dinsdag 9 oktober 2018

Appels met boeken vergelijken


Mijn vriendin heeft appelbomen in het weiland. Rond deze tijd van het jaar ligt haar huis vol met geplukte en geraapte appels. Ze worden gekookt, gedroogd, verwerkt in moes, chutney en taart - en er wordt sap van gemaakt, door een perserij. Dat sap verkoopt ze soms aan liefhebbers. Het is heerlijk, en puur natuur.
Iedere keer dat iemand zo'n drieliterpak met een kraantje koopt en ze zeven euro opstrijkt voelt ze zich een hele zakenvrouw. Geld uit niets! Zoals een kind zich voelt op Koningsdag. Dat ze tweehonderd euro heeft moeten investeren bij de perserij, daar denkt ze op dat moment liever niet aan.

Ik lees een vraaggesprek met A. L. Snijders in de Volkskrant. De walrusbesnorde, treurwilggewenkbrauwde fijnschrijver zegt dat hij geen zitvlees en geen ambitie heeft. Zijn stukjes stuurde hij oorspronkelijk alleen aan familie en vrienden op, maar een krant kreeg er lucht van en de vriendenkring is wat uit de hand gelopen. Het lijkt me heerlijk om zo tevreden te zijn en ik hoop voor hem dat het waar is, van die ambitie.

Het boek Dorst schreef ik in 2007. Ik heb er tien jaar aan geschaafd en geprutst. Iedere keer dat ik het oppakte herlas ik met enthousiasme wat ik daar geschreven had, maar uiteindelijk legde ik het manuscript toch weer in de digitale la om denkbeeldig stof op te doen. Ik schaamde me een beetje. Voor wat daar stond, voor het leven dat ik geleid had. Het  was tenslotte een dagboek en ik kon me niet achter de veilige term 'fictie' verschuilen. Moest ik dit wel willen publiceren? Moest ik het niet liever voor mezelf houden?
Maar het brandde in mijn handen, het moest de deur uit, de wijde wereld in. Een compromis, dan maar? Dit bedacht ik, en zei ik tegen mezelf: geef het uit, laat een beperkt (en vertrouwd) aantal mensen weten dat het bestaat, en trek je terug. Het is er, dat is genoeg. Want ik wil dat het gezien wordt, maar heb liever niet dat te veel vreemden het lezen, en de recensenten van Biblion al helemaal niet, o nee.

Op de tweede dag zoek ik de site van de vanity press op, Mijnbestseller.nl. Ga naar 'verkochte boeken', 'voortgang'. Tien verkochte exemplaren sinds mijn mailing. 40,15 euro verdiend aan royalty's. Geld uit niets, toch? Dik tevreden knik ik. Ik voel me alsof ik inderdaad een bestseller heb geschreven.

Vooruit... u mag ook:

HIER klikken. U komt dan op de juiste pagina van de uitgeverswebsite en kunt het boek eenvoudig bestellen. Tweehonderd pagina's, kost vijftien euro.

(coverontwerp: Rosanne van Spaendonck)



vrijdag 5 oktober 2018

Nacht en Ontij met een - niet zo - zachte G


[Voor wie de voorstelling nog wil gaan zien: dit stukje bevat spoilers!]

We togen naar Antwerpen om Nacht en Ontij bij te wonen: mijn kinderen, mijn vriendin, mijn jongste broer en ik. Logistiek en organisatorisch had dat nogal wat voeten in de aarde gehad, maar hier zaten we uiteindelijk dan toch, buiten bij Brouwerij de Koninck, aan een triple d'Anvers. Het was mooi weer, de stemming was goed. We hadden er zin in en waren reuze benieuwd wat de Vlaamse rocker Mauro Pawlowski (zijn echte naam) van de cultplaat van Boudewijn de Groot had gemaakt. De voorstelling werd nadrukkelijk als een ode aan het album gepresenteerd, ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag daarvan, maar de onderneming had Boudewijns warme goedkeuring, las ik in een dubbelinterview in De Standaard.
De grote zaal van kunstencentrum deSingel was nog akelig onbemenst toen wij er onze plaatsen in bezit namen maar vlak voor aanvang stroomde hij onverwacht nog behoorlijk vol. Vooral grijze hoofden, zag ik, echt Boudewijnpubliek - zouden ze wel weten dat dit een hinkend buienbeentje in diens oeuvre was? Als ze voor luisterliedjes kwamen stond hun een slechte avond te wachten.
De band kwam in stilte op. Geen applaus. Geen praatje. Het geroezemoes van Babylon begon. Tempelgoud glanst helder in de stralen van de zon, daar rijst herboren Helion... ik kende de woorden na al die jaren nog uit mijn hoofd.
Net als bij The Analogues hadden we het genoegen om muziek die destijds tot de opnamestudio beperkt gebleven was voor het eerst live te horen. Maar anders dan bij die gelauwerde Beatles-coverband werd hier meteen al duidelijk dat het geen getrouwe replica zou worden. Want orkestmeester Mauro zweeg en de declamatie werd overgelaten aan actrice Lore Dejonckheere. Een geweldige vondst wat mij betreft, want niet alleen waren timbre en toonhoogte geschikter dan een lage mannenstem om de woorden boven de volumineuze bombarie uit te tillen (haar dictie was tegelijk aangenaam zuiders en messcherp), maar ook zette ik meteen de nerveuze meter in mezelf uit, die deze uitvoering met het origineel wilde vergelijken. Ontspannen genoot ik van het vertrouwde en liet me verrassen door het nieuwe. 'De metingen' werden hier enige malen 'verricht', de pulserende elektronische piep die de plaatkanten scheidt werd aangegrepen voor een avant-gardistische improvisatie en het 'Satan is hier' werd uitgesponnen tot een hallucinerend herhaald motief  met een beukende polyritmische structuur dat de pijngrens prikkelend naderde - op het projectiedoek dansten de duivels in een waanzinnige rondedans. En zouden de dierbare liedjes van het singletje dat in de eerste uitgave als bonus bij de plaat geleverd werd, wel aan bod komen? Jawel: Wie kan me nog vertellen en Aeneas nu waren ingenieus in het hoorspel ingeweven, en tot mijn vreugde bleef de gitarist dichtbij de noten van mijn jeugdheld Eelco Gelling.
De laatste weemoedige tonen van cellist Frans Grapperhaus stierven weg en het was uit. Ik was ontroerd. En toen gebeurde wat ik gevreesd had. Er klonk een lauw beleefdheidsapplaus. Ik schaamde me bijna voor dat geweldige ensemble Braaknoot dat daar zo zijn best had gedaan. Nét lang genoeg duurde het klappen om Mauro nog een kans te geven een beetje verlegen en een beetje warrig de toegift aan te kondigen. Het was de vreemdste toegift die ik ooit gehoord heb: een oude Nijmeegse ballade, gespeeld in een stijl die het midden hield tussen donkere folkrock en ouderwetse underground.
In de auto terug zette mijn zoon Een nieuwe herfst op. We zongen luidkeels mee met Een wonderkind van vijftig. Dankzij zijn Belgische vertolker en pleitbezorger was ik Boudewijn weer ouderwets welgezind.

Er komen nog twee uitvoeringen van Nacht en Ontij in Nederland. Op donderdag 13 december in Paradiso Noord (Amsterdam) en zondag 16 december in Pandora, Tivoli/Vredenburg (Utrecht). Zeer warm aanbevolen.



dinsdag 2 oktober 2018

DAGJE DELFT


Om de verjaardag van mijn moeder te vieren besloten we een dagje Delft te doen. 'De stad waar de Oranjes slapen in de Nieuwe Kerk is voor mij niet veel meer dan een naam', had ik er ooit over gezongen. Dat was een beetje overdreven, want ik was er wel degelijk een paar keer geweest. Maar dat was voor werk. En al had ik dan het Requiem van Fauré gezongen boven bij het orgel van de Nieuwe Kerk, met uitzicht op het praalgraf van Willem van Oranje, van de stad zelf had ik toch weinig benul. Drieëntwintig jaar na mijn moeders dood moest dat toch echt eens veranderen.
Eén duidelijke wens had ik. Boven mijn schouw hangt een ets van de Oostpoort, afkomstig uit het huis van mijn opa en oma in de Rijnstraat. De wens om die in het echt te zien werd meteen gehonoreerd, op weg naar de parkeergarage kwamen we erlangs. Ik zag er maar één kerktorentje achter in plaats van de twee op de ets, maar daar zou wel een redelijke verklaring voor zijn. Dit was toch echt de plek die me mijn hele leven al zo vertrouwd is.
Ik haalde Wegwijs in Nederland van dr. L. van Egeraat uit mijn jas en daar gingen we. Ik vind het aardig om toerisme te bedrijven met oude reisgidsen. Je krijgt er gratis een extra excursie bij -  door de tijd. Wat is er veranderd sinds Il Dottore zijn lyrische woorden schreef? Wat is er nog, wat is onherroepelijk verdwenen?
Om maar meteen het antwoord te geven: er is gelukkig maar heel weinig veranderd in het historisch hart van Delft sinds 1962. Er is wel veel bijgekomen. Al vanaf het moment dat we een taartje aten in een trendy chocolaterie op de Grote Markt ('op je gezondheid mam!') hadden we het gevoel in een stad te lopen die de zegeningen van onze tijd omarmt maar haar geschiedenis opvallend zuiver heeft bewaard. Er is weinig aan het straatbeeld bedorven en toch is er geen sprake van een popperig openluchtmuseum. Van Egeraat sprak destijds de wens uit, dat Delft, desnoods als enige Hollandse stad, zijn grachten niet zou dempen. Ze liggen er nog, zonnig of schemerig, overschaduwd door bomen, door sierlijke bruggetjes overspannen, en omringd door schilderachtige grachtenpandjes. Vermeer is nooit ver weg hier. En dan heb ik het niet over de souvenirs, waarvan de nadrukkelijke aanwezigheid trouwens best meeviel. Nutella- en kaaswinkels heb ik ook niet gezien, goddank. Wel een zaak met honderden soorten bier, Flink Gegist geheten, waar een lokale amateurbrouwer de kwaliteiten der verscheidene hopvarianten met het personeel besprak, met de tongval van mijn opa en oma, zangerig, een soort Rotterdams light. Maar dat reken ik dan maar tot die zegeningen.


Aan de Koornmarkt ligt het Museum Paul Tetar van Elven. Daar toonde mijn gids zich voor het eerst gedateerd. 'Krachtens wens van de stichter is het bezoek gratis, maar u moet er thee of koffie drinken uit onvervalst Delfts blauw'. Gratis was het nog steeds - met Museumkaart - maar om die thee en koffie uit Delfts blauw moest de suppoost hartelijk lachen. 'Nee, dat doen we niet meer.' Ik had er eerst zomaar wat willen rondkijken, maar werd aangenaam getroffen door de afwezigheid van elke interactieve spitsvondigheid en ook aan bordjes, naamplaatjes en andere informatiedragers deden ze niet. Dus kwam ik op mijn voornemen terug en even later kregen we een boeiende en welbespraakte rondleiding door het woonhuis annex atelier van de negentiende-eeuwse schilder, kopiist, tekenleraar en verzamelaar. Een knus en overdadig stilistisch ratjetoe, een volgepropte bijouteriedoos van Couperiaanse allure.
Enige kerken, monumentale panden, 'ontroerend mooie' grachten, en zelfs een 'stuk juichende gotiek' later streken we moe neer op een druk terras aan de Verwersdijk. Ik had het koud gekregen en liet me aangenaam verwarmen door de nazomerzon, die hier pal op scheen. Toen die achter de gevels aan de overkant van het water was verdwenen stapten we op.
En daar beleefden we de eerste smet van deze fraaie en vriendelijke stad. Hongerig, en zorgeloos geworden door zon en de genoten drankjes liepen we de eerste de beste Italiaan binnen die we tegenkwamen. Het was er reuze gezellig, dat wel. Maar toen ik even later op een stuk oudbakken en nog ijskastkoele focaccia zat te kauwen betreurde ik het wel dat we niet wat zorgvuldiger waren geweest in onze keus. We waren te zeer op ons goede gesternte en onze leidsman gaan vertrouwen aan het eind van deze mooie dag. 'Waar te eten in Delft?' -  de alwetende Van Egeraat had helaas gezwegen over de lokale horeca.


Gezicht op de Oostpoort door Cees Bolding (1897-1979)



vrijdag 28 september 2018

RIVIERENBUURT


De laatste tijd droom ik vaak over mijn moeder, die al drieëntwintig jaar dood is. Ik hecht niet veel waarde aan de betekenis van dromen, maar deze opvallend frequente nachtelijke reizen naar mijn jeugd zetten me toch aan het denken. Het is alsof mijn droom-ik me de weg naar huis probeert te wijzen. 'Jij bent een klein, bang jongetje,' lijkt hij te zeggen. 'Jij kunt helemaal geen leiding geven. Ga jij nou maar terug naar je mama.'
Is het waar, ben ik verdwaald in de grote wereld?
Gisteren was een nazomerdag als een overrijpe vrucht. De lucht was indringend blauw en de bomen, nog groen maar doorschoten met geel, flonkerden in een hartstochtelijk licht - nog één keer! Ik wilde een eind wandelen en algauw richtte mijn pas zich naar mijn geboortegrond. De Rivierenbuurt. Ik liep door de Deurloostraat, waar opa en oma van vaders kant hadden gewoond. Zouden ze die straat soms hebben uitgekozen omdat hij wordt gekruist door de Diezestraat, genoemd naar het riviertje langs Engelen waar ze gewoond hadden, en waarnaar ze na opa's pensioen zouden terugkeren? Ik vroeg het me voor het eerst af en zal het antwoord nooit horen.
De Rijnstraat helt aan het eind licht omhoog, richting de Amstel. Een brede, drukke straat, vroeger nog drukker dan nu, omdat al het verkeer richting Utrecht hier de stad verliet, over de Utrechtsebrug. Geen stabiele, ingebedde plaats - de stad opent zich naar het achterland en houdt dan abrupt op. Als kind had ik er alle winkeltjes gekend, de eigenaars groetten me op straat. Nu zag ik massagesalons, cafetaria's, een Albert Heijn, computerwinkels. De boekwinkel waar ik mijn eerste Bommel kocht was al een aantal jaar geleden verdwenen. Waar melkboer Helsloot was geweest was nu de gesloten, witgeverfde façade van een bordeel. Nummer 222. Ik keek in het trappenhuis omhoog. Een trappetje van grijs hardsteen. Ik liep het een paar treden op maar daalde meteen weer af. Vroeger was het een solide opgang geweest naar een rotsvast huis, geen flatje maar een stadskasteel in mijn kinderogen. Achter het raampje in de deur verscheen eerst het glunderende gezicht van mijn opa, voor hij de zware deur met koperen knop van het slot deed. Daarachter was een halletje. Delftsblauwe vazen stonden op een kast. Het zou in mijn oude ogen wel de grootte van een meterkast hebben.
Ik verliet de straat, stelde me voor hoe ik vroeger naast mijn opa had gelopen, de brug over, wazige verten tegemoet over klinkers en kinderkopjes waartussen onkruid opschoot, langs braakliggende grond, rommelige bedrijventerreinen. Ik bestudeerde dromerig planten en insecten in de brede bermen. Opende verbaasd leeuwenbekjes om er torretjes in te vinden, als wriemelende zwarte parels in een oesterschelp. Ik was er ver verwijderd van Geuzenveld en mijn vader en moeder, en van mijn eigen kleine territorium in de Rijnstraat, maar met mijn opa als gids was ik overal gerust. De zomerdag omhulde me als een luchtige deken.
Ik keek in de richting van de brug en wist maar al te goed hoe het er nu uitzag. De wandelingen met mijn opa moeten ons gevoerd hebben over wat nu de Joan Muyskenweg is, de asfaltweg langs de A2 die naar de Van der Madeweg loopt. Nog steeds bedrijventerrein, maar van een heel ander kaliber.
Ik ging rechts de President Kennedylaan in (die ooit de Rivierenlaan heette) maar sloeg al snel af van de brede weg die onder een te helle hemel lag te schitteren en dook de kleine straatjes in met namen van rivieren die ik lang niet allemaal kende. Ze omsloten me en dwongen me soms een andere kant op te gaan dan ik wilde, maar uiteindelijk voerden ze me terug naar nu, terug naar huis.

