dinsdag 16 juli 2013

LUNCH


Zondag lunchte ik met mensen die ik tot dan toe alleen van Facebook kende. De initiatiefnemer, laat ik hem Jurriaan noemen, had zijn dierbaarste virtuele vrienden uitgenodigd voor een Grieks maal bij hem in de tuin. In een bui van zomerse zorgeloosheid besloot ik het experiment een kans te geven. Voor de zekerheid waarschuwde ik dat ik in het echt lang zo leuk niet ben als in mijn blogs. Jurriaan antwoordde sympathiek dat een kwart van mijn papieren charme al genoeg was. Ik haalde diep adem en vertrok naar Bussum.
En daar vond ik mezelf terug aan een lange tafel in de schaduw van het tuinhuis en moest bepalen wie ik was, temidden van deze vreemde mensen. Gewoon jezelf blijven, had mijn vriendin gezegd, maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Als ik mezelf blijf is er de kans dat ik niets zeg, want ik ben eigenlijk nogal verlegen, en een mens moet toch wat zeggen? Ze nodigen je niet uit om stommetje te gaan zitten spelen. Als je maar niet leuk gaat doen en jezelf gaat overschreeuwen, want daar hou je een kater aan over, hield ik mezelf streng voor.
Gelukkig bleek het allemaal eenvoudig. Er was er aan gespreksstof geen gebrek. Ik zat tussen aardige mensen met wie ik vele interesses deelde. Jurriaan en zijn vrouw hadden heerlijk gekookt en ik had permissie om te roken. De retsina die de anderen kwistig dronken zag er lekker uit, maar ik had er geen behoefte aan: een teken dat ik me op mijn gemak voelde.
Tot het moment kwam dat er uit de hoge hoed van het tafelgesprek allerlei figuren werden getoverd die ik kende. Operazangers, de kleurrijke acteurs die het decor van mijn jeugd hadden bevolkt en met wie ik later in meer of minder collegiale betrekking had gestaan. Kijk, daar was Jan Derksen, onze flamboyante heldenbariton! En daar sprong Henk Smit uit de goochelhoed, en die bebaarde man die wel wat op mij leek, was dat niet de schilder/schrijver/regisseur Jean-Paul Franssens, mijn bijna naamgenoot?
Ik voelde hoe diep in me een onrust zich roerde. Een geldingsdrang was het: als ik nog had gedronken zou ik op dit punt zonder enige aarzeling hoog van de toren hebben geblazen, en bulderend de ene anekdote op de andere hebben gestapeld. Nu moest ik tonen wat ik waard was als aspirant-boeddhist en mijn ijdelheid onderdrukken. Hoewel het natuurlijk wel fijn zou zijn als iemand me zou vragen, of ik, als zanger, deze mensen ook kende. Dan zou ik fijntjes en bescheiden een tipje van de sluier hebben opgelicht. Op het moment dat ik in zo’n situatie die vraag rustig afwacht en als hij niet komt glimlachend de schouders ophaal, dan zal ik weten dat ik iets van onthechtheid heb bereikt. Maar zover ben ik nog lang niet, en ik besloot na enige innerlijke strijd me in het gesprek te mengen. Aan de glimlach van mijn zuster, die ook tot de disgenoten behoorde, meende ik te zien dat ik er in slaagde de praalhanzerij binnen te perken te houden. Ik liet weten dat ik er was maar schreeuwde het niet van de daken. Gecontroleerd opscheppen, zal ik het maar noemen.
Ondertussen schepten we gretig op van een uitstekende lamsbout en genoten van voortreffelijke zelfgemaakte baklava. Er was een gitaar gehaald en we zongen, wellicht tot verdriet van de buren,‘O sole mio!, in koor.
Langs de oude provinciale weg die vredig en stil in de late middagzon lag reed ik naar huis, de smaken van knoflook, citroen en honing wijlden harmonisch op mijn tong. De gestalten van vroeger en mijn reactie daarop kwamen nu en dan nog even mijn gemoedsrust verstoren maar veel had ik mezelf toch niet te verwijten, vond ik. Het blijft schipperen in het leven. Het verleden achtervolgt ons en weet ons te vinden, ook als we onverwachte nieuwe wegen inslaan. We kunnen er maar beter vrede mee sluiten.


(Illustratie: Pierre-Auguste Renoir, ‘Le dejeuner au bord de la rivière’)

Geen opmerkingen: