Italiano?’ hebben aangesproken, dacht ik. Ik feliciteerde mezelf dat ik zo oplettend was gebleven, vijf jaar terug zou ik een gemakkelijke prooi voor zijn extraverginecharme zijn geweest. Maar ik had ook een beetje spijt. Of dat was om de misgelopen blouse of omdat ik deze aardige man niet ter wille was geweest viel moeilijk te zeggen.
dinsdag 16 juni 2015
vrijdag 12 juni 2015
BIJNA NIETS

Het is zomer en ik probeer te doen wat men in de zomer het best kan doen: niets. Niets nuttigs, bedoel ik. Ik ben daar ook aan toe, want ik heb de afgelopen maanden zoveel noten en woorden geschreven dat ik er moe van ben. Maar als altijd blijkt het gevoel van urgentie moeilijk af te schudden. Ik kan me met nog zoveel overtuiging voorhouden dat ik voorlopig genoeg gedaan heb en rust verdien, een adrenalinespuitje ergens diep in de oudste delen van de hersenen blijft suizen, ik kan de knop niet vinden om het uit te zetten. Ik weet hoe het werkt, ik ken de methoden om er iets aan te doen. Ik wandel, ik mediteer, ik kijk goed om me heen en probeer daar genoeg aan te hebben. Soms lukt het. Maar als ik een dood uur probeer op te vullen met het oplossen van een kruiswoordraadsel blijkt dat ik mijn hand overspeeld heb: een diep gevoel van zinloosheid overvalt me. Ik kom soms een aardig end in het omgaan met de verveling maar aan puzzels ben ik nog niet toe.
Ik heb eens een boek gekocht met een zeer veelbelovende titel: De moeilijke kunst van het bijna-nietsdoen. Maar ik legde het al gauw teleurgesteld weer weg. De jolige Franse auteur, Denis Grozdanovitch, blijkt dat van zichzelf al heel goed te kunnen, niets of bijna niets doen, en ouwehoert er melig op los, in die pretentieus omslachtige zinnen die filosofische traktaten dikwijls ontsieren. De beste lessen leer je van mensen die zich datgene wat ze onderwijzen zelf met pijn en moeite hebben eigengemaakt. Hoe je niets moet doen kun je met de meeste kans op succes leren van een voormalige workaholic, een tot rust gekomen neuroot is de beste onderwijzer in gemoedsrust – ze kennen de valkuilen en de trucs en hebben een methode geconstrueerd die zoiets ongrijpbaars handen en voeten kan geven. De Boeddha was zelf een zoeker voor hij onder een boom ging zitten en besefte dat het zoeken nooit kan vinden, dat de jacht op geluk de prooi alleen maar verder op de vlucht jaagt, zoals jeuk erger wordt wanneer je krabt.
Men vervalt in herhalingen, zegt Nescio ergens. Het getuigt van zelfkennis want hij deed dat in elk geval wel. Zijn schrijfdrang was vele malen groter dan zijn voorraad onderwerpen. Aan zijn onverzadigbare fans danken we de uitgave van al die krabbels, dagboeken en notities – eindeloze variaties op één thema. Ik ben geen Nescio en dit stukje zal een eventuele verzamelbundel niet halen. Dat ik het toch schrijf komt voort uit dezelfde bron waaruit die adrenaline opwelt. Uit de drang om iets te maken. Uit mijn onvermogen om niets te doen. Ik zou net zo goed de plantjes op mijn balkon water kunnen gaan geven. Hoe geneest men een ficus die in de rui is, en hoeveel water moet een bloeiende hortensia eigenlijk hebben? Kleine, overzichtelijke problemen die net zoveel aandacht verdienen als de grotere die me voortdurend bezighouden. Het raadsel van het menselijk bestaan zal ook vanmorgen niet worden opgelost, en dat meesterwerk, dat houdt u met een beetje geluk van me te goed.
(Illustratie: Martin Lodewijk)
Nu te koop: 'De Chinese fluit', vertalingen van gedichten van Hans Bethge. Bibliofiele uitgave. 'De Chinese fluit' werd gezet uit de Van Dijck. De oplage bedraagt 99 exemplaren en werd door Avalon Pers gedrukt op Papier Japon.