Vandaag zou mijn moeder een-en-negentig zijn geworden.

dinsdag 25 september 2018

MARIA BY CALLAS


Vrijdag in de namiddag gingen we naar Rialto aan de Ceintuurbaan om de documentaire Maria by Callas te zien. In een overweldigende stroom beelden, grotendeels zwart-wit, met als enige voice over brieffragmenten van Callas zelf, voorgelezen door collega Joyce Didonato, kregen we een indrukwekkend portret en een prachtig tijdsbeeld te zien. En te horen, natuurlijk: voor haar zangkunst werd gelukkig een flinke plaats ingeruimd; niet alleen fragmentjes, maar hele aria's.
We zouden daarna ergens gaan eten. Maar het stroomde van de regen. Een 'pop-up-restaurant' in de bovenfoyer van de bios bood uitkomst. Mijn vriendin vroeg me bij de pompoensoep wat ik ervan gevonden had, van de film, maar eigenlijk wist ze dat al, want mijn ogen waren nog rood.

Ik had me nooit zo in het fenomeen Callas verdiept, maar was blij dat die lacune in mijn opvoeding nu was ingevuld. Ik probeerde woorden te vinden om de indrukken die om voorrang streden in mijn hoofd vorm te geven. De waarheid is dat deze dame me compleet overdonderd had, zoveel jaar na haar dood. In de eerste plaats om haar kunst: een diepe, emotionele muzikaliteit, een indringende voordracht, intelligentie en cultuur, fabelachtige loopjes en boven alles authenticiteit. Alles was eigen aan haar, tot en met haar bijzondere, voor de puristen en de kritische collega's bepaald niet voorbeeldige zangtechniek. Ik kreeg sterk de indruk dat we hier te maken hadden met een triomf van de wil. Haar fysieke aanleg voor zingen was misschien niet eens zo heel groot. Maar met een geweldige energie en een nietsontziende ambitie joeg die hoge ademhaling haar apart getimbreerde stem de resonator van die kloeke en fraaie neus in, onderweg een keeltje passerend dat in staat was de fijnste nuances in intonatie te produceren - ik hoorde o zo subtiele portamenti en zelfs een glissando waarbij de afzonderlijke nootjes loepzuiver te horen waren. Ik dacht aan Jard van Nes, die naar eigen zeggen toen ze begon met zingen maar een omvang van vijf tonen had, en aan Thomas Quasthoff, die als softenonbaby ook het een en ander tegen had, maar toen hij afgewezen werd voor het conservatorium dacht: 'Dát zullen we nog weleens zien!' De wil om er te komen, en de ijzeren zelftucht om je talent maximaal te benutten, daar gaat het om. In mijn hoofd dook een titel voor een misschien ooit te schrijven studie op: Maria Callas, een pleidooi voor de discipline. Ach, en voeg daarbij die bekoorlijke, ontwapenende glimlach uit de stoute hoekjes van haar Griekse, amandelvormige ogen... ik was verkocht. Enigszins spijtig bedacht ik, dat deze dame, die voor het beestmens Onassis viel, mij wel een slapjanus zou hebben gevonden.
Pas later toen ik ging lezen over Callas ontdekte ik dat de documentaire een heel stuk had overgeslagen. In haar jonge jaren was Callas 'mollig' geweest. Naar hedendaagse normen well into obesitas, meldde een artikel in The Guardian fijntjes. Niets zag je daarvan terug in deze twee uur durende beeldenstroom, die daardoor misschien iets te veel een heiligverklaring is geworden. Pas toen ze in één jaar tijd zesendertig (36!) kilo verloor (naar boze tongen beweerden door de levensgevaarlijke lintwormkuur die in die jaren in zwang was) kon ze de absolute ster en prima donna worden waarmee haar naam lange tijd synoniem is geweest. Hoe het daarna met haar levensgeluk gesteld was kon ik uit de film niet opmaken, maar ik heb mijn twijfels.
'Ze was altijd al een geweldige zangeres en actrice, nu is ze ook nog een schoonheid,' zei collega Tito Gobbi na dat jaar, waarin ze onvoorstelbaar moet hebben afgezien: want Maria hield veel, heel veel van eten. In latere jaren verzamelde ze recepten, dikke plakboeken vol. Maar ze maakte ze nooit klaar. En op de vele diners die ze aanzat lepelde ze hoogstens wat van de soep.
Vissi d'arte, zong ze tegen het eind van de film, ik heb geleefd voor de kunst. Het was een aangrijpend moment, ook zonder die voorkennis.

