zaterdag 10 augustus 2024

BABYLON


Vanaf oktober doen we weer een aantal voorstellingen van Wat geweest is, is geweest, het liedjesprogramma rondom Lennaert Nijgh en Boudewijn de Groot. In die volgorde, want het draait vooral om Lennaert - ik lees onder meer brieffragmenten van hem voor. Over een van die voorstellingen (in het kerkje 'De Stompe Toren' van Spaarnwoude, op zondagmiddag 27 oktober) ga ik morgen iets vertellen op regionale radio.
Ik zat juist, op het balkon met een eerste koffie, te denken dat ik me maar eens moest gaan inleven in de materie toen er een mail binnenkwam. Ene Richard Ranson uit Brugge vroeg mijn mening over een anekdote die hem ter ore was gekomen. Kort samengevat gaat die als volgt: Boudewijn trad in 1967 op in de Stadsschouwburg van Brugge. Tijdens zijn verblijf daar bezocht hij het artiestencafé Babylon. Dat zou de inspiratie zijn geweest voor het gelijknamige lied op de langspeelplaat Nacht en Ontij. [U kunt HIER het gehele verhaal lezen, in de commentaren bij het blog.] De entourage van Boudewijn vond het desgevraagd een broodje aap. Wat was mijn mening?

Het was een mooie, ouderwets stille morgen. Het was bouwvak dus de gierende schuurmachines zwegen zoals het hoort op zaterdag. Ik maakte een tweede koffie, beklom een stoel om er een paar boeken bij te halen, en nam er mijn tijd voor.

Beste Richard,

Dank voor je mail, die ervoor zorgde dat ik een uurtje aangenaam doorbracht met het speuren naar historische informatie in verschillende boeken, van Boudewijn en van Lennaert.
Om met de eerste vraag te beginnen: Babylon zoals het op Nacht en Ontij staat, is op naam van Boudewijn gecrediteerd. Maar, uit Hoogtevrees in Babylon, het boek uit 2007 waarin Boudewijn commentaar geeft bij zijn liedteksten tot dan toe, leren we dat het Lennaert was die de oorspronkelijke tekst had geschreven. Boudewijn vond die evenwel niet geschikt om te zingen en herschreef de gehele tekst, met behoud van steeds de eerste twee verzen van ieder couplet. Feitelijk had Lennaert dus als co-auteur genoemd moeten worden.

Dan de anekdote. Ik weet niet wie die persoon uit Boudewijns omgeving is, maar ik kan niet anders dan hem of haar gelijk geven: Boudewijn alleen in een café? Zeer, zeer onwaarschijnlijk. Hij is een verlegen man die zich slecht op zijn gemak voelt in openbare gelegenheden. Tenzij er een dwingende reden voor was, lijkt het me niet aannemelijk dat hij de veilige ruimte van zijn kleedkamer zou hebben verlaten. 

Maar je zegt dat de toenmalige kroegbaas bekendstond als een man met een sterk geheugen en een voorliefde voor de waarheid. Mogelijk heeft zijn geheugen hem toch parten gespeeld. Of (en dat kan heel goed) hij heeft de waarheid een beetje verdraaid om haar mooier te maken.
Want wat nou als het niet Boudewijn maar Lennaert was, die in café Babylon kwam, tot tweemaal toe? Dan wordt het een ander verhaal. Lennaert was een echte kroegtijger. Nee, dat klinkt te stoer - hij voelde zich thuis in de kroeg, waar hij vooral veel zweeg en alles las wat maar leesbaar was. Een stamcafé was voor hem een tweede huis waarin hij zijn vaste plek en zijn vaste gewoontes had. In elke plaats waar hij vaak kwam had hij zo'n geliefde plek, in Amsterdam bijvoorbeeld café Schumich aan de, of zoals Amsterdammers zeggen, het Singel.
Boudewijn toerde in 1967 vaak door Vlaanderen. Of hij ook motor reed weet ik niet, dat lijkt me helemaal niks voor hem. Wat ik weet, is dat hij tijdens die reisjes de auto bestuurde waarin ook Lennaert zat, want die trad in die tijd op als zijn manager; eerder voor de gezelligheid, heb ik de indruk, dan uit talent voor het zakelijke. Over die tochten in de hevig naar wierook geurende auto van Boudewijn staat een mooie passage in Tekst en Uitleg van Lennaert (uitgeverij Conserve) - ik sluit een foto bij.

