vrijdag 29 april 2011
TURFMAN
Labels:
Hermann Hesse,
literatuur,
poëzie
woensdag 27 april 2011
HONDERD
Het was de tijd van de waaiende zaden. Van wat voor boom ze stammen weet ik niet, maar het moet een heel gewoon soort zijn - de straten van de oude buurt waarin ik woon staan er vol mee. Ergens in de eerste helft van mei, dit jaar eerder door het uitzonderlijk warme weer, laten ze los. Kleine blaadjes van bruingeel rijstpapier, met in het midden een zaadje. Ze dwarrelen neer, worden door de wind alle kanten op geblazen, vangen het zonlicht en glinsteren als vuurvliegjes bij klaarlichte dag. Ze liggen dicht opeengepakt tegen stoepranden aan, waar dezelfde wind ze heen heeft geblazen die ze ook weer oppakt en met handenvol tegelijk in de lucht gooit. Van dit betoverende voorjaarsspel kun je moe worden, vooral in de namiddag, als de zon warm is maar de lucht een beetje smoezelig. De capriolen die je fantasie maakt, aangestoken door die aanhoudende confettiregen van blaadjes, verzadigen je op den duur, en je geest wordt suffig van al dat licht en beweging.
Maar zover was het nog niet. De morgen was nog fris toen ik op het terras mijn koffie dronk en naar de waaiende zaden keek. Ik dacht aan vroegere lentes. Als je van een zekere leeftijd bent, zoals de Fransman zegt, stemt het voorjaar je niet langer hoopvol maar doet het je vooral aan zichzelf denken, en aan zijn talrijke vorige edities.
Een man liep het terras op. Hij leek op een roze biggetje. Op zijn kale schedel glinsterden zweetdruppels. Hij had een rond brilletje op en droeg een aktetas onder zijn arm. Hij liep kaarsrecht, zoals kleine mannen doen. Ik herkende een vroegere leerling van me. Herman, werkzaam in het bankwezen. Die was hier wel op zijn plaats, in Wildschut, maar ik had hem er nooit eerder gezien, in de kwart eeuw dat ik hier al kom. Ik glimlachte. Herman kwam uit een cultuurarm milieu en had weinig aanleg voor zingen. Maar hij wilde hogerop in de wereld, en vond dat een zekere basiskennis van de klassieken daarbij hoorde. Dat vond ik wel een sympathiek trekje van hem. Zijn ontroerende optimisme zorgde ervoor dat ik zijn uitvoeringen van An die Musik of Caro mio ben week na week kon uitzitten, en mijn geduld bewaarde bij de hardnekkige, zelfs onuitroeibare fouten in uitspraak en intonatie.
Terwijl ik in gedachten verkeerde bij mijn lespraktijk van vroeger, bij al die stemmen en gezichten die toen vertrouwd waren en die nu allang uit mijn leven verdwenen zijn, beende een vrouw met halflang, dik grijs haar en scherpe blauwe ogen voor me langs. Ik herkende haar meteen. Jane, een intellectuele psychologe die met grote toewijding alles zong wat te hoog gegrepen voor haar was: Mahler, Wolf, Debussy, noem maar op. Het best lagen haar de chansons van Kurt Weill, die ze ook wel, met veel pathos, tijdens huisconcerten in haar kapitale pand aan een van de grachten uitvoerde, begeleid door een tobberige beroepspianist die zijn beste jaren in het Groningse kroegleven had gesleten en zich door haar liet inhuren om wat bij te verdienen.
Jane en Herman hadden vaak de bühne gedeeld van het zaaltje waar ik mijn halfjaarlijkse leerlingenmiddagen hield. Ze hadden meelevend naar elkaars ernstige pogingen geluisterd. Ik had beiden vele jaren niet gezien. Zouden ze soms? Ik keek het café in, maar Herman was in conclaaf met een andere man met laptop en stropdas, en Jane was elders in druk gesprek met een veel jongere vrouw.
Het was allemaal wel erg toevallig. Ik had diezelfde ochtend nog iets geschreven over weer een andere oud-leerling van me, die nu een bekend acteur is. Ik keek in de rondwervelende blaadjes, waarvan de schittering vlekken op mijn netvlies toverde als ik mijn ogen sloot, en kreeg een vreemd idee. Straks zou er vast nog een discipel uit die tijd verschijnen, een derde. Dan zou ik een stukje kunnen schrijven over de bizarre werkelijkheid van het toeval. Want het stukje dat ik wilde schrijven, mijn honderdste alweer op dit blog, moest wel een beetje bijzonder zijn. Iets met diepte. Een beetje magisch, het liefst.
