
Het was een dag als onder een stolp. Een bel van vochtige warmte lag over de stad. De grens tussen binnen en buiten was vervaagd, tijdelijk opgeheven: iedereen had ramen en deuren opengezet om een beetje wind te vangen.
Op het balkon waar ik de middag gelaten probeerde uit te zitten (het motto van Lin Yutang indachtig: 'Wie een geheel zinloze dag op een geheel zinloze manier kan doorbrengen, die heeft leren te leven') klonk het Italiaans van rolkoffertoeristen; ik verstond de woorden niet maar herkende het aan de melodie. In een tuin drensde een kind 'Picachou, Picachou', steeds maar weer. Mijn katten Snuf en Snuitje tobden met het dilemma, of ze voorrang moesten geven aan hun versuffing of aan de impuls om achter vliegjes aan te gaan. Ik herkende die mentale spagaat: ook in mij speelde nu en dan de aanvechting op om iets nuttigs te gaan doen, maar met ijzeren wil dwong ik me tot lethargie. Ik hóefde toch immers niets, vanmiddag? Ik probeerde te lezen, wat ik nooit doe, nooit kan, overdag. Een enkel kort hoofdstukje verder sloot ik het boekje. Zo, dat was toch maar mooi gelukt! In een soort waakzame luiheid ging ik verder met nietsdoen.
Die morgen had ik de tweejaarlijkse beeldenroute van Artzuid gelopen met mijn dochter.
Als je al niet landerig was werd je het daar wel van. Constructies van staal en steen, met als enig doel de openbare ruimte op een geheel overtollige manier te versieren. Meestal 'Spiraal', 'Seven Pilars' of 'Zonder titel' geheten. Kunst die je meteen herkent als kunst (want waarom zou zo'n ding hier anders staan?) maar die het om gewaardeerd te worden vooral moet hebben van de intentie van de maker, hier op kleine plaquettes tweetalig samengevat: men heeft bijvoorbeeld bij het scheppen gezocht naar de relatie tussen de vormen onderling en naar het contrast van de sculptuur met haar omgeving en men heeft gespeeld met dimensies, vlakken, lijnen en achtergrond; alsof alle kunst dat niet doet, zonder er woorden aan vuil te maken. Soms was een oranje geverfde staalconstructie zelfs 'ironiserend'.
Maar het meest genoot ik van het bordje bij een No Title van mijn generatiegenoot Leo Vroegindeweij. We zagen een installatie. Een berg wit steengruis, met daarop een soort lader, een fragment van een vrachtwagen. Ach, het was in elk geval gewaagder dan de spiralen en pilaren, al was het misschien ook lelijker en botste het ook meer met de statige groene Apollolaan waar dit alles uitgestald en opgesteld was onder curatele van Rudi Fuchs. Maar wat lazen we op het bordje?
'Vroegindeweij maakt installaties waarin mogelijke betrekkingen tussen elementen worden onderzocht en tot beelden samengebracht.' Daar moest ik even op kauwen, voor ik in de lach schoot. Mogelijke betrekkingen! Onderzocht! Laat Vroegindeweij zijn kunstzinnig laboratorium elders opstellen, dacht ik.
Het was warm, te warm voor kunst.