Rookzanger heeft, daartoe verleid door romantische fantasieën over het mooie buitenleven der postbodes, een tijdelijk overschot aan vrije tijd en de hopelijk eveneens tijdelijke behoefte aan extra verdiensten (of misschien in een vlaag van verstandsverbijstering) zich aangemeld als decemberhulp bij de posterijen. De komende tijd doet hij daarvan verslag.
Dag 5.
Er is nog een andere reden waarom ik dit doe.
Een tijdje geleden ging ik met een reeks opgespaarde, vage klachten naar de dokter. Mijn huisarts is een rulle man, op het grove af, die tegen zijn pensioen aan zit en alles al een keer of wat te veel heeft gezien. Ik vind die rouwdouwerigheid wel prettig, het is of hij het lichaam en zijn kwalen niet helemaal serieus neemt en dat haalt de angel van dramatiek uit een doktersbezoek.
De meeste van mijn zorgen wuifde hij geruststellend boers weg.
‘Nou ik hier toch ben, vindt u die moedervlek op mijn rug ook niet….’
‘Nee! Dat is niks. Dat krijg je als je ouder wordt, heel gewoon.’
Mijn prostaat had ik tot een andere keer willen bewaren maar toen hij hoorde dat ik daar ook wat hypochondrische zorgen over had stelde hij monter voor er maar meteen even naar te kijken. Zo werd me een hoop gepieker bespaard want nu overviel het onderzoek me volledig. Voor ik het wist stond ik in mijn blote kont voorover gebukt. Het stelde niks voor - ik kan het alle angstige twijfelaars van mijn leeftijd aanbevelen. Geen pijn, zo gebeurd. En, belangrijker: ‘Een keurige prostaat!’ zei dokter terwijl hij zijn handen waste.
Het enige waar hij een moeilijk gezicht bij trok was mijn rechterknie. Toch maar een foto maken, besloot hij. Ik ging naar het laboratorium en een paar dagen later belde hij me met de uitslag: ‘Een heel klein beetje slijtage, niet noemenswaardig. Daar vond ik je ook nog wat jong voor. Eigenlijk niks aan de hand. Je moet het er maar mee doen.’
Ik moest het er maar mee doen, met dat lichaam. Maar erg goed ging ik er niet mee om, was mijn conclusie. Eigenlijk bracht ik mijn dagen toch vooral zittend door, achter beeldscherm en piano. Vaak in een slechte houding. Eén keer per week yoga was niet genoeg, blijkbaar, en mijn wandelingen waren ook te bezadigd. Sporten moest ik, maar ik heb de pest aan sport.
Dus toen het idee op mijn pad kwam om in december voor postbode te spelen speelde die overweging een rol: ik zou gedwongen worden elke dag een paar uur te lopen, te klimmen, te fietsen, te sjouwen en te slepen. Dat zou me goed doen.
Vandaag was er een hoop post, veel dom reclamedrukwerk, en ik deed er lang over. Na afloop had ik pijn in mijn rug en de bank lokte. Maar ik trok fluks de schoenen weer aan toen mijn dochter me eraan herinnerde dat we een kerstboom zouden gaan kopen. Die droeg ik zonder te klagen drie trappen op naar boven.
Dit was de vijfde dag, de eerste week, en ik geloof inderdaad dat het lichamelijke werk me goed doet. Het lijkt zelfs of mijn knie me minder last geeft. Maar misschien is dat omgekeerde hypochondrie.
zaterdag 13 december 2014
vrijdag 12 december 2014
Post Zuid (3)
Rookzanger heeft, daartoe verleid door romantische fantasieën over het mooie buitenleven der postbodes, een tijdelijk overschot aan vrije tijd en de hopelijk eveneens tijdelijke behoefte aan extra verdiensten (of misschien in een vlaag van verstandsverbijstering) zich aangemeld als decemberhulp bij de posterijen. De komende tijd doet hij daarvan verslag.
Dag 4.
Die Post bringt keinen Brief für dich, was drängst du denn so wunderlich, mein Herz?
Er gaat veel Schubert door me heen deze dagen. Vandaag vooral: ‘Dem Schnee, dem Regen, dem Wind entgegen, immer zu, immer zu! Ohne Rast und Ruh!’
Als ik van huis ga, goed ingepakt, mept de wind woest om zich heen. Mijn broek is al gauw doorweekt. Dit zat er natuurlijk in, tot nu toe heb ik mazzel gehad. Wat zou erger zijn, deze kletsnatte wind, of sneeuw, ijs en kou? Ik denk het laatste. Als het een beetje ‘meezit’ krijg ik nog de kans beide weertypes te vergelijken op postonvriendelijkheid.
Tijdens mijn loop blijft het gelukkig droog. Ik start alleen en neem de tijd om het straatbeeld in me op te nemen, me rekenschap te geven van waar ik me bevind en waar ik nu eigenlijk mee bezig ben. Het is prettig zo in stilte te lopen, in mijn eigen tempo, en brief voor brief dichter bij mijn einddoel te komen.
Maar halverwege het traject voegt Rob zich toch nog bij me. Ik moet een opwelling van chagrijn bedwingen en de schakelaar in mijn hoofd omzetten. Maar de sociale stand doet het nog goed en we besluiten de ronde in een uitstekend humeur. Met een sierlijk gebaar werp ik de laatste brief in de laatste brievenbus. Zo.
Rob geeft me een hand. ‘Gefeliciteerd, je bent nu officieel postbode.’
Thuis kleed ik me om. Ik was vergeten hoe lekker warme en droge kleren kunnen zijn.
(PS: Osenga (de hr./mevr.), als u dit toevallig leest, – uw kerstkaarten liggen bij 50 hs.)
Dag 4.
Die Post bringt keinen Brief für dich, was drängst du denn so wunderlich, mein Herz?
Er gaat veel Schubert door me heen deze dagen. Vandaag vooral: ‘Dem Schnee, dem Regen, dem Wind entgegen, immer zu, immer zu! Ohne Rast und Ruh!’
Als ik van huis ga, goed ingepakt, mept de wind woest om zich heen. Mijn broek is al gauw doorweekt. Dit zat er natuurlijk in, tot nu toe heb ik mazzel gehad. Wat zou erger zijn, deze kletsnatte wind, of sneeuw, ijs en kou? Ik denk het laatste. Als het een beetje ‘meezit’ krijg ik nog de kans beide weertypes te vergelijken op postonvriendelijkheid.
Tijdens mijn loop blijft het gelukkig droog. Ik start alleen en neem de tijd om het straatbeeld in me op te nemen, me rekenschap te geven van waar ik me bevind en waar ik nu eigenlijk mee bezig ben. Het is prettig zo in stilte te lopen, in mijn eigen tempo, en brief voor brief dichter bij mijn einddoel te komen.
Maar halverwege het traject voegt Rob zich toch nog bij me. Ik moet een opwelling van chagrijn bedwingen en de schakelaar in mijn hoofd omzetten. Maar de sociale stand doet het nog goed en we besluiten de ronde in een uitstekend humeur. Met een sierlijk gebaar werp ik de laatste brief in de laatste brievenbus. Zo.
Rob geeft me een hand. ‘Gefeliciteerd, je bent nu officieel postbode.’
Thuis kleed ik me om. Ik was vergeten hoe lekker warme en droge kleren kunnen zijn.
(PS: Osenga (de hr./mevr.), als u dit toevallig leest, – uw kerstkaarten liggen bij 50 hs.)
Post Zuid (2)
Rookzanger heeft, daartoe verleid door romantische fantasieën over het mooie buitenleven der postbodes, een tijdelijk overschot aan vrije tijd en de hopelijk eveneens tijdelijke behoefte aan extra verdiensten (of misschien in een vlaag van verstandsverbijstering) zich aangemeld als decemberhulp bij de posterijen. De komende tijd doet hij daarvan verslag.
Dag 3.
In de B.-straat komt een man geïrriteerd zijn huis uit, zwaaiend met een zojuist door mij bestelde brief. Een lange man, scherpe donkere ogen, ascetisch gezicht. In het raampje van zijn voordeur had ik een bronzen Ierse harp en een foto van de Dalai Lama gezien.
‘Daar heb ik nou zo’n pesthekel aan, als er post voor 1 hoog bij mij bezorgd wordt!’ vaart hij uit.
Ik verontschuldig me en zeg dat ik hem volledig begrijp. Maar we praten niet gelijkvloers, hoewel de attributen bij zijn voordeur suggereren dat we het een en ander gemeen hebben. Ik ben hier een ‘mannetje’, anoniem vertegenwoordiger van een log apparaat. Ik mag geschoffeerd worden. Ik vertel dat ik nog in de leer ben, een beginnende hulpsinterklaas, en hij bindt een beetje in. Maar een lachje kan er niet af.
‘Voor een aanhanger van de Dalai Lama moet hij nog veel leren,’ zegt Rob.
Ik waardeer zijn steun maar besluit naam, huisnummer én etage van de gestreste boeddhist nooit meer te vergeten.
Het weer houdt zich goed vandaag, afgaande op buienradar had ik erger verwacht. Winderig, ja, maar geen regen; een hemel van blauw email met grote wolkenpartijen, vuil grijs en gelig wit als op oude landschappen. Rob waarschuwt me voor de scherpe brievenbussen in de Hendrik Jacobszstraat en raadt handschoenen aan. Hij blaast op zijn vingers, hij heeft het kouder dan ik. Als ik daar iets van zeg neemt hij dat hoog op. Hij is gekleed op magazijnwerk vandaag, ik zal behalve mijn leren jas wel trui en T-shirt aanhebben. Ja, geef ik toe. Twee shirts zelfs, waarvan één met col en lange mouwen. Én een das.
In een antiquariaat op de hoek van de Valeriusstraat gaat hij naar binnen om zelf de post aan te reiken. Hij blijft een tijdje weg en ik zie hem geconcentreerd in stapels boeken neuzen. Het neemt me voor hem in. Ik besluit morgen datzelfde te doen, ik ben al een tijd niet meer in die winkel geweest.
Als we bijna bij ons uitgangspunt terug zijn vertelt Rob dat een aantal jaar geleden een lading Polen werd ingevlogen om de kerstpost te doen. Ze kenden geen woord Nederlands maar redden zich heel behoorlijk. Ik vertel dat de moeilijkste boeken van mijn vriend Geerten Meijsing vroeger in Oost-Europa werden gezet, omdat de zetters daar minder fouten maakten dan de landgenoten die wél konden lezen wat ze drukten. Rob begrijpt wat ik bedoel. Hij is blij, zegt hij, om na een reeks kneusjes weer eens iemand op te leiden die er aardigheid in heeft en die het werk serieus neemt. Hij wijst op de klok van de Agneskerk. ‘Je hebt er een half uur korter over gedaan dan de vorige keer. Ik heb gelukkig niet voor niets lopen opscheppen vanochtend.’ Een getalenteerde jongen die hij vorig jaar opgeleid heeft is inmiddels van tijdelijke kracht gepromoveerd naar volwaardig postbode, legt hij uit. ‘Als je niet gillend gek wordt van mijn geouwehoer dan leer je het vak op een grondige manier.’
‘Ik zal na deze initiatie de posterijen mijn leven lang een warm hart toedragen,’ zeg ik.
Maar in weerwil van mijn ironie voel ik me gevleid.
Dag 3.
In de B.-straat komt een man geïrriteerd zijn huis uit, zwaaiend met een zojuist door mij bestelde brief. Een lange man, scherpe donkere ogen, ascetisch gezicht. In het raampje van zijn voordeur had ik een bronzen Ierse harp en een foto van de Dalai Lama gezien.
‘Daar heb ik nou zo’n pesthekel aan, als er post voor 1 hoog bij mij bezorgd wordt!’ vaart hij uit.
Ik verontschuldig me en zeg dat ik hem volledig begrijp. Maar we praten niet gelijkvloers, hoewel de attributen bij zijn voordeur suggereren dat we het een en ander gemeen hebben. Ik ben hier een ‘mannetje’, anoniem vertegenwoordiger van een log apparaat. Ik mag geschoffeerd worden. Ik vertel dat ik nog in de leer ben, een beginnende hulpsinterklaas, en hij bindt een beetje in. Maar een lachje kan er niet af.
‘Voor een aanhanger van de Dalai Lama moet hij nog veel leren,’ zegt Rob.
Ik waardeer zijn steun maar besluit naam, huisnummer én etage van de gestreste boeddhist nooit meer te vergeten.
Het weer houdt zich goed vandaag, afgaande op buienradar had ik erger verwacht. Winderig, ja, maar geen regen; een hemel van blauw email met grote wolkenpartijen, vuil grijs en gelig wit als op oude landschappen. Rob waarschuwt me voor de scherpe brievenbussen in de Hendrik Jacobszstraat en raadt handschoenen aan. Hij blaast op zijn vingers, hij heeft het kouder dan ik. Als ik daar iets van zeg neemt hij dat hoog op. Hij is gekleed op magazijnwerk vandaag, ik zal behalve mijn leren jas wel trui en T-shirt aanhebben. Ja, geef ik toe. Twee shirts zelfs, waarvan één met col en lange mouwen. Én een das.
In een antiquariaat op de hoek van de Valeriusstraat gaat hij naar binnen om zelf de post aan te reiken. Hij blijft een tijdje weg en ik zie hem geconcentreerd in stapels boeken neuzen. Het neemt me voor hem in. Ik besluit morgen datzelfde te doen, ik ben al een tijd niet meer in die winkel geweest.
Als we bijna bij ons uitgangspunt terug zijn vertelt Rob dat een aantal jaar geleden een lading Polen werd ingevlogen om de kerstpost te doen. Ze kenden geen woord Nederlands maar redden zich heel behoorlijk. Ik vertel dat de moeilijkste boeken van mijn vriend Geerten Meijsing vroeger in Oost-Europa werden gezet, omdat de zetters daar minder fouten maakten dan de landgenoten die wél konden lezen wat ze drukten. Rob begrijpt wat ik bedoel. Hij is blij, zegt hij, om na een reeks kneusjes weer eens iemand op te leiden die er aardigheid in heeft en die het werk serieus neemt. Hij wijst op de klok van de Agneskerk. ‘Je hebt er een half uur korter over gedaan dan de vorige keer. Ik heb gelukkig niet voor niets lopen opscheppen vanochtend.’ Een getalenteerde jongen die hij vorig jaar opgeleid heeft is inmiddels van tijdelijke kracht gepromoveerd naar volwaardig postbode, legt hij uit. ‘Als je niet gillend gek wordt van mijn geouwehoer dan leer je het vak op een grondige manier.’
‘Ik zal na deze initiatie de posterijen mijn leven lang een warm hart toedragen,’ zeg ik.
Maar in weerwil van mijn ironie voel ik me gevleid.
Labels:
Amsterdam,
Geerten Meijsing,
literatuur,
portretten,
Post Zuid,
religie
woensdag 10 december 2014
Post Zuid (1)
Rookzanger heeft, daartoe verleid door romantische fantasieën over het mooie buitenleven der postbodes, een tijdelijk overschot aan vrije tijd en de hopelijk eveneens tijdelijke behoefte aan extra verdiensten (of misschien in een vlaag van verstandsverbijstering) zich aangemeld als decemberhulp bij de posterijen. De komende tijd doet hij daarvan verslag.
Dag 1.
Eerste verrassing, al had ik het kunnen weten: ook postbode blijkt een beroep te zijn, een ambacht zelfs, met de bijbehorende vaardigheden, do's and don'ts, handigheidjes en vuistregels. De man met wie ik deze eerste dag meeloop, Rob, een grijze vijftiger met een fris gezicht, is maar al te bereid mij deelgenoot te maken van zijn vaste gewoonten en me de redenen en voordelen daarvan uit te leggen. 'Hier loop ik altijd over het fietspad', 'je moet die bundel zo vast pakken, andersom, zoals jij het doet handigt niet'.
En zo kom ik mijn struikelblok in de omgang met mensen ongemerkt tegen, ook in deze bescheiden betrekking: het iedereen naar de zin willen maken, de beste leerling van de klas willen zijn. Het bezorgen van de post is ogenschijnlijk simpel, en zo had ik het ook graag gezien: je krijgt een stapel brieven en moet ervoor zorgen dat die in de juiste brievenbussen geschoven worden. Hoe je dat doet is jouw zaak. In de praktijk van deze eerste middag wordt het al gauw een mannending - de ervaren meester toont me zijn methode en ik doe die nederig na. Ik voel me een kleine jongen die schutterig een grote meneer imiteert. Hij glimlacht niet meewarig, daar is hij te aardig en te beschaafd voor, maar ik voel me alsof hij dat wél doet - als ik een fout maak, en bijna een envelop voor 2 hoog in de gleuf voor 3 hoog duw prikken zijn ogen in mijn rug.
De eerste tijd is het nog alsof ik een spelletje in de buitenlucht speel. Ik loop vrolijk mee en stel nieuwsgierige vragen over deze voor mij nieuwe wereld.
Maar na een uur of anderhalf (het licht mindert, we bevinden ons in een drukke winkelstraat) merk ik dat ik erin gezogen ben en mijn hoofd niet langer koel houd. Brievenbussen duizelen me, het is alsof ik hier altijd gelopen heb, gevangen in een eeuwig durende postloop 7508.