Ik kan me heel goed voorstellen dat het zó gegaan is:
Boudewijn bleef na aankomst in Brugge in de schouwburg. Voorafgaand aan een concert is er altijd genoeg te doen. Ik kan me moeilijk voorstellen dat Lennaert, áls hij al ieder optreden bijwoonde, ook bij de soundcheck bleef. Hij zal, zoals hij graag deed, door de oude stad gedwaald hebben en een café zijn binnengelopen dat hem aantrok om daar in zijn eentje aan de toog, mijmerend en observerend, een glas te drinken. Thuis in Haarlem was dat steevast Beerenburg, in Brugge zal het een lokaal bier of misschien een genever zijn geweest. Het detail dat hij bij het tweede bezoek op exact dezelfde plaats ging zitten is tekenend. Zo was Lennaert.
Hij zal daarbij niet herkend zijn, want hij bleef nogal op de achtergrond. Maar het was een stil uur, zeg je - hij kan heel goed een praatje met de kastelein hebben gemaakt, waarin hij vertelde wie hij was en waarom hij in Brugge was.
Hou me ten goede, dit is allemaal fantasie, feiten heb ik niet.
Cafébaas Ward van de "kroegste der kroegen" had nu een mooi verhaal te vertellen, ware het niet, dat weinig mensen (dat geldt nog steeds overigens) wisten wie Nijgh was. De zanger trekt de aandacht, de net zo belangrijke dichter blijft in de schaduw, de veilige schaduw van een schemerige staminee. Wat ligt meer voor de hand dan dat hij, Ward, de waarheid een klein slagje draaide, en Nijgh veranderde in zijn beroemde vriend Bo? Het verhaal blijft in essentie waar, en het spreekt meer aan. Je hoeft niet eerst uit te gaan leggen wie Lennaert Nijgh was.
En ja, het zou heel goed kunnen, als dit allemaal waar is, dat Lennaert, die een voorliefde voor het oudtestamentische had, geïnspireerd raakte door de naam van de kroeg en er zijn door Boudewijn afgekeurde tekst op baseerde, die begint met: 

Tempelgoud glanst helder
in de stralen van de zon
daar rijst de toristis Helion
advenitur laborantes
kaischwarzedis melanchton
epahebris et stalakton
mundus vocans lousytermes
decameron quasi spermes
in balantes Babylon

Een fraaie schildering van een Babylonische spraakverwarring, en, nee: dat glazuur komt er niet in voor. Dat is van de hand van Boudewijn, die erover schrijft: 'Glazuur heb ik altijd een magisch woord gevonden, als klein jongetje al. Ik heb geen idee waarom. Maar het moest een keer in een liedtekst verwerkt worden [...].' 

Meer weet ik er niet over te zeggen. Ik hoop dat ik je hiermee van dienst kon zijn.

Hartelijks,

Jan-Paul


(Illustratie Pieter Bruegel de Oude, 1563)

vrijdag 2 augustus 2024

SPROAKSTEE


Voor we later in augustus serieuzer op reis zouden gaan wilden we wat kleine excursies maken. Een paar dagen weg, even 'helemaal eruit', andere omgeving, andere taal - maar dan zonder de voorbereidingen en organisatie die een langer buitenlands verblijf vergt. De distels kunnen een dag of twee pluizen op het land van mijn vriendin, de katten hoeven mij maar kort te missen.
Onlangs bezochten we het tot dan toe verwaarloosde Aken. Deze week zouden we naar Heimbach gaan, een plek in de Eifel waar ik erg op gesteld ben geraakt. 

We vierden een tweedaags familiefeest in de tuin van mijn vriendin. Tenten opgezet in de appelboomgaard. Kinderen en kleinkinderen. Dat was enorm gezellig maar het hakte erin. Na al die Bourgondische zorgeloosheid en die vrolijke chaotische gesprekken tot diep in de nacht bij een walmende vuurkorf, begeleid door luidkeels gezang en ongeremd gitaarspel, was ik stuk. Ik vroeg om een dag respijt. Een gewone dag van wandelen en stilte. Om bij te komen van dat woeste en volle leven. 
Mijn vriendin kwam dat ook goed uit en zodoende gingen we woensdag pas weg.

Maar... we moesten onverwachts vrijdagnamiddag alweer terug zijn. Ik lag daar 's ochtends in bed over na te denken, inmiddels uitgerust. Heimbach was drieënhalf uur rijden, theoretisch. Maar de schrik zat me nog in de benen na die trage reis naar Aken. Heen en terug file op file, de A2 is haast niet meer te doen. Bovendien voorspelde de app juist voor die donderdag onweer en regen in de Eifel. 
Verandering van plannen. Flexibel zijn! Ik appte mijn vriendin om 7:15: 'Zullen we soms naar De Lutte gaan en daar de grens oversteken?'
Zij is in dat Twentse plaatsje geboren en heeft er haar eerste levensjaren doorgebracht. Ze was meteen voor. Het vooruitzicht op een meestal rustige A1 hielp ook. 


In De Sproakstee stond de tent algauw. Het was er niet zo rustig als toen we er in het eerste Corona-jaar waren. Een dozijn dure campers bewoond door stille, grijze echtparen omzoomde het iets te kort geschoren grasveld. We aten in het dorp, buiten. Om niet al te veel in herhaling te vallen bij een ander restaurant dan vier jaar geleden. We zaten nog wat voor ons tentje. De avond was zoel. Ik tekende de bomen.
De verkwikkend stille nacht op een spartaans matrasje werd abrupt kort gehouden door luid koerende houtduiven. Roekoe-koe-koekeroe-koe. Net een ander dialect dan in Noord-Holland.

In Bad Bentheim ontbeten we heerlijk bij koffiehuis en bakkerij Tietmeier. Wie daar ooit komt moet niet verzuimen een van hun zware, smaakvolle broden mee te nemen. Zulk lekker brood proef je zelden.
Mijn vriendin verleidde me tot een bezoek aan de burcht. Ik kende die alleen van gezicht. Zelf had ik ('Ik kén kastelen zo langzamerhand wel') willen volstaan met een beetje rondlopen door het stadje om eetlust op te doen maar ik had er geen spijt van.

Het evidente voordeel van toerisme is dat je te zien krijgt wat is beloofd. Dat geldt niet voor vogels kijken, bijvoorbeeld. Voor de tent had ik gemeend een grauwe klauwier te zien, maar het schuwe diertje hield zich verstopt en eer ik mijn verrekijker had gericht was het verdwenen. Onbevredigd borg ik de kijker weg, onzeker of ik de waarneming in mijn notitieboekje mocht noteren.
We kregen wat ons was beloofd en tegen de tijd dat we het grote en mooie kasteel verlaten hadden was het ook wel genoeg. De verzadiging van een toeristische attractie wordt nog eens versterkt door de bordjes met informatie en het aanschouwelijke onderwijs - het met levensgrote poppen en flakkerende lichtjes aangeklede alchemistenlaboratorium had ik kunnen missen.
De logeerkamer van koningin-regentes Emma daarentegen (Pauline van Waldeck-Pyrmont, gehuwd met Alexis van Bentheim-Steinfurt, was haar zuster en zij, Emma, kwam jaarlijks bij haar logeren om te kuren in de heilzame bronnen van Bad Bentheim) had ik best willen betreden, maar de weelderige slaapzaal was met plexiglas afgesloten.
Mijn vriendin wist nog dat het hier vroeger anders was, veel minder netjes, en zei dat ze de boel aan het verpesten waren. We verschilden even filosofisch van mening. De nieuwe Vorst van Bentheim und Steinfurt is een vooruitstrevend ondernemer. Misschien te commercieel. Maar als je niks doet vervalt de boel van charmant antiek tot een niet meer te redden zooitje. Ik dacht aan de talloze steenklompen in Engeland en Wales. Ik speelde de advocaat van de duivel. In mijn hart was ik het mijn vriendin eens. Ik kon dat plexiglas en die informatieborden missen als kiespijn.

We lunchten buiten in een Biergarten. Net over de grens en meteen krijg je twee schnitzels in plaats van één, voor dezelfde prijs, vergezeld van een overvloed aan heerlijke, 'op grootmoeders wijze' gebakken aardappels.
We deden inkopen in een supermarkt. De lucht was betrokken. Terug in Nederland was er een niet voorspelde regen begonnen die voorlopig niet van ophouden leek te weten. Het nadeel van primitief kamperen manifesteerde zich. We zochten ons heil aan een picknicktafel onder het afdakje van het sanitair. Daar aten we een avondmaal van meloen en ham, broodjes tonijn en lokale kruidenkaas, begeleid door een fles Schwarzriesling. Een beetje bevreemd bekeken door de keurige camperbewoners die ons passeerden om hun borden en pannen af te wassen. Daarna zat er niets anders op dan vroeg te gaan slapen met een boek. 
Die mooie wandeling over het loabultpad maakten we de volgende morgen, heerlijk uitgerust.


vrijdag 26 juli 2024

AANSPRAAK


Ik word de laatste tijd vaak aangesproken, geen idee hoe dat komt. En dan bedoel ik niet dat ze me aanspreken om mij, blijkbaar duidelijk 'van hier', de weg in Amsterdam te vragen.

Het deed me goed om deze week een op en top Italiaans stel te kunnen helpen. Ze zochten een restaurant met typisch Hollands eten - tipicamente Olandese. 
Hé, atypische Italianen, dacht ik meteen. Meestal willen hun landgenoten overal ter wereld pasta eten om vervolgens de helft te laten staan en met een lang gezicht te klagen dat het thuis beter is.
Daarna stond ik te stuntelen en hardop te denken in een moeizaam komend Italiaans. Waar eet je nog vlees, groenten en aardappelen? Want dat was de culinaire wens van dit knappe jonge stel. Ik kon ze moeilijk naar de gaarkeuken van het buurthuis sturen en betreurde het dat La Falote Corona niet had overleefd: in dat eethuisje serveerden ze voor een zacht prijsje een daghap van bijvoorbeeld sudderlapjes, rode kool en dampende piepers. Soepje vooraf, vla toe. Hollandser kon het niet.
Net toen ik vreesde het op te moeten geven schoot mijn geheugen me te hulp. Loetje, fluisterde het in mijn oor.
Natuurlijk! Biefstuk met jus en wittebrood, Amsterdams zaterdagavondkostje... Ik wees de Italianen opgelucht via de Ruysdaelstraat naar het Johannes Vermeerplein en hoop maar dat de beroemde ossenhaas van Ludwig 'Loetje' Klinkhamer ze heeft gesmaakt.

Maar wat ik bedoel is dat ik steeds vaker word aangesproken zonder praktisch doel maar gewoon, om een praatje te maken. Ik beschouw het maar als een teken dat het goed met me gaat, dat ik benaderbaarheid en innerlijke rust uitstraal?
Vanmiddag zat ik in het park na een onvoorziene vertaalsessie. Mijn vriend Robert had me een vertaalde songtekst toegestuurd en voor ik het wist was ik, aanvankelijk tegenstribbelend en met een zekere weerzin, maar algauw met de oude bedwelmende fascinatie, ondergedompeld in een twee jaar geleden begonnen project, de vertaling van A Passion Play, het cryptische en pretentieuze conceptalbum uit 1973 van Jethro Tull. 
Op het bankje tegenover de ooievaars draaide ik als een gebedsmolen een kwatrijntje uit The Flight from Lucifer (Vierde Acte) rond. 

Everyone's saved, we're in the grave.
See you there for afternoon tea.
Time for awaking the tea lady's making
a brew-up and baking new bread.

Over een eerdere vertaling was ik ontevreden, vandaar dat gebedsmolentje. Er moest toch iets beters te bedenken zijn dan mijn wel héél vrije parafrase?

'Is er nog maar één?'
Ik keek opzij. Een man die ik al jaren door het park zie lopen, rondje na rondje, steentjes schoppend en nauwelijks om zich heen kijkend. Aan de drank, in de war, dakloos, ontslagen en door en door verveeld? Geen idee. Stroblond piekhaar om een roze gezicht. Uitdrukkingloze ogen achter een ronde plastic bril. Sandalen, driekwartbroek. We kennen elkaar van gezicht, we horen bij de habitués, maar doen net of we elkaar niet zien bij onze rondjes. Tot nu dus.
'Nee,' antwoordde ik. 'Ze zijn er allebei nog, maar een van de twee is een eindje vliegen.'
'Er waren er eerst toch drie?'
'Ja, maar één is te vroeg uit het nest gesprongen. Hij ging fladderend ten onder. Hij verblijft nu in de opvang. Het gaat goed met hem (of haar), binnenkort zal-ie wel losgelaten worden.'
'Ze moeten eerst wel een beetje met die vleugels oefenen, toch?' meende de stroblonde man. 'Is dat een van de jongen of een van de ouders?'
'Een jong. Dat zie je aan de zwarte snavel. Die van de ouders zijn rood. Nu worden ze nog gevoerd door de ouders maar ze zullen binnenkort wel uitvliegen.'
'Het wordt tijd ook,' grinnikte hij en slofte verder, de blik op zijn bestofte sandalen gericht. 

