Ik was doelbewust op weg naar het Lambertus Zijlplein maar reed het glad voorbij. Op het moment dat ik de vertrouwde straat na de eindhalte van bus 21 moest inslaan aarzelde ik en voor ik het wist reed ik in de Aalbersestraat. In lichte verwarring keerde ik om. Wat had ik niet gezien? Of liever gezegd, wat had ik wél gezien?
Waar de Nolensstraat was geweest, met zijn drie gelijknamige zijstraatjes, was nu een omheinde zandvlakte. Op de schutting stonden ludieke suggesties van buurtkinderen voor verbetering van de woonomgeving. Mijn eerste gedachte gold mijn jeugdvriend Peter: wat zou hij daar wel van vinden, die altijd met zoveel liefde over zijn jeugd in die bakstenen woonblokken heeft gesproken en geschreven? Dijk, zandvlakte, bosjes en talud waren al zo lang verdwenen. De braakliggende ruimte, het speelterrein van onze kindertijd, was ingevuld met nieuwbouw toen Geuzenveld rond de eeuwwisseling op de schop ging. Dat nu ook zijn ouderlijk huis en de huizen van zijn vroegere buren geruimd en voorgoed verdwenen waren was slecht nieuws. Ik hoopte maar dat hij het al wist en dat ik de onheilstijding niet hoefde te brengen.
En zouden ze het stratenplan wel respecteren? Onderweg door de mooie herfstmorgen had ik met gemengde gevoelens het gebouw gezien dat de naam draagt van onze oude lagere school. Het kan nooit die vertrouwde H-vorm vervangen, maar het staat tenminste op dezelfde plaats. Het symboliseert of herdenkt als het ware de Pieter Jelles Troelstra-school van vroeger, je kunt het herinneringsplaatje leggen over het werkelijke beeld en de twee vallen min of meer samen. Wranger wordt het als ook de indeling van de ruimte bij sloop en nieuwbouw verandert. Dan morrel je aan de onderliggende structuur van een buurt. Het woord "blauwdruk" komt in me op. De idee achter een wijk wordt genegeerd en daarmee wordt het fysieke bewijs van je jeugd op losse schroeven gezet. De kaart van mijn kindertijd is al bijna uitgewist, heet het in het enige protestliedje dat ik ooit maakte, Stadsvernieuwing.
Ik zette mijn sombere gedachten uit mijn hoofd, parkeerde mijn auto op het verminkte plein en liep naar het buurthuis aan de Albardakade. Daar ging ik een feestelijke bijeenkomst opluisteren met een handvol liedjes - eigen werk, wat Napolitaans, Aan de Amsterdamse grachten. Truus van de Telefooncirkel, 94 jaar oud, deed dat vrijwilligerswerk nu veertig jaar. Elke dag, stipt om negen uur 's ochtends, belde ze alleenstaande of hulpbehoevende ouderen om te checken of alles wel in orde met ze was.
Op de tweede verdieping van het frisse gebouw herkende ik mijn werkplek aan ballonnen met "40" erop. Binnen scheen de vrolijke herfstzon op schalen met koekjes, chocolaatjes, Tom Poezen en versierde boterhammen. Kannen koffie en thee werden binnengebracht. Rock 'n' roll zou het niet worden vanochtend. Ik pakte mijn gitaar uit, mijn nieuwe Eastman, deze gig was haar vuurdoop.
Ik zong mijn repertoire, aanvaardde dankbaar het applaus en maakte een praatje met het feestvarken. Ik vroeg waar ze in Geuzenveld gewoond had. De straat in de Dudokbuurt, vlakbij de Sam van Houtenstraat, waar ze het grootste deel van haar jaren had doorgebracht kende ik niet. Ik besloot maar niet te vragen of hij nog bestond.