De prijs is twintig euro. Als u die som op mijn rekening NL68 INGB 0004 1228 48 overmaakt en uw naam en adres vermeldt, krijgt u de 21 gedichten gesigneerd toegestuurd.
Labels:
filosofie,
literatuur,
mindfulness,
natuur,
schrijven
dinsdag 9 juni 2015
BEERGARDEN
Er was een fair in het dorp. Geen rommelmarkt, hoewel het daar soms op leek, en ook geen braderie, waar het evenzeer aan deed denken, maar een fair. De markt was daarmee een volmaakte weerspiegeling van de populatie van de deels chique, deels boerse vlek vlakbij De Rijp. Er werden handgemaakte sieraden verkocht, vooroorlogs aardewerk dat in een Britse theetuin niet zou misstaan, en ook ecologische kaas, al of niet met brandnetels - maar sommigen hadden toch gewoon hun zolder uitgemest of verkochten broodjes knakworst. En er was één beroepsverkoper van buiten, een Oost-Europeaan die helemaal uit Den Bosch was afgereisd om Oudhollandse tegeltjes te slijten die niemand wilde hebben. Goedbedoeld maar gedoemd om in dilettantisme te blijven steken, was de fair. Maar was dat erg? Ik vond van niet. Waar het op neerkwam was dat de lokale bevolking, aangelengd met een paar van de Zaanse Schans afgedwaalde Chinezen, een reden had om gezellig buiten te zijn en elkaar te ontmoeten. Soms verwisselde daarbij iets van eigenaar. De opbrengst van de kraamhuur ging naar een fonds dat het kerkje moet restaureren, dus wie de kosten van de standplaats er niet uithaalde kon zich troosten met de gedachte dat hij of zij aan het goede doel had gedoneerd.
Ik zat achter de tafel van mijn vriendin, rookte mijn pijp, aanschouwde het gedoe en maakte af en toe een praatje. Er blies een frisse wind maar de zon scheen onafgebroken uit een wolkeloze lucht; aan het eind van de middag had ik een kop als een boei. Eigenlijk had ik zullen optreden, op het podium voor de kerk waar nu Arthur Ebeling zijn bluesjes zat te spelen, maar door onduidelijke afspraken was ik niet ingedeeld, mijn gitaar bleef in haar foedraal. Bij de volgende editie zouden we dat goedmaken, zei de organisatrice, die onder een elegante zonnehoed langs ons kraampje liep. Ik vond het best, ik had het gezellig en had dit seizoen al genoeg gezongen. Bovendien had ik maar liefst twee cd’s verkocht, de winkel draaide op volle toeren.
Aan het eind van de fair was er een gezamenlijk buffet. Het restaurant had zijn deuren geopend voor de deelnemers en een speciaal prijsje gemaakt. Op het terras met uitzicht over weilanden en water zaten we in rieten stoelen en keken naar al die rooie koppen. Net Frankrijk, vond mijn vriendin, alleen versta je wat ze zeggen. Ik moest meer aan een Engelse Beergarden denken. Ons kent ons, in elk geval, een dorpsfeest - als je de volgende dag een kater had wist je dat je buurman er net zo aan toe was.
Tegenover me zat een vrouw. Ze draaide een sjekkie. Ik moest steeds naar haar mond kijken. Een grote, mooie mond die eindigde in een glimlach, een beetje een wereldwijze, bitterzoete glimlach. Ze was betrokken bij het gesprek, en toch was ze er niet. Ze plaatste zich met haar gekrulde mondhoeken een beetje afzijdig van de drukte waaraan ze volop meedeed. Ik had het gevoel dat ze heel goed wist welke indruk haar gezicht in die stand maakte, en dat ze met die pose een melancholische distantie uitdrukte. Ze was hier gelukkig en zou nergens anders willen wonen, dat zei ze, maar ze treurde nog lichtjes om de grote stad die ze verlaten had, een echte dorpelinge was ze niet. Dat zei haar glimlach.