Het kostte me even om mijn gedachten te verzamelen. De habitués, de parklanterfanters, spraken me één voor één aan de laatste tijd, alsof het zo afgesproken was. Ik zou niet langer anoniem door het groen kunnen wandelen, Im Walde mompelend als er een wolk voor de zon schoof en de schaduwen van de bladerrijke bomen diep en donker waren. Ik werd in de gaten gehouden. 
Maar daar was het passiespel weer. Het molentje draaide, eerst stroef, daarna lekker ratelend.

De druk is eraf, we zijn in ‘t graf.
'k Zie je daar, zo tegen theetijd.
Nu maar eens opstaan, vers brood zal erin gaan,
de theejuffrouw schenkt nog eens in. 



vrijdag 19 juli 2024

Murakami & Sinatra


Ik heb De stad en zijn onvaste muren uit. Het was lang geleden dat ik zo zomers had gelezen, zo geabsorbeerd door wat ik las. In bed, op mijn balkonstoel, in de fauteuil bij het raam - zo lang als ik in mijn page turner verdiept was, was de wereld me onverschillig: ik vertoefde elders, in een provinciestad in de besneeuwde bergen van Japan en in een fictieve, gedroomde stad die door hoge, niet duidelijk gedefinieerde muren omringd was. 

Maar is het ook literatuur, wat Haruki Murakami schrijft? Ik aarzel. Niet dat het er veel toe doet natuurlijk, want hij heeft me een plezierige week bezorgd. Maar toch, voor een talige fijnproever als ik (sommigen zeggen snob) een punt van overweging. Van literatuur verlang ik (dat is heel persoonlijk natuurlijk) hetzij compacte hetzij meanderende, zorgvuldig geconstrueerde, van betekenis barstende zinnen - rijp fruit om peinzend te savoureren. Zo'n stilist is Murakami bepaald niet. Hij lijkt meer op Simenon dan op Dickens, om twee van mijn favorieten te noemen. Zijn taal is helder, eenvoudig, zonder opsmuk, een enkele verrassende poëtische metafoor daargelaten. Hij aarzelt op de flauwe grens tussen pulp fiction en 'hoge' literatuur, laat ik het zo zeggen.

Het is voor mij helaas niet mogelijk om te bepalen wat op conto van de vertaler is te schrijven en wat typisch voor Murakami is. Maar vaststaat dat er veel, héél veel herhaling in deze 634 pagina's zit. Stilistisch (woordherhaling, herhaling van formules ofwel vaste groepen van woorden) zowel als inhoudelijk. Alsof hij een groepje dementerende bejaarden of hyperactieve kleuters toespreekt herhaalt hij voor de zekerheid alle informatie om de paar bladzijden, we zouden de draad eens kwijt kunnen raken! 
Ik neem aan dat dit bewust zo gedaan is. Hij neemt zoveel tijd voor alles dat je allengs tot over je oren in zijn wereld zit. Die is vreemd maar beperkt, exotisch maar overzichtelijk, en al snel, mede door al die herhalingen, heel vertrouwd. En eenmaal hooked aan zijn vertelling moet je verder lezen, over de herkenbare obstakels van nog veel meer herhaling heen naar de afloop van al die merkwaardige gebeurtenissen. Dit sfeervolle geouwehoer moet toch ergens toe leiden? Murakami weet duidelijk wat hij doet. Geroutineerd leidt hij de lezer plagerig langzaam naar de ontknoping. 

En! Anders dan bij veel fantasyboeken of thrillers valt de ontknoping na die langdurig gewekte spanning niet tegen. Zijn 'magisch-realistische' universum schept immers zijn eigen regels. Er valt niets uit te leggen. Er hoeven geen losse eindjes aan elkaar geknoopt te worden.
Na lange compulsieve dagen van lezen en een fascinerende eindsprint is er de leegte en het verlangen naar meer. En zijn er toch ook vragen. Want wat betekenen die twee preien in het verlaten bed van Koyasu's vrouw? De naamloze verteller weet het ook niet, hoe moeten wij het dan weten? En die kat met haar jongen, is dat zomaar een versiering, of heeft die nog een diepere betekenis? En wordt het, in de 'echte wereld', nog wat met die eigenaresse van het koffietentje? 

Wat me wel erg belemmerd heeft, vooral de eerste dagen, toen ik nog niet verslaafd was, is de bij vlagen soepele en knappe, maar elders helaas zeer aanwezige vertaling van Elbrich Fennema. De Nederlandse versie van de meest recente roman van Murakami heeft een overvloed aan hinderlijke stopwoorden, is daardoor wijdlopig en op een gekunstelde manier idiomatisch. 'Hoe je het ook wendt of keert' lezen we zo'n beetje om de bladzijde, en soms strijden 'natuurlijk' en 'uiteraard' binnen één zin om voorrang. Waarschijnlijk staat het er in het Japans precies zo, maar dat is een snelle staccato taal van korte klanken. In het brede en trage Nederlands kunnen er véél van die bijwoorden en bijwoordelijke bepalingen geschrapt worden - dat zou de leesbaarheid zeer ten goede komen.

Maar het meest storend was voor mij als gewillige maar kritische lezer de verteltijd. Die springt voortdurend, vaak binnen een enkele zin, van de verleden- naar de tegenwoordige tijd, zonder dat daar een aanwijsbare reden voor is. In eerdere boeken van Murakami, ook als ze door Fennema zijn vertaald, is me dat niet opgevallen. Is Murakami zélf schuldig aan deze rommelige verteltrant? Heeft hij er een bedoeling mee? Is dat door elkaar husselen van tegenwoordige- en verleden tijd misschien veel gewoner in het Japans dan in onze taal en heeft de vertaler uit overdreven plichtsgetrouwheid het niet gecorrigeerd naar wat in het Nederlands gebruikelijk is? Vragen waarop ik ooit een antwoord hoop te krijgen.

Eerder vroeg ik me af of het werk van Murakami eigenlijk wel literatuur is. Wat daarvoor pleit is de mate waarin hij zich aan eenduidige interpretatie onttrekt. De vreemde gebeurtenissen en omstandigheden zijn geen simpele metaforen of archetypische symbolen zoals in een sprookje of een fantasy novel. Met de logica komt je er niet. Er blijft altijd iets aan je begrip ontsnappen en dat bevalt me.
Dit lijk ik in Murakami's roman te lezen: de mens is geen eenduidig wezen. We hebben schijngestalten ('schaduwen') zo goed als een 'werkelijke' ik, die in ons lichaam en in het hier-en-nu zetelt. Maar ze zijn inwisselbaar. Vaak is niet een, twee, drie duidelijk welk van onze gedaanten een afsplitsing is en welke onze ware identiteit vertegenwoordigt.  Je kunt switchen van je diepste zelf naar je sociaal aanvaardbare buitenkant zoals de naamloze ik-persoon beurtelings in de besneeuwde provinciestad in de bergen en in de fictieve ommuurde stad woont. Van het ene aspect van jezelf naar het andere. De werkelijkheid bestaat uit talloze facetten en je mag of moet kiezen welke daarvan het beste bij jou past. 

                                                                           *

Tot slot een persoonlijke illustratie. 
Ik speel al wekenlang grillige, vroeg zestiende-eeuwse stukken van Joan Ambrosio Dalza en Francesco Spinacino op mijn luit. Maar misschien omdat in Murakami's wereld altijd veel oude jazz standards voorkomen belandden mijn gedachten bij The Voice. Het kan ook dat een YouTube-filmpje dat passeerde er een rol in speelde. Of de ondanks het tegenvallende weer toch zomerse atmosfeer. Ik heb die man, Sinatra, intens bewonderd maar denk tegenwoordig niet veel meer aan hem en zijn muziek. 

Maar terwijl ik zo verder loop, valt me opeens iets op. Ik lijk, terwijl ik tegen de stroom in loop, een transformatie door te maken, al was het maar een beetje - niet meer dan een fractie. Het is geen gevoelsmatige, abstracte verandering, zoals een verandering van bewustzijn, of een wisseling van waarneming of van perspectief. Het is een concrete verandering, die met het oog is waar te nemen en die je met je handen daadwerkelijk kan aanraken. Een fysische, en vermoedelijk ook fysieke verandering.

Ik haalde in een plotseling oplaaiende nieuwgierigheid de pakweg vijftig elpees die ik van Sinatra bezit uit de platenkast en zette de stapel schuin onder mijn platenspeler. Weg was de luit, weg was de Renaissance.
Mijn schaduw-zelf, die van mijn dertig jaar jongere ik, kroop aarzelend tevoorschijn. 



vrijdag 12 juli 2024

WASDAG


Ik was gaan gaan slapen met het plan om iets te schrijven over Murakami's nieuwe roman De stad en zijn onvaste muren, althans, vooral over de vertaling daarvan. 
Dit formuleerde ik in mijn hoofd voor ik tegen negenen mijn warme bed verliet om te gaan douchen: 

Bijwoorden als eigenlijk, natuurlijk, bovendien en uiteraard zijn als tempo-vertragende obstakels. Zeker in het Nederlands. Hoe het in het staccato Japans is weet ik niet. In onze omslachtige taal zijn het verkeersdrempels in een zone waar je toch al maar 30 mag rijden.

Maar ik had nadat ik was opgestaan uit een dikke, droomloze slaap geen fut. Dat allemaal samenhangend formuleren betekende veel research want ik kon niet zomaar wat roepen, er luisterden geleerde mensen mee. Ik had weer eens verzuimd om al lezende voorbeelden te onderstrepen die mijn betoog zouden kunnen ondersteunen.
Ook bedacht ik dat ik eerst verder moest lezen voor ik mijn oordeel wereldkundig maakte. Want Murakami kon me best nog eens verrassen: wat ik als tekortkomingen zag, waren - als het geen vertaalfouten waren - misschien wel opzettelijke zonden tegen de grammatica ter illustratie van iets inhoudelijks. U begrijpt waarschijnlijk niet waar ik het nu over heb, maar ik hoop dat te zijner tijd duidelijk te maken. Als ik De stad en haar onzekere muren, zoals ik het in mijn hoofd blijf noemen, uit heb en materiaal verzameld heb voor mijn kritische overwegingen. 

Vanavond zou ik naar een dansvoorstelling in de openlucht gaan met mijn vriendin en haar zuster. Ik dronk mijn hete zwarte koffie in de fauteuil bij het raam en keek naar de regen die de hele morgen al onophoudelijk lekte uit een egaal grijze lucht. In het hoofdstuk In the House of Tom Bombadil van Tolkiens LOTR, het hoofdstuk dat de film helaas niet gehaald heeft, lezen we:  

'Dit is Goudbesjes wasdag,' zei hij, 'en haar najaarsschoonmaak. Te nat voor Hobbit-volk - laat hen rusten nu het nog kan! Een goede dag voor lange verhalen, voor vragen en voor antwoorden, dus Tom begint met praten.' 

Maar niemand vertelde me een lang verhaal en zelf lezen trok me niet meer zo aan na een overdosis gisteravond. Ik probeerde het nog even, bij mijn tweede hete zwarte koffie, die vergezeld ging van een boterham met roomboter en marmelade, maar toen ik een personage hoorde zeggen (zag zeggen? las zeggen?): 'Dit is gebeurd toen ik doodging' hield ik het voor gezien. Murakami kan me meesleuren door de wereld van zijn fantasie als ik me er eenmaal aan overgeef, maar de start na een leespauze is vaak moeilijk. 
Ik appte aan mijn vriendin: Ik blijf maar in bed vandaag. Het is koud en nat. Ik dacht daar even over na en besloot dat het helemaal zo'n gek idee nog niet was. Ik ging op bed liggen en trok een fleece-dekentje over me heen. De katten gingen aan weerskanten liggen spinnen. 
Na een uurtje zo nogal leeg en net niet slaperig genoeg naar de regen te hebben liggen kijken stond ik op. De dans in de openlucht was nog niet afgeblazen en ik moest voor eten zorgen. 