Ik zat lange tijd stil te wachten op het terras. Ik werd daas van de kakelende stemmen om me heen, en van de in het zonlicht schitterende zaden, die onvermoeibaar rondtolden.
Er gebeurde niets, natuurlijk.
Ps: in mijn dagboek vond ik (ook weer toevallig, ik zocht naar iets heel anders) deze zin, geschreven op 26 mei 1986: ‘Op de terugweg Ger en Mo + Puck op terras ontmoet, daar even gezeten in de winderige lentedag (met tornado’s zaadvruchtjes die alom schitterden in de zon).’
Labels:
muziek,
natuur,
portretten,
schrijven
zondag 24 april 2011
ROEM
Sommige mensen hebben de roem aan hun kont hangen. Ik zeg dat niet zomaar. Een jaar of tien geleden bedachten Geerten Meijsing en ik een theorie. We verbaasden ons over de schijnbare willekeurigheid waarmee de een wel en de ander niet aan de bak kwam. Sommige enorm talentvolle mensen zaten hun kunsten eenzaam op hun zolderkamertje te vertonen, en anderen kwamen dagelijks met hun kop op tv, terwijl ze eigenlijk niks konden. Daar moest een wetmatigheid achter schuilen, want zo onrechtvaardig kon de schepping niet zijn. Ik opperde dat er misschien wel een speciaal talent voor roem bestond, maar mijn vriend wuifde dat weg.
We kwamen met een werkbaar model, dat we de Drie Pijlers van de Roem noemden. Ik zal het kort beschrijven. Als u meer wilt weten moet u Meijsings brochure Literaire roem maar lezen (Fagel, 2005).
Om beroemd te worden moet je op drie punten scoren: talent, ambitie en sociale vaardigheid. Ontbreekt één daarvan, dan kun je het schudden. Gebrek aan de één kan worden gecompenseerd door een overmaat aan een andere component. Ik moet daarbij twee dingen zeggen. Ten eerste: zoals bij elke regel zijn er uitzonderingen. De schrijver Voskuil had nul komma nul sociale vaardigheid, en werd toch tijdens zijn leven nog beroemd. Laten we zeggen dat hij de tijd mee had. Voor het overige treft zeer getalenteerden zonder sociale vaardigheid hoogstens het lot van Van Gogh: dat van postume roem. Ten tweede: onder sociale vaardigheid versta ik het hele scala aan eigenschappen dat iemand sociaal aantrekkelijk maakt, dus ook, niet onbelangrijk, charisma.
Ik zat op het terras van Wildschut en wilde mijn koffie verkeerd afrekenen. Ik zocht met mijn ogen het dienstertje, maar plotseling werd mijn blik gevangen door iets anders. Knipperend tegen de volle lentezon zag ik een vrouw het terras op slenteren. Ik moest blijven kijken. Ze zag eruit als een meisje, maar van dichtbij bleek ze kraaienpootjes te hebben om haar ogen. Ze leek wulps en voluptueus van bouw, maar van dichtbij bleek dat meer de clichématige invulling van het mannelijk libido te zijn dan werkelijkheid. Ze liep en lachte zelfbewust, maar zonder aanstellerij. Ze ging aan het tafeltje naast mij zitten. Ze bestelde een Ice Tea, heel kalm, met zachte stem, en begon een intiem gesprek met een vriendin die daar blijkbaar op haar had gewacht. Ze praatte niet met haar mobieltje. Toch zoog ze de aandacht op alsof ze een theatrale entree had gemaakt en nu een redevoering voor het betoverde terras hield. Ik stopte mijn portemonnee weer in mijn zak, want ik wilde nog even langer genieten van haar nabijheid. Haar donkerbruine haar viel krullend om een knap, licht gebruind gezicht, waarin intelligente ogen rustig om zich heen blikten. Ze had tijdloze kleren aan, gebloemd, vrouwelijk, die iets hippie-achtigs hadden en toch chic waren. Ze was klein. Ik voelde de drang om haar te beschermen. Toch, als er iets was dat haar deed opvallen, was het haar volledige onafhankelijkheid. Ze was zichzelf genoeg, dat zag je zo. Wie was deze wonderlijk mooie vrouw? Waar was ze toen ik nog jong en mooi was? Terwijl ik mijn profiel zo gunstig mogelijk deed uitkomen en over mijn leesbril heen niets ziend in een intellectuele krant tuurde, baadde ik nog een tijdje in haar warme uitstraling, voor ik spijtig, maar met rechte rug en vitale tred, naar huis liep.
Thuis begroette mijn dochter me: ‘Hé pap, ik zag je op het terras naast Katja Schuurman!’
We kwamen met een werkbaar model, dat we de Drie Pijlers van de Roem noemden. Ik zal het kort beschrijven. Als u meer wilt weten moet u Meijsings brochure Literaire roem maar lezen (Fagel, 2005).
Om beroemd te worden moet je op drie punten scoren: talent, ambitie en sociale vaardigheid. Ontbreekt één daarvan, dan kun je het schudden. Gebrek aan de één kan worden gecompenseerd door een overmaat aan een andere component. Ik moet daarbij twee dingen zeggen. Ten eerste: zoals bij elke regel zijn er uitzonderingen. De schrijver Voskuil had nul komma nul sociale vaardigheid, en werd toch tijdens zijn leven nog beroemd. Laten we zeggen dat hij de tijd mee had. Voor het overige treft zeer getalenteerden zonder sociale vaardigheid hoogstens het lot van Van Gogh: dat van postume roem. Ten tweede: onder sociale vaardigheid versta ik het hele scala aan eigenschappen dat iemand sociaal aantrekkelijk maakt, dus ook, niet onbelangrijk, charisma.
Ik zat op het terras van Wildschut en wilde mijn koffie verkeerd afrekenen. Ik zocht met mijn ogen het dienstertje, maar plotseling werd mijn blik gevangen door iets anders. Knipperend tegen de volle lentezon zag ik een vrouw het terras op slenteren. Ik moest blijven kijken. Ze zag eruit als een meisje, maar van dichtbij bleek ze kraaienpootjes te hebben om haar ogen. Ze leek wulps en voluptueus van bouw, maar van dichtbij bleek dat meer de clichématige invulling van het mannelijk libido te zijn dan werkelijkheid. Ze liep en lachte zelfbewust, maar zonder aanstellerij. Ze ging aan het tafeltje naast mij zitten. Ze bestelde een Ice Tea, heel kalm, met zachte stem, en begon een intiem gesprek met een vriendin die daar blijkbaar op haar had gewacht. Ze praatte niet met haar mobieltje. Toch zoog ze de aandacht op alsof ze een theatrale entree had gemaakt en nu een redevoering voor het betoverde terras hield. Ik stopte mijn portemonnee weer in mijn zak, want ik wilde nog even langer genieten van haar nabijheid. Haar donkerbruine haar viel krullend om een knap, licht gebruind gezicht, waarin intelligente ogen rustig om zich heen blikten. Ze had tijdloze kleren aan, gebloemd, vrouwelijk, die iets hippie-achtigs hadden en toch chic waren. Ze was klein. Ik voelde de drang om haar te beschermen. Toch, als er iets was dat haar deed opvallen, was het haar volledige onafhankelijkheid. Ze was zichzelf genoeg, dat zag je zo. Wie was deze wonderlijk mooie vrouw? Waar was ze toen ik nog jong en mooi was? Terwijl ik mijn profiel zo gunstig mogelijk deed uitkomen en over mijn leesbril heen niets ziend in een intellectuele krant tuurde, baadde ik nog een tijdje in haar warme uitstraling, voor ik spijtig, maar met rechte rug en vitale tred, naar huis liep.
Thuis begroette mijn dochter me: ‘Hé pap, ik zag je op het terras naast Katja Schuurman!’
Labels:
Geerten Meijsing,
literatuur,
tijdgeest,
tv
woensdag 20 april 2011
TIJDMACHINE
Ook ik kon voor de modernistische doeken niet veel belangstelling opbrengen. Maar terwijl ik door de kamers van het oude huis in Abcoude liep, op een lentemiddag in het jaar 2011, viel mijn oog plotseling op iets waardoor de tijd wankelde en beefde. En met een schok was het vijftig jaar eerder. Een kleurig doosje met een prent erop. Hans en Grietje en de heks. Ik opende het en zag de vergeten, vertrouwde blokken van een puzzel. Helemaal intact. Elke zijde van de kubusjes bevatte een stukje van een afbeelding. De voorbeeldplaten volgend kon je zes sprookjestaferelen neerleggen. Scènes uit Doornroosje, Roodkapje, Vrouw Holle, Hans en Grietje, Tafeltje dek je, ezeltje strek je en knuppel uit de zak en Assepoester.
