Hoewel hij met sportpet en zonnebril goed vermomd was herkende ik hem meteen. Nog voor ik hem gezien had eigenlijk al; aan die zachte, lage stem, die traag opwelt uit zijn borst, die weloverwogen formuleert, met een ingehouden gniffel die af en toe naar buiten breekt in een krakende lach - zijn grijze ogen lichten dan fel op, met iets van een hulpeloze verwondering. Ben.
Hij was een paar dagen lang mijn lotgenoot in de kliniek geweest. We hadden lange, indringende gesprekken in de lounge, twee grijze, verzopen intellectuelen uit de Randstad die elkaar vonden tussen het jongere volk. Nieuwkomers dachten dat daar twee beroemdheden zaten: in zijn uitgemergelde staat leek Ben sprekend op de toen nog net levende Harry Mulisch. Ik was blij met Ben. Maar toen de nevel van de librium optrok zag hij dat hij niet op zijn plaats was, daar in Limburg. Eigenwijs en tegen alle praktische bezwaren in pakte hij zijn biezen. Hoe dat met de verzekering geregeld moest worden zag hij later wel. Hij zou het zelf moeten doen, dat was hem zonneklaar duidelijk. Hij was te oud en had als leidinggever in de zorgsector te veel meegemaakt van de therapeutische wereld om baat te kunnen hebben bij de behandeling. Zijn cynisme was te groot, hij kon zich er niet voor open stellen.
Ik begreep dat heel goed. Zelf had ik grote moeite met de spel- en muziektherapie die voor de meeste mensen het hoogtepunt van de week was. Ik kon slechts met een barre oefening in deemoed mijn vakmatige persona de mond snoeren en sportief meedoen met wat mij kinderachtige spielerei leek. Maar ik had besloten me aan de kliniek over te geven en moest ook dit onderdeel omarmen. Dus probeerde ik te vergeten dat de dienstdoende therapeute een collegaatje uit de theaterwereld was, de voormalige vriendin van een bevriende zanger bovendien, en probeerde ik mijn tong af te bijten als ik de neiging voelde om me te bewijzen als haar gelijke. Dat was op zichzelf al therapeutisch!
Voor Ben waren er te veel bezwaren. En de librium bleek een vitale, dwarse man te hebben verborgen. Toen ik hem een paar maanden later bij een wederzijdse kennis ontmoette vertelde hij dat hij na een korte maar hevige terugval net na het verlaten van de kliniek, die eindigde in de crisisopvang van het ziekenhuis, met succes zijn eigen drooglegging had geregisseerd. Hij had zich teruggetrokken, veel gestudeerd in psychologische en filosofische werken, en een boek geschreven, waarin hij zonder enige angst en zonder enige ijdelheid de donkerste diepten van zijn ziel had verkend. Of ik dat ooit zou kunnen lezen? Daar was die kakelende lach, diep uit zijn borst: nee, dat zou je niet willen. We vergeleken onze ervaringen en bevindingen. Ben dronk graag alcoholloze wijn; ik hield het bij vruchtensappen. Hij geloofde na een jaar wel weer sociaal of culinair te kunnen drinken; ik deelde zijn optimisme niet. We keken elkaar scherp aan en schatten elkaars kracht en zwakte in. We moesten elkaar in de gaten blijven houden, zoveel was duidelijk. Zo mogelijk moesten we elkaar steunen.
Maar dat die verbondenheid ertoe leidde dat we elkaar hier, in het nauwelijks bewoonde noorden van Frankrijk, toevallig zouden ontmoeten had ik nooit kunnen voorzien. Hij zat op een terrasje. Ik liep op hem toe. Mijn reisgenoten dachten dat ik gek geworden was, en spoken zag. Maar het was hem heus, Ben, op trektocht net als wij en neergestreken in het ingedutte plaatsje Le Chesne. Op zijn tafeltje stonden de resten van een café au lait en een glas water. Hoe beviel Frankrijk hem, zonder wijn, pastis en calvados? Hij grijnsde. O, het was goed te doen. Dat vond ik ook. We schudden elkaar de hand en hij fietste verder, mij verwonderd achterlatend.
dinsdag 30 augustus 2011
vrijdag 26 augustus 2011
FERRON
Vandaag zes jaar geleden stierf Louis Ferron, 63 jaar oud. Zijn literaire broer en kroegmakker Lennaert Nijgh was hem drie jaar eerder op 57-jarige leeftijd voorgegaan. Voor wie belangstelling heeft in beide Haarlemse schrijvers citeer ik hieronder een passage uit mijn manuscript 'Dorst, verslag van een obsessie'. Ze worden gemist.
De tuinkamer van Lilian Blom lag al sinds mijn verjaardag op mijn nachtkastje. Maar omdat ik Louis Ferron heb gekend was ik huiverig om me aan het relaas van zijn sterven te onderwerpen. Vrolijk zou ik daar wel niet van worden. En zou het boek niet een soort lijkenpikkerij zijn? Zou er geen uitgever achter zitten die hoopte op een herhaling op kleine schaal van het succes van Connie Palmen die met I. M. een twijfelachtig mausoleum voor haar gestorven man had opgericht?
De werkelijkheid bleek gelukkig heel anders. Al lezende kwam de figuur van Ferron me steeds levendiger voor ogen te staan. Over de grenzen van de dood heen klom hij uit het papier omhoog en oreerde weer, sjekkie in de ene, glas bier in de andere hand, over de Duitse romantiek. Het verhaal kwam heel dichtbij en greep me bij de lurven. Mijn eigen problemen leken luxeproblemen, mijn dagelijks geschrijf niet meer dan gebabbel.
Ik heb hem niet echt goed gekend, Louis Ferron, maar hem wel vaak meegemaakt. Lennaert en ik spraken meestal in een van zijn Haarlemse stamcafés af, en daar was Ferron, als hij niet schreef, ook te vinden. Behoedzaam, onduidelijke grijns onder zijn door nicotine gekleurde piratensnor, zachte stem, scherpe woorden, een twinkeling in zijn ogen. De gesprekken waren niet al te coherent vanwege de hoeveelheden bier die het clubje vaste jongens waartoe hij en Lennaert behoorden al vanaf twee uur ’s middags begon in te nemen. ‘Voorwaarden om in dit exclusieve gezelschap te worden opgenomen: men dient hetzij Auteur te zijn, hetzij maatschappelijk geheel mislukt. Vlotte kerels en dergelijke niet gewenst.’
De woorden van Lennaert, die bang was dat ik een te geringschattende mening zou hebben over Ferron, die hij liefhad en hoogachtte. ‘Louis lijkt wel gek en dronken, maar is dat in werkelijkheid allerminst. De grootste kenner van de Duitse literatuur die we in Nederland hebben. En schrijver van boeken vol gif en buskruit, dienende om een gevoelige ziel te camoufleren.’ Volgens mij spraken die twee – allebei op hun eigen manier verlegen – nooit intiem met elkaar, maar ze hadden een zielsverwantschap die erin resulteerde dat ze elkaar ‘broer’ noemden: ‘mijn literaire Broer Ferron’, ‘kunstbroeder Nijgh’.
Lennaert benijdde Ferron zijn productieve ‘echte’ schrijverschap (zelf had hij een literair minderwaardigheidscomplex, hoewel hij toch ook trots was op zijn liedteksten en columns), en Louis benijdde Lennaert zijn onvoorwaardelijke liefde voor zijn achtergrond: zijn ouders, zijn vrienden, zijn geboortestad. Allebei waren ze gefascineerd door de Duitse romantici. Lennaert meer empathisch en uit nostalgie, Ferron ambivalenter, intellectueler. Maar achter Lennaerts ‘Malle-Babbe-romantiek’ school meer wrangheid dan je zo zou denken en achter Ferrons ostentatieve scherpte meer zachtheid.
Op Lennaerts begrafenis noemde Ferron zijn kunstbroer in een ontroerend toespraakje een ‘groot dichter’ en ‘de laatste erfgenaam van Heine en Müller’. Inderdaad had Lennaert in zijn beste werk een schatplichtige overeenkomst met die negentiende-eeuwse ‘zangers met papier en pen’ (Lennaerts term; en ja, de genoemde romantici noemden hun gedichten steevast Lieder).
Ook las Louis een diezelfde dag geschreven gedicht voor, waarvan hij mij na afloop een doorslag gaf. Aan computers deed hij niet.
Men schrijft een jaar achter de horizon.
De wereld rook nog naar zout,
het zwarte koor hoorden wij zingen en
de meeuwen krasten zo zwaar dat het pijn deed.
Tot achter de banken zouden wij varen
en de Lofoten niet ver;
tot IJsland wel... Jan Mayen...
Nu komt de accordeon in het spel
en de matroos achter het zeurende wijsje.
Let wel: alles zal ongezegd blijven.
Maar wat beklijft is een heimelijk dobberen
tussen twee blakken.
Geratel van lieren tot slot
en het roestig gevloek van de schipper.
Dit is dan van de liefde gezongen,
een vergeten lied.
Daarna draaide hij zich abrupt, bijna op zijn hakken, naar de kist toe, stak zijn hand op en zei ‘Ga met God, mijn jongen.’