In het weggeefkastje op straat vond ik een uitgave van The Silmarillion. Die had ik alleen in het Nederlands. Ik liet de kleurige pocket in de zak van mijn warme tweedjasje glijden.
Het was hoogzomer. De straten van Amsterdam, niet bestand tegen de hevige regens van de afgelopen tijd, zagen eruit als een verstedelijkte versie van de Finse Meren. Iedereen liep met sjofele paraplu of degelijk regenscherm of ging gehuld in plastic poncho, al of niet doorzichtig. In de glazen entreehal van de Albert Heijn op het Museumplein schuilden jonge toeristen hurkend tegen het raam, happend in snacks die er aantrekkelijk uitzagen maar waarvan ik wist hoe slecht ze smaakten. 
Ik kocht genoeg spullen om een gezonde pasta te kunnen maken en een paar flessen troostrijk druivennat, wit Duits, en rood Frans. Andersom had ook heel goed gekund want ik houd erg van Spätburgunder.

Thuisgekomen borg ik de boodschappen weg, zette de Weissburgunder koud en sloeg De Silmarillion open.
Gözüne çok güzel görünmüş... Heel even dacht ik dat het een vertaling in het Dwergs of in de taal van Mordor was, met al die u-klanken en die umlauts. Was het al zover gekomen met het uitventen van het fantasierijk van Tolkien, had een vlijtige nerd die honderden pagina's in het Khuzdul of in The Black Speech omgezet?
Het bleek de Turkse versie van het boek te zijn. Want op de klanken van het in zijn oren lelijke Turks baseerde Tolkien de talen van orks en dwergen. Fins en Keltisch stonden model voor de welluidende talen van de Elfen. Blond was goed, zwart was slecht. Hij hoeft er gelukkig geen verantwoording meer voor af te leggen. 



vrijdag 5 juli 2024

CUSTOMIZED


Het marmeren blad van mijn balkontafeltje was stuk. De lijm had losgelaten, het lag onverankerd op de gedraaide gietijzeren poot. De corpulente heer Snuf sprong erop, het verloor zijn evenwicht, kieperde op de grond en brak. Ik wilde er een reparatiepoging aan wagen. Op mijn to do-lijst stond steenlijm kopen. De nieuwe stofzuiger was al gekocht, er was een was gedraaid, de frets van mijn luit waren vervangen. Het tafeltje zou snel aan de beurt zijn, maar urgent was het nog niet, het weer nodigde niet uit tot buiten zitten. 
Gisteren kwam mijn oudste dochter. We hebben een zomerse traditie van buiten eten. Het weer was vriendelijk genoeg. Maar ja, dat tafeltje. 
Terwijl de saus van aubergine, tomaat en wangspek stond te pruttelen bekeken we de situatie. Het verlokkende idee van buiten eten opende mogelijkheden. Waarom niet van een verminkt tafelblad eten? Waarom eigenlijk niet?
Ik tilde het loodzware marmer op en legde het op de poot. We schoven een beetje. Tevreden keken we naar het resultaat. Het breukvlak bleek mooi aan te sluiten bij de deur erachter. 
Toegegeven, een heel tafeltje is mooier. Maar het paste eigenlijk nauwelijks op het ondiepe balkon. We moesten er altijd onhandig omheen manoeuvreren. De een moest via de keuken, de ander door de huiskamer naar zijn plaats lopen. Nu was er ruimte genoeg, een heel wandelpad strekte zich langs het gehavende tafeltje uit. 
De pasta was klaar. Ik zette schaal en borden neer. Bestek, onze glazen. Paste makkelijk. 
We proostten. 'Beter zo!' zei mijn dochter.



dinsdag 2 juli 2024

Voorheen Rookzangers Notitieblog (55)

Vroeger was ik heer en meester in mijn appartement op driehoog. Ik was zelfs té onverschillig voor wat er onder me gebeurde. Soms kwamen de buren, Ans O. en Arie van N., klagen. Door het springen van de kinderen was een lamp van het plafond losgekomen. En ze konden 'hun eigen tv niet horen' toen Vincent en ik een nieuwe cd feestelijk luidruchtig ten doop hielden.
Nu is het andersom. Het huis onder me heeft heel lang leeggestaan. Dat heeft me verwend. Mijn nieuwe onderbuurman S. is als een soevereine stadsbewoner van het nieuwe soort. Boven zijn gerenoveerde paleisje word ik, oude bohemien, vriendelijk gedoogd. Schuldig voel ik me over aanhoudende lekkages, alsof ik daar iets aan kan doen. Ik speel zachtjes piano. Passeer stapvoets in het trappenhuis zijn appartement.
Hij stampt de trap op en slaat vrolijk met deuren. Klopt aan als er iets is. In het jeugdige vertrouwen dat alles op te lossen is en dat het beste nog moet komen.