Terwijl ik opgezogen werd door de romantische taferelen vol vergezichten van sprookjeskastelen op heuveltoppen en donkere naaldwouden onder een onaards verlichte hemel, hoorde ik achter me weer de stemmen van lang geleden. Boven alles uit mijn oom Fons, al ruim dertig jaar dood: kortaf en op hoge toon, want hij was beroepsmilitair en had altijd gelijk. Dan die van mijn vader, gedreven maar weloverwogen formulerend, iets sceptisch, soms bulderend lachend. De hoge stem van mijn oom Lex laveerde er tussendoor, geamuseerd, geen partij kiezend, want hij was van de kouwe kant. Soms kwam er een commentaar van mijn opa, waarnaar iedereen met gepast respect luisterde, voor het gekrakeel weer losbarstte. Mijn oma mopperde goedmoedig. Iets verder weg klonken de zangerige stemmen van mijn moeder en mijn tantes.
Nu en dan kwam een van de stemmen dichterbij en naderde de tafel waaraan ik op het Perzische kleedje mijn blokken neerlegde: mijn oom die zijn bier moest lozen, mijn oma die de jenever uit de kelder ging halen, of de Nibbits, waarvan ik straks een handvol op een glazen schoteltje zou krijgen. Even schuurde de wereld van de volwassenen langs me heen. Dan dook ik weer in de mijne. Voor dat plaatje van Vrouw Holle was ik bang, die puzzel legde ik nooit. Ook de man met de wonderzak waaruit een gebraden kip en een fles roze wijn tevoorschijn kwamen was eng, met zijn manische ogen en zijn geverfde lippen, maar dat plaatje fascineerde me. Ik legde het vaak, de voorsmaak proevend van iets wat toen nog ver weg was. Assepoester vond ik saai, misschien omdat de prent binnenskamers was. Het mooist vond ik eigenlijk de landschappen. Ik kon me eindeloos in de details verdiepen, en vermoedde eindeloze puzzels achter de begrenzing van deze zes. De overweldigende grootsheid van de wereld had ik hier in handen, teruggebracht tot twintig blokken in een kistje.
Ik werd verbaasd wakker in het Abcoude van 2011, zocht naar een prijskaartje, en betaalde tien euro aan de ceremoniemeester. Dat is niet veel voor een tijdmachine.
Labels:
beeldende kunst,
familie,
portretten
zaterdag 16 april 2011
FERNWEH
De bootovertocht naar Texel is voorbij voor je het weet. Je hebt je koffie en je gevulde koek nog maar net op en besluit aan dek te gaan om naar het Wad te kijken, als de motor al trager begint te lopen. Aan boord mag je niet roken. Ook niet aan dek. Dat vond ik te gek voor woorden en ik besloot tot burgerlijke ongehoorzaamheid. Ik had niet voor niets mijn pijp met windkapje meegenomen. Ik nam een paar trekjes en tuurde over het water. Kapitein Rob, al was het maar voor even. De boot begon aan te meren en we gingen naar het ruim waar de auto stond.
Later op de dag waren we op het Amstelstation. Een Italiaanse vriend had hoog opgegeven van de pasta die ze serveerden bij Julia’s, een hippe Amerikaanse keten. Take away. Snel en goed. Zo stonden we op New Yorkse wijze verse penne uit een kartonnen bakje te eten met een plastic vork. Reizigers liepen af en aan, op weg of huiswaarts. De bolognesesaus smaakte voortreffelijk, dat kon ik goed proeven omdat ik de modieuze rucola die ze er als topping bij wilden geven had geweigerd. Plotseling doemde, breed lachend, de reusachtige gestalte van een collega op tussen de reizigers. Hij sleepte een koffer mee. Hij straalde de zorgeloze, onthechte vermoeidheid uit van mensen die net een lange vliegreis hebben gemaakt. In vergelijking met zijn diepe bas leek mijn eigen stem me jongensachtig onzeker. ‘Nog steeds van de drank af? Je ziet er goed uit. Ik kom net uit Napels. Tournee met Frans Brüggen. Daar heb jij toch ook wel eens gezongen? Heftige stad.’ Ja, Napels, daar heb ik ook wel eens gezongen, dat vertel ik u nog wel eens. Maar nu stond ik met mijn bakje pasta van Julia’s temidden van de reizigers op een station vlakbij huis, en leed plotseling hevig aan Fernweh.
