vrijdag 16 juni 2017

De deur in de muur

Gisteravond las ik met bewondering en ontroering het verhaal The Door in the Wall van H.G. Wells. Een succesvol politicus vertelt op de vooravond van zijn dood zijn levensverhaal aan een oude schoolvriend. Als klein kind was hij ooit weggelopen van huis en in een onbekende straat in de Londense wijk Kensington West zag hij een witte muur, met daarin een groene deur. Vreemd aangetrokken door deze deur ging hij erbinnen. Hij belandde in een betoverde tuin in een weids heuvellandschap: Kensington was van de aardbodem verdwenen. De ervaring was subliem: alles was onwerkelijk mooi en hij voelde zich onbewolkt gelukkig in die tuin.
Ah, dacht ik, een dimensiepoort! De spiegel en het konijnenhol van Alice, de grot van de Hamelaars, het loze, schijnbaar op niets uitgevende poortje op de hei van de Bommel-sage, waardoor je in een paleis terechtkomt, en van het omringende heidelandschap niets meer ziet. Het deurtje naar de zomer van Heinlein's kat... ik ben er dol op, die magische entree naar een andere wereld, het is naast de Weg mijn favoriete litteraire metafoor.
Maar hier werd hij toch iets anders, specifieker en uitgebreider gebruikt. De politicus (Lionel Wallace) blijft zijn leven lang naar de groene deur en de tuin erachter verlangen. Op een paar cruciale momenten in zijn ontwikkeling verschijnt de deur weer, niet steeds op dezelfde plaats, maar hij is te druk met andere zaken om erbinnen te gaan. Op het moment dat hij zijn verhaal doet is hij bijna veertig, heeft een prachtige carrière gemaakt, staat op het punt minister te worden, en lijdt hevig aan wat we tegenwoordig een midlifecrisis noemen - niets geeft hem nog plezier, niets schenkt hem nog voldoening; zijn succes lijkt betekenisloos, de beloning van zijn harde werken blijft uit. En juist in het afgelopen, overbezette en ambitieuze jaar, heeft hij de deur driemaal gezien, en hij heeft er vreselijk spijt van dat hij er niet doorheen is gegaan, al was het maar om een kijkje in de tuin te nemen. Want nu, nu is het te laat, weet hij; de deur zal zich nooit meer aan hem voordoen.
De verteller van het verhaal, Redmond, neemt afscheid. Als hij de volgende dag de krant openslaat leest hij het doodsbericht van zijn oude schoolvriend. Die is in een bouwput bij het station van Kensington Oost gevallen. Wat deed hij daar, waarom bracht zijn nachtelijke zwerftocht hem daar, bij de nieuwe metroaanleg? Redmond denkt het wel te weten. De schutting die de schacht afsloot moet in het elektrische licht een witte glans hebben gehad, en het deurtje voor de werklui, dat voor het publiek ontoegankelijk was, moet van het slot zijn geweest.
'Ik ben er meer dan half van overtuigd,' schrijft Redmond alias Wells, 'dat hij in werkelijkheid een buitengewone gave bezat, en een intuïtie, iets - ik weet niet wat - dat hem in de gedaante van een muur en een deur een uitweg bood, een geheime, hoogstpersoonlijke ontsnappingsroute naar een andere en mooiere wereld. In elk geval, zult u zeggen, bedroog die hem op het eind. Maar is dat zo, werd hij bedrogen? Daar raakt u aan het diepste mysterie van de dromers, die mensen met visioenen en verbeelding. Wij zien onze wereld zoals ze is, de schutting en de put. Naar onze nuchtere maatstaven gemeten liep hij vanuit veiligheid duisternis, dood en gevaar binnen. Maar zag hij het ook zo?'
Arme Wallace, dacht ik. Wat baatte hem zijn visie en zijn verbeelding? Dromen is mooi, jazeker. Ikzelf kan het steeds slechter en eigenlijk alleen nog als de nacht gevallen is en de buitenwereld verdwenen lijkt. Maar nog mooier zou het zijn, als we die poortjes en deuren helemaal niet nodig hadden. Wie in harmonie met zichzelf en de wereld leeft voelt zich door de realiteit niet beklemd, en kan het zonder ontsnappingsroute doen.


Geen opmerkingen: