dinsdag 17 november 2020

TEAMS

Een uur van tevoren liep ik al te ijsberen. Ik deed zelfs wat stemoefeningen, om te zorgen dat ik goed gearticuleerd en sonoor zou overkomen. Mijn vriendin, die dagelijks met MS Teams werkt, moest er om lachen. 'Het lijkt wel of je moet optreden,' zei ze.
'Dat is ook zo,' antwoordde ik. 'Ik leef als een kluizenaar, ik zie als een berg tegen deze confrontatie op. En bovendien is het mijn debuut op het digitale podium.'
'Je zult zien dat het meevalt,' zei ze bemoedigend, terwijl ze een rozijnenboterhammetje met walnootpasta voor me smeerde. Ik keek op de klok. 'Ik hoop het,' zei ik met volle mond. Van de walnootpasta proefde ik niets.

Om vijf voor twaalf ging ik voor het schermpje van haar tablet zitten. Mijn vriendin wilde net een appeltaart in de oven gaan zetten.
'Doe dat nou straks,' zei ik paniekerig. 'Je moet me even helpen. Het is bijna tijd.'
'Ach joh, leer mij ambtenaren kennen,' zei ze ontspannen. 'Het zou me zeer verbazen als het stipt op tijd begon.'
Maar ze liet de taart even rusten en wees me hoe ik beeld en microfoontje moest bedienen. Als ik wilde interrumperen moest ik op het icoon van een handje drukken. 
Stipt om twaalf uur verscheen er een man in beeld en werd mijn eigen kop zichtbaar, rechts onderin. We zaten elkaar een tijdje aan te grijnzen, de man en ik. Mijn vriendin drong erop aan dat ik iets zou zeggen. Dus ik drukte op het knopje dat de microfoon aanzette en stelde me voor. De man, een dertiger met een baardje, gromde verveeld. 'Ik snap er niks van,' er gebeurt niets,' hoorde ik hem mompelen. Hij streek blijkbaar met zijn hand over zijn scherm, want een vleeskleurig vlak onttrok hem aan het zicht. Zo zaten we een tijdje ongemakkelijk naar onszelf en naar elkaar te gluren. Een melding op het scherm, linksboven, vertelde ons dat er een aantal mensen in de lobby zat. 
Net toen ik het met een zucht wilde opgeven (mijn best gedaan, aan mij lag het niet, ik kon met opgeheven hoofd, etcetera) verscheen er in de rechterbovenhoek een vrouw. Ze stelde zich voor als de secretaresse van de juridische commissie. Er was een fout gemaakt. Er waren, in twee verschillende mails, twee verschillende links verstuurd. De rest van het gezelschap zat in de andere 'ruimte' te wachten.  Wij moesten de oorspronkelijke link activeren.
Mijn vriendin zocht op haar laptop de eerste mail op en stuurde die door naar het tablet. Maar die werd verzonden, dat zagen we, maar arriveren deed hij niet. Ik zuchtte andermaal en wilde opstaan. Maar daar, als bij toverslag, was een mozaïek van portretjes op het scherm verschenen. Iedereen was er, alleen de man in wiens tuin de omstreden boom staat, ontbrak nog. Toen hij na een hoop geklooi ook de juiste papieren voor de vergadering had gekregen begon het. Twintig minuten te laat. 

'Gewoon maar afwachten,' had mijn vriendin gezegd. 'Er is een moderator, die leidt het gesprek en zorgt dat iedereen aan het woord komt.' En ja, iedereen kwam aan het woord. En bleef kalm. Er werd niet geschreeuwd. Argumenten en standpunten werden weloverwogen naar voren gebracht. Het viel mee, inderdaad. Tot slot zwaaiden we naar elkaar. Niet met een blauw handpalmpje, maar met onze echte handen.

Of de uitkomst van de hoorzitting ook zal meevallen, is nog maar de vraag. De groendeskundige die door de woningbouwvereniging (de aanvrager van de kapvergunning) was ingehuurd sprak met norse, luide stem. Wat hij zei was discutabel, maar klonk als zekerheid. De onafhankelijke groendeskundige van de gemeente (de jongeman tegen wie ik de eerste minuten had zitten aangrijnzen) haalde feitelijk alles wat hij zei onderuit, maar deed dat zo onderkoeld, quasi verveeld mompelend, dat het klonk als aarzeling.
Nu maar hopen dat de juriste die moet gaan beslissen over het lot van de boom daardoorheen kan en wil luisteren. Het zal erom spannen, want erg op onze hand klonk ze niet. Misschien houdt ze wel niet van bomen. Ik kijk naar buiten, waar een boomklevertje de schors onderzoekt op insecten en een vinkje en een meesje broederlijk samen van tak naar tak hippen. Claws crossed, zeg ik tegen de katten, die met me meekijken.


vrijdag 13 november 2020

HOORZITTING

De boom is al aardig kaal aan het worden. Wat er nog aan blad te zien is wordt elke dag een beetje meer verdord en bruin. De herfst is net als de Tweede Golf over zijn piek heen, het plateau dat winter heet staat voor de deur. Geen Zwarte Piet zal erop dansen dit jaar. Zou Paulus de Hulpsinterklaas nou ook op de stapel te verbranden boeken van de bibliotheek terechtkomen? Of is er dispensatie voor bewezen meesterwerken?

De boom was gedoemd, ik heb het u een tijd terug verteld. Maar onlangs was er goed nieuws. In reactie op een bezwaarschrift dat wij omwonenden hebben ingediend verscheen er iemand van het Stadsdeel, vergezeld van een deskundige van de gemeentelijke groenvoorziening. Eerder had men uitsluitend op grond van foto's en beschrijvingen de kapvergunning verleend. Corona, immers. Hoewel de pandemie heviger woedt dan toen kwamen ze nu wél persoonlijk poolshoogte nemen. Je kunt niet alles begrijpen. 
De groendeskundige stelde een rapport op in heerlijk kromme taal, net zo kronkelig gedraaid als de bomen waarmee hij zich dagelijks bezighoudt. 'De boom heeft waarden en zijn de beeldbepalende waarden bijzonder te noemen,' meende hij. 'Op locatie heb ik geconstateerd dat de bewoner geen overlast ondervind van de boom en er ruimte is om de esdoorn te snoeien. De boom kan rondom licht worden teruggesnoeid. Zo worden de balkons vrij gesnoeid en kan de overlast beperkt worden bij naastgelegen percelen. Als ik deze gegevens tot mijn beschikking had tijdens de belangenafweging had dit mijn advies geweest.'

Goed nieuws, dus, als ik het goed lees. Anders dan de media, die goed nieuws zo snel als maar enigszins mogelijk is laten smoren in mitsen en maren, en zich nu en masse geworpen hebben op de te verwachten moeilijkheden die het vaccinatieprogramma zal ontmoeten (want je zou eens op een kwade dag niets verontrustends te melden kunnen hebben, stel je voor!) ben ik niet van plan mijn optimisme door twijfel te laten verpesten.  Alleen dat 'licht terugsnoeien' maakt me een beetje ongerust: als hoveniers een beetje op kappers lijken willen ze het liefst doorgaan met knippen een zagen tot er weinig meer over is dan de kale stam. 
Maandag is er een hoorzitting met alle betrokkenen. '
Wij vinden dat u allen voordat de hoorzitting wordt gehouden op de hoogte moet zijn van deze bevindingen omdat dit de discussie tijdens de hoorzitting sterk kan beïnvloeden,' schrijft de juriste van het Stadsdeel. Het zal mijn debuut worden in de digitale vergaderwereld. De link naar MS Teams is gekopieerd, ik heb niet langer het excuus van een pc die zulke programma's niet aankan, nu ik een grote nieuwe iMac bezit. Duimt u voor mij, en voor de winterkoninkjes, bonte spechten, Vlaamse gaaien en andere direct betrokkenen? 


dinsdag 10 november 2020

WASBEURT

Ik ben geen impulsief iemand. Tussen aanvechting en daad ligt een heel niemandsland van aarzeling, bespiegeling, laksheid en moedeloosheid waardoor ik moet ploeteren voor ik tot actie kom. Meestal blijf ik steken in dat moeras en komt er niets terecht van die eerste vonk van dadendrang. Maar soms...

We zouden eigenlijk ergens gaan wandelen. Waar was nog onduidelijk, ergens bij mij in de buurt waarschijnlijk, dus ik zou opgepikt worden. Maar mijn vriendin had net haar haar in de henna gezet en dat moest, na het intrekken, nog uitgespoeld worden en daarna drogen. Ook moest er nog een pakje bij een dorpsgenoot bezorgd worden. En nog zo wat.
Ik zat al startklaar, schoenen aan, en keek op de klok. 'Ja maar,' sputterde ik, 'dan ben je pas om drie uur hier. Wat moet ik al die tijd doen? Ik heb al genoeg achter het scherm gezeten de afgelopen dagen. Mijn hoofd is beurs. Ik kom wel naar jou toe en dan zien we wel.'
Ik sloot mijn computer af, verzamelde wat ik mee moest nemen en ging de deur uit. Het was lekker fris, zonnig en windstil. De bomen waren geelgoud maar rafelig, de winter was niet heel ver meer. Zachtjes wiegde nu en dan een blad naar beneden. Een prachtige zondagmiddag.
Terwijl ik door de polders naar het noorden reed kreeg ik plotseling een dwaas idee. Ik zou mijn auto gaan wassen. Dat was precies waar ik na dagen van vertalen en teksten corrigeren behoefte aan had. Mijn auto wassen. Want die was erg vies, dat had ik gezien in die heldere novemberzon. Gewoontegetrouw hield ik er rekening mee dat deze briljante inval zou stranden nog voor ik mijn bestemming had bereikt.
Maar nadat ik mijn vriendin had begroet legde ik het voornemen vast. 'Ik dacht dat ik mijn auto maar eens moest gaan wassen.' Ze trok hoge wenkbrauwen op onder haar rood besmeurde plastic kapje. 'Jij? Je auto wassen?'
'Ja,' zei ik, 'is dat zo gek? Dat heb ik wel vaker gedaan toch?' Inderdaad had ik eens, misschien vijf jaar, misschien langer geleden, met haar hulp, mijn toenmalige Ford Focus een grondige schoonmaakbeurt gegeven. Maar verder dan een incidentele wasstraat kwam ik in de regel niet.
Mijn vriendin wist nog ergens een flesje Wash & Wax te liggen. Ze gaf me een emmer en wees op een grote ketel heet water die op het vuur stond. 'Meng daar wat van bij, dan krijg je niet zulke koude handen.'

Zo stond ik even later over mijn grijze auto gebogen met emmer, spons en doekje. De zon scheen, er kwetterde een naamloos zangvogeltje in de top van de boom alsof het lente was. Zes, zeven keer liep ik af en aan met de emmer. Mijn overhemd was al behoorlijk doorweekt. Steeds als ik meende dat de carrosserie nu toch echt brandschoon was zag ik door de genadeloze helderheid van de lage zon hoe er zanderige strepen op achtergebleven waren. Toen ik uiteindelijk voor het laatst een volle emmer over het dak plensde was met het vuil ook Louis Aragon verdwenen. Geen Alexandrijn dreunde nog na in mijn hoofd. Zelfs Trump, Biden en corona waren daaruit verjaagd.
Mijn vriendin kwam terug van het bezorgen van haar boodschap en was onder de indruk. 'Een enorm verschil,' zei ze prijzend. 'Hij is weer helder blauw.' Daarna nam ze het sponsje van me over om met geduldige precisie het ingesleten vuil van de motorkap weg te poetsen dat ik er niet af had gekregen.
We bekeken samen het resultaat. Als nieuw, mijn automobilofiele zoon zou trots op me zijn.
'Auto wassen in het weekend,' zei ik tegen mijn vriendin terwijl we naar binnen liepen. 'Ik ben dan toch eindelijk een echte man geworden. Tijd voor een biertje.'
Die man had de volgende morgen overal spierpijn.


vrijdag 6 november 2020

MACHTSSTRIJD


Mijn katten heten Snuf en Snuitje. Naar het sukkelige roversduo uit Pipo de Clown. Ook die waren gekleed in zwart-wit. Tenminste, zo herinnerde ik het me. Als ik foto's oproep zie ik ook kleur. Mogelijk speelde de zwartwit-tv die we heel vroeger hadden mijn geheugen parten toen ik de broertjes vijf jaar geleden zo doopte. Of liever herdoopte, want de namen die de eigenares hun had gegeven pasten niet bij de beestjes. NAPOLEON en OSCAR. Idioot zware namen voor zulke dropjes. Mijn dochter kende de serie niet, maar vond de namen heel toepasselijk.

In het begin zagen we vooral overeenkomsten, het leek wel een tweeling, afgezien van hun neuzen. Maar later kwamen de verschillen steeds meer naar voren. Niet alleen moesten ze ieder een andere vader hebben gehad (dat kan bij katten, één worp kan het resultaat zijn van het sperma van diverse katers): de één een oosterse, de ander een westerse korthaar - maar ook hun karakters waren hemelsbreed verschillend. Snuf was ondernemend en dominant. Snuitje was angstig en volgde zijn broertje voorzichtig als de kust veilig leek. Het is flauw maar ik moet het schrijven: Hij keek eerst een tijd de kat uit de boom.

Een tijd geleden kochten we een grote krabpaal. Zo'n ontsierend element in je verder smaakvolle huis dat de kattenmens aanschaft met het idee 'alles voor die beestjes'. De toren eindigt in een met zachte stof bekleed plateau. Algauw zat Snuf erbovenop. Een ideale plek om meditatief, spiedend of verlangend naar buiten te turen. Snuitje keek op een afstandje toe hoe zijn grote (maar fysiek kleinere) broer met een sierlijke sprong op zijn troon plaatsnam; zelf bleef hij liever op terra firma. 

Tot op een dag Snuitje, heel wat maanden later, een omzichtige manier ontdekte - via de kast, achter de tv langs - om zonder roekeloos springen op die hoge plank te komen. Sindsdien is er een voortdurende strijd om de macht. Wie is de Top Cat van de dag? Snuf straft Snuitje af door tijdens hun wederzijdse wasbeurt zijn wimpers met zijn tanden te trimmen. Moeders doen dat ook om te voorkomen dat hun jongen te ver uitzwerven van het nest. Zonder die tastende sprieten zijn ze onzeker van hun gang. Maar Snuitje, gekortwiekt van oogharen, zette door. Ze passen er samen op, op die plank, maar dat gaat nooit lang goed. De troon is een twistpunt in de altijd zo hechte familie geworden. Heus geen Shakespeareaans koningsdrama. Soms wordt er een beetje gedold en wordt er wat gegromd of in het nekvel gebeten, maar meestal geldt: wie het eerst komt het eerst maalt. De ander druipt af en ligt ontevreden op het vloerkleed naar de zetel van macht te kijken alvorens in slaap te vallen.

In mijn bed gold een soortgelijke hiërarchie. We delen het bed eerlijk met ons drieën. Snuitje aan het voeteneind, Snuf op een plat donkergrijs kussen naast mijn hoofdeinde. Als mijn vriendin logeert schikken we allemaal een beetje in. Als ik 's nachts wakker word zie ik naast me het witte neusje van Snuf opgloeien onder het silhouet van twee zwarte puntmutsen. Ik aai zijn slapende gestalte even, hij piept verrast, en ik slaap gerustgesteld weer in.

Tot een week geleden. Ik werd wakker omdat ik moest plassen en keek naast me. De lange witte neusstreep die Snuitje aan zijn naam heeft geholpen zo goed als de sukkeligste van de twee rovers uit Pipo de Clown,  was duidelijk te zien in het donker. 'Hé,' zei ik, 'wat krijgen we nou? Wat doe jij hier? Dat hoort niet!' Snuf was nergens te bekennen. Die nam geen genoegen met een plaats aan het voeteneind en had het zich ergens anders in huis gemakkelijk gemaakt.