Een coverbandje speelde fijne liedjes uit de jaren ’60 en ’70. In my white room, ik zong het zachtjes mee. Mijn vriendin herkende de plaatselijke bollenboer op de bas. De frontman zag eruit als iemand die doordeweeks in verzekeringen of hypotheken doet maar hij zong lang niet slecht. Over de dijk zagen we Arthur Ebeling met grote passen naar zijn auto lopen. Zijn artiestenhoedje was markant afgetekend tegen de ondergaande zon.
Toen we weggingen vroeg ik aan de bazin wat er nou met die enorme bakken eten gebeurde. Het buffet werd steeds ververst en er lagen nog bergen kip en lam te pruttelen. Die werden weggegooid, erkende ze, de warenwet was genadeloos. We waren het erover eens dat daar toch een betere oplossing voor gevonden zou moeten worden.
vrijdag 5 juni 2015
HEMELBESTORMERS
Boven het Vrijthof hing een onheilspellende lucht. Een windvlaag kreeg een menukaart te pakken en het laatste stuk pizza verdween koud in mijn mond. Het was een hemels moment van twijfel, er werd hard aan een weersomslag gewerkt en hoe dat zou aflopen was nog lang niet zeker.
We schaarden ons in de rij wachtenden voor het Theater aan het Vrijthof. De deuren gingen open, er was een toespraakje dat ik niet kon verstaan. Binnen werden we verwelkomd met slagroomtaart, door mijn dochter aangesneden. We Make T’Art was de titel van de expositie, te lezen als Theatre Art: de eindexamenklas kostuum- en decorontwerp van de Toneelacademie toonde in de foyers, gangen en trappen van het theater hun meesterproeven.
Ik was benieuwd wat een nieuwe generatie hemelbestormers te zeggen zou hebben en ik werd blij verrast. Zelf ben ik groot geworden in een theaterwereld waarin plastic, schroot en straatafval een controversiële boodschap moesten uitdragen en de afdankertjes uit de verkleedkist op oma’s zolder een mooi compromis waren tussen een smal budget en een politiek correcte wereldvisie. Alleen in de kinderopera regeerde toen het sprookje nog onverminderd. Voor glitterstof en gaasdoek moest je naar Repelsteeltje of Hans en Grietje, in de Stopera kon je Tristan in een juten zak zien rondhobbelen door een leeg maar peperduur decor.
Deze nieuwe lichting toneelontwerpers was niet bang voor een fikse scheut ouderwetse elegantie. Van mijn dochter wist ik het al, maar ook bij haar klasgenoten viel me op dat schoonheid blijkbaar weer bon ton was. Ik probeerde niet alleen naar het werk van mijn dochter te kijken – de valkuil van de trotse vader – maar ook haar toekomstige concurrenten goed te bestuderen. Ik stond een tijd te turen in een blauwe en gouden maquette van Iphigeneia in Aulis en bedacht dat ik in zo’n decor graag zou willen spelen. De maakster kwam erbij staan.
‘Artemis,’ zei ik, op een fabelwezen wijzend dat in de kijkdoos stond.
‘Heel goed, u bent een kenner!’ riep ze verrast uit.
‘Nou ja, het staat eronder,’ bekende ik. ‘Maar ik ken het verhaal wel hoor,’ antwoordde ik niet geheel naar waarheid, want mijn kennis van de mythologie en de oude tragedies is sinds mijn studietijd behoorlijk sleets geworden.
We dwaalden verder, daalden af naar de kelder waar installaties waren te zien naar Der Prozess van Kafka. Iedereen torste volle glazen mee, de bar draaide een flinke omzet. Hier en daar werd besmuikt gezegd dat het budget voor de drank misschien wel groter was dan dat voor de expo. Het Bourgondische Maastricht, nietwaar. Rond sluitingstijd stonden overal half geleegde glazen, nonchalant want onbetaald achtergelaten. Op een stoel in de bar zat de oude oma van een van de studenten vredig te wachten tot ze mee naar huis genomen werd. Ik had wel zin om naast haar te gaan zitten maar vond mezelf daarvoor nog te jong. Ik aarzelde tussen twee werelden: die van de bühne en die van het pensioen. De late middelbare leeftijd is een soort omgekeerde adolescentie. Je springt ongeduldig in het water als je twintig bent, je krabbelt rustig naar de kant op je zestigste.