Een paar jaar eerder: ik zong Die Winterreise in het Teylers Museum. Lennaert hield een inleiding. Ferron, rechtstreeks uit de kroeg, kwam operettearia’s lallend de zaal binnen, en moest door de fine fleur van de Haarlemse literatuur regelmatig tot stilte worden gemaand. Wat ik deed deugde waarschijnlijk niet. Te warm, te weinig scherp, te weinig Fischer-Dieskau.
Niet veel later was er de boekpresentatie van zijn novelle Hier ligt Boot. Hij keek me schuin aan toen ik hem mijn exemplaar ter signering gaf. Plotseling was er een stout lichtje in zijn ogen en hij schreef voorin: ‘Voor de onderschatte zanger.’
[zaterdag 19 mei]
Op zoek naar sporen van Ferron heb ik gisteren zitten bladeren in de ordner met Lennaerts brieven. Hijzelf is alweer bijna vijf jaar dood. Ik mis hem nog steeds, die lieve rafelige nachtuil. Zijn brieven zijn een mengsel van poëzie en slapstick. In een brief gedateerd 11 februari 1996 kwam ik deze weinig verheffende scène tegen:
‘’s Avonds in het café. Broer Louis Ferron neemt het woord: “Vrouwen zijn dom! Dood aan de vrouwen! Vrouwen hebben alleen maar een kut! Vrouwen begrijpen er niks van!”
Op van links: een mannetje met een stropdas om. Tegen mij: “’t Is zeker koud op de boot?” Op een toontje van: “Jongen, het is ook niks met jullie kunstenaars, wat ben ik blij dat ik een Eigen Zaak heb.”
“Boot? Wat boot?”
“Jij woont toch op een boot?”
“Nee hoor. Ik woon gewoon thuis.”
Louis, tegen de man aanhangend: “En jij bent ook dom! Want jij bent katholiek!”
Tenslotte, met grote stem: “Wij gaan van de zomer varen! Naar Duitsland.”
Wat we inderdaad van plan zijn.
Vervolgens zingt men, op de wijze van Vieni sul Mar:
Drei Männer im Schnee,
Drei Männer im Schnee!
Twee op de koffie en één op de thee,
Drei Männer im Schnee!
De zogenaamde volwassenheid is een misverstand. Dat weten we allang, maar dat willen we ook nog wel een keer demonstreren.’
Labels:
Heinrich Heine,
in memoriam,
Lennaert Nijgh,
literatuur,
muziek,
poëzie,
portretten,
schrijven
donderdag 25 augustus 2011
OUTREMEUSE
Hij wilde er niet meer zijn en nooit meer komen.
Toch staat in een naar hem hernoemde straat,
misplaatst in een plantsoentje in de regen,
de bronzen kop van Georges Simenon.
Verder is van hem geen spoor in Luik te vinden:
Ik zoek er tevergeefs naar pijptabak.
woensdag 24 augustus 2011
De volle maan en de sterren boven de Dordogne
‘Hoe lang is het geleden dat je naar de sterren hebt gekeken?’
Aan die zin uit Men in black moest ik denken toen de nacht viel boven de Dordogne. Mijn dochters hadden hun luchtbedden naar buiten gesleept, ze naast elkaar gelegd, en maakten zich op, de handen achter hun hoofd gevouwen, voor een uur of wat staren naar het uitspansel. Hoe goed herinnerde ik me die fascinatie voor de nachtelijke hemel! De oneindigheid, de nietigheid, de betrekkelijkheid, het mysterie: ze stonden in lichtende patronen afgedrukt aan de zuiderse hemel, en nodigden verleidelijk uit tot hortende interpretatie.
‘Ik zie het steelpannetje van de Kleine Beer niet.’
‘Is dat nou Draco, en dat lichtje daar rechts, is dat... Arcturus?’
Ik rookte een pijp en keek een tijdje mee, tot het herhalen van speculaties me begon te vervelen.
‘Rob zou het wel weten,’ zei ik. ‘Die had vroeger een telescoop, en wist alles van de sterren.’
Ik zocht de tent op en verdiepte me in een fantasy novel van Jack Vance. Als een van ons een smartphone had gehad hadden we het gewoon kunnen googelen.
dinsdag 23 augustus 2011
TERUG
PS: Vanmorgen mijn huiskamer geverfd. In de Praxis leek de kleur een stemmig olijf- of mosgroen, als in een 19e eeuwse salon. Maar eenmaal op de muur gesmeerd pakte het anders uit, en even later stak mijn Chesterfield bank onwennig af tegen een bijna fluorescerende wand, die me het gevoel geeft in een niet al te chic bordeel te wonen. En hoewel me dat amuseert, was het niet de bedoeling.
dinsdag 2 augustus 2011
ONWIJS
Abonneren op:
Posts (Atom)