De volgende avond ging Snuf eerder dan anders op het grijze kussen liggen. Normaal komt hij pas als ik het licht heb uitgeknipt, vaak pas als ik allang slaap. Nu lag ik nog te lezen toen hij langs me heen trippelde en zich met een zucht oprolde. 

Een nieuw machtsspel is begonnen. Het is maar afwachten wie ik naast me vind, als ik 's nachts wakker word. Onzekere tijden, hoor.


dinsdag 3 november 2020

ALLERZIELEN


Mijn dochters zijn een week in Zeeland om eens lekker uit te waaien. In de loop van de komende stille dagen zal ik ze gaan missen, dat weet ik nu al. Maar voor een dag of twee is het wel fijn om het huis
helemaal voor je alleen te hebben, als je dat niet meer gewend bent. Gisteren was het Allerzielen. Ik besloot de feestdag in afzondering en contemplatie door te brengen en alle zorgen van onze tijd uit mijn agenda te schrappen. En ik wist precies hoe ik dat zou gaan doen.

Nadat ik 's middags boodschappen had gedaan sloot ik de deur met beide sloten. Ik verving mijn jeans door een oude pyjamabroek, stapte in mijn pantoffels en deed mijn schapenwollen vest aan. Ik trok de gordijnen dicht hoewel het nog schemerde. Nadat ik voorbereidingen voor het eten had getroffen zette ik een kaars op mijn bureau, stak die aan, schonk me een glas wijn in, stak een pijp op, gewoon binnen, tijd genoeg om te luchten, en toverde op mijn nieuwe iMac de gedichten van Louis Aragon tevoorschijn. Ik koos er een uit en begon te vertalen. Uit de keuken dreef de troostrijke geur van zachtjes pruttelende ragout. 

De liefdesverzen die Aragon in de jaren veertig voor zijn vrouw Elsa schreef passen perfect in deze sombere tijd. In de gedichten klinkt de oorlog mee en het verzet; de sfeer van angst en dreiging is nooit ver weg en de wereld is een gevaarlijke, onherbergzame plaats. Maar als een beschut en warm licht in die onherbergzaamheid is er de liefde voor Elsa, waarin de dichter de troost en veiligheid zoekt die in het openbare leven niet meer is te vinden.

Na een uur of twee stond een eerste versie van Les mains d'Elsa op het scherm. De geur van Bolognesesaus was inmiddels intens geworden. Ik blies de kaars uit en liet mijn computer sluimeren. Ruim op het tijd voor het achtuurjournaal, om toch nog even, van een veilige afstand en door een klein venstertje, naar het wereldgebeuren te gluren. Daarna lagen Mary Shelley's Frankenstein en Paulus en de eikelmannetjes op me te wachten.

ELSA’S HANDEN

Geef mij je handen om tot rust te komen

Geef mij je handen die ik in eenzaamheid

Zo vaak terugzag in benauwde dromen

Geef mij je handen tegen angst en spijt

 

Als ik ze veel te gretig heb omkneld

Mijn handpalm angstig haastig en beschroomd

Als ik ze vastpak als de sneeuw die smelt

En rondom van mijn koude handen stroomt

 

Zul jij ooit weten wat mijn rust verstoort

Wat mijn gemoed zo loodzwaar heeft beladen 

Zul jij ooit weten wat mijn hart doorboort

Wat ik toen ik versaagde heb verraden

 

En wat die diepe taal te zeggen heeft

Dat dierlijk stomme spreken van de zinnen

Zonder een blik die in weerspiegeling leeft

Dat woordeloze beven van het minnen

 

Zul jij ooit weten wat die vingers denken

Van hun maar even vastgehouden vangst

Zul jij ooit weten wat hun stille wenken

Herkennen wil van een verwante angst

 