woensdag 19 oktober 2022
STADSVERNIEUWING
vrijdag 14 oktober 2022
SCHRIJVERSBUURT
Ik parkeer in de J.A. Dèrmouwstraat in Slotermeer, de schrijversbuurt. Blauwe zone, een van de laatste in de stad. Parkeerschijf voor het raam, twee uur de tijd. Ik denk aan de regel waarmee Dèrmouw, die overigens veel meer in zijn mars had, beroemd is geworden: 'K ben Brahman. Maar we zitten zonder meid. Aan de overkant van de Slotermeerlaan zie ik Bar Content, voorheen Café Larsen. Daar ligt een heel stuk geschiedenis. Mijn vader heeft er operettezangers begeleid toen het nog een pianobar was en niet veel later ben ik er bij een zuinig biertje (we waren zestien en arm) uit mijn groep Lotos gekieperd wegens gebrek aan motivatie. Op die leeftijd had ik nog geen discipline (waar was discipline immers voor nodig? De wereld was groot, grillig en gul...) en als ik ergens geen zin meer in had liet ik het, lafaard die ik was, doodbloeden tot een ander het initiatief nam. Dan haalde ik opgelucht adem.
Ik loop naar het plein. Rechts van me de Canarische Viswinkel met zijn mediterrane blauwe letters. Wat is dat eigenlijk, een Canarische Viswinkel, en hoe lang is die zaak hier eigenlijk al? Het lijkt iets vertrouwds van vroeger maar kan net zo goed een terloopse observatie van de laatste tien jaar zijn. Ik ben veel op de Slotermeerlaan geweest in die tijd, we repeteerden er wekelijks met het Tuinstadtheater. Ik moet die viszaak vaak hebben gezien. Ongemerkt is hij met winkels van vroeger verbonden. Valse herinnering, valse nostalgie?
Op Plein '40-'45 kijk ik om me heen op zoek naar de priklocatie. Borden wijzen me het Tuinstadhuis in. Ik doe een mondkapje voor en laat me leiden door de ggd'ers. De laatste keer dat ik hier zo nadrukkelijk ben geweest was in de vroege jaren zeventig. Het regende, net als nu. We schuilden onder de overkapping van wat toen nog het NVV-gebouw was en nipten aan een zakflacon rum, mijn vriend Karl en ik. Waarschijnlijk hadden we zojuist het boekenstalletje op de markt besnuffeld. Enthousiast door elk oud ruggetje, elk stoffig Duits deeltje.
Boekenstalletjes zijn er allang niet meer op de markt van '40-'45. Wel heel veel kraampjes met kleding. Vooral djellaba's en kaftans in matte kleuren (vaal paars, bruin en groen) alsof de gebruikte verfstoffen al heel wat jaren op een zolder hebben gelegen. Ook veel groente en fruit. Twee Vietnamese loempia-verkopers. Het is er schoon sinds de actie Het schoonste plein van Nederland, waarvoor ik nog een liedje heb ingezonden. Maar de fleurige, exotische sfeer die Patrick van den Hanenberg in zijn songtekst oproept is ver te zoeken vandaag. Geen 'oergezellig plein', nee. Een schoon maar leeg en verregend plein.
Ik ga het overdekte winkelcentrum in. Nooit geweest, maar geen valse nostalgie hier. Loop terug zonder iets gekocht te hebben en besluit in de Jumbo mijn boodschappen te doen. Kan maar gebeurd zijn. Als ik last krijg van de prik heb ik alles in huis. Kattenvoer, een brood, een pizza met salami en ham en een fles mineraaldroge Riesling, dat moet het zijn. Ik heb honger. Bij de oliebollenkraam zie ik maar één bergje. Eerst schrikt me dat af, dan treft het me als gewetensvol. Ik word niet bedrogen in mijn vertrouwen: de bol is vers, knapperig en nog heet. Geen keus, geen verpieterende voorraad.
De nevel hangt nog over de gele bomen als ik terugga. Burgemeester van Tienhovengracht, Gerbrandypark, Slauerhoffstraat. Rustige straten met bescheiden huisjes in veel herfstig groen. Het is eerder november dan oktober hier in de Tuinstad.
Ik heb deze buurt nooit als heel literair ervaren maar nu knik ik goedkeurend bij elk straatnaambordje. Louis Couperusstraat. Daar valt weer een blad. Ik zou hier wel kunnen wonen, vind ik.
Ik overweeg even bij de Sloterplas te stoppen om aan de oever te gaan mijmeren over vroeger. Over het Monster misschien zelfs. Over een optreden dat ik binnenkort heb in Geuzenveld en waarvoor ik in de stemming moet komen. Maar mijmeren valt meestal tegen als het op bevel moet.
Ik rijd door en verheug me op een middag onder een dekentje, in een cocon. De prik is binnen, meer hoef ik vandaag niet. Ik heb allerlei kleine, overzichtelijke klusjes te doen als ik geen rust heb voor lezen en suffen met de katten. Hopelijk trekt de mist niet te snel op en blijft het nog een beetje regenen.
dinsdag 11 oktober 2022
EXCURSIE
Het was een uitgelezen morgen. Zondags stil. Nauwelijks verkeer, er werd wat gejogd, meer niet. De lucht was zuiver blauw, een warme oktoberzon deed de gele blaadjes schitteren. De paddenstoelen-excursie op het Vogeleiland had niet beter gepland kunnen zijn.
Ik zeg Vogeleiland en had ook Rieteiland kunnen zeggen, maar dat zijn namen uit mijn jeugd. Toen waren er nog geen paddenstoelen-excursies. Toen was het ginds woest terrein zonder officiële status. De jeugd had er vrij spel, slechts een enkele hondenuitlater waagde zich tussen brandnetels, riet, wilgen en sporkehout en qua paddenstoelen waren het vooral reuzenbovisten en stuifzwammen die het braakliggende stuk grond in het najaar domineerden. Nu is dit bijzondere stukje Amsterdam onderdeel van het Sloterpark. Het in oorspronkelijke staat gelaten gedeelte heet het Ruige Riet. Sinds 1975 is er een Heemtuin. Daar begon onze excursie.
Ik had de gids al uit haar autootje zien stappen. Kordate, wat oudere dame met strenge bril. Ze had een klein hondje bij zich maar ik had niet de indruk dat ze speciaal naar hier was gekomen om dat uit te laten, ze was hier duidelijk met een doel. Toen ze zich speurend over de struiken langs de weg boog wist ik het zeker, dit moest haar zijn. Ik bleef nog even op mijn vriendin wachten die van buiten de stad kwam, maar toen we stipt om elf uur naar de ingang van de Heemtuin wandelden zag ik haar staan, omringd door een flinke groep mensen, jong en oud. We meldden ons als deelnemers aan en volgden onze gids en haar hondje de rimboe in.
Christiane Baethke kent alle circa 5000 soorten vaderlandse zwammen uit haar hoofd. Ze geeft eerlijk toe dat ze zich weleens vergist. Een zwavelkopje bleek bij inspectie een fluweelpootje te zijn - eetbaar, ik kreeg een hapje. Juist die eerlijkheid wekte de indruk van grote betrouwbaarheid. Misschien dat haar tamelijk zware Duitse accent ook meehielp, Duitsers hebben nu eenmaal die reputatie van degelijkheid in alles wat ze ondernemen. Scherp daarmee contrasteerde een levendige zwarte humor. Sommige soorten waren eetbaar maar smaakten naar natte washandjes. Een groene knolamaniet was goed tegen kwaadaardige schoonmoeders en een heel veld ervan, dat we bereikten via hertenzwam, Elfenbankje, franjehoedje, pantheramaniet, krulzoom, parasolzwam en vele andere soorten met ingewikkelde namen, kon het best naar de Russen worden gestuurd.
We verlieten het Eiland even via de Mary Wollstonecraftbrug voor een intermezzo in de Thomas van Aquinostraat. Op de plek waar ik haar over de struiken gebogen had zien staan toverde ze een heksenboleet tevoorschijn. Ze sneed hem met haar Opinelmes open ('Ik ben van de KNNV, ik mag dat') en liet ons de snelle indigoblauwe verkleuring zien die deze boleet onderscheidde van andere soorten. 'Dat is toch die paddenstoel die zich slecht verdraagt met alcohol?' vroeg ik. 'Klopt,' zei ze. 'Maar daar heb ik geen last van.'
Al die tijd was het gemengde groepje in een uitstekend humeur. Hoewel we elkaar niet kenden ontstond er al snel een lacherige saamhorigheid zo in het kielzog van de juf, op dit mooie zondagse uitje.
(Copyright foto's: Stichting Heemtuin Sloterpark en het Ruige Riet)
vrijdag 7 oktober 2022
WELLEVENDHEID
Ik zat op het Museumplein te kijken naar jongens die aan het skateboarden waren. Keer op keer bedwongen ze het aflopende dak van de Albert Heijn, alsof ze aan het surfen waren in een branding van gras en beton. Soms ging er één kopje onder. Het verontschuldigende maar stoere glimlachje dat daarbij hoorde kende ik van mezelf: één keer per jaar gaan we bowlen, op mijn broers verjaardag. Afgaan tijdens een spelletje doe je zo, met dat verlegen en toch coole glimlachje.
Plotseling stond er een jongen naast mijn bankje. Hij groette vriendelijk en wees glimlachend op de plek naast me. Daar lag, zag ik nu, een telefoon. Ik haalde mijn eigen telefoon uit mijn zak, liet die aan hem zien, zei iets als It's not mine, en nodigde hem met een gebaar uit het apparaatje mee te nemen. Hij pakte het op, bedankte me beleefd, nog net niet buigend, en liep met zijn buit naar het grasveld, waar hij naast een andere jongen ging zitten.
Maar ... zijn buit? Zijn manier van doen had me misleid. Het was natuurlijk zijn éigen telefoon die hij op de bank had laten liggen. Vanaf zijn plaats in het gras, tientallen meters verderop, had hij nooit kunnen zien dat er iets kostbaars naast mij lag. Waarom deed hij dan zo voorzichtig, alsof hij me om een gunst vroeg? En waarom bedankte hij me voor zoiets vanzelfsprekends, het terughalen van zijn eigen bezit?
Omdat, antwoordde ik mezelf, hij in mijn persoonlijke ruimte had moeten komen. Het bankje was mijn territorium zolang ik daar zat, daar binnengaan zonder kloppen was brutaal. De jongen had gewoon wellevendheid getoond.
Ik keek weer naar het skateboarden en bedacht hoe ingewikkeld wellevendheid soms kan zijn. Een oude vriend van me deed het laatst voorkomen, tijdens een gezellig gesprek, alsof iemand anders, een derde persoon dus, verantwoordelijk was geweest voor iets dat mij had teleurgesteld, in plaats van hijzelf, mijn vriend. Ik voelde me geroepen om die verdraaiing van de feiten recht te zetten. Ik snapte niet dat mijn vriend de ware toedracht niet meer wist of die probeerde te ontkennen. Pas later, onderweg naar huis, begon ik te vermoeden dat hij met zijn nieuwe versie van de gang van zaken ons beiden een schone lei aanbood, een onbezoedelde werkelijkheid waarin hij me destijds wél die gunst had willen verlenen (uiteraard!) en een ander spelbreker was geweest. Zo konden we elkaar weer recht in de ogen kijken en de schuld op iemand anders schuiven. Met een beetje fantasie als retouche corrigeerde hij galant het verleden. Maar ik, hork die ik was, wilde er niet in meegaan. Waarheidsliefde en wellevendheid verdragen elkaar soms niet.
dinsdag 4 oktober 2022
Mijn familie en andere beesten
Een familiedag, gepland ver voor we hoorden van het bestaan van de Nationale Broer- en Zusterdag. We maakten eerst een wandeling over de Liniedijk, mooi bebost met eikenbomen. Af en toe passeerden we een van de kazematten van de Grebbelinie. We haalden herinneringen op. De regen bleef uit, mijn paraplu diende me als wandelstok.
Daarna gingen strikt volgens plan de flessen open en was het tijd voor ouderwetse gezelligheid. Mijn vriend Robert maakte ooit een ollekebolleke over zo'n bijeenkomst. Zo herinner ik het me:
Spaendoncks familiefeest,
Luidkeels orerende
Zangers betogen dat
"Tauber is God".
's Anderendaags in een
Post-alcoholische
Matheid is iedereen
Hees en kapot.
Sinds mijn vader er niet meer is wordt er over Richard Tauber niet veel meer gesproken, maar luidkeels zijn onze bijeenkomsten nog wel. De volgende dag had ik wat last van al die verhitte gesprekken. De meesten van u zullen het kennen, als ze het geluk hebben broers en zusters te hebben. Oud zeer is nooit ver weg. Kinderachtige geldingsdrang die je allang dacht overwonnen te hebben steekt opeens zijn kop op. In de grotemensenwereld kun je een halve heilige zijn en je schouders ophalen over alles, binnen de familiekring zijn in de kindertijd gevormde patronen praktisch onuitwisbaar. Althans zo vergaat het mij. En steevast heb ik daar spijt van. Weer te hard en te druk gepraat! Weer zo koppig, gelijkhebberig gedaan, bah!
We zouden eigenlijk een lange wandeling gaan maken ergens tamelijk ver weg, maar ik had er de moed niet voor. 'Vind je het erg als we gewoon een beetje gaan uitwaaien bij het Kerkemeertje,' vroeg ik aan mijn vriendin. Ze vond het niet erg.
In de vogelhut bij het water was niet veel te zien. We liepen naar het Uilenbosje. Meertje en bosje liggen ver van de weg af midden in het laagveen van de Eilandspolder. Het is er stil. Alleen het suizen van de wind. Tussen de bomen van het beboste heuveltje zag ik iets bewegen. Ik richtte mijn kijker en tuurde ongelovig naar een mij volledig onbekend vogelsilhouet. Mijn brein bladerde door de bladzijden van de gids. De enige vogel die ik kende die zo'n roomwitte borst had was een waterspreeuw. Maar dit leek meer op een lijster. En die hebben spikkels! Het dier zat op zijn gemak besjes te eten. Ik was zo geabsorbeerd door mijn ontdekking dat ik nauwelijks merkte dat ik werd aangevallen door een hele zwerm hongerige muggen. Pas toen de vogel gevlogen was en wij terug naar de auto liepen voelde ik dat mijn handen onder de beten zaten.
Mijn waarneming was al snel geïdentificeerd. Die sikkelvormige witte band, als een slabbetje onder de merelkop: dit was zonder enige twijfel een beflijster geweest. In oktober een niet ongewone dwaalgast, op weg naar het zuiden.
Ik was opgetogen over het stille zondagse uitje en over zoveel vogelaarsgeluk. Mijn humeur was weer op peil. Ik was niet meer hees en kapot. 'Ik ben blij in een wereld te leven waarin er oktobers zijn', zei ik tegen mijn vriendin. Dat had ik ergens op Facebook gelezen.
Ik wist toen nog niet dat ik 's nachts wakker zou liggen van het jeuken van mijn gezwollen handen.
vrijdag 30 september 2022
WORSTELING
Ik had me vastgebeten in een klus. Het was helemaal mijn bedoeling niet geweest. Ik wilde alleen maar een beginnetje maken met de opmaak van het toekomstige boek maar eenmaal bezig kon ik het niet meer loslaten. Het moest nu maar af ook, na al die jaren schrijven, herschrijven, omgooien, uitbreiden, inkorten, aanscherpen, schaven en polijsten.
Na een uur of wat, toen ik een flink eind op weg was, stuitte ik op een probleem dat ik niet kon oplossen, hoe ik ook worstelde met de digitale materie. De (het) sjabloon en de drukproef wilden niet overeenstemmen. Een bug? Deed ik iets fout? Verouderde of incompatibele programma's?
Het werd avond. Inmiddels zag ik sterretjes zoals dat heet. Dat dekt de lading niet helemaal. Het voelt meer als een soort zinderende spanning achter het netvlies, alsof het vel van een trommel te strak aangetrokken is en bij het minste of geringste gaat mee-resoneren. Voor ik slapen ging stuurde ik een mail naar de helpdesk van de doe-het-zelf-uitgeverij. Een noodkreet. En ik probeerde het werk uit mijn hoofd te zetten. Argumenteerde: morgen kan ik desnoods alles opnieuw doen, met een nieuw sjabloon als een schone lei. Toch wilde de slaap niet snel komen en toen hij uiteindelijk kwam was hij broos en licht.