Toen we het theater verlieten zagen we hoe de beslissing daarboven was uitgevallen. Een paar wolkjes zweefden in een kalme avondlucht. Op de terrassen zaten nog steeds mensen. Of zaten ze daar opnieuw? De klokken van de Sint Servaas sloegen één keer, half tien. We haalden de auto op bij het parkeerterrein van Sphinx en reden over een bijna verlaten A1 door groen glooiend land, ik drukte het gaspedaal in en kon mijn voet laten rusten toen de honderddertig bereikt was.
Ik dacht weemoedig aan de eerste keer dat ik mijn dochter naar Maastricht had gebracht. Vier jaar geleden. Weer een periode voorgoed voorbij.
Maar bij Den Bosch was alles bij het oude. De wind trok aan mijn auto, de lucht werd zwart. Regen begon te vallen, al gauw zaten we midden in een zware bui. Mijn ruitenwissers konden het maar net aan, ik moest ze eens laten nakijken, zei mijn vriendin. Toen we Utrecht naderden was er aan de horizon een vreemde geel glanzende band, alsof het zwarte tentdoek boven ons met een strook lichte stof was afgezet. Daar ergens moest de zomer liggen.
Labels:
beeldende kunst,
muziek,
reizen,
theater
dinsdag 2 juni 2015
The White Company
Het zal het weer zijn, ik hoor meer klachten om me heen: ik ben al een week slap en lusteloos, een plantje dat ondanks gulle bewatering niet wil groeien. Om me te sterken lees ik een ridderroman, iets dat ik sinds mijn kindertijd niet meer heb gedaan. The White Company van Arthur Conan Doyle, elke avond een hoofdstuk, in te nemen voor het slapen gaan, is een probaat middel tegen neurasthenie.
Ten eerste is er de taal die me scherp houdt. Mijn kennis van literair Engels is goed maar hier tref ik op elke bladzijde woorden aan die me als Lewis Carroll-achtige taalvondsten aangrijnzen. Gelukkig weet ik me daarin niet alleen, want ook Britse critici van het boek, dat Conan Doyle als zijn meesterwerk beschouwde, fronsen over de vele archaïsmen die het een middeleeuwse sfeer moeten geven. Als buitenlander heb je dan wel een nadeel. Ik weet vaak niet of ik een woord gewoon niet ken, door mijn tekort schietende idioom, of dat het bedoeld is om bijzonder te zijn. In mijn eigen taal, waarin ik sinds mijn geboorte gedrenkt ben, herken ik vreemde, in onbruik geraakte woorden als zodanig. Ooit gelezen of gehoord sluimeren ze aan de rand van mijn taalkennis. Alle specifieke benamingen voor kledingstukken uit de riddertijd – ik zou er de snit niet uit kunnen opmaken, niet eens weten of het om een jurk of een broek ging, maar ik kan ze plaatsen als klanken die bij een bepaalde dracht uit die periode horen. In het Engels heb ik die armslag niet en voel ik me dom als ik galligaskin lees en er niks van kan bakken. En een woordenboek erbij leest niet zo lekker in bed.
Dan is er als tonicum voor een wankelmoedige geest de vechtlust, het eergevoel en het dierlijke vitalisme dat de personages uitstralen. Allemaal zaken die in diskrediet zijn geraakt. Wij zijn allergisch geworden voor dezelfde eigenschap die vroeger ook bij ons als een deugd gold: de gretige bereidheid om te sterven voor een principe, voor God of vaderland, of zelfs voor een dame. Zelfmoordterroristen en andere religieuze fanaten hebben voorgoed het restje smaak daarvoor bedorven. Conan Doyle behoorde nog nét tot een periode waarin de glorie van een etnische of staatkundige identiteit het waard was om voor te sneven en de rede moest zwijgen als het nobele hart sprak. Nog nét, zeg ik: in de loop van zijn leven werd hij in rap tempo ouderwets, een in de twintigste eeuw verdwaalde negentiende-eeuwer, een romanticus die ironisch genoeg zelf had meegeholpen, door zijn creatie van superbrein Sherlock Holmes, de suprematie van het koele verstand te vestigen.
En als altijd wanneer ik Conan Doyle lees zijn er de zinnen die maken dat ik naar een potloodje grijp. De man was misschien geen groot literator in de moderne zin, maar hij was een ambachtsman zonder weerga en zijn formuleringen zijn vaak om de vingers bij af te likken. Vlak voor het slapen gaan onderstreepte ik deze met instemming:
‘It is not weakness of the heart, for I know the lad well. His heart is as good as thine or mine, but he hath more in his pate than ever you will carry under that tin pot of thine, and as a consequence he can see further into things, so that they weigh upon him more.’
‘Omdat hij te veel in zijn kop heeft kan hij de dingen beter doorzien, zodat ze meer op hem drukken.’ Kijk, dat is nog eens een opsteker voor alle hoogbegaafden en hypersensitieven van onze tijd. We zijn misschien slap, kneuzen en kasplantjes, overgevoelig zelfs voor het veranderende weer, maar het is niet zonder nobele reden dat we de dingen zo zwaar opvatten. Wie gevoelige antennes heeft raakt eerder overbelast.
Ten eerste is er de taal die me scherp houdt. Mijn kennis van literair Engels is goed maar hier tref ik op elke bladzijde woorden aan die me als Lewis Carroll-achtige taalvondsten aangrijnzen. Gelukkig weet ik me daarin niet alleen, want ook Britse critici van het boek, dat Conan Doyle als zijn meesterwerk beschouwde, fronsen over de vele archaïsmen die het een middeleeuwse sfeer moeten geven. Als buitenlander heb je dan wel een nadeel. Ik weet vaak niet of ik een woord gewoon niet ken, door mijn tekort schietende idioom, of dat het bedoeld is om bijzonder te zijn. In mijn eigen taal, waarin ik sinds mijn geboorte gedrenkt ben, herken ik vreemde, in onbruik geraakte woorden als zodanig. Ooit gelezen of gehoord sluimeren ze aan de rand van mijn taalkennis. Alle specifieke benamingen voor kledingstukken uit de riddertijd – ik zou er de snit niet uit kunnen opmaken, niet eens weten of het om een jurk of een broek ging, maar ik kan ze plaatsen als klanken die bij een bepaalde dracht uit die periode horen. In het Engels heb ik die armslag niet en voel ik me dom als ik galligaskin lees en er niks van kan bakken. En een woordenboek erbij leest niet zo lekker in bed.
Dan is er als tonicum voor een wankelmoedige geest de vechtlust, het eergevoel en het dierlijke vitalisme dat de personages uitstralen. Allemaal zaken die in diskrediet zijn geraakt. Wij zijn allergisch geworden voor dezelfde eigenschap die vroeger ook bij ons als een deugd gold: de gretige bereidheid om te sterven voor een principe, voor God of vaderland, of zelfs voor een dame. Zelfmoordterroristen en andere religieuze fanaten hebben voorgoed het restje smaak daarvoor bedorven. Conan Doyle behoorde nog nét tot een periode waarin de glorie van een etnische of staatkundige identiteit het waard was om voor te sneven en de rede moest zwijgen als het nobele hart sprak. Nog nét, zeg ik: in de loop van zijn leven werd hij in rap tempo ouderwets, een in de twintigste eeuw verdwaalde negentiende-eeuwer, een romanticus die ironisch genoeg zelf had meegeholpen, door zijn creatie van superbrein Sherlock Holmes, de suprematie van het koele verstand te vestigen.
En als altijd wanneer ik Conan Doyle lees zijn er de zinnen die maken dat ik naar een potloodje grijp. De man was misschien geen groot literator in de moderne zin, maar hij was een ambachtsman zonder weerga en zijn formuleringen zijn vaak om de vingers bij af te likken. Vlak voor het slapen gaan onderstreepte ik deze met instemming:
‘It is not weakness of the heart, for I know the lad well. His heart is as good as thine or mine, but he hath more in his pate than ever you will carry under that tin pot of thine, and as a consequence he can see further into things, so that they weigh upon him more.’
