Op zaterdag 19 juli 1997 kwamen we met de veerboot vanuit Holyhead, Wales, aan in Dublin. We reden naar onze eerste stop, een B&B in Greystones. Ik had een schilderachtig plaatsje verwacht maar het bleek er nogal posh en prozaïsch te zijn, hoewel er een roze volle maan boven de rotsen en de zee scheen en de penetrante geur van een afvalvuur vanuit een ommuurde tuin walmde. De gastvrouw vertelde me dat meneer Toonder en zij praktisch buren waren. Om de hoek, een paar huizen verder, in de hooggelegen Church Lane, lag Eyrefield Lodge, waar mijn jeugdheld sinds 1965 woonde: een kapitale villa in een grote beboste tuin. Maar meneer Toonder was a very private person, zei ze waarschuwend. Dat haalde een streep door mijn overmoedige plan, hem de hand te gaan schudden. Ik ben altijd blij geweest met die beslissing, vooral toen ik later meer van de man Toonder ben gaan begrijpen. Het was natuurlijk leuk geweest als we hem toevallig waren tegengekomen, tijdens ons avondwandelingetje onder de roze maan. Ik had dan hoofs kunnen buigen en wie weet waren we aan de praat geraakt.
Mijn Toondermanie begon in mijn vroege jeugd, toen ik de Bommelverhalen in de Donald Duck eigenlijk mooier en vooral geheimzinniger vond dan de strips van Disney. Een hele wereld ontvouwde zich voor me toen ik op tweede kerstdag 1968 (we waren bij opa en oma in de Rijnstraat op bezoek en mijn vader en ik ontvluchtten even de stoffige feestmiddagsfeer) in boekhandel Favié Geld speelt geen rol zag liggen. Ik kon niet wachten tot de winkel weer openging. Van het bestaan van de krantenstrips met tekststroken had ik niets geweten, en nu bleek er zelfs al eerder een bundel met die Tom Poes-verhalen 'voor volwassenen' te zijn verschenen, Als je begrijpt wat ik bedoel (1967). Ik kon mijn geluk niet op - wat een weelde!
Ik werd een gretig lezer, een navolger - met pen en Oost-Indische inkt probeerde ik dezelfde sfeer als Toonder op papier te krijgen - en toen ik in de vijfde gym een scriptie moest schrijven voor Nederlands lag het voor de hand dat die over Toonder ging. Als ik dat werkstuk van 22 dichtbeschreven foliovellen nu doorblader valt het me op hoe weinig er toen openbaar was over de gang van zaken in de Toonder Studio's. De mythe van de alleskunner Toonder werd zorgvuldig in stand gehouden en het zou nog jaren duren voor voorzichtige geruchten de wereld in sijpelden over mogelijke assistenten - want één man kon dat toch niet allemaal zelf doen?
Nee, dat kon niet. Toonder gaf dat zelf zuinigjes toe. Maar die Tom Poes-verhalen, die deed hij allemaal helemaal alleen!
In mijn volwassen jaren bleef Bommel een vaste waarde. De verhalen waren blauwdrukken voor situaties in de echte wereld. Het archaïsche idioom was in het mijne gekropen. Op gezette tijden overviel me de lust om de veilige fantasiewereld van de oude verhalen op te zoeken. Ik vond daar zelden wat ik er zocht. De kindertijd wordt niet teruggevonden door de souvenirs ervan te betasten. Dénken aan die souvenirs, dat geeft even een magische glimp van het verloren paradijs. De verleiding is groot om de boeken open te slaan - om ze vervolgens, glimlachend maar licht teleurgesteld na een bladzijde of wat weer dicht te doen. Pas veel later leerde ik om de verhalen zonder te hoog gespannen verwachting te herlezen, gewoon, om het plezier in tekeningen, taal en verhaal.
Hoe ze tot stand waren gekomen, die verhalen, werd in de loop der tijd steeds duidelijker. Namen vielen, Ben van 't Klooster, Piet Wijn, Fred Julsing, Dick Matena. Assistenten deden het voorwerk, schetsten de plaatjes, Toonder inkte die met penseel en inkt, nadat hij had gecorrigeerd en gegumd waar hij dat nodig vond. Hij hield de supervisie en zette zijn handtekening. Het was ZIJN creatie en dat bleef het, hoeveel tekenaars en schrijvers hem ook terzijde hadden gestaan.
Dit vond ik allemaal nog wel te begrijpen. Het was zelfs het begin van een nieuwe fascinatie. Want, als anderen aan de Bommelsaga hadden meegewerkt, wie dan precies, en waaraan, en hoe? Daar viel nog heel wat te puzzelen.
Minder fijn was de schok die de gebundelde correspondentie van Toonder en Matena te weeg bracht. Wat jij, jonge vriend (2009) gaf een ontluisterend beeld van de geniale dwingeland die Toonder was. Ik schreef er destijds dit blog over.
Ik las het brievenboek drie jaar na publicatie. In datzelfde jaar 2012 kreeg ik met kerstmis van mijn koor de toen net verschenen biografie van Wim Hazeu, eenvoudig Marten Toonder geheten. Het was een prachtig uitgegeven boek, ruim 700 pagina's lang, met niet één maar twéé leeslintjes: een voor de tekst en een voor het uitgebreide notenapparaat. Ik was er blij mee maar zette het pronkstuk ongelezen in de kast naast de andere Toonder-boeken. De brieven aan Matena hadden een nare nasmaak achtergelaten en voorlopig had ik even genoeg van de mens Toonder. Zijn verhalen bleef ik gewoon lezen als die lust me overviel. Ik ging de diverse stijlen onderscheiden en noemde Piet Wijn mijn favoriete Bommeltekenaar.
Wat er de aanleiding van was dat ik een paar weken geleden de biografie van Hazeu na 14 jaar begon te lezen weet ik niet meer. Al snel was ik verslaafd. Had ik daarom zo lang gewacht? Zo'n verslaving slokt je op; mijn oude gepieker over de precieze toedracht van alles in Toonders leven en - vooral - zijn kunst begon weer en hield me soms uit mijn slaap.
Hazeu schreef een grondige, met documentatie stevig gefundeerde biografie die leest als een roman. Toonders leven leverde genoeg stof daarvoor - ook de driedelige autobiografie uit de jaren 90 heeft alle trekken van een romantisch epos. Maar Toonders uitgangspunt was een boeiende vertelling te maken en met de waarheid nam hij het niet te nauw. Hazeu blijft scrupuleus bij de feitelijke toedracht en levert desondanks een meeslepend verhaal af.
Tot mijn genoegen merkte ik dat de wrok tegen mijn tyrannieke jeugdheld, die ik sinds het brievenboek koesterde, al lezende begon te slijten. Jazeker, ook uit deze bladzijden steeg het op, het beeld van de moeilijke, grillige, ongrijpbare, egocentrische man, de man die volgens de flaptekstschrijver altijd minstens twee kanten heeft: de argeloze en de slimme, de realist en de magiër. Nuchtere Groninger met een Keltische fantasie, kluizenaar en charmante poseur, zakenman en visionair, wijsgeer en centenweger. Maar het levensverhaal bracht ook begrip voor de onaangename kanten van Toonder. Een jeugd met een afwezige vader (Marten senior, zeekapitein) en een afstandelijke, hypochondrische moeder die het gezin voortdurend deed verkassen zodat Marten nooit vriendjes kon hebben; een door Hazeu maar ook door Marten zélf benoemde autistische aanleg - zulke bagage maakt een normaal gezelschapsleven niet makkelijk. Toonder kon en wilde zich in andermans standpunt niet inleven, móest de dingen naar zijn eigen hand zetten maar wist dat zelden tactvol te doen. Het wekte ongeloof en verbazing dat een verlegen en charmante heer zo bot en lomp kon zijn en zo weinig genereus was voor zijn trouwe medewerkers. Alles draaide om Toonder en zijn onvermoeibaar vormgegeven andere wereld.