De volgende dag vertelde ik mijn dochter dat we naar een film over Maria Callas waren geweest.
'Maria wie?' vroeg ze.
Zesendertig kilo kwijtraken voor de kunst is tot daaraan toe. Maar voor de onsterfelijkheid hoef je het niet te doen. Je hongert je halfdood en een generatie later ben je vergeten.



vrijdag 21 september 2018

Wei Wu Wei


'Wat leef jij toch moeilijk!' verzuchtte mijn vriendin, toen ik haar had verteld hoe ik de afgelopen week met van alles had getobd. 'Toen ik met haar had gedeeld' zou ik moeten zeggen, want het staat zwart op wit op mijn Terugvalpreventieplan van de kliniek: dat je met anderen moet delen waar je mee zit, wil het niet uitgroeien tot een dikke, donkere nevel die je het zicht beneemt. En aan die verbinding, zoals een ander toverwoord van de zachte sector luidt, mankeerde nogal wat de laatste tijd. Maar goed, nu had ik dan toch mijn hart weer eens gelucht. Onmiddellijk verdween het beklemmende gevoel overal alleen voor te staan. De huilerige spanning in mijn borst nam af, mijn gedachten werden weer helder. Sommige lessen moeten keer op keer geleerd worden als je zo'n hardleerse student in het menselijk functioneren bent als uw blogger.
Die dag hadden we de generale repetitie van de Linnaeuscantate. De avond ervoor  had ik staan zwengelen als een bezetene om energie in mijn operettekoor te pompen, met als resultaat een klaarwakkere nacht. Adrenaline! Nu deed ik het kalm aan. Ik vertrouwde mijn zangers en musici, hield alles goed in de gaten, als een rustige stuurman, en gaf alleen een fikse slag aan het roer als we niet op koers dreigden te blijven. Ik luisterde vooral, en slaagde erin te genieten van wat er klonk. Ik mocht dan moeilijk leven, met pieken en dalen, maar dit was dan toch het resultaat geweest van al dat artistieke getob.
Artisticiteit en Zen: het is me nooit duidelijk geworden hoe je die twee zaken in balans kunt houden: aan de ene kant je volledig inzetten en alles zo goed mogelijk doen, aan de andere kant een onthechte distantie proberen te bewaren. Het wei-wu-wei van de taoïsten, het 'doen-niet-doen', het glipt me steeds weer door de vingers.
De volgende morgen las de Zenjuf een tekst voor waarin we werden opgeroepen door een oude Chinees om de levensstroom als een krinkelend beekje zijn eigen weg te laten vervolgen. De parabel troostte me, ik begreep wat er gezegd werd en ging een kalme donderdag tegemoet.
Ik dacht aan die andere stroom, uit Schuberts Winterreise. Met de woorden van Wilhelm Müller: Jeder Strom wird's Meer gewinnen, jedes Leiden auch sein Grab - iedere rivier moet de zee bereiken, ieder lijden ook zijn graf. De levensstroom dendert in de romantische zienswijze onverbiddelijk voort naar het einde, groots en meeslepend, maar niet bepaald troostrijk. Dan toch liever een slingerend bergbeekje dat schijnbaar doelloos zijn onvoorspelbare weg gaat. Onderweg valt er veel te zien en te genieten. Bergen en bomen verbergen het zicht op de zee. We weten dat het daar op uit zal draaien, het versmelten met de zee, maar hoeven ons er niet op blind te staren.
Alles is voortdurend in verandering en daar kunnen we maar beter vrede mee hebben. Zeker als we ouder worden en de verandering bergafwaarts lijkt te gaan.
Bestendigheid bestaat alleen in de verbeelding van de jeugd.


De Linnaeuscantate wordt a.s. zondag opgevoerd door het Linnaeuskoor. Locatie: de Hortus van de VU (Botanische Tuin Zuidas), Van der Boechortsstraat 8, te Amsterdam. Aanvang 14:30 uur. Toegang 12,50. Met o.a. Lucas van Helsdingen op sopraansaxofoon en basklarinet en Godfried Jansen op piano.