Thuis ben ik moe, ik heb hoofdpijn en pijnlijke voeten en ik krijg tijdens het mediteren mijn geest niet rustig. Nu de wereld van de postbezorger concreet voor me is geworden zijn er opeens talrijke zorgen. Hoe kom ik aan vingerloze handschoenen? Wat nou als het plenst, wordt dan de post niet zeiknat? Wat doe ik als de postkarretjes allemaal bezet zijn? Ik heb spijt dat ik eraan begonnen ben.
Dag 2.
Vandaag eerst gemediteerd, dan op de fiets voor de postronde, en niet andersom. Dat handigde niet zo.
In het kleine depot in de Veerstraat kijk ik eens rustig om me heen en alles lijkt een stuk overzichtelijker dan gisteren, ondanks de troep, zelfs met de enorme stapels Allerhande die vandaag bezorgd ('besteld') moeten worden. Ik kies een karretje, vul mijn tassen en ga alvast op pad; Rob had me gezegd om zonder hem te vertrekken als hij er nog niet was. Ik loop rustig naar mijn wijk, begin, daar aangekomen, met de bovenste poststukken, kijk goed uit en gebruik mijn gezond verstand, en zo gaat het eigenlijk allemaal probleemloos. Een vlaag regen verdrijft even de zon maar het deert me niet. Ik begin me nu werkelijk een beetje de Schubertiaanse brievenbesteller van mijn fantasie te voelen, onthecht en monter stappend door de oude straten van een ommuurde stad.
Maar daar is een stem achter me. Ik kijk om en groet Rob, kaarsrecht achter zijn fiets, vandaag van een zonnebril voorzien. Even later moet ik ('Ho! Time out!') luisteren naar uiteenzettingen over de handigste manier om huis-aan-huispost op te vouwen en de beste omgang met onwillige of zelfs kwaadaardige brievenbussen. Ik slaag erin aandachtig te luisteren, mijn sociale zelf geeft deemoedig complimenten om zoveel vernuft en zoveel ervaring, maar ondertussen blijf ik geconcentreerd op de bundel brieven in mijn linkerhand ('Je bestelt met rechts'), en schroom ik ook niet kritische en persoonlijke vragen te stellen. Niet ontevreden over mezelf vandaag.
Bij de bakker tegenover het depot koop ik een Waldkornbol met Old Amsterdam. Aan de nadrukkelijke manier waarop het meisje mijn bestelling herhaalt merk ik dat ze nieuw is. Terwijl ze begint te smeren doet een oudere collega haar voor hoe je een mes (aan je schort?) afveegt. Ik lach naar haar, we hebben iets gemeen, al weet zij dat niet.
(Illustratie: Carl Spitzweg, 'Briefbote im Rosenthal')
Dag 1.
Eerste verrassing, al had ik het kunnen weten: ook postbode blijkt een beroep te zijn, een ambacht zelfs, met de bijbehorende vaardigheden, do's and don'ts, handigheidjes en vuistregels. De man met wie ik deze eerste dag meeloop, Rob, een grijze vijftiger met een fris gezicht, is maar al te bereid mij deelgenoot te maken van zijn vaste gewoonten en me de redenen en voordelen daarvan uit te leggen. 'Hier loop ik altijd over het fietspad', 'je moet die bundel zo vast pakken, andersom, zoals jij het doet handigt niet'.
En zo kom ik mijn struikelblok in de omgang met mensen ongemerkt tegen, ook in deze bescheiden betrekking: het iedereen naar de zin willen maken, de beste leerling van de klas willen zijn. Het bezorgen van de post is ogenschijnlijk simpel, en zo had ik het ook graag gezien: je krijgt een stapel brieven en moet ervoor zorgen dat die in de juiste brievenbussen geschoven worden. Hoe je dat doet is jouw zaak. In de praktijk van deze eerste middag wordt het al gauw een mannending - de ervaren meester toont me zijn methode en ik doe die nederig na. Ik voel me een kleine jongen die schutterig een grote meneer imiteert. Hij glimlacht niet meewarig, daar is hij te aardig en te beschaafd voor, maar ik voel me alsof hij dat wél doet - als ik een fout maak, en bijna een envelop voor 2 hoog in de gleuf voor 3 hoog duw prikken zijn ogen in mijn rug.
