dinsdag 4 augustus 2015

De kat die een mens wilde zijn


1.

Ik weet niet waarom katten zo tot de verbeelding spreken. De mijne doet dat in elk geval niet. Hij spreekt tot mensen, maar niet tot de verbeelding. Niets heeft hij van de helse, nachtzwarte schepsels van Edgar Poe of Stephen King, en hij is zeker niet behekst. Of het moest bij volle maan zijn. Zijn kleur is onbestemd, een vaal mengsel van grijs en geel en roestig bruin, met hier en daar een toefje oranje, hij heeft een witte bef en witte voeten, een naar verhouding te korte staart, en de zwarte strepen van zijn cyperse moeder. Tijger, heet hij dan ook. Of liever zij, zoals ik van mijn dochters moet zeggen. Voortaan zal ik, om niet steeds bij het schrijven de bestraffende stemmen van mijn dochters te horen, die geslachtelijke precisie respecteren. Want een verhaal valt over Tijger wel te vertellen.

We hadden, na een katloos tijdperk, in een dierenwinkel aan het Osdorpplein in Amsterdam Nieuw-West een katje gekocht. Mijn vrouw had een allergie voor katten ontwikkeld, dus toen onze laatste kat aan een hartkwaal was bezweken hadden we besloten geen nieuwe meer te nemen. Maar toen werd het winter. We woonden in een bovenhuis in Oud-Zuid. De muizen, die zich anders afzijdig hielden, zochten de warmte en de etensresten van onze etage op. Dus het was kiezen tussen het slikken van anti-allergiepillen en slapeloze nachten. Toen de muizen in cohorten van tien schril piepend rondom en over ons bed begonnen te rennen, lange neuzen makend in het voorbijgaan, hakten we de knoop door.
Het verweesde diertje aan het Osdorpplein stal ons hart. Het zat bibberend in een kooitje, broertjes en zusjes waren al verkocht. Iedereen had ons gewaarschuwd geen kat in een dierenwinkel te kopen, wegens het risico van besmettelijke ziekten die in zo’n zaak vrij spel hebben, maar aan dit hoopje ellende dat ons met smekende ogen toe miauwde konden we onmogelijk weerstand bieden. De kinderen doopten hem Siepie.

Siepie was zwart, met een paar witte vlekjes op niet symmetrische plaatsen. De eerste dagen hield hij zich schuil onder een stoel.
Toen hij schoorvoetend tevoorschijn kwam bleek dat we ons niet vergist hadden. Het was een aandoenlijk beestje. Niet alle jonge katjes zijn dat. Sommige stappen parmantig en zelfverzekerd door hun nieuwe omgeving, en lijken al bij voorbaat een inventaris op te maken van de mogelijkheden die het interieur biedt om de dagen zo lui en comfortabel mogelijk door te brengen. Siepie was ontredderd en uiterst behoedzaam. Het minste onverwachte geluid of een plotselinge beweging deden hem terug onder de stoel schieten.
Maar hij wende aan ons en ons huis. Als de kinderen hem oppakten en op schoot namen begon hij te spinnen met een geluid dat je uit zo’n schriel lichaampje niet verwachtte. Hij deed alle kunstjes die van jonge katjes verwacht worden: op vier poten plotseling een halve meter de lucht in springen, zijn eigen staart achterna zitten, als een bezetene achter willekeurig welke kleine en zinloze voorwerpen aan rennen.
Siepie was tevreden, en wij ook. Muizen vangen zou hij later wel leren.

