
Ik mocht voorlezen en zingen in de bibliotheek en zou bovendien geïnterviewd worden, een scenario dat me deed denken aan tv-programma’s als Dit is uw leven. Het was nieuw voor me en ik wist niet goed hoe ik me er op moest voorbereiden. Een beetje inzingen en de geselecteerde stukjes hardop lezen om de juiste klemtonen te zoeken en grammaticale hobbels bij voorbaat te effenen, verder kwam ik niet. Ik was niet nerveus en vreemd genoeg maakte dat gebrek aan de gehate maar vertrouwde plankenkoorts me onzeker. Ook de zenuwen zijn een soort houvast, op een perverse manier. Nu moest ik laten zien wat ik waard was als zenleerling en alles maar in goed vertrouwen op zijn beloop laten.
Ik mediteerde een half uurtje terwijl ondertussen de bel ging, mijn vriendin binnenkwam en met mijn dochter in druk gesprek ging. Ik hoorde de oven aangaan en even later klonk het discrete gerinkel van mijn kookwekkertje. Ik groette zoals het betaamt mijn kussentje en even later mijn dierbaren. We aten pizza, ik trok een nieuw zwart jasje aan, en met gitaar, antieke lezenaar en een tas vol boeken vertrokken we naar Oud-West.
De avond was – vergeeft u mij het cliché - als een warm bad. De interviewster gaf me zachte voorzetjes de goede kant op en ik liet me drijven op mijn woordenstroom. Voorlezen was fijn, wist ik weer; het was te lang geleden dat ik het voor mijn kinderen had gedaan. Voor me zag ik de glimlachende gezichten, vreemd en bekend, van een aandachtig en welgezind publiek. Ik voelde me een beetje als Sinterklaas in die rode Ollie B. Bommelfauteuil - als er iemand bij me op schoot was gaan zitten had ik dat heel gewoon gevonden. Als cadeautje deelde ik mijn liedjes uit.
Weer thuis zei ik tegen mijn vriendin: ‘Ik voel me geloof ik een beetje gelukkig.’ ‘Jammer dat er geen band meeloopt,’ lachte ze. ‘Zie je nou wel! Onthoud dit nou toch eens, als je weer zit te zenuwen voor een optreden.’
Midden in de nacht schrok ik wakker.
‘Ik heb Simenon niet genoemd! Het moet over!’
Er was me gevraagd naar mijn literaire voorbeelden en ik was, stamelend, niet veel verder gekomen dan een paar voor de hand liggende iconen – Reve, Nescio, Mulisch en Meijsing. Zo’n vraag kan je onder een soort examendruk zetten en tot paniekreacties leiden. Als eerstejaars had mijn leraar me ooit naar mijn zingende helden gevraagd en ik kon, koortsachtig maar vruchteloos nadenkend, alleen Dietrich Fischer-Dieskau noemen, wat in die tijd een zo voor de hand liggende naam was dat het me een klein maar onmiskenbaar smalend glimlachje opleverde.
Simenon, die in twee simpele zinnen meer kan zeggen dan menig schrijver in een hoofdstuk, Sim, mijn lievelingsschrijver, de bewaarengel op mijn nachtkastje! Vergeten!
Ook had ik met een mond vol tanden gestaan toen me gevraagd was naar vrouwelijke auteurs; niet één wist ik er te verzinnen, terwijl ik toch wekelijks de columns van Esther Gerritsen met bewondering en zelfs enige jalousie de métier lees.
Ik had me zo lekker laten drijven op die lauwe stroom en nu bleken er scherpe stenen op de bodem te liggen - ik kreeg alsnog last van een zucht tot perfectie en stootte me pijnlijk aan mijn eigen foutjes.
Mijn vriendin mompelde slaapdronken: ‘Dan doe je het toch gewoon nog een keer over?’
En ik moet toegeven, dat zou ik best willen. Want hoewel ik me de volgende dag moest verzetten tegen de schimpscheuten van een opspelend kwaad geweten en de vraag of ik al die aandacht wel waard was zich onuitgesproken in me roerde, god en Freud weten waarom, was ik toch een avond lang helemaal op mijn plek geweest, daar in die Sinterklaasstoel.

(Foto's: Andreas Strubin)