Op de eilanden lijkt de hemel hoger dan op het vasteland, en het land begrensder. Er zijn geen ijkpunten of mijlpalen zoals hoge gebouwen, fabrieksschoorstenen of snelwegen die de bereikbare nabijheid van een realiteit verderop suggereren. De wetenschap dat de zee je omringt, al is ze onzichtbaar, zorgt voor een denkbeeldig kader om wat je om je heen ziet. Eigenlijk heb ik op de eilanden altijd het gevoel in een oud schilderij te lopen. Ik voel me er veilig, vaag beklemd, en ook dromerig.
Op de schapenboerderij waar mijn dochter zes weken lang stage had gelopen was het leven druk en alledaags genoeg. Er blaatten honderden schapen en lammetjes, de boer beklom zijn tractor, een goedkope sigaar in zijn hoofd, de kinderen waren thuis van school voor het middageten: suddervlees, aardappelen en groenten. De tv stond aan. Hetzelfde nieuws als thuis. Toch had alle bedrijvigheid iets onwerkelijks, hier in dit popperige polderlandschap uit de Gouden Eeuw. Hoe kort de afstand ook is, als je naar de eilanden gaat ben je op reis. Niet alleen door de ruimte, ook door de tijd.
Later op de dag waren we op het Amstelstation. Een Italiaanse vriend had hoog opgegeven van de pasta die ze serveerden bij Julia’s, een hippe Amerikaanse keten. Take away. Snel en goed. Zo stonden we op New Yorkse wijze verse penne uit een kartonnen bakje te eten met een plastic vork. Reizigers liepen af en aan, op weg of huiswaarts. De bolognesesaus smaakte voortreffelijk, dat kon ik goed proeven omdat ik de modieuze rucola die ze er als topping bij wilden geven had geweigerd. Plotseling doemde, breed lachend, de reusachtige gestalte van een collega op tussen de reizigers. Hij sleepte een koffer mee. Hij straalde de zorgeloze, onthechte vermoeidheid uit van mensen die net een lange vliegreis hebben gemaakt. In vergelijking met zijn diepe bas leek mijn eigen stem me jongensachtig onzeker. ‘Nog steeds van de drank af? Je ziet er goed uit. Ik kom net uit Napels. Tournee met Frans Brüggen. Daar heb jij toch ook wel eens gezongen? Heftige stad.’ Ja, Napels, daar heb ik ook wel eens gezongen, dat vertel ik u nog wel eens. Maar nu stond ik met mijn bakje pasta van Julia’s temidden van de reizigers op een station vlakbij huis, en leed plotseling hevig aan Fernweh.
dinsdag 12 april 2011
A SONG FOR TRISTAN
Het lijkt wel of ik een olifantshuid krijg voor rampspoed en ellende. Zo'n schietpartij in Alphen aan de Rijn, dat raakt me natuurlijk, ik ben niet van steen, maar het grijpt me niet echt aan. Na de eerste sensatie is het al gauw oud nieuws, dat de media minstens een paar dagen lang zullen uitmelken met niets toevoegende items. Kleine nieuwe feitjes, gezagsdragers die helemaal niets zeggen in troostende, rituele zinnen, buurtbewoners die hun onbegrip zenuwachtig glimlachend onder woorden brengen, experts die op tv expert mogen zijn om de tijd te vullen. Het is net als met natuurrampen. Onbeheersbaar geweld dat het beeld van de werkelijkheid abrupt en onvoorzien doormidden scheurt. Ik kan er niets aan veranderen, ik kan er niets mee doen. Na de eerste schrik zet ik het weg in de annalen als voldongen feit.
Weet u wat mij wel aangrijpt?