‘Omdat hij te veel in zijn kop heeft kan hij de dingen beter doorzien, zodat ze meer op hem drukken.’ Kijk, dat is nog eens een opsteker voor alle hoogbegaafden en hypersensitieven van onze tijd. We zijn misschien slap, kneuzen en kasplantjes, overgevoelig zelfs voor het veranderende weer, maar het is niet zonder nobele reden dat we de dingen zo zwaar opvatten. Wie gevoelige antennes heeft raakt eerder overbelast.
Labels:
Arthur Conan Doyle,
literatuur,
Sherlock Holmes,
tijdgeest
vrijdag 29 mei 2015
SCHRAMAAIEN
‘Schramaaien,’ zei mijn vriendin.
‘Wat?’ zei ik.
‘Ken je dat niet? Dat is toch een gewoon woord.’
‘Niet in mijn woordenboek. En ik durf te wedden dat het geen ABN is,’ zei ik, iets te stellig. Het was nog vroeg, ik had mijn eerste koffie nog maar net op, mijn stem had een grommerige bijklank.
Mijn vriendin opperde dat het misschien dialect zou zijn, het Apeldoorns van haar moeder of het Twents van haar vader. Het moest iets betekenen als 'klunzige, onbehouwen bewegingen maken'. Je kon bijvoorbeeld met je armen 'rondschramaaien'. Ik veronderstelde dat het een familiewoord was. Dat prikkelde haar. Ze vond het kleinerend. Ze erkende dat ik veel van taal wist, maar ik moest ook weer niet denken dat ik alwetend was.
Mijn vriendin heeft in mijn leven veel nieuwe woorden geïntroduceerd. Vreemde begrippen die ik langzaamaan ben gaan accepteren als normaal en zelfs heb leren waarderen. Ik hoorde ze ooit voor het eerst, schijnbaar als improvisaties, als instant-taal of speelse neologismen, maar toen ze niet weg bleken te gaan moest ik ze wel een plaats in mijn taaluniversum geven. Viegelieren, grutten, een pierk: u kent ze misschien niet, deze verbale pareltjes, maar voor mij zijn ze inmiddels heel gewoon, al zal ik ze niet zo gauw in gezelschap laten vallen zonder erbij te zeggen: ‘zoals mijn vriendin zegt’.
Taal is zoiets als geld. Een ruilmiddel. Met geld wisselen bezittingen van eigenaar, met woorden ruilen we ideeën uit. Om dat systeem te laten functioneren moeten er afspraken worden gemaakt over geldigheid, er moeten valuta worden gesanctioneerd. Taalvaluta variëren van algemeen tot specifiek: het kleinste sociolect is het intieme patois dat binnen een familie wordt gesproken, waarin woorden soms ongewone betekenissen hebben, van vorm veranderd zijn of fris uit de klei van oerklanken geboetseerd zijn voor eigen gebruik. Tot die laatste categorie behoorde schramaaien, schatte ik zo in.
Google, te hulp geroepen, kende het in elk geval niet. ‘Over die schram aaien…’ was de enige vindplaats. Andere spellingen leverden ook niets bruikbaars op. Mijn vriendin was verbaasd maar wilde het nog niet opgeven. Thuis zou ze haar Bargoens woordenboek raadplegen. Tenslotte hebben niet alle woorden het internet gehaald. Dialect uit het pre-internettijdperk moet maar net die ene onderzoeker of verzamelaar treffen die het online zet. We denken wel dat alles op het web te vinden is, maar de mazen zijn nog niet zo fijn geweven dat er niet zo nu en dan iets doorheen glipt.
In afwachting van de verdere onderzoeksresultaten van mijn vriendin, en om mijn knorrige stelligheid een beetje goed te maken, zet ik nu in groot corps het gewraakte woord boven dit stukje. Wat zijn status ook blijkt te zijn, het is vanaf nu in elk geval online te vinden.