De eerste tijd is het nog alsof ik een spelletje in de buitenlucht speel. Ik loop vrolijk mee en stel nieuwsgierige vragen over deze voor mij nieuwe wereld.
Maar na een uur of anderhalf (het licht mindert, we bevinden ons in een drukke winkelstraat) merk ik dat ik erin gezogen ben en mijn hoofd niet langer koel houd. Brievenbussen duizelen me, het is alsof ik hier altijd gelopen heb, gevangen in een eeuwig durende postloop 7508.
Thuis ben ik moe, ik heb hoofdpijn en pijnlijke voeten en ik krijg tijdens het mediteren mijn geest niet rustig. Nu de wereld van de postbezorger concreet voor me is geworden zijn er opeens talrijke zorgen. Hoe kom ik aan vingerloze handschoenen? Wat nou als het plenst, wordt dan de post niet zeiknat? Wat doe ik als de postkarretjes allemaal bezet zijn? Ik heb spijt dat ik eraan begonnen ben.
Dag 2.
Vandaag eerst gemediteerd, dan op de fiets voor de postronde, en niet andersom. Dat handigde niet zo.
In het kleine depot in de Veerstraat kijk ik eens rustig om me heen en alles lijkt een stuk overzichtelijker dan gisteren, ondanks de troep, zelfs met de enorme stapels Allerhande die vandaag bezorgd ('besteld') moeten worden. Ik kies een karretje, vul mijn tassen en ga alvast op pad; Rob had me gezegd om zonder hem te vertrekken als hij er nog niet was. Ik loop rustig naar mijn wijk, begin, daar aangekomen, met de bovenste poststukken, kijk goed uit en gebruik mijn gezond verstand, en zo gaat het eigenlijk allemaal probleemloos. Een vlaag regen verdrijft even de zon maar het deert me niet. Ik begin me nu werkelijk een beetje de Schubertiaanse brievenbesteller van mijn fantasie te voelen, onthecht en monter stappend door de oude straten van een ommuurde stad.
Maar daar is een stem achter me. Ik kijk om en groet Rob, kaarsrecht achter zijn fiets, vandaag van een zonnebril voorzien. Even later moet ik ('Ho! Time out!') luisteren naar uiteenzettingen over de handigste manier om huis-aan-huispost op te vouwen en de beste omgang met onwillige of zelfs kwaadaardige brievenbussen. Ik slaag erin aandachtig te luisteren, mijn sociale zelf geeft deemoedig complimenten om zoveel vernuft en zoveel ervaring, maar ondertussen blijf ik geconcentreerd op de bundel brieven in mijn linkerhand ('Je bestelt met rechts'), en schroom ik ook niet kritische en persoonlijke vragen te stellen. Niet ontevreden over mezelf vandaag.
Bij de bakker tegenover het depot koop ik een Waldkornbol met Old Amsterdam. Aan de nadrukkelijke manier waarop het meisje mijn bestelling herhaalt merk ik dat ze nieuw is. Terwijl ze begint te smeren doet een oudere collega haar voor hoe je een mes (aan je schort?) afveegt. Ik lach naar haar, we hebben iets gemeen, al weet zij dat niet.
(Illustratie: Carl Spitzweg, 'Briefbote im Rosenthal')
Labels:
Amsterdam,
mindfulness,
Post Zuid
dinsdag 9 december 2014
Rookzangers notitieblog (16)
Vannacht werd ik wakker uit een heldere en prettige droom. Hoofdpersoon was een oud-leerling van me, die nu een antiekwinkel in de Nieuwe Spiegelstraat runt en regelmatig in Tussen kunst en kitsch te zien is als expert op het gebied van historisch glaswerk. In het huis dat zij bewoonde aan de rand van de stad, die in mijn droomversie een landelijke uitloper was, een kruising tussen de Plantage-buurt, het Spaarne en een zeventiende-eeuws schilderij, was de tuin omzoomd door een spelthaag. Dit type heg was woest krullerig en doornig, donkerbruin, bijna zwart van tint.
Op zeker moment ging het beleefde verhaal over in een geschreven verhaal. Zo duidelijk als ik nu de krant voor me zie las ik het vervolg, door mijn leerling opgeschreven. Ik las kritisch: ik vond dat er een witregel moest staan in plaats van een inspringing, bij de alinea waarmee het begon.
"Er was een jaar voorbijgegaan. Een jongen boog zich wat dieper over zijn fiets. Maar in Geul-Ruel, waar de 'vereniging tot behoud van de laurier' (die er inheems was) zich bevond........"
