dinsdag 10 september 2019

VUURPROEF

Ik speelde al een tijd met de gedachte. Je moet daar eerst een tijd mee spelen voor je hem in daden omzet. En er moet een goede aanleiding zijn. Het moment is ook belangrijk.
Gisterenmorgen werd ik wakker en besloot me niet, zoals vaak op maandag, nog eens om te draaien en te verstoppen voor de wereld, maar kordaat op te staan. Toen mijn vriendin uit de schuur terugkwam, waar ze appels had staan sorteren, was ik koffie aan het zetten. 'Pak maar twee matjes vandaag,' zei ik.
Op yoga werd er verrast opgekeken. Er werd gezoend. Het was de eerste les na de vakantie maar het voelde alsof dat zoenen speciaal voor mij was. De verloren zoon was teruggekeerd.
Ik werd officieus lid van het clubje in januari 2011. Na zes jaar begon een aantal zaken me te veel te storen. Bovendien was die maandagmorgen steeds zwaarder geworden, naarmate de weekeinden drukker werden en er zondagavond steeds vaker gefeest werd om van dat weekendwerk te ontspannen. Ik liet steeds vaker verstek gaan tot ik moest vaststellen dat ik niet meer meedeed. Ook met die gedachte moest eerst gespeeld worden.
En, hoe was het geweest, na al die tijd? Ik bekende dat ik wel wat moeite had met bepaalde oefeningen. Vooral ook omdat ik een flink aantal kilo's ben aangekomen sinds ik in januari met roken ben gestopt. Er werd geapplaudisseerd. Ik voelde me een beetje verlegen. Ik vertelde er niet bij dat het ook voelde alsof ik een dierbaar stukje van vroeger terug had, de maandagmorgen had zijn onschuld terug.
Nog voor de thee werd rondgedeeld en er uit Handboek Spiegelogie van Willem de Ridder zou worden voorgelezen was ik verdwenen. Gepast geld had ik al neergelegd. Zo miste ik het spirituele theekransje, dat me steeds meer was gaan tegenstaan en dat indirect tot mijn stoppen had geleid. Nu was dat een fluitje van een cent, omdat mijn vriendin zaken te doen had, maar volgende week wordt mijn vuurproef. Dan zal mijn vriendin blijven zitten om mee te praten over de dorpse dingen, en ik zal onaardig moeten zijn en spelbreker. Dat vind ik lastig. 

vrijdag 6 september 2019

Klokken en menhirs: Het Beauvais Syndroom

Ik zou hier graag schrijven dat ik tientallen ingezonden brieven heb gekregen maar niemand heeft geklaagd. Toch vind ik het zelf onbevredigend hoe mijn recente reisverslag smoort in een paar onsamenhangende dagboekfragmenten. Vandaar dat ik hier, als toegift, nog een verhaaltje ga vertellen dat zich afspeelt aan het einde van onze reis naar Bretagne.


Na een taaie rit door lege landen wilden we van de weg af voor een laatste overnachting. Ik had Neufchâtel-en-Bray uitgekozen omdat mijn ANWB Reisgids er aardige dingen over zei.
Het is altijd wonderlijk hoe de dingen veranderen als je de snelweg verlaat. Wat vlak, leeg en uitdrukkingloos lijkt krijgt plotseling een gezicht. Details ontpoppen zich meteen na de eerste afslag. Een open vlakte, dit stuk Normandië? Nee hoor! Daarginds ligt een levendig stadje, knus neergevlijd in de oksel van een bespikkeld heuveltje. We komen dichterbij en het stadje blijkt een gezellig plein te hebben met een oude kerk. Er is een huwelijk geweest, de gasten praten na voor het gotische portaal. Een draaimolen zwiert rond. Een terras lonkt. Maar ho! Eerst onderdak vinden. Daarginds ligt een ommuurd hotel met een bloementuin. Twee sterren slechts. We gaan de poort onderdoor en het trappetje op. Binnen is de receptie leeg. Een man sloft naderbij. Vol vertrouwen vraag ik of hij een kamer voor ons heeft. Hij trekt een verbaasd gezicht. Voor vannacht? Maar neen! Zaterdag, hè? Alles is vol. Overal. Welke kant gaan we op, Amiens? Rijd dan maar door naar Amiens, dat is een grote stad, daar vindt u wel iets.
We trekken ons terug op het grijnzende terras aan het plein, bestellen iets, en houden krijgsraad. Amiens is nog tamelijk ver en we hebben geen zin om een echte stad in te rijden. In een hotelgidsje zoeken we de plaatsjes iets verderop. Ik verzamel moed en bel. Het Non, complet klinkt vermoeid en bijna honend. We rijden terug naar de ingang van het stadje waar we een bord camping hebben gezien. Dan maar de tent opzetten, al is die dan ook gehavend uit de storm tevoorschijn gekomen, met een gebroken fiber stok.
Bij de camping, Sainte Claire, zitten we verslagen te kijken naar een stoepbord dat aan duidelijkheid niets te wensen overlaat. Complet. Full. Voll. Vol. 
'Het Beauvais Syndroom,' zuchten we.