[Viegelieren/fiegelieren: (vooral in de samenstelling 'uitviegelieren') uitvogelen, uitzoeken, uitproberen. Van origine Saksisch (Achterhoeks).
Grutten: prutsen, rommelen. Oorspronkelijk het breken van boekweit, gerst of haver.
Pierk: lang, puntig voorwerp. Herkomst onbekend.]
Naschrift: Jaap de Berg gaf in zijn taalrubriek in Trouw desgevraagd opheldering: het blijkt om een verbastering van het dialectwoord 'scharmaaien' (zwaaiende bewegingen maken) te gaan. Gewoon vindbaar in woordenboek en online. 'Aha', dacht ik, 'dat ik daar zelf niet op gekomen ben!' Ik had inmiddels al een onnodig ingewikkeld verband met 'schamaaien' = 'te vroeg maaien', bedacht...
dinsdag 26 mei 2015
KLUSSENLIJST
Moderne mensen hebben een bucket list maar ik leef nog gewoon volgens een klussenlijst. Hoogst bevredigend is het altijd weer als ik een taakje kan wegstrepen van mijn gele notitievelletje. Digitaal, natuurlijk, want ik ben dan wel niet modern maar toch ook weer niet van gisteren: het lijstje prijkt op mijn bureaublad, en het wegstrepen gaat met de backspace-toets. Sommige van de dingen die erop staan zijn urgent, andere lange-termijnprojecten. Triviale zaken kunnen op de lange termijn worden geschoven: ‘Lampjes keuken’ staat er al heel lang op, ik kan het net zo goed weghalen want ik zie het niet meer.
Een klus die ik steeds maar uitstelde was project LinkedIn. Ik had me ooit ingeschreven omdat een vriend die het kon weten zei dat het veel beter werkte dan Facebook. Maar ik snapte het niet goed en deed er verder niks mee. Als ik eenmaal in de zoveel tijd terecht kwam op mijn pagina (quasi per ongeluk, want de inlogcode was ik alweer kwijt) vond ik daar felicitaties voor mijn vorige of eerverleden verjaardag en uitnodigingen voor leuke evenementen die allang verjaard waren. Met het schaamrood op de kaken sloot ik mijn account weer.
‘Later hier eens goed naar kijken,’ nam ik me voor.
Niets zo funest voor je sociale leven als een loze inschrijving bij een sociaal medium – mensen vinden je niet thuis bij hun bezoek, laten hun kaartjes achter op de schoorsteenmantel van je virtuele huiskamer en gaan met een gerust hart naar huis. Jij vraagt je af wat er van ze geworden is, want je hebt die kaartjes nooit gevonden. De schoorsteenmantel verstoft.
Op de ochtend van Pinksteren had ik niets om handen. Ik opende mijn LinkedIn-profielpagina en ging er met een kop koffie eens rustig naar zitten kijken. Stap voor stap kwam ik verder, ik kreeg er gaandeweg lol in. Toen ik als finishing touch een achtergrondfoto had geplaatst zag ik dat het al tegen tweeën liep. Hoog tijd om eruit te gaan, ik zat al vanaf negen uur achter het scherm.
Met het bevredigende gevoel dat ik nu iets professioneler was geworden en iets meer bij de wereld hoorde ging ik naar buiten. Ik streek neer op het terras. Kranten waren er niet dus ik nam er genoegen mee de mensen om me heen eens goed te bekijken.
Naast me kwam een vrouw zitten. Blond, begin dertig, maar meisjesachtig, met stug, sluik haar en een beetje getergd gezicht, alsof ze hooikoorts had. Wel een lief gezicht. Ze had een jongetje bij zich dat braaf naast haar kwam zitten. Toeristen, dat zag ik meteen. Amerikanen, dat hoorde ik toen de vrouw het dienstertje aansprak. Of ze any white wine hadden? Wel zeker, Chardonnay, Sauvignon Blanc of Pinot Grigio. Pinot Grigio, besliste de Amerikaanse, en een cola voor de jongen.