Na drie maanden werd Siepie ziek. Hij kroop weg onder de stoel die hem in die eerste dagen veiligheid had geboden, en als hij naar de keuken ging om wat te eten of de kattenbak te bezoeken wankelde hij. We namen de koorts op: 41.5.
Ik belde mijn neef, die dierenarts is. Onder ons geldt het oude adagium Latijn betaalt geen Latijn, of in dit geval ‘familie betaalt geen familie’. Ik help mijn neef wel eens met een liedje waar hij niet uitkomt (hij hoopt ooit nog eens een beroemd muzikant te worden) en hij komt na het sluitingsuur van zijn praktijk desgevraagd op huisbezoek. Ik zorg dan dat er een fles Jameson klaar staat.
Hij onderzocht het katje en keek zorgelijk.
‘Ik zal hem een spuit paracetamol geven. Maar als hij in een paar dagen niet opknapt moet je even langs de praktijk komen. Het kan een buikvirus zijn. Het VIP-virus. Komt nogal eens voor in dierenwinkels.’
‘Is dat erg?’ vroeg ik.
‘Ja, dat is dodelijk. De darmen verkleven. Geen leuk einde. Ik zou hem dan een spuitje moeten geven.’
Inderdaad had Siepie een rare opgezwollen buik, dat had mijn neef natuurlijk ook allang gezien, maar hij wilde ons blijkbaar niet meteen het slechte nieuws melden.
We hoopten tegen beter weten in, want met Siepie ging het de dagen daarna niet beter, alleen maar slechter. Hij at niet meer en op weg naar de kattenbak viel hij om.
Rillend van de koorts liet hij zich zonder verzet in een mand stoppen.

2.

Het adres waar we het nieuwe katje ophaalden was een ruime, rommelige benedenwoning in Zuid. De gang rook vaag naar kattenpis. Al gauw bleek waarom: het huis krioelde van die beesten. Door een kattenluikje gingen een paar halfwassen exemplaren de verwilderde binnentuin in en uit. Op een hoge kruk zetelde (er is geen ander woord voor) een reusachtige oude kater, die gramstorig en onbeweeglijk het onrustige gedoe van de jeugd gadesloeg met spleetjes van ogen, waarboven bossen grijze haren uitstaken. Dat was de oom van onze aanstaande huisgenoot, zei de eigenares, die een afwezige, wat verwarde indruk maakte. Oom kwam alleen in geval van hoge nood van zijn plek. Zijn jongere zuster had haar kraambed in de huiskamer. Een forse cyperse, met een worp van vijf om zich heen, vechtend om haar tepels. Ze leken sprekend op elkaar. Moeilijk kiezen, maar de kinderen vonden na veel ‘o wat schattig’ en na het voorzichtig op de hand wegen van de kleintjes toch een criterium om er één leuker te vinden dan de andere. Die ging mee naar huis. Het was die dag Sinterklaas, en dit was hun mooiste cadeau. Pakjesavond bracht het kleine tijgertje onder dezelfde stoel door als zijn ongelukkige voorganger.

In zekere zin was het nieuwe katje een teleurstelling. Hij was lang niet zo gewillig als Siepie. Spinnen deed hij niet. Hij scharrelde wat verloren door ons huis, met kleine stem miauwend zonder te vinden wat hij zocht: zijn talrijke familieleden. Ons zag hij nauwelijks, maar vreemd genoeg intimideerden we hem (haar, moet ik zeggen) ook niet. In het huis waar ze vandaan kwam speelden mensen blijkbaar een ondergeschikte rol.
Tijger, zoals ze al gauw gedoopt was (weinig origineel, onze kattenoppas had er twaalf in haar clientèle), werd groter en schikte zich in de nieuwe toestand, maar toeschietelijker werd ze niet. Een boerderijkat op een bovenhuis. De kamers waren haar te klein, het balkon durfde ze niet op, ook niet toen het lente werd en prikkelende geuren vanuit de openstaande balkondeuren het huis binnenwaaiden en door haar nieuwsgierig werden opgesnoven. Krolse katten jankten in de tuinen beneden, ze spitste haar oren. Verder zweeg ze en ging haar eigen gang.