De volgende morgen was er al snel antwoord. Ik moest een pdf maken van mijn sjabloon en die uploaden in plaats van het (de) sjabloon zelf. Dan kon er niks meer gaan schuiven. Ik deed het met weinig vertrouwen op de goede afloop maar tot mijn grote verrassing was alles meteen perfect. Ik stuurde mijn reddende engel een bedankje. Fantastisch! Was alles maar zo eenvoudig!
Even later wandelde ik door het park. Het was warm en zonnig. Als je over de vele diepe plassen heen wilde stappen een mooie middag. Ik voelde me opgelucht maar toch niet helemaal tevreden. Stom dat ik daar zelf niet op gekomen was, op die truc met de pdf. Ligt toch zo voor de hand! Dat heb je met amateurs die geen inzicht hebben in waar ze mee bezig zijn. Die komen er (áls ze er komen) met trial and error. Ik red me over het algemeen wel, met computers. Maar de weg waarlangs ik mijn doel bereik is omslachtig en eigenaardig. Kom ik er niet uit, dan moet mijn dochter me over mijn schouder, of mijn zoon me op afstand door de jungle op mijn beeldscherm gidsen. Of moet er iemand achter een helpdesk worden benaderd die ongetwijfeld zit te grijnzen boven zijn ochtendkoffie om mijn klunzigheid. En er moest een boomkruipertje aan te pas komen om mijn aandacht los te scheuren van opmaak, pdf, sjabloon, enter en shift.
Thuis had ik meerdere opties om uit te kiezen. Teruggaan naar de voorlopig afgeronde klus was daar niet bij - maar eigenaardig genoeg was dat precies wat ik deed. Ik besloot heel brutaal wat te gaan spelen met verschillende lettertypes en fontgroottes en veranderde de titelpagina van Times New Roman in Garamond en weer terug. Overbodige luxe, dit gepruts, maar het gaf me het gevoel de zaken om te draaien: nu was ik de baas, niet die onbegrepen programmatuur.
Ik wil maar zeggen, lezers: er komt binnen niet al te lange tijd een nieuw boek aan. Een klein verwend jongetje heet het, en het is een soort documentaire-roman over mijn tijd in de Kliniek, en de naweeën daarvan. Een caleidoscopisch zelfonderzoek, een soms scherpe maar meestal tamelijk milde satire op de psychologische zorgsector, een warm portret van mijn lotgenoten. Een vrolijk boek, bij vlagen, naast het nodige getob. Ik kom er binnenkort uitgebreid op terug. Als u het allemaal gaat kopen heb ik niet voor niets geworsteld.
Een klein verwend jongetje verschijnt hopelijk nog deze herfst.
Het boek is (of wordt) een uitgave van Faun en zal rond de 17 euro gaan kosten.
Illustratie: Klaas Werumeus Buning
dinsdag 27 september 2022
PING
Mijn vriendin bracht me tot aan de deur van het Zuiderbad. Ik zwaaide met een dramatisch vertrokken kop die zeggen wilde: zij die sterven gaan groeten U, en liep moedig de monumentale trap op. Tweeëntwintig baantjes later voelde ik me een stuk opgeknapt.
De middag ervoor was er tijdens het stemmen een stukje van mijn luit afgebroken. Een kwetsbaar uitsteeksel waardoor de pen gaat waarmee je de hoogste snaar, de chanterelle, stemt. Dat was de tweede keer dat het gebeurde. De eerste keer was aan het eind van onze vakantie in Frankrijk. De lijm waarmee een eerdere breuk was gerepareerd was gaan smelten door de extreem hoge temperatuur die in de auto had geheerst. Het breukvlak was gaan wijken, maar had zich de hele week goed gehouden. Pas bij het inpakken en afwassen op vrijdagavond klonk er een "ping". Ik keek verbaasd naar het instrument dat uit zichzelf die alarmerende toon voortbracht en zag dat stemknop en snaar er los bij hingen.