In 2011 kwamen we met mijn dochters uit de Dordogne. Boven Parijs hoopten we een hotelletje te vinden. Maar de hele streek waardoorheen we reden bleek economisch in vrije val te zijn geraakt. Dichtgespijkerde winkels alom, en de weinige logementen waren alle gesloten. Soms was een voormalige auberge nog als bar in gebruik. We werden er aangegluurd door ontevreden dronkenmannen. Uiteindelijk reden we (de avond was al gevallen) naar de dichtstbijzijnde stad, Beauvais. We waren hondsmoe. Vlakbij de kathedraal was een hotel. Het was vol, maar de baas was zo vriendelijk te bellen naar een collega. In de stromende regen vonden we uiteindelijk in een buitenwijk onderdak. De eigenaar verwees ons naar een restaurant waar we zo laat nog konden eten.

Mijn vriendin herstelde zich het eerst. 'Ik ga het gewoon even vragen,' zei ze, 'we hebben maar een klein plekje nodig, en als ze je zien is het toch altijd anders.'
Toen ze lang wegbleef begon ik te duimen. Even later kwam ze aanlopen en stak twee duimen in de lucht. De beheerder had haar aangehoord, geknikt en gezegd: 'Bon.'
Toen de tent stond, met één door een touwtje bijeengehouden stok, gingen we naar de brasserie. Want ons geluk was dermate gekeerd, dat we zelfs niet terug naar de stad hoefden voor ons avondmaal. In de hof van een voormalige hoeve waren tafeltjes gedekt. Heel netjes, net een echt restaurant. Dat voorgerecht en toetje zo uit de supermarkt kwamen gaf niks. Het hoofdgerecht was wel degelijk door een oma gemaakt, die de hele middag in een koperen pot had staan roeren. Halverwege mijn fles koude Sauvignon draaide ik me om naar de buren, die ik al een tijdje had zitten beluisteren, met een half maar nieuwsgierig oor.
'Eindhoven of Helmond?' zei ik.
Beide, naar bleek. Even later schoven ze hun tafeltje aan bij het onze. Het werd reuzegezellig. Ik vertelde over mijn Brabantse vader en mijn vriendin had veel succes met een jeugdverhaal over haar sprekende parkiet Paulus die, toen hij ooit was ontsnapt, zijn naam en adres had kunnen zeggen. Het had zelfs de lokale krant gehaald.
Het was een hete dag geweest maar die nacht kwam er een klamme kou opzetten. Enigszins doorwaakt stond ik mijn tanden te poetsen. Daar waren onze vrienden van de vorige avond. We wisselden onze toestand uit. Ik zei dat het wel ging maar dat ik iets meer water moest drinken dan gewoonlijk.
'Wij nie. Wij zijn da wel gewend.' Hij keek me eens aan. 'Maar gij toch ook?'

'Daarin had hij natuurlijk gelijk,' zei ik tegen mijn vriendin, toen we op huis aan reden. 'Deze zomer is wel wat Bourgondisch geweest. Of zullen we zeggen Brabants, of  Bretons? In ieder geval wordt het hoog tijd voor een nieuw sober regime.'

Maar eerst gingen we, in een bloedheet Amsterdam, nog eten bij La Vallade aan de Ringdijk. Geen kaart, vijf gangen wat de pot schaft. Het was uitstekend, en we rondden er een fijne vakantie mee af.



(Foto: P. Kop)


dinsdag 3 september 2019

Klokken en menhirs


4. Dagboek, dolmens, besluit

'Paris-Brest-Paris komt langs. Dip. Heb het even gehad met alle pret en ben warrig en droevig. Na mediteren even naar de bakker. Dan naar het Fôret van Fougères voor een prachtige wandeling door doodstil groen drippend varen- & beukenwoud langs het Cordon des Druïdes. Erna boodschappen in de Intermarché. Worsten gebakken met veel groentespul en goed brood. Taart toe die P. iets had laten aanbranden. Tamelijk vroeg naar bed in de benedenslaapkamer aan de serre die beter, intiemer is dan die boven aan de straat, hoewel een beetje vochtig.'