De bestelling kwam. Het jongetje goot de cola uit over zijn ijs, de vrouw hief het glas witte wijn naar haar mond, sloot haar ogen even en nam een flinke slok. Ze zette het terug op het tafeltje, de zon brak door en deed de wijn fonkelen. Ze haalde een fototoestel uit haar tasje. Ik legde mijn pijp in de asbak en maakte me al op om hun ter wille te zijn. Aardige mensen, aardige man met baard. Geen selfie, maar een echte foto.
De vrouw stelde haar lens in, hield het toestel op tien centimeter van haar glas wijn, en drukte af. Ik pakte teleurgesteld mijn pijp weer op. In mijn verbeelding zag ik weer zo’n lamlendige post op Facebook. ‘Genieten!’ zou eronder staan. Maar dan in het Amerikaans.
Een klus die ik steeds maar uitstelde was project LinkedIn. Ik had me ooit ingeschreven omdat een vriend die het kon weten zei dat het veel beter werkte dan Facebook. Maar ik snapte het niet goed en deed er verder niks mee. Als ik eenmaal in de zoveel tijd terecht kwam op mijn pagina (quasi per ongeluk, want de inlogcode was ik alweer kwijt) vond ik daar felicitaties voor mijn vorige of eerverleden verjaardag en uitnodigingen voor leuke evenementen die allang verjaard waren. Met het schaamrood op de kaken sloot ik mijn account weer.
‘Later hier eens goed naar kijken,’ nam ik me voor.
Niets zo funest voor je sociale leven als een loze inschrijving bij een sociaal medium – mensen vinden je niet thuis bij hun bezoek, laten hun kaartjes achter op de schoorsteenmantel van je virtuele huiskamer en gaan met een gerust hart naar huis. Jij vraagt je af wat er van ze geworden is, want je hebt die kaartjes nooit gevonden. De schoorsteenmantel verstoft.
Op de ochtend van Pinksteren had ik niets om handen. Ik opende mijn LinkedIn-profielpagina en ging er met een kop koffie eens rustig naar zitten kijken. Stap voor stap kwam ik verder, ik kreeg er gaandeweg lol in. Toen ik als finishing touch een achtergrondfoto had geplaatst zag ik dat het al tegen tweeën liep. Hoog tijd om eruit te gaan, ik zat al vanaf negen uur achter het scherm.
Met het bevredigende gevoel dat ik nu iets professioneler was geworden en iets meer bij de wereld hoorde ging ik naar buiten. Ik streek neer op het terras. Kranten waren er niet dus ik nam er genoegen mee de mensen om me heen eens goed te bekijken.
Naast me kwam een vrouw zitten. Blond, begin dertig, maar meisjesachtig, met stug, sluik haar en een beetje getergd gezicht, alsof ze hooikoorts had. Wel een lief gezicht. Ze had een jongetje bij zich dat braaf naast haar kwam zitten. Toeristen, dat zag ik meteen. Amerikanen, dat hoorde ik toen de vrouw het dienstertje aansprak. Of ze any white wine hadden? Wel zeker, Chardonnay, Sauvignon Blanc of Pinot Grigio. Pinot Grigio, besliste de Amerikaanse, en een cola voor de jongen.
De bestelling kwam. Het jongetje goot de cola uit over zijn ijs, de vrouw hief het glas witte wijn naar haar mond, sloot haar ogen even en nam een flinke slok. Ze zette het terug op het tafeltje, de zon brak door en deed de wijn fonkelen. Ze haalde een fototoestel uit haar tasje. Ik legde mijn pijp in de asbak en maakte me al op om hun ter wille te zijn. Aardige mensen, aardige man met baard. Geen selfie, maar een echte foto.
De vrouw stelde haar lens in, hield het toestel op tien centimeter van haar glas wijn, en drukte af. Ik pakte teleurgesteld mijn pijp weer op. In mijn verbeelding zag ik weer zo’n lamlendige post op Facebook. ‘Genieten!’ zou eronder staan. Maar dan in het Amerikaans.
Abonneren op:
Posts (Atom)