En dan volgde er een even verrassende als vanzelfsprekende mededeling, die ik meteen wilde noteren omdat ik haar verteltechnisch briljant vond, maar die ik me nu, in het heldere licht van deze blauwe dinsdag, op geen enkele wijze meer te binnen weet te brengen.
Misschien is er een meesterwerk verloren gegaan door mijn luie onwil om het bedlampje aan te knippen. Het zal haast wel niet, maar hoe mijn droom-ik de gebeurtenissen in Geul-Ruel kon koppelen aan die spelthaag, daar ben ik wel razend benieuwd naar.
vrijdag 5 december 2014
Rookzangers notitieblog (15)
O, de nachtelijke ruimten van de kindertijd! De stille, geheimzinnige kamers en gangen van een slapend huis in het donker, waaruit het dagelijks leven zich heeft teruggetrokken en die, aan zichzelf overgelaten, een eigen leven lijken te bezitten. Zo snel mogelijk liep ik erdoorheen, op weg van mijn bed naar de wc. Later, toen ik meer begreep en minder bang was, dwaalde ik er juist verwonderd in rond: de vage glans die de roerloze, onaangeraakte en onaanraakbare huisraad in het maanlicht had spiegelde me allerlei vormeloze fantasieën voor en riep gevoelens in me wakker waarvoor ik geen woorden had kunnen vinden. Complexe gevoelens van liefde, macht en mogelijkheden.
Een paar nachten geleden overkwam het me weer. Ik kwam van de wc en liep door mijn gangetje. Opeens was dat meer dan een neutrale ruimte. De muren leken te zwijgen. Echt, het was alsof ze zouden kunnen spreken, maar verkozen het niet te doen, en wat ze te zeggen hadden liever voor zich te hielden. Mijn voeten kleefden aan het zeil, dat geen zeil was zoals vroeger, maar imitatie hout. Warmer, minder koel. Het was een prettige, een beetje plechtige sensatie, waardoor die kleine, beperkte ruimte plotseling uitdijde (niet kromp!) en vol tot dan toe verborgen betekenis was. Er ging niets dreigends vanuit zoals in het geval van de bezielde kamer van Poe of de kwaadaardige lift van Dick Maas, maar toch was ik met z’n tweeën op dat moment, niet alleen: ik was er, en er was de gang, die om mij heen was, en zich bewust was van mij.
Het duurde maar even, toen was de betovering verbroken. Het zal wel geweest zijn omdat ik koortsig was, koorts veroorzaakt een soort kortsluiting in de geest die rare dwarsverbanden legt. De volgende dag werd ik één moment zielsgelukkig door het bekijken van de foto van een boomkikker.
dinsdag 2 december 2014
Rookzangers notitieblog (14)
Op de verjaardag van de kok ontmoette ik een studiegenoot, inmiddels was ze oma. We herinnerden ons hoe we Brahms hadden gespeeld, quatre-mains. De kok frituurde octopus voor in de vissoep, we moesten hard praten om boven het sissen uit te komen. Ze zei dat ze mijn boek had gelezen, een warme hand landde op mijn arm, kneep er even in. ‘Dapper,’ zei ze.
Eerst voelde ik me verlegen, ongemakkelijk. Als zanger word je op je prestatie aangesproken, nu werd ikzelf geprezen, om wie ik was, en dat was even wennen. Maar ik werd er ook rustig van: geen uitweg mogelijk, geen weg terug - quod scripsi, scripsi.
Iemand met mijn levenservaring zou jonge zangers moeten coachen, zei ze. De kok serveerde de vissoep uit. Ik kauwde peinzend op de inktvis. Coachen! Een grijze eminentie die het jonge spul de weg wijst. Maar waarnaartoe dan? Grijnzend lepelde ik de soep, die lekker hartig was. Ik had nog een hele toekomst voor me.
*************************************************************************************************
Pas verschenen: Bankjeszomer. Bankjeszomer is een uitgave van Uitgeverij Flanor.
U kunt het boek bestellen door 17,50 over te maken op NL85.INGB.0680.2522.15 van W.S. Huberts te Nijmegen onder vermelding van NR. 81, Bankjeszomer.
Vergeet niet uw naam en adres te vermelden.
U krijgt het dan zo spoedig mogelijk thuisgestuurd.
Abonneren op:
Posts (Atom)




.jpg)