Met de vorige drie stukken over de reis naar Bretagne van dit jaar heb ik onbedoeld een lange rode loper uitgelegd voor een heel klein evenement. De heenreis door Picardië en Normandië is breed uitgemeten, en blijkt achteraf het hoofddoel te zijn geweest. Tenminste, zo zullen latere Rookzangervorsers concluderen: want ik heb, nu het werk weer is begonnen, tijd noch aandacht om net zoveel woorden te besteden aan de tweede week, die van ons eigenlijke verblijf in Bretagne. Ik heb natuurlijk dagboek bijgehouden. Deels zoals hierboven, deels in een soort steno, puur voor de feiten, deels in wat ik écriture automatique (automatisch schrijven) noemde, toen ik het neerpende in de mooie, zonnige tuin van ons vakantiehuis. Dat gaat dan zo:

'Dinsdag 20 augustus, Le Loroux

Met goed weer op. Besloten Bretagne vandaag links te laten liggen en de Mayenne in te gaan, hele kleine weggetjes te nemen. Zo komen we via prachtige landelijke routes, in een ongelooflijke stilte (alleen een vogel af en toe), door mooie, goed verzorgde, bebloemde dorpjes (geheel tegengesteld aan de asfaltvlakte van Le Loroux en andere plaatsjes aan de doorgaande weg naar Fougères) die aan slingerende weggetjes in een glooiend, vriendelijk coulisselandschap liggen te soezen in de zon die zich vandaag gelukkig goed laat zien, langs vele goeiige koeien in alle kleuren (en één stier met wollige vacht en de grootste horens die we ooit zagen) en heel wat fijne plekjes in een grazig, romig achterland, en langs een paar megalithische sites die bewijzen dat La Bretagne het alleenrecht niet heeft op dolmens en menhirs: eerst volgden we de D224 naar Larchamp, over Vaubarbot naar Boussardière, waar we de gelijknamige menhir bekeken (vlak na de officiële menhir vonden we er nog er een, blijkbaar niet geclassificeerd, vlak langs de D224, naast een boerderij, bij Cosnuère). Daarna over de D224 tot de D220, rechtsaf richting Ernée. Rechts van de weg de dolmen De La Contrie du Rocher. Prachtig hunebed, van de weg af in een groen rivierbosje. Terug naar de weg en die overgestoken, de veel minder goed onderhouden, met uitgebloeid vingerhoedskruid bedekte La Tardivière - geen officiële borden hier, hij was ook niet 'betafeld' en gerestaureerd. Daarna thee gedronken in de tuttige Engelse tuinen Les Jardins des Renaudies; in Gorron nog even vergeefs gezocht naar een volgens de kaart en een desgevraagd tandeloos boerinnetje aldaar bestaande menhir De la Roche, in het veld, bij de Super-U.
Eerste tuinzit daarna in hete zon.'


Soms is er een korte bespiegeling tussen de aantekeningen. Over de dorpjes in de Pays Gallo was ik blijkbaar matig enthousiast:

'Deze streek is lelijker, of laten we zeggen prozaïscher (praktischer, grauwer) dan ik had gehoopt. Vooral de overvloedige aanwezigheid van asfalt, beton en cement bederft veel van wat oorspronkelijk de charme van simpele, ruwe dorpjes had kunnen zijn. Er zijn nog geen tweetalige borden zoals in het westen. Je bent tussen twee streken in. Een eenduidig karakter ontbreekt. Veel is gesloten. 'Te weinig toerisme om de boel open te houden,' zei de patron van een tamelijk hippe bistro modern in Vitré. (Daar aten we trouwens wederom een gepocheerd ei vooraf, dit keer met bospaddenstoelen en foie gras-saus; zou het mode zijn?). Strakke, liniaalrechte wegen snijden door bossen en heuvels: functionaliteit wint het van schoonheid, het doet er allemaal niet zo heel veel toe hier - nergens pleintjes, terrasjes, de mensen leiden hun leven achter de dikke stenen  muren.'

Dat van die tweetalige borden is overigens niet helemaal waar. In Fougères waren er zelfs drie borden: in het Frans, Bretons en Gallo, de aan het Normandisch verwante streektaal die rap aan het uitsterven is maar die enigszins meelift op de revival van het Keltische Bretons.
Om Haut-Bretagne recht te doen en niet de indruk te wekken dat het hier alleen maar een tegenvallend rendez-vous met een oude jeugdliefde betrof, eindig ik met een wat lyrischer fragment.

'Donderdag 22 aôut, L.L.

