dinsdag 11 september 2018

ONTREGELING

Dit zijn dagen van ontregeling. En ik heb het mezelf aangedaan.
Ik ben somber en slaperig en kan me slecht concentreren. Of mijn concentratie is zo totaal en zo eenpuntig, dat ik alles om me heen gedurende lange tijd vergeet.
Er is een voortdurende hunkering die zich als onrust manifesteert of als een diep verlangen, een felle weemoed naar iets dat binnen handbereik ligt en toch ongrijpbaar is.

Ik had al een paar dagen last van kou op de borst en net genoeg verhoging om me raar te voelen, maar niet genoeg om in bed te blijven en het uit te zieken. Ondersteund door een pilletje ging ik naar het feest van mijn broer. Aan het eind van de avond, toen het vuur al hoog oplaaide en de sintels van de barbecue bijna gedoofd waren, raakte ik in gesprek met A. Ze wilde alles weten over mijn ervaringen met meditatie. Ik was suf, wist het allemaal niet meer zo zeker en kon ook slecht uit mijn woorden komen. Koorts en te veel rode wijn, vermoeidheid - hoe dan ook: ik hoorde mijn slappe pogingen om de heilzame werking van het mediteren te verklaren ontevreden aan. Met een gevoel van ontgoocheling zelfs. Wat waren dan precies mijn verworvenheden? Was het niet allemaal onzin goed beschouwd, had ik geen modegril gevolgd?

De volgende dag zouden we iets aan Open Monumentendag doen maar ik was te gammel en besloot in bed te blijven. Mijn vriendin ging met vrienden uit wandelen. Een half uur nadat ze was vertrokken had ik al spijt. De zon scheen vriendelijk en verleidelijk naar binnen en het was blijkbaar zo'n zeldzame septemberdag waarin de zomer nagloeit in een al wat weemoedig licht. Ik stond op, douchte, kleedde me aan en liep naar het Haarlemmermeer Station, het dichtstbijzijnde 'open monument'. Het was vooral om een aanleiding voor een wandeling te hebben. Er woei een zoel briesje, de bomen twinkelden vriendelijk met hun blaadjes die binnenkort wel zouden vallen. Ik liep het stationnetje in en uit en ging door het park terug. In de Vondeltuin dronk ik wat. Ik voelde me alleen tussen al die mensen die van de laatste zomerdag genoten. Waarom was ik ook niet gewoon met mijn vriendin meegegaan? Paracetamolletje erin en hup! Ik liep hier nu toch ook? Het feit dat ik mijn beslissing niet terug kon draaien deed me bijna fysiek pijn.

Maandag was alles omgeslagen en loerde de naderende herfst me wrang aan. De futloosheid die tijdelijk was verdwenen onder invloed van de wandeling en het mooie weer was bijna verdubbeld. Ik moest twee keer mediteren, in godsnaam dan toch maar, en ook fysieke oefeningen doen, rennen op de plaats, spreidsprongen, rekken en strekken, zang studeren zelfs, toonladders en arpeggio's, om nog tot iets te komen.

En dat allemaal omdat ik zo stom ben geweest in de drukte van dit voorjaar weer te gaan roken. En nu dus helemaal opnieuw moet beginnen met afkicken, terwijl ik zo goed op weg was: een half jaar schoon. Ik heb de indruk dat het iets minder erg is dan de laatste keer, daar klamp ik me dan maar aan vast; maar ik verwacht dat het nog wel een weekje of wat gaat duren voor de ontregeling voorbij is. Mocht het ooit nog eens gebeuren dat ik struikel en weer op moet krabbelen, dan weet ik één ding zeker: nooit meer stoppen met roken tijdens het vallen van de herfst, aan het begin van een nieuw seizoen. Terwijl ik dit opschrijf bliksemt de mogelijkheid door mijn hoofd: koop een pakje tabak. Geef het nu maar op. Het zij je vergeven. Verkeerde timing. Probeer het gewoon weer in januari, net als iedereen. Even voel ik een wild geluksgevoel. 

