zaterdag 26 mei 2018

CELLETJE

Het was de meest aangrijpende rouwkaart die ooit op mijn deurmat viel.
Dat hij gestorven was, mijn buurjongetje uit Geuzenveld, mijn jeugdvriendje, wist ik al via Messenger. Natuurlijk was ik geschokt en bedroefd. Maar niets bereidde me voor op die kaart. Ik opende de envelop en zag zijn vader. Mijn 'Oom' J., die helaas nog leeft: helaas, want hij moet dit op zijn tweeënnegentigste nog meemaken.
Natuurlijk was het zijn vader niet. Marcel was als volwassen man sterk op hem gaan lijken. De gelijkenis was bedrieglijk.
Ik vouwde de kaart open. Langs de bovenkant ervan liep een reeks chronologische portretten in zwart-wit. Marcel als kind, als jongeling en als man. De fotootjes aan de linkerkant brachten me meteen terug naar mijn kinderjaren. Op een ervan droeg hij het pedante strikje dat onze ouders ons omdeden als we op schoolfoto moesten. Netjes voor de dag komen, die schoffies uit Nieuw-West. De eerste klas moet het geweest zijn, onder het liefdevolle bewind van juffrouw Offenberg. 'Celletje' noemden we hem toen. Dit knappe jongetje, deze aardige jongen had ik zo goed gekend, hij was zo belangrijk voor me geweest.
De foto's rechts, eindigend met het 'portret van zijn vader' kende en herkende ik niet. Ik was hem na onze lagereschooltijd uit het oog verloren.
De kaart was een volmaakte vertaling in grafiek van het levensdrama dat tijd heet.
Ik keek naar de foto die ik een uur tevoren had gemaakt van mijn kleindochter en probeerde niet te ver vooruit te denken.

vrijdag 25 mei 2018

De Meermin gaat los

Vandaag precies over vier weken is de première van De meermin, het monster en de maan. In huize Van Spaendonck is alles in rep en roer. Reeds 's ochtends onder de douche galm ik 'Och arme kleine zeemeermin, hoe schoon is je gelaat!' en 's avonds laat wordt er nog driftig heen en weer gebeld en gemaild: moet maat 137 toch niet liever een vierkwartsmaat zijn in plaats van een driekwartsmaat? - een extra tel, want zelfs meerminnen moeten ademhalen. En die wringende Gis, moet die er wel of niet bij, boven dat mysterieuze Fis mineur akkoord?
Ik heb er lang naartoe geleefd. Het plan voor een vervolg op het Monster van de Sloterplas sluimerde al lang. Niet zo lang als het monster onder het water van die plas, maar toch. Toen kwam er eerst een boek, dat ik samen met mijn dochter maakte. Zij maakte de tekeningen duisterder en enger dan in de meeste kinderboeken: de recensente van Biblion sprak er schande van. En zo wordt ook het theaterstuk eigenlijk net zo boeiend voor volwassenen als voor kinderen. Een donker sprookje met een glanzend licht einde.
Het is mooi om te zien hoe een idee realiteit begint te worden. Wat begon achter de piano, tekentafel  en laptop is nu een levend project waaraan een hoop mensen tegelijk werken. Afgelopen maandag reed ik naar Brabant om de liedjes in te studeren met Eva Groenen, die de dubbelrol van het meisje Laura en Selena de Meermin gaat spelen en zingen. Ze was nerveus, bekende ze. Maar vast niet zo nerveus als ik.

Ik houd jullie de komende tijd op de hoogte, beste digitale vrienden. En hoop, dat jullie me willen helpen de zaal van De Meervaart te vullen. Vrijdag 22, zaterdag 23, en zondag 24 juni.
Toegang 12,50. Als je onder de 12 jaar bent slechts 5. www.meervaart.nl

vrijdag 18 mei 2018

ROUW

In de zaal van het buurthuis die iedere donderdagmorgen met simpele middelen tot zendo wordt omgetoverd stond een bosje witte rozen op een van de matjes. Daarachter, opengevouwen en rechtop, een rouwkaart. H., die ik ooit de Kraanvogel heb bijgenaamd wegens zijn magere maar sierlijke gestalte, was overleden. De juf deelde de bloemen uit. Tijdens het meditatieve lopen, de kinhin, legden we die op het matje waarop hij altijd had gezeten. Het matje naast het mijne. Ik legde mijn roos neer en dacht scherp aan hem - de herinnering condenseerde tot een enkel beeld: H., daar op dat matje naast mij. Tot slot stonden we in een kring. De juf sprak wat aardige woorden. De weduwe, even schraal als H. was geweest, knikte dankbaar, met betraande ogen.

Thuis dacht ik terug aan wat de leidster een 'klein ritueel' had genoemd. Het simpele, zelfverzonnen ritueel had de versnipperde herinnering aan een man die ik nauwelijks kende maar graag mocht, voor een moment solide en sterk gemaakt. Ik keek naar het portret van mijn vader. Er stond een kaarsje voor dat ik nog nooit had gebrand. Een kaarsje dat zich vermomde als een steen, alleen het pitje verraadde zijn ware aard.
De tijd waarin mijn vader leefde gaat steeds meer tot het verleden behoren. Of liever gezegd: die tijd verandert niet meer, maar ik blijf veranderen. Met iedere nieuwe dag stroom ik verder de ongewisse toekomst in en raak ik verder verwijderd van mijn vader en van zijn tijd. Alsof ik op een bootje zit dat de zee op vaart: het vasteland achter me wordt al kleiner en kleiner en zal uiteindelijk niet meer zichtbaar zijn en alleen nog als herinnering bestaan.

Ik vraag me vaak af waarom de lust tot schrijven me is vergaan. Misschien ben ik teleurgesteld in de ontvangst van mijn werk. Misschien heb ik gewoon te veel andere zaken aan mijn hoofd. Vroeger leidde ik een rustig leven dat ik rijker maakte en rechtvaardigde door er verslag van te doen. Tegenwoordig is het leven zelf rijk aan gebeurtenissen en bevredigend genoeg. Er hoeft niets aan toegevoegd te worden. Misschien ook heb ik gewoon te veel geschreven de afgelopen jaren. Allemaal redelijke verklaringen, die me toch geen van alle helemaal bevredigen.
Een verklaring die ik graag zou willen geloven is dat ik eindelijk beter word in onthechting, en het allemaal maar op z'n beloop laat. Verwant daaraan is deze, nieuwe uitleg: ik heb in de zeven jaar dat ik mijn kleine leventje tweemaal in de week boekstaafde geprobeerd, de tijd te bezweren. Wat vluchtig was wilde ik bestendigen. Ik nagelde mijn dagen vast opdat ik ze later nog eens rustig kon bekijken; zoals vlindervangers en dagboekschrijvers doen.
Juist dát wil ik niet meer. Zolang ik de dagen maar vloeibaar houd en licht, verdwijnt het verleden niet uit het zicht. Ik kan mijn vader niet uit de doden terugroepen, maar ik kan wel zorgen dat zijn tijd, die vertrouwde tijd van vroeger, niet helemaal wordt vervangen door een andere. Ik maak veel mooie en waardevolle nieuwe dingen mee (ik denk bijvoorbeeld aan mijn kleindochter) maar ik schrijf ze niet meer op, bespeur zelfs een soort onwil om ze op te schrijven. Ik denk soms dat het verslonzen van dit blog een vorm is van rouw.

vrijdag 4 mei 2018

TAPTOE


Op het journaal hoorde ik de woordvoerder van de schreeuwers. Geen 4 Mei Voor Mij heten ze officieel. Ik vond dat hij wel een punt had. Maar mijn overtuiging is dat je anderen langs diplomatieke weg tot je standpunt moet overhalen, en niet door provocatie of obstructie. Dat dacht ik, en ik ging met gerust hart naar Dokter Deen kijken.

De volgende dag werd ik wakker in een stralende meimorgen. Alles was zo groen en blauw, zo fris. Als een kind dat net in bad is geweest op zaterdagavond, als een kind dat feestelijk gekleed is voor zijn Eerste Communie, kon Simenon nog schrijven - nu weet bijna niemand meer wat dat wil zeggen, een bad op de vrije zaterdag of een Eerste Communie.
Voor de zoveelste keer bedacht ik hoe jammer het is dat uitgerekend deze mooie voorjaarsdagen worden overschaduwd door de wakker gehouden herinnering aan dood en verderf. Misschien heb ik daarom altijd een afkeer gehad van 4 mei. Het was zoiets als een bezoek aan je oma in het ziekenhuis, terwijl je buiten wilde spelen met je vriendjes, zoiets als het operaprogramma op de Belgische radio waar mijn ouders naar luisterden op zondagmiddag, als de maandag alweer akelig dichtbij kwam: deprimerend.
Heel wat keren heb ik geroepen dat ze maar eens moesten stoppen met dat herdenken, dat ze die oorlog maar eens achter zich moesten laten. We hadden toch het feest van Allerzielen al, dat alle doden herdacht? Ik gaf met die tirades lucht aan mijn instinctieve afkeer, niet aan een weloverwogen standpunt. Feitelijk was ik dus respectlozer dan die schreeuwers met hun luchtalarm. Maar ik riep het bij de borrel, niet op de Dam; een niet onbelangrijk verschil. Tegenwoordig heb ik me ermee verzoend, en ik draai alweer heel wat jaren volop mee in het herdenkingscircus, als componist van stemmige koorliederen en als dirigent. 4 mei betekent voor mij: een zwart pak aan en werken. Maar de gemengde gevoelens zijn gebleven.

Een ding wil daarbij maar niet uit mijn hoofd, als ik me verdiep in het geharrewar rondom de plechtigheid. 
Die trompet. 
Die eenzame trompet. 
Dat tenenkrommend treurige signaal dat taptoe wordt genoemd. Het is verwant aan de Britse Last Post en werd vroeger in kazernes geblazen om het einde van de dag af te kondigen. Het was een muzikaal commando. 'Tap toe!' De bierkraan moet dicht, de soldaten moeten gaan slapen, morgenvroeg weer op om te marcheren voor god en vaderland.
Want onze landelijke ceremonie is omkleed met militair vertoon. Zondags gesteven uniformen, medailles, insignes, petten met strepen, blinkend goud, een stram saluut volgens militair protocol. Een soort treurige kopermuziek, waarin de mars net niet te horen is. Het is vrijwel de enige gelegenheid waarbij ons losse landje het soort nationalisme vertoont dat we in Noord-Korea zo stuitend vinden. Onze gewoonlijk zo toffe koning recht zijn rug en meet zijn pas af. Hier wordt niet gekoekhapt en met wc-potten geworpen, geen tijd voor spelletjes nu. Nationale trots is bijna net zo voelbaar aanwezig als de rouw waarom het allemaal zou moeten gaan. 

Er was al eerder een kwestie rondom 4 mei. Toen ging het om om de vraag of ook 'foute' gevallenen mochten worden herdacht. De toenmalige Duitse ambassadeur Thomas Läufer zei destijds: 'Als we het met de verzoening serieus nemen, horen wij ook op de Dam te staan.' 
Ook hij had een punt, in mijn hart was ik het met hem eens. Vergeet wat ons scheidt, leek hij te zeggen, en gedenk samen de slachtoffers van ons uit de hand gelopen menselijk tekort. 
De gangbare teneur is anders maar niet minder loffelijk: 'We mogen niet vergeten, we moeten zorgen dat dit nooit meer gebeurt', is wat je in allerlei bewoordingen en toonzettingen hoort op 4 mei.
Maar die eenzame trompet zegt iets anders. Die zegt: Wij zijn een land. We hebben een leger. Er zijn andere landen, vijandige landen, met andere legers. Dit zal altijd blijven gebeuren.

Vanavond om 18.15 is er een herdenkingslezing, -concert in de Amstelkerk te Amsterdam. Met o.a. oud-politica Ina Brouwer, Hans Polak, bariton Mark Enthoven, dudukspeler Peshmerge Morad, pianist Laurens van Rooyen, violiste Serena van Heuverswijn en het Linnaeuskoor. Het laatste zingt, begeleid door Vaughan Schlepp, vijf liederen op teksten van Hanny Michaelis en Leo Vroman, door mij recent op muziek gezet.




zaterdag 21 april 2018

Zwaaien en draaien, een dolle boel!

Dirigeren kan frustrerend zijn: je hebt van alles in je hoofd, maar het lukt je maar niet om die mooie vloeiende, innerlijke melodieën en die pittige ritmes te laten spelen door de muzikanten die voor je zitten. Het is dan alsof je met je handen probeert uit logge, onwillige klei iets te boetseren; de vorm die het moet worden zakt telkens in elkaar nog voor je hem goed en wel af hebt. Maker en wat gemaakt wordt, daar gaapt een kloof tussen.
Dirigeren kan ook op toverij lijken. De muzikanten verrassen je door zonder afspraak iets bepaalds te doen:  te versnellen, te vertragen, of harder of zachter te spelen. Ze hebben je diepste gedachten geraden en geven die vorm, soms nog voordat aan jou zelf duidelijk is wat je het liefste had gewild. Ik denk overigens niet dat die flow per se de verdienste is van de dirigent. Ik ben geen Haitink, en zwaai mijn stokje nog niet zo lang. Je zit met z'n allen op één lijn, zogezegd. Er is een klik. Magie! 


Het overkwam me van de week bij de repetitie met het ensemble Strijklicht en pianist Kees van Zantwijk. Het mooie weer zal een rol gespeeld hebben, de bomen waren nog nooit zo glanzend groen en de lucht was onbezoedeld blauw. Zomer in april, mijn overhemd was doorweekt en het speet me dat ik geen 'verschoninkje' had meegenomen. Feit is, dat er muziek gemaakt werd, daar in dat zaaltje in de Staatsliedenbuurt. Koor en solisten kwamen er 's avonds bij, en ze stegen boven zichzelf uit. Ze straalden. De voorstelling, waar ik tegenop had gezien, werd opeens iets om naar uit te zien.

Het is dan ook met vertrouwen dat ik hier reclame wil maken voor La Vie Parisienne, door Thalia, morgen in het ZAK Theater in Amsterdam. U ziet op onderstaande foto dat een dirigeerstokje een toverstokje kan worden, dat sopranen als poppetjes bij de kruin pakt en laat zweven. In de woorden van vertaler Joop Fransen: Het draait en draait en draait maar, het zwaait en zwaait en zwaait maar: op die manier dan wordt het hier een dolle boel, een dolle boel - ik heb zo'n voorgevoel!



La Vie Parisienne wordt op de zondagen 22 en 29 april en 6 mei uitgevoerd in het Theater Zuider Amstel Kanaal (Fred. Roeskestraat 84), door de Amsterdamse opera- en operettevereniging Thalia. Met medewerking van diverse solisten, pianist Kees van Zantwijk en ensemble Strijklicht. Regie: Evert de Vries, directie: Jan-Paul van Spaendonck. Aanvang 14.00 uur. Entree: 23/16,50/11,50.

Kaarten verkrijgbaar 0299 660254 en thaliakaartverkoop&kpnmail.nl. En aan de kassa (geen pin). 

woensdag 18 april 2018

Pang! pang! - Offenbachs satirische champagne

Nooit was Parijs vrolijker, mooier of schitterender  geweest dan in de zomer van 1867, toen elf miljoen mensen samenstroomden om de Wereldtentoonstelling te zien die de luisterrijke zwanenzang zou worden van het Tweede Keizerrijk.

(Uit: Tafelen bij Magny, Robert Baldick)

De satire van Jacques Offenbach en zijn vaste librettisten Henri Meilhac en Ludovic Halévy was ooit bijtend en berucht maar gaat nu goeddeels aan ons voorbij. Voor een tijdgenoot moet de handeling in La Vie Parisienne hilarisch zijn geweest. En ondeugend. En op de grens van wat je in het openbaar kon zeggen.
Het stuk speelt zich af tijdens de Wereldtentoonstelling van 1867, toen iedereen die het kon betalen naar de lichtstad kwam om zich te vergapen en vooral om zich te vermaken. Een van de officieuze hoofdattracties was Offenbachs eigen opéra bouffe: De Groothertogin van Gerolstein, met superster Hortense Schneider in de hoofdrol. Van de vijfenzeventig monarchen en prinsen die de tentoonstelling bezochten was er slechts één (de Oostenrijkse keizer) die deze voorstelling niet had bijgewoond. Edward, Prince of Wales, vervoegde zich persoonlijk bij soubrette Schneider om een plaatsje in de koninklijke loge te bespreken, en de Russische tsaar liet dat zelfs via zijn ambassadeur op voorhand regelen. Het leverde de door Offenbach ontdekte en groot gemaakte zangeres de bijnaam 'de passage der prinsen' op. Uiteraard gemunt door haar concurrenten.

Ook in La Vie Parisienne wordt de opera bezocht om een beroemde sopraan te horen zingen, maar de hooggeplaatsten die we hier aantreffen zijn een opgetrommeld zootje ongeregeld (plaatselijke kleine middenstand, kamermeisjes en huisknechten) in mottige verkleedkleren van oma's rommelzolder, die een toneelstukje opvoeren om een sullige Zweedse baron erin te luizen. Er is een tafelmajoor die jubelend bezingt hoe kundig hij de rosbief voorsnijdt, en een admiraal wiens krakkemikkige outfit het mikpunt van spot wordt: een zevenstemmig ensemble in grandioze operastijl heeft als voornaamste tekst: 'Admiraal, u heeft een grote scheur in uw jas'. Zoals in veel van Offenbachs werk krijgt het uniform het zwaar te verduren. Al wat pompeus is wordt neergesabeld. De immens populaire componist die als Jacob Offenbach uit Keulen was gekomen kwam ermee weg, terwijl tijdgenoten als Flaubert en Baudelaire voor het gerecht werden gedaagd toen ze zich te kritisch hadden uitgelaten over het regime van Keizer Napoleon de Derde.

Een van de attracties van de wereldtentoonstelling bestond uit de nagebouwde traditionele behuizingen van diverse landen. Er waren onder meer een Tirools boerenhuisje en een Zweedse blokhut. Zou dat de reden zijn dat er in La Vie uitgebreid gejodeld wordt door de Duitse handschoenenmaakster Gabriëlle en haar boertige gezelschap, en dat een naïeve Zweedse baron  het slachtoffer wordt van de samenspannende dandy's Gardefeu en Bobinet? Voor de tijdgenoot moet dat allemaal duidelijk geweest zijn, wij hebben nog slechts te maken met een klucht van het soort dat we kennen van John Lanting en zijn Theater van de Lach. De tijd heeft de klucht ontdaan van zijn scherpe satirische kantjes. Wat blijft is een ooit onschuldige pikanterie ('o la la, de vrouwtjes!') die heel snel verdacht aan het worden is in onze tijd van overspannen respect voor elkaar. En natuurlijk de vintage champagne van Offenbachs nog altijd bruisende muziek. Pang! pang! knallen de kurken. Belletjes zijn niet plat te krijgen door veranderende standpunten.



La Vie Parisienne wordt op de zondag 22 en 29 april en 6 mei uitgevoerd in het Theater Zuider Amstel Kanaal (F. Roeskestraat 84), door de Amsterdamse opera- en operettevereniging Thalia. Met medewerking van diverse solisten, pianist Kees van Zantwijk en ensemble Strijklicht. Regie: Evert de Vries, directie: Jan-Paul van Spaendonck. Aanvang 14.00 uur. Entree: 23/16,50/11,50.

Kaarten verkrijgbaar 0299 660254 en thaliakaartverkoop&kpnmail.nl. En aan de kassa (geen pin). 



vrijdag 6 april 2018

De behaaglijkheidsfabriek

Ik kende het alleen als eigennaam. Toen onze voortreffelijke impresario Peter Paul Tobi ermee stopte, beloofde hij ons in goede handen te geven. Vriend en collega Frans van Bronkhorst was de juiste man, verzekerde hij ons, en we maakten kennis: zwierig, bourgondisch type, met fluwelen hoed. Tobi was zuinig geweest, vrekkig op zijn talenten: zijn portefeuille bestond uit enkele artiesten, die hij bewaakte als een jaloerse schoonmoeder. Hij was berucht bij de theaters: kwam hij binnen, dan kreeg je hem niet zo gauw weer weg. Hij deed niets per telefoon af, hij was de persoonlijke brenger van aanbiedingen die moeilijk geweigerd konden worden. En zijn praktijken waren geslepen: ze mochten die populaire Jos Brink-show best boeken, graag zelfs, maar dan moesten ze wel het aanstormende duo La Passione op de koop toe nemen. Zo kwamen wij aan een lekker volle agenda. Bij Frans ging het anders. Hij beloofde veel, maar de telefoon bleef stil; optredens druppelden aanvankelijk nog wel binnen, maar na enkele drupjes viel de kraan droog. Toen we op de Uitmarkt zijn stand bezochten, bleek zijn brochure uit te puilen van de artiesten - half Nederland kon je bij hem boeken - , maar wij stonden er niet bij.

Vorig jaar Pasen hadden we doorgebracht in De Gouden Karper te Hummelo. De streek, de Achterhoek, was ons uitstekend bevallen, en dit jaar boekten we er wederom een hotel met een aanlokkelijke naam: Herberg de Gouden Leeuw, in ja: Bronkhorst. Het kleinste stadje van Nederland, amper een paar straatjes, en met een jaloers bewaakt stadsgezicht: het merendeel van de huizen is rijksmonument.
We hoopten maar dat het hotel het huiselijk comfort dat van de foto's uitstraalde waar zou maken, want mijn vriendin had haar enkel verstuikt en kon weinig anders dan strompelen, dus van lange wandelingen door het coulisselandschap zou niets komen, en die Paasvuren konden we ook wel vergeten. Nee, we moesten het hebben van de herberg. Hooguit konden we een autotochtje maken: een oud deeltje Van Egeraat ging mee in de bagage.
We hobbelden het miniatuurstadje binnen over kinderhoofdjes, passeerden geknotte bomen, lantaarns, wegwijzers in de vorm van wijzende vingers (fingerposts zegt de Brit zo mooi) en eerbiedwaardige bakstenen woningen; geen nieuwbouw te zien. Het was een kille dag met nog nauwelijks een zweempje voorjaar in de lucht, maar ik kon me voorstellen dat het hier in de zomer wel erg toeristisch zou zijn, als de druipende rieten kuipstoelen allemaal bezet zouden zijn door grijze reizigers die op de elektrische fiets een dagtocht maakten en hier zouden verpozen met koffie en gebak. De twee bloeiende restaurants pal tegenover elkaar spraken boekdelen, in de zomer was dit een soort openluchtmuseum.
We schelden aan en werden naar onze kamer geleid.
De Dickens Suite! Ik wist dat er in Bronkhorst een Dickens Museum was geweest, tot vorig jaar: toen had het zijn deuren gesloten. Deze kamer 1, met uitzicht op het nu onttakelde pand, was daar een residu van. De koperen beeltenis van de schrijver sierde de deur, een stapel van zijn romans in bijzondere edities lag op een tafeltje. Ik keek uit het raam en betreurde het dat we hier niet een jaar eerder waren gekomen. Maar mijn vriendin strekte zich met een zucht van verlichting op het weelderige bed uit, stak de bezeerde poot omhoog en vleide die neer op een kussen, en keek goedkeurend om zich heen. Beneden hadden we de haard zien branden in de Gelagkamer. Overal stonden, ter decoratie of als uitnodiging, rijen flesjes lokaal bier, met op de fleurige etiketten nét iets te leuke namen - Hop into Winter, Hoptimist. Obers en diensters draafden af en aan om iedere wens te honoreren.
Even later warmden we ons aan de knetterende vlammen. Ik dronk een Brok in de Keel, een zwaar en donker bier met tonen van laurier en rozijnen. De Gelagkamer was aardig vol, ook de eetzaal ernaast begon al vol te raken. Dat er nog een ruime lounge met een tweede vuurplaats was wisten we toen nog niet. Mijn vriendin raakte in gesprek met een vrouw die een hondenkapsalon dreef en vertelde dat je hier nog gewoon met de auto over zandweggetjes door het bos mocht rijden.
Ik voelde hoe een lauwe wolk van veiligheid en welbehagen op me neerdaalde en me omhulde. Alles was er hier in de herberg op gericht om me te behagen en me behaaglijk te doen voelen. Het was hier een behaaglijkheidsfabriek. Kom jij maar hier met je stadsstress, zeiden de vuren, de meubels, de schemerlampen, de balken van glanzend gewreven donker hout, de fonkelende glazen, we zullen jou weleens even verwennen. Ik liet ze begaan. Ik dacht: het zou altijd vijf uur moeten zijn in de gelagkamer van een herberg, op de eerste dag van je vakantieverblijf.