Misverstanden en kibbelarij over de plannen voor vandaag. Uiteindelijk toch de auto in om naar Cancale te gaan. De lucht heeft al het weemoedige diepe blauw van september.
Mooie weg via Dol de Bretagne. De Route de la baie is schilderachtig en net niet te druk. In Cancale naar de Bourg. Vandaar lopen we via uitzichtpunt (diamantjes in de Blauwe Zee, Mont Saint-Michel in de verte als een bruingrijs silhouet, een omgekeerde spitse puddingvorm) boven langs de klif (een scheut hoogtevrees) naar de benedenstad waar een enorme rij restaurants ligt. We kiezen de rustigste, waar een alsnog gestreste donkere schoonheid ons huitres + un ver de Muscadet (P) en een pizza Seville (met veel emmentaler en chorizo) (ik) brengt. En een pichet de rosé.
Terug in de Bourg zitten we nog op een klein terras voor een trou Normand.
Daarna even de fout in door over de noordroute van het schiereiland naar de Point Grouint te rijden. Prachtig, maar we raken vastgeklemd in een stroom van blik. Ons eenmaal losgerukt hebbend vinden we de terugweg en zoeven lekker naar Fougères om de Fakir te zien die het lokale festival Les scènes déménagent opent. Hartverwarmend knullig (P), vervelend provinciaals (ik).
We eten crèpeje en frietje, drinken uit statiegeldbeker rosé en kijken een tijdje naar de vriendelijke kleinsteedse bedrijvigheid; kinderen worden rondgeduwd in een zelfgemaakte draaimolen, ingenieus gebouwd uit oude fietsen en winkelwagentjes, terwijl een tandeloze kindervriend een hengel boven hen vasthoudt waaraan een knuffelvis bengelt, die ze moeten weggrissen.
De schemering valt langzaam over de oude burcht, de grootste van Europa volgens de brochures. Thuis nog in de tuin naar de vleermuizen gekeken. In de keuken nog een snack en wat cider.'


De eerstvolgende tijd is het mijn bedoeling om minder frequent te bloggen. Vermoedelijk alleen nog op vrijdag. Muzikale bezigheden krijgen even voorrang. Uiteraard sta ik mezelf toe hier vanaf te wijken als ik daar zin in heb.


zaterdag 31 augustus 2019

Klokken en menhirs

3. Philippe Noiret, een dubbele legende en les hommes en jaune



In de eetzaal is het druk, en het wordt steeds drukker. Het hotel dat gisteren nog buiten bedrijf had geleken blijkt een rijk innerlijk leven te hebben. Hele gezinnen komen uit de kamers tevoorschijn. Het ontbijt is zeker een van de allersmakelijkste en zorgvuldigst bereide petit-déjeuners die we ooit hebben genoten in onze rijke Franse hotelgeschiedenis. Niks tartines en croissants met jam! Kazen en vleeswaren van het allerbeste soort, niet de standaardspullen uit Lidl of Aldi waarmee veel hotels de kosten van het buffet binnen de perken houden. Een mand vol varianten van croissantjes, chocolade- en koffiebroodjes. Knapperig vers brood, donker, meergranen of traditioneel wit. Zelfgemaakte jams. Cake, zo uit de oven. Roerei met spek, jawel, al is het hier Frankrijk, en zalm of makreel. En wat je maar wilt aan gezonde spullen. (Waarmee ik de zaken bedoel die ikzelf altijd laat staan: muesli's, fruit en yoghurt e.d.).

Als bijna alle tafels bezet zijn schrijdt Philippe Noiret de zaal binnen. Zo traag als zijn schonkige, zware bouw doet verwachten. Hij en zijn vrouw, een verzorgde, artistieke dame met dikke billen en fletse ogen nemen plaats. Hij snuit zijn neus in een ouderwetse zakdoek. In de andere zak van zijn met bretels opgehouden pantalon zit een horloge aan een ketting, waarop hij nu en dan kijkt. Op zijn borst draagt hij een grote, professioneel ogende camera. Hij neemt positie midden in de stroom van croissantjes halende kinderen en vat zijn vrouw in de lens. Ze bijt in haar broodje. Te tam naar zijn smaak. 'Jouer!' zegt hij. Knip. Mijn vriendin spreekt het vermoeden uit, dat het Kunstenaars zijn. Noiret snijdt een enorm stuk kaas af, bekijkt dat, ruikt eraan, en hapt erin. Hij vindt het lekker en zijn Muze beaamt opgelucht dat alles in orde is. Ze drinken thee. Halverwege hun ontbijt verkassen ze naar een vrijgekomen tafel, er lopen steeds maar mensen langs en de schonkige reus heeft veel ruimte nodig.
Als Noiret opstaat van tafel spreekt hij de ober aan. Klopt het dat er hier een legendarisch carillon is? Zijn vader was een groot operetteliefhebber, hij wil de rondleiding wel boeken. Die duurt twintig minuten en kost drie euro p.p, vertelt de ober. Ik luister mee en eens te meer besluit ik dit deel van het programma maar aan me voorbij te laten gaan. Ik ben 's ochtends niet op mijn best en in de schaduw van deze even boerse als gedistingeerde man te moeten lopen trekt me niet aan.
Maar dan hoor ik mezelf bij het afrekenen vragen, quasi naïef, of het waar is dat...? Want dat ik dirigent ben, en... Trouwens, wie heeft die formidabele collectie opgebouwd? De jongen zegt: mijn vader, en ik zal hem even halen. Vader komt, hoort mijn verhaal aan en stelt enthousiast voor stante pede het klokkenspel te gaan bekijken. Een ander echtpaar dat wacht om af te rekenen wordt ook uitgenodigd. Noiret is veilig op zijn kamer, hij zal straks moeten betalen wat wij hier gratis en voor niks krijgen.
Jérôme Duchossoix troont ons mee, toont ons de imposante klokken en vertelt over de oude legende. Tijdens de honderdjarige oorlog roofden de Britten de twaalf klokken uit de abdij. Maar ze waren te zwaar en hun boot zonk. De klokken werden teruggebracht naar het klooster maar eentje bleef onvindbaar. Als het carillon voortaan bespeeld werd, hoorde je uit het water van de Risle zachtjes de gezonken klok, die weemoedig antwoordde. 
'Wonderlijk,' zeg ik. 'In de operette is er sprake van een heel andere legende: de klokken in een spookkasteel zwijgen, en zullen pas weer gaan klinken, als de rechtmatige eigenaar van het slot terugkeert naar Corneville.'
'Tja, dat is een ander mysterie,' zegt Jérôme zonder een zweem van ironie. 'Niemand weet hoe Robert Planquette aan dát verhaal is gekomen.'
Ik sla een melodietje aan op het carillon, haal een dirigeerstokje tevoorschijn en poseer terwijl mijn vriendin foto's neemt - je weet maar nooit of ze nog voor pr gebruikt kunnen worden. Jérôme is ondertussen verrukt van het denkbeeld dat 'zijn' operette deze herfst in Amsterdam zal worden opgevoerd, en drukt me op het hart om alle gegevens op te sturen. De collectie kan nog wel wat gebruiken. We schudden handen en nemen hartelijk afscheid. In mijn ooghoek zie ik Noiret zwaar van de trap afdalen. Hij snuit zijn neus.

In de auto op weg naar Bretagne praten we na over het geslaagde bezoek. We waarderen de energie waarmee deze ambitieuze jongensachtige man er iets van probeert te maken. Afgezien van zijn bloeiende bedrijf is er helemaal niets te doen in Corneville. Geen winkel, geen café, niets. Ook na Corneville komen we door veel lege, gedesillusioneerde dorpen. In de schaarse bars die in augustus open zijn gebleven vullen mannen hun krasloten in terwijl ze hun veel te dure maar niet te missen sigaretten opsteken en een kleintje koffie of een biertje drinken, zuchtend, hopend op een wending van het fortuin. Bezoek Noord-Frankrijk, waar de arme dunbevolkte landen met de enorme afstanden tussen de leeglopende stadjes het bezit van een fossiele brandstof verslindende auto noodzakelijk maken, en je begrijpt iets meer van de opkomst en de urgentie van de 'gele hesjes'.

(Wordt vervolgd)


vrijdag 30 augustus 2019

Klokken en menhirs

2. Pont-de-Brotonne, gepocheerd ei en een carillon


Er is een traditie die wil dat we de Geheime Camping in M.-V. overhaast verlaten, in de stromende regen. Dit jaar werden we er zowat afgeblazen. De hele nacht lag ik angstig wakker, hoorde de wind loeien, de zee loeide mee, en zag hoe het tentdoek steeds dieper doorboog, het raakte me bijna aan. We lagen hier hoog boven het strand, op een onbeschutte klif. Het was nacht. Om ons heen raasde de wereld. Nu en dan was er aan de overkant van Het Kanaal, waar mijn dochter zich op dat moment moest bevinden, bliksem te zien. Ik was blij toen het licht werd. Om halfzeven stonden we op en tegen achten waren we onderweg naar Normandië.

Via de Pont-de-Brotonne (voor mensen die ook aan ruimte- en of hoogtevrees lijden: dat is een light versie van de Pont-de-Normandie, iets huiselijker, je schiet niet huiverend en naakt het universum in maar maakt slechts een korte proefvlucht in de leegte) reden we naar Corneville-sur-Risle. Wat ik daar ging zoeken zal ik straks vertellen.
Corneville bleek een rommelig en centrumloos dorpje aan een drukke weg. Het hotel was eigenlijk 's middags gesloten op deze feestelijke vijftiende augustus (Maria Hemelvaart), maar de uitbater was zo goed om ons desondanks open te doen en de sleutel mee te geven. We brachten de spullen naar onze kamer en reden naar het nabijgelegen Pont d'Audemer, wegens zijn vele waterweggetjes het Venetië van Normandië bijgenaamd.
Het weer klaarde op en we aten buiten bij een brasserie. Terrine, een gepocheerd ei in doperwtenpuree met dragon (verrassend lekker), krokant gebakken kip in dikke room met paddenstoelen, kakelverse frisse frites. De zon scheen steeds uitbundiger.
Daarna wandelden we door de straten vol oude vakwerkhuizen en zaten op een terrasje naar de passanten te kijken. Toen we terugreden over een klein weggetje kwamen we onverwacht toch nog in een aardig stukje Corneville terecht, met een pleintje en een kerkje. Op de hotelkamer haalden we een uur van de weggewaaide slaap in. We dronken iets in de lounge en aten brood en kaas op de kamer.

Waarom gaat een mens naar Corneville-sur-Risle? U moet dat niet doen. Maar ik had er een bijzondere reden voor. Thalia, de operettevereniging waarvan ik dirigent ben, voert dit najaar De klokken van Corneville uit, een opéra-comique van Robert Planquette. En aangezien ik toch in de buurt was... Ik zou de legende waarover de opera gaat ter plekke kunnen onderzoeken, wat foto's kunnen nemen, het mythische carillon kunnen bezichtigen. Er bleek een hotel te zijn, Les Cloches de Corneville. Ik boekte een kamer.

 Planquette's operette ging in 1872 in première. Het werd een wereldwijde hit en maakte van de onbekende componist een grootheid. Fans kwamen naar Corneville en waren teleurgesteld dat daar geen klokken te horen of te zien waren: die waren tijdens de Franse Revolutie geroofd uit de gebrandschatte abdij en omgesmolten. Zo werd er door middel van crowd funding avant la lettre geld bijeengebracht voor een nieuw klokkenspel. Het werd in 1900 tijdens de Wereldtentoonstelling in Parijs aan de voet van de Eiffeltoren met wijwater besprenkeld en vervolgens in Corneville geplaatst. Aanvankelijk in de open lucht, pas een paar jaar later werd er een huis gebouwd dat de klokken moest herbergen. Vanaf 1907 was het tevens een restaurant.
In dat huis logeerden we nu. De huidige eigenaar, Jérôme Duchossoix, kocht het in 2015 en sinds 2017 is het een hotel (chambres d'hôtes eigenlijk) annex receptiezaal. Belangrijker, in mijn geval: hij heeft het art nouveau gebouw omgetoverd tot een museum dat aan de operette is gewijd. Niet alleen zijn er de klokken, ook is er, uitgestald op alle vrije plekken, in de eetzaal, de lounge, aan de muren en in het trappenhuis, een enorme collectie van nostalgische parafernalia. Affiches, programmaboekjes, platenhoezen, alles wat maar met de operette te maken heeft is door Jérôme geduldig op eBay bijeengebracht.

Die avond was ik te moe maar ik nam me heilig voor om de volgende morgen moed te vatten en de baas aan te spreken uit hoofde van mijn functie: die van dirigent van een van de zeldzame hedendaagse opvoeringen van Plaquette's meesterwerk.

(wordt vervolgd)



donderdag 29 augustus 2019

Klokken en menhirs

1. Natuurpoort, hotelinspectie en een Franse Loreley

We reden pas laat weg en hadden geen zin en ook geen enkele reden om ons te haasten. Mijn vriendin herinnerde zich dat bij Ossendrecht, vlakbij de Belgische grens, een natuurgebied ligt dat de Brabantse Wal heet. Zo klopten we anderhalf uur later aan bij de Volksabdij Onze-Lieve-Vrouw ter Duinen, een gebouwencomplex in neoromaanse stijl uit 1941 dat van alles geweest is, van werklozenproject en opvangcentrum voor dakloze monniken en NSB-kinderen via ambachtsschool, internaat en bezinningscentrum tot conferentieoord en hotel. Ernaast ligt restaurant de Blauwe Pauw. Er is een grote parkeerplaats en een bord roept dat het hier een Natuurpoort is. Een sculptuur van een omgekeerde sleutel (baard in de lucht) onderstreept die claim. Alsof je niet zonder deze voorzieningen het achterliggende natuurgebied zou mogen betreden.
We aten er goed, dronken er een lokaal trappistenbier bij, sliepen best in onze propere kloostercel en maakten de volgende ochtend, na een eenzaam ontbijt in de verlaten eetzaal, een volledig legale wandeling door een prachtig bos, langs vennetjes en heide. Alles was groen, rook lekker en het weer beloofde veel goeds.
We hadden op voorgaande reizen zoveel oponthoud op Belgische steenwegen gehad dat we het land nu zo snel mogelijk doorkruisten, nu en dan frontaal belaagd door een felle vlaag regen. In het achterland van Arras zochten we onze voetsporen van drie jaar terug. Maar in het aardige Hesdin was alles op deze maandag gesloten en doods ondanks de volle zon en de montere muziek uit speakertjes. We dronken wat in een van de weinige bars die open waren. Voor logies werden we naar het nabijgelegen Marconne gewezen. We vonden er een saai ogend hotel met een grote gazontuin vol schots en scheef verspreide witte plastic stoelen. Les trois fointaines heette het iets te poëtisch. Maar we werden er vriendelijk ontvangen, de kamer had een eigen zitje aan de tuin, en toen de regen ons naar binnen joeg bleken de eigenaars, twee heren met een genotzuchtig buikje, heerlijk te kunnen koken. Ik had de vorige dag heek gegeten en me voorgenomen om, bij gebrek aan serieuze vegetarische schotels, veel vaker vis te kiezen in plaats van vlees, en zeker nooit meer varken te eten, nadat laatst weer een schuur vol van die arme dieren was gestikt. Maar nu zwichtte ik toch voor een buitengewoon smakelijke stoofschotel van porc en chorizo in tomaten, gevolgd door een crème brûlée die Johannes van Dam (die restaurants vooral beoordeelde naar hun brood en hun gezengde roomvla) gelukkig zou hebben gemaakt.
 De volgende morgen zaten we te ontbijten toen er twee even kokette als kordate dames binnenkwamen die rolkoffers achter zich aan sleepten. Ik hapte in mijn croissant en vroeg me vaag af waarom ze na enig overleg de keuken in werden geloodst. Ondertussen dribbelde de baas nerveus af en aan. Het raadseltje werd algauw opgelost. Een van de vrouwen kwam terug uit de keuken in hygiënisch tenue. Kapje, beschermende kledij, plastic handschoenen, alsof ze rechtstreeks uit de operatiekamer kwam. Er werd een lijst uit een map gehaald. Een balpen tikte kritisch punten aan. De baas had blijkbaar het een en ander uit te leggen. Hij probeerde het ijs te breken maar zijn charmes ketsten af op een stijf bevroren masker. Het lachje dat de inspectrice zichzelf uiteindelijk toestond toen het mapje was opgeborgen en de OK-kleding in de rolkoffers teruggestopt, was o zo zuinig. Was alles goed gegaan met de controle, wilde ik bij het afrekenen weten. Mais oui, geen probleem, lachte hij ongemakkelijk. Ik prees nog maar eens zijn crème brûlée. Hij wuifde ons opgelucht uit.

Geen haast hebben betekent voor ons 'klein rijden': veel op verouderde kaarten kijken en twisten over de route en iedere gril gehoor geven. Een dorpje Willeman beloofde een kasteel en een kerk die de moeite waard waren. Bovendien was het schilderachtig verscholen in het groen. We vonden het, keken er een beetje rond. Motregen streelde ons, lauw, welwillend. Op een pleintje stond een afgedankte telefooncel gevuld met boeken; Bibliocab, stond erop. Ik neusde er dwangmatig in. Ik viste een slap wit deeltje tussen de Franstalige Konsaliks uit, de naam van de vorige bezitter stond in balpen op het voorplat: Julien Helin. Alcools, van Guillaume Apollinaire - hup, die ging in mijn zak. De titel sprak me aan, en ik heb het een en ander van Apollinaire gezongen, meestal getoonzet door Poulenc.



Rond lunchtijd zaten we in de auto en keken naar de grijze façade van een verweerde gotische abdijkerk, de zoveelste. De vriendelijke motregen had zich discreet teruggetrokken en zijn barse opvolger gutste meedogenloos neer. We aten een sandwich met sterke kaas. Links van ons zagen we de gevel van een hotel dat er leuk uitzag. Maar twijfel rees: moesten we nu echt de rest van de middag en de nacht doorbrengen in dit bedrijvige plaatsje Saint-Riquier (Sint-Rikiers in het Franse Vlaams), waar we eigenlijk helemaal niets te zoeken hadden? We hadden een eindbestemming, dat was zeker. In Normandië en in Bretagne wachtten ons een gereserveerd hotel en een vakantiehuis. Maar de dagen tot we daar terecht konden zomaar vullen met willekeurig welk aardig plaatsje, leek plotseling futiel. We overwogen even om alvast naar Bretagne door te stomen (het huis was al vrij) en van daaruit terug te gaan naar Normandië voor die hotelreservering. Maar dat voelde ook verkeerd. Waarom niet - overwogen we - stoer zijn en een paar dagen gaan kamperen op onze Geheime Camping bij M.-la V., - het zou toch niet blijven regenen? En wat was erop tegen om voor de vierde of vijfde maal naar een plaats te gaan, die ons beviel? Niets toch immers? Dat denkbeeld voelde steeds beter naarmate we het lieten indalen. We lieten de middagdrukte van het stadje achter ons en reden naar de kust. De camping was er nog, ondanks zijn geheime status, had plaats, en de zon brak door. 



Op een klapstoel voor de tent hoog boven de klif bladerde ik in de gedichten van Apollinaire, die eigenlijk Wilhelm Albert Włodzimierz Apolinary Kostrowicki heette. Beneden me ruiste de zee. Het was eb. Tot mijn grote verrassing bleek Apollinaire ten minste één maal in de voetsporen van Heinrich Heine te zijn getreden. In gedachten begon ik te vertalen.

De Loreley

In Bacharach woonde een fee met zulke blonde haren
Dat alle mannen reddeloos betoverd waren

De bisschop liet haar komen voor de kanselarij
Maar sprak haar om haar grote schoonheid vrij

O mooie Loreley met ogen vol juwelen
Wie leerde jou zo knap met mannenharten spelen

Ik ben moe van het leven en vervloekt mijn mooie ogen
Wie daarin kijkt wordt in de diepste put gezogen

Het zijn vlammen in mijn ogen bisschop geen juwelen
Laat vuur en vlammen met mijn toverkunsten spelen

Over jouw lot beslissen moet een ander man
O Loreley want ik ben reddeloos in jouw ban

U moet niet lachen bisschop bid maar tot de Maagd
Dat ik zal sterven en dat God uw wilskracht schraagt

Mijn liefste is vertrokken naar een heel ver oord
Ik ben verloren beter dat u mij vermoordt

Mijn hart doet me zo'n pijn ik kan maar beter sterven
Als ik mijzelf aankijk kan ik misschien wel sterven

Mijn hart doet me zo'n pijn sinds hij er niet meer is
Mijn hart doet me zo'n pijn sinds hij vertrokken is

De bisschop liet drie ridders met hun lansen komen
Breng deze vrouw naar het klooster weg met die boze dromen

Ga mijn dwaze Lore mijn Lore met ogen die beven
Jij moet in zwart en wit habijt als non gaan leven

Maar toen ze met hun vieren op weg waren gegaan
Heeft zij met glanzende ogen een verzoek gedaan

O ridders als ik beklimmen mocht die hoge rots
Om nog een keer mijn slot te zien zo schoon en trots

Om mij een laatste maal te spiegelen in de stroom
Voordat ik intreed in het klooster kuis en vroom

Daarboven liet de wind haar blonde haren vrij
De ridders schreeuwden Loreley Loreley

Beneden op de Rijn zie ik een scheepje varen
De schipper heeft me al gezien ik zie hem gebaren

Mijn hart wordt week wordt zacht dat moet mijn liefste zijn
Ze buigt zich ver omlaag en tuimelt in de Rijn

Want in het water wiegend zag ze haar gezicht
Haar ogen de kleur van de Rijn heur haar het middaglicht


(Schets. Maar het gebrek aan regelmaat en interpunctie zijn geheel op rekening van Apollinaire)

[Naschrift 10 december 2024: Mijn kennis schoot destijds tekort. Niet Heine was het voorbeeld van Apollinaire, maar diens voorloper Clemens Brentano. In Brentano's ballade "Zu Bacharach am Rheine" (1801) wordt voor het eerst de geheimzinnige en tragische vrouwenfiguur Lore Lay geïntroduceerd.  Haar verhaal (hier samengevat door Apollinaire) maakte indruk op tijdgenoten en vond zoveel navolging (onder meer in het populaire gedicht van Heine) dat men na verloop van tijd dacht met een oude sage te maken te hebben. Er was echter slechts sprake van een verzinsel van Brentano, losjes gebaseerd op diverse legenden rondom de voor schippers zo gevaarlijke rots. Die heette overigens wel al Die Loreley. Over de herkomst van die naam verschillen de taalgeleerden van mening.]




woensdag 7 augustus 2019

KNUFFEL

Diep in gedachten liep ik de winkel binnen.
'Wilt u een knuffel meneer?'
Een knappe jonge vrouw, lachend, open gezicht, licht gekleurd.
Het zwaailicht van mijn te abrupt gewekte aandacht zwalkte rond, probeerde een teddybeer te ontdekken, vond niets.
Het meisje omarmde me. 'Waaraan heb ik dat te danken?' vroeg ik.
Ik kreeg een vlotte uitleg over eenzame ouderen en kansarme kinderen. Kleine bijdrage, ving ik op. De prijs doneren van een koffie en een punt appeltaart. Online, pinnen, of in een ouderwetse melkbus. Nog nagloeiend van de knuffel zag ik mezelf een bedragje pinnen op een machientje dat me aan werd gereikt.
Nadat ik mijn boodschappen had gedaan wilde ik de collectante nog complimenteren met haar succesvolle verrassingsaanpak. Maar ze was druk aan het knuffelen.