vrijdag 7 september 2018

Portugese prentbriefkaarten


7. Besluit

Tot besluit van deze stukjes een echte ansichtkaart. De stortregens van deze week hebben een gordijn voor de voorbije zomer getrokken. Terugdenken aan die hete dagen krijgt een bijsmaak van weemoed. Het liefst zou ik eindeloos mijmeren boven mijn vakantiefoto's en me ieder detail van onze weken in Portugal proberen te herinneren. Maar ik moet me losscheuren van die lethargische luxe, het werk roept. Daarom: adeus!
De foto hierboven, die ik u als prentbriefkaart stuur, laat het paleis van Pena zien, in het mooie stadje Sintra, een koninklijk lustoord en nog steeds een lust voor de ogen.
Ooit heb ik, als kind, een uur of langer in de rij gestaan voor een attractie in de Efteling. Om de zoveel meter stond er een bordje: "nog een kwartier wachten vanaf hier", of iets dergelijks. Ik had niet gedacht zoiets als volwassen man nóg eens mee te moeten maken. En als ik had geweten dat de rij die zich onder de bloedhete hemel naar de ingang van het Palácio da Pena slingerde voorbij dat lokkende poortje gewoon door zou gaan, en dat die rij eigenlijk ook ná binnenkomst niet ophield (voetje voor voetje schuifelden we door de gangen en zalen) - dan had ik zeker rechtsomkeert gemaakt. Heel aardig, het inwendige van dit sprookjeskasteel, maar dit krankzinnige voorspel zeker niet waard.
Hoed u voor het paleis van Pena in het toeristenseizoen! Beter kun je het vanuit de weelderige tuinen zien liggen op de heuvel, met zijn verjaardagstaartkleuren, en de illusie de illusie laten. En nog mooier misschien was het silhouet van het negentiende-eeuwse paleis op een mistige morgen, gezien vanaf zomaar een bankje in Sao Pedro, de oude en relatief stille buitenwijk van Sintra waar wij onze grot bewoonden. (Zie de aflevering van 5 september). Blijkbaar was de plek een geliefd uitzichtpunt, want de bestuurders van de gemotoriseerde riksja's die Tuc Tuc heten hielden er stil, om vol ontzag op de heuveltop te wijzen. Helaas geen heldere hemel, en helaas geen volle maan op de Monte da Lua, de Maanberg, want het placht daar te spoken! Processies van geesten in zwarte pij werden er gezien, de voormalige bewoners van het klooster dat er vroeger stond.
Overigens, hoe mooi de veelgeprezen attracties van Sintra ook zijn (en dat zijn ze!) - misschien wel het mooiste van het stadje vond ik de achterkant: één straatje weg van het toeristengewemel en je bevindt je op stille, groenomzoomde kasseienweggetjes die zich langs de tuinen en door de heuvels slingeren, waar de Bougainville zijn purperroze bloesems laat stralen, hagedissen wegschieten op verweerde muren en je zomaar het huis kan tegenkomen waarin Hans Christian Andersen heeft gewoond.


Tot zover! Wie meer over Sintra wil lezen verwijs ik graag naar een drietal blogs van De dwarse man: Sintra?, Een onoverbrugbare kloof? en Quinta da Regaleira, die ik tijdens mijn verblijf aldaar met instemming en plezier heb herlezen.