Toen ze een jaar oud was begon haar eenzelvigheid vreemde vormen aan te nemen. Ik weet dat dierenliefhebbers te gauw geneigd zijn om hun hond of kat menselijke trekjes toe te schrijven en ik wil me daar niet aan schuldig maken. Maar voor Tijgers toestand was maar één verklaring.
Ze had plotselinge buien van woeste activiteit, waarin ze grommend door het huis raasde, tegen muren en meubels opvloog en haar nagels in je zette als je probeerde haar te kalmeren. Na zo’n aanval kon ze dagenlang mat voor zich uit zitten kijken. Zelfs haar oorschelpen bewogen niet als je haar riep. Ze werd mager en haar vacht werd dof en viel uit. Ze maakte zich er niet beminder door, maar een huisdier heeft ook niet om zijn gastgezin gevraagd, dus enige compassie had ze wel verdiend.
‘Dat beest is depressief. Manisch-depressief zelfs,’ zei ik tegen mijn vrouw toen we op een stormachtige avond wijn zaten te drinken en naar muziek luisterden. Tijger zat midden in de kamer in haar eigen, sombere wereld. Het loeien van de storm ging langs haar heen, de muziek (Puccini) ook, onze gesprekken al helemaal. Ze keek nietsziend voor zich uit. Toen ik naar de keuken liep om een nieuw glas witte wijn in te schenken struikelde ik bijna over haar. Ze verroerde geen vin.
‘Dat beest is eenzaam. Hij komt uit een huis vol soortgenoten. Het is geen mensenkat. We zouden er eigenlijk een katertje bij moeten nemen, zodat ze een nest jongen kan krijgen. Misschien helpt dat,’ stelde mijn vrouw voor. ‘Ik slik wel een pilletje extra.’
Ik zweeg verrast. Mijn vrouw hield eigenlijk helemaal niet zo van katten.

3.

Het katertje was knaloranje. Net als Tijger getekend met de strepen van zijn wilde voorouders, alleen waren die roestbruin. Hij had de meest ronde, verbaasde, onschuldige ogen die je je voor kon stellen. Melkblauwe knikkers. De kinderen waren in hun Starwars-periode, dus Obi Wan Kanobi kwam op bij het brainstormen over een goede naam. Te lang, maar het eerste deel klonk goed. Obi, werd het dus.
Obi was een verschrikkelijke sul en had een heilige vrees voor zijn chagrijnige hospita, maar toen hij geslachtsrijp werd deed de natuur haar werk. Op een lenteavond tijdens het eten werd Tijger onder de tafel in de nek vastgegrepen en deed Obi zijn wil met haar. Zijn wil? Van wil kon geen sprake zijn. Het ging volledig buiten hem om, en de korte, onhandige paring was nog niet voorbij of hij schoot verbijsterd en verward weg om de woede van Tijger te ontlopen. Sindsdien is er iets veranderd in zijn ogen. Die onschuldige blik is nooit teruggekomen.

Tijger wierp vier jongen. Een ondermaats zwart-wit katje, werknaam Napoleon, dat niet levensvatbaar bleek, verstoten werd door zijn praktische moeder en een graf kreeg onder een boom aan de Reinier Vinkeleskade, een beestje met een prachtige schildpadtekening maar met een waterhoofd, dat tijdens onze afwezigheid door het gewicht van zijn eigen kop voorover tuimelde van de eettafel en zijn nek brak, en twee miniatuur Tijgers, broer en zus. Na veel wikken en wegen besloten we het mannetje te houden, een beslissing waar we nog altijd spijt van hebben. Maar dat is een ander verhaal dat hier onvermeld moet blijven. Ik noem alleen zijn naam: Dikkie. Als je die vadsige gesneden kater nu ziet, die met zijn etensbakje rammelt omdat zijn moeder dat ook doet, maar alleen niet begrijpt dat zoiets met een vol etensbakje nergens toe dient, zou je niet zeggen dat het hetzelfde wezen is, dat zich over zijn toen al prominente buikje liet aaien terwijl hij lui achterover lag op de oranje flank van zijn vader.