dinsdag 18 september 2018

MISMATCH

Ik moet iets van me af schrijven. Dit is tevens een memo aan mezelf. Om niet dezelfde fout nog eens te maken.
Afgelopen zaterdag had ik een optreden op een festival in Nieuw-West. Er zijn er veel tegenwoordig, rond de Sloterplas, en meestal zijn het niet meer dan buurtborrels - het woord festival wordt iets te gretig in de mond genomen.
Ik liep met mijn ziel onder mijn arm die dag en besloot vroeg op weg te gaan. Ik reed naar West, parkeerde bij het Sloterparkbad, schudde handen met de organisatie, stalde mijn gitaar en kreeg mijn muntjes voor eten en drinken. Daarna had ik nog zo'n vijf uur om te vullen voor ik zou moeten spelen.
In het begin ging dat goed. Ik wandelde wat rond, genoot van het uitzicht op de Plas, dat net weer anders was hier vanuit het voormalige braakliggende terrein waar Buurtwerkplaats Noorderhof zich bevindt, hing in een ligstoel van de nazomerzon te genieten, luisterde naar muziek van het Andalusisch Orkest en Ute Passionflower en at een hapje. Maar naarmate het drukker werd op het terrein werd ik meer en meer op mezelf teruggeworpen. Het publiek bestond zo te zien vooral uit kunstenaars uit de broedplaatsen en die andere nieuwe Nieuw-Westenaren, de derde immigratiegolf, zeg maar: jonge gezinnen met kinderen, een hoog opgeleid en ambitieus volkje dat net geen huis in de stad kan betalen. Ik verwelkom deze mensen van harte, want ze zijn bezig Nieuw-West een nieuw elan te geven. De buurt raakt eindelijk haar bijsmaak van no go area kwijt. Niet lang meer en ze wordt nog hip.
Maar mijn gevoel is: deze nieuwkomers claimen de (her)ontdekking van het stadsdeel voor zichzelf, met de geschiedenis ervan hebben ze niet veel, hoogstens zegt de naam Van Eesteren ze iets. Ik voel dan ook weinig verwantschap met hen. Ze klitten erg aan elkaar. Ik, Nieuw-Wester van het eerste uur, ben er een buitenstaander - al twintig jaar bezig het stadsdeel met muziek en tekst in het zonnetje te zetten maar in de ogen van de nieuwkomers hoogstens een stukje folklore.
Waarschijnlijk is dit slechts mijn perceptie, geheel op rekening van mijn eigen (te snel) gekwetste trots én mijn onzekerheid te schrijven. Maar hoe dan ook: het gevoel, misplaatst te zijn werd alsmaar sterker naarmate de middag vorderde en in de avond overging. Steeds vaker ging ik een eindje wandelen, zocht mijn auto even op. Bij Hotel Buiten ontdekte ik met een schok een houten sculptuur die overduidelijk het Monster voorstelde. En ik, die het beestje had bezongen en nieuw leven had ingeblazen toen het bijna geheel vergeten was, wist van niks! Daar had je die gekrenkte ijdelheid weer.
Toen ik eindelijk aan mocht treden ging de volumeknop drastisch omlaag, want na half tien mocht er geen overlast meer zijn. En ik moest het kort houden. 'Jan-Paul Sparendok!' kondigde de presentator, die voor de derde keer een nieuw hoedje had opgezet, me aan. Ik zong me met de moed der wanhoop door mijn liedjes heen. Er was me verteld dat ik het festival zou afsluiten, maar in feite was ik het toetje bij het haardvuur. Niemand luisterde. Ja toch: een jongen zat al die tijd dromerig glimlachend naar me te kijken. Mijn vriendin, inmiddels tot mijn redding gearriveerd, sprak hem aan. Hij bleek een Rus te zijn. Verstond geen woord van mijn teksten, maar vond de muziek mooi.
Conclusie, na een nacht en een dag tobben: de bard bij het houtvuur mag met pensioen. Voortaan kom ik bij dit soort gelegenheden alleen nog gezellig met een bandje. Een uur van tevoren. Samen spelen we dan op vol volume de tent plat. En verder: probeer niet bitter te zijn, Rookzanger! Het is niemands schuld. Die jongelui moeten vooral plezier hebben en trots zijn op hun zelfontdekte buurt. En ik moet niet aan mijn liedjes gaan twijfelen - voor sommigen ouwe koek misschien, maar nog lang niet oubakken. We deugen allebei, de hipster en de grijsaard. Ik werd niet miskend - er was sprake van een mismatch, dat is alles.

(En wat dat Monster betreft: het werd hoog tijd dat het eens op eigen benen ging staan. Ik ben blij voor het beest, echt waar.)