Geef mij je handen voor mijn hart als wapen

Zodat de wereld stil is een moment

Geef mij je handen dat mijn ziel kan slapen

En dat mijn ziel een eeuwig slapen kent



vrijdag 30 oktober 2020

ARAGON


Het Heinrich-Heine-Institut uit Düsseldorf had mijn boekje De Lorelei en andere gedichten besteld. Drukker & uitgever Boris Rousseeuw stuurde me hun mail door en voegde er schertsend aan toe: 'Hoe voelt het om een succesauteur te zijn?'
'Heerlijk,' antwoordde ik. 'Ik ga gebloemde bloesjes dragen.' Met welk Reve-citaat ik bedoelde, dat ik naast mijn schoenen liep van trots. 'Over welke dichter zal ik me de volgende keer eens buigen?' voegde ik eraan toe, in dezelfde toon van scherts. Maar Boris ketste onmiddellijk terug, serieus nu: 'Louis Aragon. Volgens mij is die nog niet in het Nederlands vertaald.'

Met Heine leef ik al mijn hele leven, maar ik wist vrijwel niets van Louis Marie Alfred Antoine Aragon (1897-1982), behalve dat hij een surrealist was en zich later tot het communisme bekeerde. Ik bladerde wat in Wiki en pakte een oud schoolboek uit de kast waarin één gedicht van hem stond. Lastig, te meer daar Aragon geen leestekens gebruikt, maar te doen. Ik speelde enthousiast met de gedachte, verwierp hem even later moedeloos, pakte hem aarzelend weer op om hem van een andere kant te bezien. Waarom niet, dacht ik ten slotte, ik heb maar zo weinig te doen. Laat ik Aragon een kans geven, misschien weet hij me in te pakken en dan heb ik het nieuwe houvast waarnaar ik in deze onzekere tijden verlang.
Ik begon te vertalen, maar hield me daarbij streng voor, dat ik één proeve zou inleveren, en het daarna zou overlaten aan het oordeel van Boris. Tenslotte was die als Belg waarschijnlijk vertrouwder met het Franse idioom dan ik. Na een week stonden de twaalf coupletten van Vingt ans après op papier. Ik stuurde ze naar Boris met de vraag: 'Wat denk je, zal ik ermee doorgaan?'
'Mooi,' reageerde hij. 'Verder doen.'

Zo loop en zit en lig ik nu al twee weken cryptogrammen op te lossen. Want zo voelt het om poëzie te vertalen. Ik probeer te begrijpen wat de dichter wil zeggen met zijn soms vreemde metaforen, lees over de omstandigheden waarin het gedicht ontstond, vertaal eerst letterlijk, strofe voor strofe, verzamel dan geschikte rijmwoorden, en bouw steen voor steen het gedicht weer op in een andere taal, met behoud van ritme, rijm en zoveel mogelijk beelden en woorden uit het origineel. Dan begint het passen en meten, het schaven en polijsten. Te gekunstelde vertalingen moeten afgebikt, gladgestreken en gestuukt worden. Gemakzuchtige oplossingen moeten eruit. Het moet lekker lopen maar mag niet te veel jambisch dreunen, want dat doen het Frans ook niet. Ik word daarbij terzijde gestaan door twee boeken uit mijn vaders bibliotheek, en dat voelt goed. De dikke Franse Van Dale en Le Petit Robert liggen alwetend naast me, reusachtige boeken zijn dat. Aan bestaande vertalingen heb ik niet veel. Die zijn er nauwelijks, en de weinige die ik vind op internet (Engels, soms Spaans of Duits) zijn vaak vrij beroerd. Maar soms helpen ze me om een cryptische zin beter te begrijpen. En al die tijd scandeer ik Alexandrijnen in mijn hoofd. Als de puzzel eindelijk klaar is, voel ik bevrediging. Hoe letterlijker hoe beter. Totdat ik bij herlezing hevig ga twijfelen en terug naar het origineel moet gaan om een andere invalshoek te proberen. Volmaakte vertalingen zijn er niet. Het blijven benaderingen. Maar vertalen is zonder meer de meest indringende manier om poëzie te lezen. 