Tijger bleek een voorbeeldige moeder. Weg was de somberheid, haar bestaan was vol en ze moest ogen en oren open houden om bedreigingen van de kant van de biologische vader tijdig te onderkennen. Maar Obi keek wel beter uit. Die hield zich zo ver mogelijk uit de buurt van moeder en zoon (zusje had inmiddels een ander onderkomen gevonden). Als nummer drie in de pikorde sloop hij pas naar zijn etensbakje als de andere twee de keuken hadden verlaten. Maar toen de dreiging die al die tijd in de lucht had gehangen onverwachts vorm kreeg doordat iemand op Dikkie’s staart trapte en hij een ijselijke kreet slaakte, kreeg Obi de klappen. Als een furie zat Tijger hem achterna, razend, grommend en blazend, nagels op scherp, ogen vlammend. Het hele huis ging het door. Onder ons bed liet Obi piepend van angst een paar drollen vallen. Nog dagen lang hebben ze onheilspellend naar elkaar zitten janken.

Ook mijn vrouw was een voorbeeldige moeder. Ook dat is een ander verhaal. Kort samengevat: toen de kinderen groter werden en minder zorg nodig hadden donderde een allang bouwvallig huwelijk (de scheuren had ik niet gezien) binnen de kortste keren in elkaar. Mijn vrouw vertrok en ik bleef achter met kinderen en katten.
De zorg voor haar nageslacht ging over in de zorg voor ons. Tijger voelde zich te goed voor die andere twee simpele dieren, en begon haar aandacht naar boven te richten, naar de reuzen die het voedsel distribueerden. Ook in ons groepje herkende ze intuïtief een pikorde. Ze mikte op mij, maar mikte daarmee te hoog. Ik had het oude beeld van de humeurige, afstandelijke kat nog helder voor ogen, en deze nieuwe aanhankelijkheid en het opdringerige vragen om aandacht ergerden me. Mijn zoon negeerde de katten en daarmee was dat wederzijds. Hem liet Tijger als hopeloos geval buiten beschouwing. Nee, dan mijn oudste dochter! Die wilde niets liever dan haar aaien en knuffelen. Dus als ze van mijn schoot was weggeduwd ging ze voor second best en liet zich kopjes gevend door haar verwennen. Vroeg of laat speelde haar oude nukkigheid op en wrong ze zich los, maar dat moment kwam steeds later. Praten deed ze toen nog niet, voor zover ik me kan herinneren.
Met mijn jongste dochter lag het ingewikkelder. Ook zij wilde niets liever dan Tijger zoveel mogelijk oppakken en aanhalen, maar als laagste in de hiërarchie had ze niet genoeg te bieden. Tijger moest van haar liefkozingen weinig hebben en soms kwamen aan de weigering nagels te pas.
Met haar zuster ontwikkelde ze iets wat ik alleen maar als empathie kan omschrijven. Als ze ergens mee zat, verdrietig was of zich niet lekker voelde, sprong Tijger op haar schoot en begon haar miauwend kopjes te geven. Miauwend, nog, maar het miauwen begon meer en meer in toonhoogte en geluidssterkte te verschillen. Dat ging zo geleidelijk dat het toen niet echt tot me doordrong. Katten miauwen nu eenmaal, de een meer dan de ander. Obi zweeg als het graf, behalve als hij heel erge honger had en er een dampende rollade op tafel kwam – dan bleek hij een stemmetje te hebben, net zo angstig en onschuldig als die ogen van hem.
Het was een zangleerlinge die me erop wees. Ze kwam voor het eerst bij me thuis en haalde Tijger aan, die op de vleugel zat te peinzen. Ze reageerde met een verraste serie schorre geluiden die op een grillige melodie leken. ‘Hé! Jullie hebben een pratende kat,’ zei mijn pupil. En zo was het.
Als ik de sleutel in het slot stak hoorde ik haar al achter de deur. Gewoon, als een normale kat. De klank die in alle talen gelijk wordt weergegeven: Engelse katten zeggen meeow, Italiaanse mi-a-u. Maar ik was nog niet binnen en groette haar, of ze antwoordde met die aaneengeschakelde, elkaar vlug op volgende, krakerige geluiden, die al modulerend zinnen leken te vormen. Als ik iets terugzei diende ze me prompt van repliek. Dat ging net zo lang door tot ik zweeg. Dan leidde ze me doorgaans naar de keuken, waarbij ik moest oppassen niet over haar te struikelen, om me te wijzen op de etensbakjes. Had ik die gevuld, dan trok ze zich terug en keek toe hoe de andere twee gulzig aten. Zelf was ze geen grote eter, maar blijkbaar voelde ze zich verantwoordelijk voor de rest. Alleen als ze uitgehongerd was ging zij als eerste aan de slag en blies en gromde laag uit haar keel naar Obi en Dikkie, die geschrokken terugdeinsden en het verstandiger vonden om op hun beurt te wachten, hoe zwaar dat die dikzakken ook viel.