Een man is jong. Hij heeft hoge idealen en artistieke aspiraties. Hij is kunstschilder. Hij legt het wonder van de schepping vast in acrylverf op linnen. Het licht over het Hollandse landschap verbaast en ontroert hem. Zijn pogingen om dat in beelden te vangen zijn te naief voor de culturele echelons van de Randstad, maar halen in de provincie een goede pers. Hij wordt leraar beeldende vorming in een klein stadje. Hij wordt gewaardeerd. Hij heeft een zinvol bestaan. Als hij een zoon krijgt verplaatst zijn ontroering over het wonder van de schepping zich naar het persoonlijke vlak. Hij schildert een ontluikende sierlijke bloem, een gele lis, die baadt in een warm geel, bijna hemels licht. Hij noemt het A Song for Tristan.
Vierentwintig jaar later schiet zijn bloemenkind zes mensen overhoop om zijn zelfmoord kracht bij te zetten. Een veelvoud daarvan aan levens verminkt hij even gruwelijk als blijvend. Zou de kunstschilder ooit nog schilderen? En wat moet hij dan nog schilderen?
Weet u wat mij wel aangrijpt?
Een man is jong. Hij heeft hoge idealen en artistieke aspiraties. Hij is kunstschilder. Hij legt het wonder van de schepping vast in acrylverf op linnen. Het licht over het Hollandse landschap verbaast en ontroert hem. Zijn pogingen om dat in beelden te vangen zijn te naief voor de culturele echelons van de Randstad, maar halen in de provincie een goede pers. Hij wordt leraar beeldende vorming in een klein stadje. Hij wordt gewaardeerd. Hij heeft een zinvol bestaan. Als hij een zoon krijgt verplaatst zijn ontroering over het wonder van de schepping zich naar het persoonlijke vlak. Hij schildert een ontluikende sierlijke bloem, een gele lis, die baadt in een warm geel, bijna hemels licht. Hij noemt het A Song for Tristan.
Vierentwintig jaar later schiet zijn bloemenkind zes mensen overhoop om zijn zelfmoord kracht bij te zetten. Een veelvoud daarvan aan levens verminkt hij even gruwelijk als blijvend. Zou de kunstschilder ooit nog schilderen? En wat moet hij dan nog schilderen?
Labels:
beeldende kunst,
portretten,
tijdgeest,
tv
vrijdag 8 april 2011
HOMMEL
In de gang kroop een hommel. Hij zat onder het stof. Hij moet de winter in een hoekje hebben doorgebracht. Ik pakte hem met stoffer en blik op en zette hem op het balkon. Daar verstarde hij, terwijl hij zijn rechtervoorpoot ophief alsof hij het verkeer regelde, of de Hitlergroet bracht. Ik begreep het. Hij had last van de felle zon. Ik schoof hem in de schaduw, en hij begon weer te bewegen. Eerst waste hij zijn voorpoten. Dan maakte hij een enkel proefvluchtje, vijf centimeter rechtstandig omhoog, meer niet. Alles deed het nog. Hij leek moed te scheppen, en wierp zich vastberaden in de lucht. Hoog en snel ging het meteen, met duizelingwekkende zwenkingen. Maar de willekeurige patronen werden al gauw kleiner, en met grote precisie dook hij in een bloeiende perenboom.
(Laatste nieuws, voor wie mijn familiesoap volgt: uit recent onderzoek en nieuwe informatie blijkt dat Koos Grosman wel degelijk familie is. Zijn moeder, Jacoba van Doorne, had een zuster Heiltje. En dat is de moeder van mijn oma, Bartholomea Grabijn. Dat maakt Koos een volle neef van mijn oma, en dus inderdaad een (soort) oom van mijn moeder, zoals ik in mijn eerste stukje over deze zaak stelde. En passant bleek trouwens dat de Grabijns via Duitsland uit Polen komen, en dus helemaal niet van Franse Hugenoten afstammen, zoals het familieverhaal het wil; maar daarover wellicht ooit een andere keer.)
(Laatste nieuws, voor wie mijn familiesoap volgt: uit recent onderzoek en nieuwe informatie blijkt dat Koos Grosman wel degelijk familie is. Zijn moeder, Jacoba van Doorne, had een zuster Heiltje. En dat is de moeder van mijn oma, Bartholomea Grabijn. Dat maakt Koos een volle neef van mijn oma, en dus inderdaad een (soort) oom van mijn moeder, zoals ik in mijn eerste stukje over deze zaak stelde. En passant bleek trouwens dat de Grabijns via Duitsland uit Polen komen, en dus helemaal niet van Franse Hugenoten afstammen, zoals het familieverhaal het wil; maar daarover wellicht ooit een andere keer.)
Abonneren op:
Posts (Atom)