Geliefde o mijn liefde alleen jij bestaat
Dit trieste uur waarop de herfstzon ondergaat
Waarop ik evenzeer de draad van mijn gedicht
Ben kwijtgeraakt als die van ‘t leven zonder licht

Ik wilde nogmaals zeggen dat ik van je hou

Maar dat doet pijn als het gezegd wordt zonder jou


(Uit 'Vingt ans après')



dinsdag 27 oktober 2020

MEDUSA


Gisteravond was er weer eens fijne televisie. Harry Mulisch, schepper van zichzelf, een portret van de Schrijver samengesteld uit oud beeldmateriaal en interviews met intimi. De laatsten waren vooral leden van de Herenclub, een elitair gezelschap dat elke maandagavond bijeenkwam in Le Garage, het restaurant van televisiekok Joop Braakhekke, verderop bij mij in de straat - ik heb er Mulisch, goed gekleed en broodmager, menigmaal uit de tram zien stappen. Men kwam er samen om te eten en te drinken maar vooral om, onder leiding van voorzitter Mulisch, over Grote Kwesties te praten. Vrouwen waren er niet bij, want 'vrouwen is moeilijk': erotiek gaat een rol spelen, de mannen gaan zich als haantjes gedragen en dat leidt maar af. De grijze koppen die in hun eigen bibliotheek of in de sacrale werkkamer van Mulisch zelf werden ondervraagd door Coen Verbraak herinnerden zich die tijd van mannelijke suprematie met weemoed, dat kon je meteen zien, hoewel het romantische clair-obscur waarmee de documentaire is belicht misschien ook een rol speelde.
Ik smulde ervan, maar had na afloop toch een vreemd onbevredigd gevoel. Ik keek in mijn huis rond, liep mijn werkkamertje, mijn geliefde 'cockpit', binnen. Wat was het armoedig, rommelig! Niets van die serene, stijlvolle rust waarin Mulisch zijn oeuvre wrochtte. Want Mulisch 'wrochtte een oeuvre', daaraan liet hijzelf geen twijfel bestaan. Ik hoorde hem niet voor het eerst zeggen dat het schrijverschap nooit een bijbaantje kan zijn. Een schrijver moest alles opofferen voor zijn werk. Gezin, kinderen, vrouwen kwamen op de tweede plaats. Op de derde misschien zelfs, na de herenvrienden. 'Naar de Efteling? Natuurlijk ben ik daar nooit geweest. En mijn kinderen dus ook niet.' Mulisch, lacherig, tegen Sonja Barend. 
Onder invloed van de sfeer die hing rondom deze soevereine auteur, die in de geest van Goethe en Mann troonde over een intellectueel rijk van eigen makelij, dacht ik met minachting aan de schrijvende BN'ers van onze tijd, die het ernaast doen omdat het zo gekleed staat een roman te publiceren, of aan die modieuze veelschrijvers voor wie een roman het klokhuis is waaromheen een hele vrucht aan journalistieke of publicitaire bezigheden zwelt. Ik dacht aan die jonge onderzoeksjournalist die onlangs meldde geen tijd te hebben voor de beloofde bijdrage aan onze jaarlijkse bundel over Nieuw-West omdat hij met zijn debuutroman bezig was. Hij ook al, dacht ik meteen. Maar (en dat was de reden voor de ontevredenheid waarmee ik door mijn huisje dwaalde) ik dacht ook in diezelfde termen aan mijzelf. De artiest die geen metier kan kiezen, die zingend zwalkte van opera naar pop en terug en ook zo graag schrijver wil zijn, - was ik niet de eeuwige dilettant?
Om mezelf te troosten toverde ik het beeld van Charles Dickens tevoorschijn, die in tegenstelling tot Goethe nog steeds gelezen wordt. Dickens de familieman, organisator, workaholic en amateur-toneelspeler, die ongetwijfeld wél met zijn kinderen naar de Efteling zou zijn gegaan, als er in de negentiende eeuw zulk vermaak was geweest.
Maar echt helpen deed het niet en het is dan ook met enige moedeloosheid dat ik dit stukje tik. Mulisch is een soort Medusa: als je te lang in dat gezicht kijkt krijg je als vanzelf een writer's block. 


Illustratie: De herenclub, Marike Bok (1995)