4.

Mijn vriendin voerde ook meteen hele gesprekken met Tijger. Ik deed dat meestal in kattentaal maar zij hield het bij Nederlands. Wel met het hoge stemmetje dat bij de eenzijdige conversatie met dieren en baby’s hoort. Tijger scheen het uitstekend te begrijpen.
De introductie van mijn vriendin in ons huishouden maakte Tijger alert. De hiërarchie moest opnieuw worden bepaald. Wat was haar positie erin? Deze nieuwe mens was duidelijk niet dezelfde als het vroegere vrouwtje. Mijn ex was van een ander, zwaarder kaliber. Onder haar bewind was de slaapkamer taboe geweest voor de katten. Al bij de eerste voortekenen van onze naderende nachtrust glipte Tijger onder ons bed. Het uitknippen van een lichtje, het pakken van een tandenborstel of het laag draaien van de verwarming was al genoeg. Ze schoot weg, wilde bij óns horen en niet bij die andere twee, en liet zich alleen met de grootste moeite onder het bed vandaan krijgen. Een dagelijkse strijd op een moment waarop je daar het minst zin in had. Toen ik na onze scheiding het tweepersoonsbed alleen besliep liet ik de deur meestal open. Tijger nestelde zich dan aan het voeteneind en liet me verder met rust.
De eerste keer dat mijn vriendin officieel (dus met medeweten van de kinderen en in hun aanwezigheid) bleef slapen nam ze aanvankelijk ook haar vaste plek weer in, maar zodra het bedlampje uitging en onze stemmen zwegen kroop ze stroomopwaarts en positioneerde zich luid spinnend en genotzuchtig spittend tussen onze hoofden, alsof ze de plaats van mijn vriendin betwistte en zichzelf een gelijke rangorde toedichtte. Onder druk protest liet ze zich terugduwen, het bed was te klein voor drie. Telkens als een van ons zich oprichtte om een slok water te drinken of opstond om naar de wc te gaan, deed ze een nieuwe poging, voordat ze zich definitief schikte in de door ons gedoogde ménage à trois: een driehoek met Tijger aan de laagste punt.

De volgende dag sliep ik weer alleen. Tijger aan het voeteneind. Ik las nog een paar bladzijden, dronk mijn night cap, doofde mijn sigaret en knipte het leeslampje uit. Tandenpoetsen deed ik in die tijd niet.
Toen ik bijna sliep hoorde ik een zacht ritmisch geluid. Ik keek naar rechts en zag een silhouet dat een brug spande tussen de rechterzijde van het bed en het nachtkastje. Tijger, die met klakkende tong uit het waterglas van mijn vriendin dronk, dat daar nog halfvol stond.
Toen ze haar dorst gelest had betrad ze kalm het lege kussen naast mij en rolde zich daar behaaglijk op. Klaar voor de nacht.

1 februari 2007

[Ter herinnering aan Tijger (1997-2015), Dikkie (2000-2013), en Siepie (1997)]

1 opmerking:

Daniël zei

Bedankt! Mooi verhaal! Goed dat je het van de vernietiging hebt kunnen redden.
't Heeft een tijd geduurd voordat ik het vandaag heb gelezen, maar ik wilde er de tijd voor nemen.

Overigens heet één van mijn katten ook Tijger. :)