woensdag 5 september 2018

Portugese prentbriefkaarten

4. De grot zonder kurkentrekker



Esperança is zesennegentig en spreekt geen woord Engels. Om toch te communiceren herhaalt ze eindeloos dezelfde formules. Ja, dat van die wind was ons ook opgevallen. Vento, vento, zeker. We staan wat bedrukt in de slaapkamer, die sterk naar vocht en schimmel ruikt. Ze drukt op knopjes. Muita luz, ja: schemerlampjes genoeg. En ze doen het. Knap hoor! Maar waar is het raam?
Als de oude vrouw ons alleen heeft gelaten met onze ontgoocheling trek ik het gordijn weg waarop mijn hoop gevestigd was. Het bedekt een ongebruikte deur.
Het keukentje en het sanitair die aan de voorouderlijke slaapkrocht zijn aangebouwd zijn comfortabel en modern, zelfs luxe. We gooien de keukendeur wijd open om te luchten, zetten de stoeltjes op de oprit en besluiten onze toevlucht tot galgenhumor te nemen. Hadden we maar eerder moeten boeken, dit appartement in een voormalige bakkerij van kaastaartjes was het laatste in Sintra dat nog vrij was, eigen schuld. Als ik een fles wijn wil opentrekken blijkt er geen kurkentrekker te zijn. Ik loop naar het huis van de oude dame en klop op het raam. Met gebarentaal geef ik mijn wens te kennen. Um saca-rolhas! Ze haalt een roestig zakmesje uit een la. Het kurkentrekkertje staat op afbreken maar deze fles krijg ik er nog mee open.
Later in de week, als de grot inmiddels zo niet dierbaar, dan toch gewend is (het is een beetje als logeren bij mijn opa en oma in Engelen, vroeger) zegt het spiraaltje krak en moet ik een fles opendwingen met messen, priemen en ander gereedschap. Uiteindelijk lukt dat ook. Met hoeveel kan een mens toe? Hoeveel kun je missen? Portugese wijn heeft steevast een kurk. De kurkindustrie is een belangrijke bron van inkomsten, overal staan de half ontbolsterde kurkeiken. Een kurkentrekker is misschien niet onmisbaar maar wel erg handig.
De dochter van Esperança belooft voor het ontbrekende gereedschap te zorgen. En ze appt: 'Hopelijk tot ziens! We hebben nog twee huizen in de verhuur, en allebei met saca-rolhas!'

5. Op doorreis: Beja

Middenin een stoffige vlakte vol plukjes olijven en kurkeiken ligt regiohoofdstad Beja. Als je aanleg voor pleinvrees hebt is zo'n vlakte onplezierig. Kronkelend via een klein weggetje langs de details van het land is er niet zoveel mis. Maar de rechte autoweg die door de rommelige leegte snijdt brengt het lelijkste en eenzaamste in het landschap boven. Waar is hier beschutting, waar verstoppen mensen zich hier? In Beja dan toch zeker, dat daar verderop ligt?
Bij de stadsgrens moet het landschap ophouden. Je moet je geborgen weten in het web van straten. Maar als je in Beja omhoog klimt onthullen de stadsmuren en de donjon een genadeloos panorama op de vlakte die de stad hongerig insluit. Pas de wazige bergen in de verte beloven veiligheid.
Stadsmuur van Beja
We lopen op een groot plein. Het is 38 graden. Het is zondag en het plein is uitgestorven, net als de rest van het historische centrum. Alleen een man en zijn dochter zitten op een klein terrasje voor een café. Ze staren lamlendig op hun telefoontje. We gaan naar binnen en komen in een bar annex winkeltje vol ambachtelijke producten. Designer coffee, veganistische taartjes. Bric-à-brac, een boekenkastje waarin ik Nietzsche zie staan naast boeken over yoga en ecologische landbouw. Het voelt als een thuiskomst: deze hipsters scheppen over de vele kilometers heen een verbinding met mijn vertrouwde wereld die zelfs mijn telefoontje niet kan bieden. Ook in het middeleeuwse Beja houden mensen zich bezig met lifestyle. Ik bestel artisanaal appelsap en een bovengistend Bejaans biertje, en vraag aan de vrouw waar iedereen is, in deze zinderende leegte.
'Naar het strand!' zegt ze. Het laatste restje beklemming wijkt.

6. Monchique na de brand

We zouden eigenlijk naar een primitief huisje in de bergen bij Monchique gaan. Maar de bosbranden braken los en op het nieuws zagen we hoe de heuvels rondom ons vakantieoord in lichterlaaie stonden. Het verblijf werd afgeblazen.
Op de voorlaatste dag van onze week in Faro rijden we naar Monchique. Zwartgeblakerde hellingen, en wat niet verbrand is ziet er knisperend droog en kleurloos uit, alsof de vurige wind alle levenssappen heeft doen verdampen.
We verdwalen in de wildernis en bonken over bospaden waar een kleine Peugeot niet thuishoort. Uiteindelijk geven we het op. We bellen en Monique komt ons halen in de terreinwagen.
Na een heerlijke lunch met zelfgemaakte kaasjes en zelfgestookte medronho-aguardente laat ze ons het terrein zien. Het vuur is tot aan de rand gekomen, huis en vee zijn gespaard, alleen de fruitbomen zullen dit jaar geen oogst geven. Dat lemen huis daar beneden, bij het snelstromende beekje, daar zouden wij gezeten hebben. Hoe zou onze vakantie eruit hebben gezien als we die daar hadden doorgebracht in plaats van in het drukke Faro?
Ze vertelt hoe ze de geiten evacueerde: met z'n allen in de terreinwagen, daarna terug om de rest op te halen. Was ze niet bang? Och... Het was niet haar eerste brand. Ze haalt haar schouders op, laconiek. Om in deze barre streken te kunnen wonen moet je wel over een flinke dosis flegma beschikken.