Een paar dagen later ging ik naar Sacksioni, mijn vertrouwde gitaarreparateur. Bij mijn binnenkomst riep Harry de Jong, de baas, opkijkend van zijn werk: 'Wat is dat? Een luit? Ha, nee, daar begin ik niet aan. Al die kromgebogen latjes...'
Ik legde uit dat het niet om het tere peervormige lijf ging maar om een onderdeel van het stemmechanisme.
'Laat maar eens zien dan,' zei hij aarzelend. Ik ontblootte de luit en wees op het euvel.
'Daar heeft een koekenbakker aan gezeten,' was zijn oordeel.
Hij zou het wel opnieuw lijmen en met een blokje hout verstevigen.
Een week later had hij die reparatie tot onze tevredenheid uitgevoerd. Het voelde stevig aan en ik ging enthousiast verder waar ik gebleven was, in de oefeningen voor beginners van de Lute Society.
Tot ik afgelopen vrijdag de onwillige g-snaar omhoog wilde draaien. Er klonk het scherpe geluid van brekende, brosse lijm. Harry had superlijm gebruikt omdat de eerdere reparatie met konijnen- of beenderlijm was gedaan, vraag me niet waarom. Ik vloekte hartgrondig. Mijn vriendin stond erbij en had met me te doen. Ze weet dat deze luit de afgelopen zomer mijn nieuwe liefde is geworden en dat ik er veel over getobd heb. Ik had bij de impulsaankoop toch ietsje beter moeten opletten. Ik vloekte nogmaals, machteloos. Dit was het einde, geloofde ik op dat moment. De nieuwe luit die ik mezelf al had beloofd zou er versneld moeten komen en deze zou wel op de vuilnishoop eindigen. Wat kon ik er nou nog mee? En ik had net voor bijna zestig euro nieuwe snaren besteld!
De machteloosheid was geen bedwongen woede, eerder een soort kinderlijk zelfmedelijden. Ik schonk mezelf een groot glas witte wijn in en leegde dat schielijk. We liepen door de regen naar de buurtpizzeria in de Albert Cuypstraat. Daar pruttelde ik nog een tijdje na maar mijn vriendin reikte me een touwtje aan waarmee ik me uit het moeras van zelfmedelijden omhoog kon trekken. Ik moest die twee dingen los van elkaar zien. Een nieuwe luit was één, wat met deze te doen - twee. Op het eerste kon ik me verheugen, het tweede kon ik nog even voor me uit schuiven. Ik vroeg een grappa bij de rekening en we haastten ons naar Rialto aan de Ceintuurbaan. Ik had kaartjes voor een filmhuisfilm waarmee ik mijn vriendin een plezier dacht te doen.
In Rialto mag je je consumptie mee de zaal in nemen. Ik dronk aan de bar snel mijn glas leeg en wapende me met een verse Westmalle tripel tegen bijna twee uur Finse misère. Na anderhalf uur moest ik nodig piesen. En ik snapte geen moer van de film. Iets met mijnbouw, en rendierteelt. Sombere beelden, onbegrijpelijke, sombere types. Onsamenhangende scènes. Iets van de zielige stemming van die middag kwam terug. Dit hoefde ik toch niet uit te zitten? Zelden had ik zoiets saais gezien. Ik verliet de zaal, ging naar de wc, bestelde aan de lege bar een glas wijn, appte mijn vriendin dat ik niet meer terugkwam en ging naar de klok zitten kijken.
Vanmiddag ben ik toch maar weer naar de gitaarwinkel geweest met mijn geblesseerde dame. Harry zal eens zien wat er verder op te verzinnen valt. Ik wacht nog even met het aanspreken van mijn spaargeld. Een nieuwe luit kan altijd nog. De snaren zijn inmiddels gearriveerd. Die krijgt ze als pleister op de wonde, als ze van de dokter terug is.
Illustratie: Zelfportret als luitspeler (circa 1663-1665), Jan Steen (1626-1679)