Nieuw voor mij was de woelige periode tussen zijn beide huwelijken in waarover Toonder zelf niet heeft geschreven. Phiny Dick stierf in 1990. In 1996 hertrouwde hij met componiste Tera de Marez Oyens die hij twee jaar eerder had leren kennen; ze was ongeneeslijk ziek en stierf al snel na de bruiloft. Men leze het aangrijpende Tera (1998). Na de dood van zijn eerste levensgezellin Phiny belandde hij in een zware periode. Hij leefde op toen hij benaderd werd door Sieglinde Mense, een 35-jarige gescheiden vrouw met drie jonge kinderen. Toonder was tachtig. Wat begon met fanmail en een naar Ierland gestuurde bos witte bloemen op zijn verjaardag werd een relatie. Zij vergezelde hem naar de gelegenheden waar een beroemd artiest geacht wordt op te draven, corrigeerde zijn schrijfsels (ze had taalwetenschap gestudeerd) en verdrong algauw zijn zoon Eiso als redacteur, vertrouwensman en zaakwaarnemer, tot diens verdriet. Ze stond op de loonlijst onder de noemer public relations. Toonder 'regelde' en kocht achtereenvolgens drie huizen voor haar en haar gezin, zodat ze rustig samen konden zijn als hij in Nederland was. Als je niet beter wist zou je denken aan een golddigger: rijk suikeroompje trekt grif de portemonnee. Maar dan wel een goudgraver met wie je over de zwarte kunsten kon praten. Uiteindelijk kwamen er scheuren in hun relatie. Wat die precies inhielden naast irritaties over en weer (Toonder stoorde zich aan de drukke zoontjes, die moesten de kamer uit als hij er was) wordt in Hazeus verhaal niet duidelijk; voor het eerst laten de bronnen het afweten: blijkbaar zijn er geen brieven van Linde bewaard; heeft Eiso die verbrand toen hij orde op zaken moest stellen na zijn vaders zelfmoordpoging en opname in een Iers ziekenhuis in 2001? Omdat de relatie tussen vader en oudste zoon toen al op de klippen was gelopen en Eiso een wrok moet hebben gekoesterd tegen de vrouw die hem had verdrongen is dat goed mogelijk. Merkwaardig genoeg is op het internet niet één enkel spoortje te vinden van (Sieg)linde Mense, die in 1956 geboren is, hetzelfde jaar waarin ik geboren ben, en googelt u mij maar eens!
Zo gaf het boek antwoorden waarnaar ik op zoek was maar wierp het ook nieuwe raadsels op.
Ik leerde dat niet alleen Jan Gerhard maar ook Lo Hartog van Banda regelmatig - met ideeën en plots - bijdroegen aan de verhalen, die vervolgens door Toonder zelf werden uitgewerkt. Wat betreft de tekenaars van de Bommelstrip en hun exacte functie - mijn oude vraag - is het boek duidelijk voor zover het in het relaas te pas komt. Er zijn anderhalf decennium later gelukkig bronnen beschikbaar die elkaar misschien hier en daar tegenspreken maar die aan elke nieuwsgierigheid ruimschoots voldoen. De Comiclopedia van stripwinkel Lambiek bijvoorbeeld, of de zeer uitvoerige website De Bommel schatkamer van Ron Kurvink.
Inmiddels heb ik het uit. Vanaf nu kan ik weer aan andere dingen denken dan aan Toonder. Het einde was aangrijpend en ontluisterender dan de briefwisseling met Dick Matena. Wat je ook tegen die man kunt hebben, iemand die zo gestraft wordt voor zijn gebrek aan empathie verdient slechts medeleven.
Na de dood van zijn twee echtgenoten en zijn enige broer ("Mijn beste vriend") Jan Gerhard (1914-1992) verloor hij in snel tempo zijn adoptiefdochters Jeanette en Mari-Lou en zijn jongste zoon Onno.
Toonder zelf hield het nog een tijd vol, met de moed der wanhoop. Hij rommelde nog wat met Matena aan een herstart van de Bommel-reeks (zie mijn blog De rode Bommel van Matena) en bracht zijn laatste dagen in het Rosa Spier Huis door, allengs morsiger en suffiger. Hij gleed weg naar de Andere Wereld in de nacht van 27 juli 2005.
Ik citeer Wim Hazeu: 'Bij de plechtigheid op dinsdag 2 augustus in crematorium Westerveld te Driehuis was Eiso niet aanwezig.'
*
'Of de strips van Toonder ook na zijn dood nog gelezen zullen worden [...] weet ik niet. Ik denk, en ik hoop, dat Bommel nog wel enige tijd door onze landen rond zal waren, omdat hij, geheel los van zijn entourage, een "mens" is, die velen, ondanks zijn fouten, ondanks zijn hopeloze gestuntel, zijn gebroddel en dikdoenerij, zijn prots en hardnekkige domheid, zeer liefhebben, al zouden we hem misschien liever niet als buurman hebben.'
Uit: Marten Toonder en Ollie B. Bommel, een scriptie van Jan-Paul van Spaendonck (1974)
Illustratie: Ben van 't Klooster, voor een liber amicorum ter gelegenheid van Toonders 70e verjaardag. Toonder had op tv bij Sonja Barend beweerd dat hij de Bommelstrip geheel alleen maakte. De tekening werd niet geplaatst.
I.M. Wim Hazeu (1940-2024) en Dick Matena (1943-2026)



Geen opmerkingen:
Een reactie posten