Foto: Paulien Kop



dinsdag 4 september 2018

Portugese prentbriefkaarten

3. De fadista die Clapton wilde zijn


Voor het stadspaleis dat het toeristenbureau van Faro herbergt deelde iemand flyers uit. Een fado-recital met uitleg over de Portugese gitaar. Dat leek ons wel wat. Driemaal daags, de eerstvolgende gelegenheid was diezelfde middag om drie uur. Mooi. Konden we de ergste hitte ontvluchten, want de zaal had airco, kregen we meteen te horen.
Maar de siësta liep wat uit die middag. Suf wakker geworden dwaalde ik door de stad op zoek naar sigaretten. Het stratenplan van Faro is ingewikkeld en ik verdwaalde, hoewel ik zeker wist dichtbij mijn doel te zijn. Ergens in het centrum van mijn omtrekkende bewegingen moest toch echt het Praça Alexandre Herculano liggen. Uiteindelijk kwam ik via een geheel onverwachte invalshoek op ons plein terecht en stuitte op een kiosk die ik daar nog niet eerder gezien had. Zo vond ik huis en rookwaar in een klap. Tevreden zette ik me neer op een van de terrasjes van het lommerrijke plein. Toen ik daar een tijdje naar de bedrijvigheid had zitten kijken, nippend van mijn witte wijn en mijn scherpe Portugese sigaretjes iets te gretig inhalerend, zag ik twee bekende gestalten tussen de toeristen. Mijn vriendin en haar zuster. Ik weet niet of ze naar mij op zoek waren, maar nu het toeval ons zo bij elkaar bracht besloot ik me te laten vinden. Samen dwaalden we door de straten, sommige chic en sommige sjofel, streken neer op andere terrasjes, en eindigden in een restaurant. Van fado kwam die middag niks.

De volgende dag stonden we om kwart voor twaalf op de stoep. De artiest zelf deed de kaartverkoop. We konden alvast naar de kapel op tweehoog, zei hij, als we maar oppasten de deur achter ons dicht te trekken, want die heerlijke koelte mocht niet ontsnappen. Hij ging nog even een andere blouse aantrekken. Ik keek naar die kleine, pezige man en vroeg me af wat er mis was met deze blouse. 
We liepen naar boven, bekeken een expositie over de grote aardbeving van zeventien zoveel, bewonderden buiten het uitzicht over de witte stad, en betraden de koele kapel. Een batterij Portugese gitaren stond opgesteld voor een projectiescherm. Even later kwam de artiest binnen en toen begreep ik dat wel van die blouse. Hij had een hoedje op zijn kale hoofd gezet waar aan de achterkant een zwart-stoffen wrong aan vastzat, een soort knoedel die op een haardos leek. Folklore? IJdelheid?
We waren met zijn vieren. Een elegante Duitse had zich op het laatste moment bij ons gevoegd. De muzikant liet zich niet uit het veld slaan door dit minipubliek, blijkbaar was hij het gewend. Wat deden wij in het dagelijks leven, vroeg hij, zat iemand van ons soms in de muziek? De slanke, een beetje flegmatieke Duitse zei balletdanseres te zijn. Mijn schoonzusje heeft toevallig ook die achtergrond. Ik doorbrak mijn incognito en biechtte mijn beroep op. 
De 'show' zoals João het noemde in zijn rappe maar slordige Engels, begon. Hij vertelde het een en ander over de geschiedenis van de fado en over zijn instrument, de Guitarra Portuguesa, speelde wat eigen composities en wat klassiekers. Met veel temperament maar met niet al te veel accuratesse. Hij schudde aan de hals als een rockster, waagde zich aan supersnelle loopjes die zijn vingers nauwelijks konden bijhouden, en roffelde ongenadig op de snaren om nog meer indruk te maken. Ik dacht aan de heren die ik op filmpjes had gezien, de begeleiders van Amalia Rodriguez en haar erfgenamen, die er eerder als boekhouders of apothekers uitzagen en héél zuinig met hun expressie waren. João en zijn gitaar waren duidelijk uit heel ander hout gesneden. Het leek of dit kranige kleine mannetje in zijn hart eerder flamencogitarist dan fadista was. Misschien stamde hij wel af van de morisco's, de Moren die na de val van het Islamitische rijk Al-Andalus in 1492 niet uitgeweken waren maar zich tot het katholicisme hadden bekeerd. Zo fantaseerde ik, terwijl hij zijn oriëntaalse riedels en arpeggio's liet daveren door de kleine kapel. Toen we na een vragenrondje opstonden om weg te gaan, en ik nog even liefdevol de snaren van een van die peervormige instrumenten streelde, stelde hij voor: 'Zullen we jammen? Wacht, ik haal een gitaar!'


