dinsdag 19 juli 2016

Volle maan

De volle maan hield me uit de slaap. Ik was, woelend en draaiend, lange tirades aan het houden, waarin ik mijn gelijk tegenover een vriend aan het bewijzen was. Ik was mezelf aan het rechtvaardigen, argument stapelde zich op argument. Ik had me aangevallen gevoeld, onlangs, door deze goede vriend. Ik had besloten dat naast me neer te leggen en schouderophalend op betere tijden te wachten. Vriendschappen kennen hun getij, en als deze vriendschap iets waard was (en dat was ze, daarvan was ik overtuigd) dan zou ze deze storm wel overleven. Maar het ronde oog dat aan de hemel stond te gloeien had maling aan zo'n laconieke houding. Het liefst was ik uit bed gesprongen en had ter plekke de confrontatie opgezocht. Uitpraten! Ieder onbegrip dat er wederzijds bestond uit de weg ruimen!
Er sloeg een deur dicht. Ik schrok wakker, blijkbaar was mijn malen toch ongemerkt tot stilstand gekomen en versmolten met een onrustige droom. Ik stond op om mijn blaas te gaan legen. In de huiskamer was het onwezenlijk licht. De katten lagen languit op het vloerkleed, beschenen door het maanlicht. Hun ogen glansden vreemd op toen ze me knipperend aankeken. Door de open gordijnen zag ik dat het buiten nacht noch dag was. Een verlaten filmset, het decor van een hedendaags drama waarvan de acteurs even schaften waren.
Terug in bed monsterde ik in vogelperspectief mijn gedachten van de afgelopen uren. Wat had ik me weer laten strikken! Waar was nou die verlichting gebleven die ik minuut na lange minuut op het meditatiekussentje had bevochten? Verbleekt in het veel hellere licht van de maan.
Een liedje dook op in mijn hoofd, afkomstig van een oude, dierbare langspeelplaat, en troostrijk hoorde ik de stem van Wannes van de Velde die me toezong uit een ver verleden: ''t Is volle maan, ik vuul me zoe klein...'
Dan wist ik een paar regels niet meer en mijn mentale neuriën nam pas weer woorden aan bij: 'Was et 'ne keês, we beten erin.'
Ik schoot in de lach. De maan, een kaas om in te bijten! Tot zulke kinderlijke en onvervulbare verlangens kwamen we soms door dat fel stralende hemellichaam. Wannes had het zo helemaal niet bedoeld, hij had iets veel huiselijkers in zijn hoofd, denk ik, toen hij die regels schreef - maar ik zag er een heel toepasselijke metafoor in, die me vrede gaf met wat ik aan het doen was geweest, en me deed grinniken om mijn eigen drukdoenerij. Mensen zijn ingewikkeld, en omgaan met mensen is moeilijk, ze zijn zo verschillend: het vereist flexibiliteit en geestelijke souplesse en het is zaak om daarbij niet weg te glibberen op glad ijs, het hart niet te laten verkillen en bij alle pirouettes toch de rug recht te houden. Ik kon de complexe problemen die het onderhouden van vriendschap soms met zich meebrengt evenmin door nachtelijk piekeren oplossen, als ik een hap uit de maan kon nemen.


2 opmerkingen:

Hans Valk zei

Wannes van de Velde. Ook alweer bijna acht jaar dood.
Overigens een man die net zo min volledig zen was als jij, denk ik. Wannes van de Velde had een flamenco-hart. Doordrongen van het menselijk tekort, maar ook opstandig. Troostrijk; inderdaad. Relativerend en ironisch, bovendien.

Ik heb maar één plaat van hem: 'Ne zanger is een groep', met daarop het onvergetelijke lied 'Karsmis is diên dag da' ze ni schiete'. De briljante openingszin is: "'t Was wer zoevaer et was wer karsmis
de kalkóene ware doêd".

Maar passender is dit verband is 'Mijn Mansarde': "Ik eb de wêreld late staan en 'k woên wa' dichter ba de maan, oep mijn mansarde"

Het fonetisch geschreven Antwaarps is overigens niet van mezelf, maar van de website Antwerps.be


Jan-Paul van Spaendonck zei

Een flamenco-hart? Dat is een mooie. Ik heb zijn autobiografische boek 'Over zingen' gelezen en herken wel veel in hem. Een complex mens. Maar zijn tomeloze daadkracht, die mis ik helaas....