En zo vond ik mezelf even later terug op een podiumpje in Faro, terwijl ik een fadista begeleidde die eigenlijk flamenco-, maar nóg liever rockgitarist had willen zijn. 'Do you know While My Guitar Gently Weeps?' Ja, dat kende ik. Maar niet helemaal. Gaf niks, hij zou me wel door de akkoorden van het middenstuk heen gidsen. 
We gingen los, João en ik. Hij leefde zich lekker uit en zag er gelukkig uit in zijn rol van Eric Clapton. 'Now you, solo!' riep hij halverwege. Blozend speelde ik een bescheiden solootje, voor het podium weer aan zijn virtuoze vingers te gunnen. Na een minuutje of vijf rondde ik de jam af en we schudden handen. 
Buiten praatten we nog wat na. Hij had zijn gewone blouse weer aan en was op weg naar zijn lunch. Drie keer per dag, vijf dagen in de week, het hele jaar door, deed hij dit. Het was zoveel fijner dan in een coverband op feesten en partijen te moeten spelen. Hij had zijn eigen podium.
Ik knikte begrijpend. Maar stelde me ook de dagen voor waarop hij zijn show moest afdraaien voor één ongeïnteresseerde mevrouw of meneer die alleen maar even binnenliep om aan de hitte en de drukte te ontsnappen.

(Foto's: Paulien Kop)

zaterdag 1 september 2018

Portugese prentbriefkaarten

2. Taal, tegeltjes en kinderkopjes

Ik wist vrijwel niets van Portugal, behalve dat ik had toegezegd er twee weken te zullen doorbrengen. Ik bereidde me op mijn manier voor. Ik leerde wat basis-Portugees omdat ik het niet prettig vind in een land te verblijven waarvan ik de taal niet ken. Ik wilde tenminste eten en drinken kunnen bestellen zonder mijn toevlucht tot toeristen-Engels te hoeven nemen.
Theoretisch geen probleem: Portugees lijkt erg op Spaans en op zuidelijk Italiaans. Maar de praktijk was ingewikkelder. Ze verstonden me wel, lief glimlachend, als ik met mijn beste Napolitaanse slis een taalgidszinnetje zei als: gostaria de pagar (goeshturiuh duh pahgaar - ik zou het prettig vinden om te betalen), en inderdaad kreeg ik dan de rekening, - maar als er antwoord kwam op een vraag moest ik meestal toch op het gemeenschappelijke Engels overschakelen. Gesproken Portugees lijkt namelijk heel weinig op de geschreven versie. Er wordt veel, heel veel ingeslikt. Ik wilde weten of de mini-mercado om de hoek de volgende dag, een zondag, open zou zijn. Het vrouwtje dat het winkeltje runde staakte een moment het dweilen van de vloer en zei: 'Amanha fsjoe.' Dat laatste in één lettergreep, als een mondje klank ergens tussen spugen en niezen in. Ik moest me de desbetreffende bladzij in mijn leerboek voor de geest halen om te snappen wat ze had gezegd: fechado, gesloten.

Andere dingen leerde ik gaandeweg. Letterlijk. Geen gids had me voorbereid op de kinderkopjes. Straten, steegjes, pleinen en wegen, alles is ermee geplaveid. In Sintra waren de steile stoepen zo gesleten en gepolijst door het vele gebruik dat de granietsteentjes spiegelglad waren geworden. Het was nu al zaak goed op te letten, vooral bij het dalen, maar ik stelde me voor dat het in de herfst, als het er flink kan spoken, levensgevaarlijk zou zijn, een glijbaan waar nu straatjes waren.
Vaak zijn er patronen in de tegeltjes aangebracht. Calçada Portuguesa heten deze straatmozaïeken, Portugees plaveisel. Het was me al opgevallen dat de zebrapaden (die anders dan bij ons door iedere automobilist worden gerespecteerd) als een bruin-wit steentjespatroon waren uitgevoerd, en ik vond dat mooi. Maar in Beja, en later in Faro, de zuidelijke Moorse hoofdstad van de Algarve, zag ik voor het eerst straten die met hele scholen granieten of porfieren sardientjes waren versierd. Het was alsof je op een ets van Escher wandelde. (Inderdaad, zo leerde Google me later, was de beroemde graficus geïnspireerd door deze in wezen Moorse kunstvorm.)


De manie om alles te plaveien gaat bij de Portugezen verder dan de vloer waarop ze lopen. Hele wanden zijn bedekt met tegeltjes, waarop vaak ingewikkelde voorstellingen te zien zijn. Een wriemelend geheel van details die toch een harmonieuze totaalindruk maken. Deze manier van woning en leefomgeving verfraaien is nog springlevend. Vlakbij ons appartement was een modern flatgebouw waarvan een hele wand in beslag werd genomen door een uit talloze tegeltjes opgebouwde afbeelding van Franciscus van Assisi. Tussen kunst en kitsch, zullen we maar zeggen.

vrijdag 31 augustus 2018

Portugese prentbriefkaarten

1. Het restaurant van de dikke mannen

Aan het eind van een warme dag sloeg het weer plotseling om. Grijze wolken kwamen aanzetten over de bergen en een koude wind stak op. We gingen huiverend een verlicht poortje onderdoor en vluchtten de Cantinho de Sao Pedro in; trappetje op, iets boven straatniveau was de eetzaal. Het was halfacht, we waren de eerste gasten.
Een grote dikke man in een ruitjesoverhemd naderde schommelend onze tafel. Hij had diepliggende ogen, een lage haarinplant waaruit zwart borstelhaar ontsproot, doorlopende wenkbrauwen en een oorring. Een echte boeventronie, maar zodra hij begon te praten ontdekte je een vriendelijk gastheer achter de dreigende buitenkant.
Ik wilde in Portugal tenminste een keer bacalhau eten, dat de Portugezen naar verluidt op meer dan duizend manieren bereiden. Mijn vriendin werd aangetrokken door de varkenspoot met kastanjes - maar was dat niet erg veel? De robuuste patron wees iets ter grootte van een mannendij aan en zag onze aarzeling. 'Eet ieder de helft,' zei hij, 'dan geef ik de bacalhau als voorgerecht.' Hij knikte naar de liter witte wijn die zojuist gebracht was, samen met olijven, kaas en brood. 'Jullie hebben genoeg te drinken. Dan lukt het wel.'
Even later bracht de gerant, een pafferige, droevig glimlachende man met platvoeten die op Frans van Dusschoten leek, twee borden die ieder een enorme homp stokvis 'op de wijze van Sintra' bevatten. Op wat ei-kruim en peterselie na was er niet echt sprake van een interessante bereiding, zodat ik blij was dat ik, dankzij de suggestie van de dikke man, straks ook nog varkenspoot met gestoofde kastanjes mocht proeven. Die kwam, met de tweede portie gefrituurde aardappelschijfjes, in een dampende zilveren schaal die ook voor twee personen nog ruim bemeten leek. Toen we onze borden zo leeg mogelijk hadden gegeten liet de baas ons kennismaken met ginja, een lokale zure-kersenlikeur op basis van aguardente, hier gul in een wijnglas geserveerd. Inmiddels was de eetzaal vol gestroomd met hongerige toeristen. Een geroezemoes van Romaanse talen klonk op. Het werd die avond erg gezellig in de Cantinho de Sao Pedro. 

woensdag 1 augustus 2018

Zanger met zomerreces

De zomer is om te verlummelen.
Niet doelbewust tasten maar frummelen.
Beperk wat je doet
tot dat wat écht moet -
en articuleren wordt mummelen.