vrijdag 2 januari 2026

RAMPTOERISME


Op Nieuwjaarsdag was ik rusteloos. We hadden een goede jaarwisseling gehad, traditioneel geëindigd met bubbels, hapjes en oude videoclips - gelukkig waren de Les Humphries Singers er ook weer bij (Mexico!!!!). De dag begon met de oliebol die ik op Oudejaarsavond wegens overbelasting van de maag had versmaad. Wat nu te doen? Ik ben de eerste dag van het jaar gaan beschouwen als een onbezorgde feestdag, mijn favoriete dag misschien wel. In mijn geboortestad puilen cafés en restaurants dan uit, vol opgelucht volk dat eensgezind de kater wegdrinkt; vreemden spreken je aan, iedereen zit in hetzelfde schuitje, de volgende dag is alles weer normaal maar nu is het nog feest. De druk is van de ketel, er hoeft even niets meer, behalve zo goed mogelijk herstellen van de vorige avond. 

Hier in de polder was alles potdicht. Horeca, voor zover die er is, opent pas op 2 januari zijn deuren. Zelfs de supermarkt is gesloten. Iedereen zit thuis, kijkt Weense walsen, Netflix of schaatsbaantjes, likt zijn wonden en bereidt zich voor op de eerste werkdag.
Ik voelde, naast die ongedurigheid, een onzekerheid: we hadden het er nog niet over gehad; hoe zou het vallen als ik mijn vriendin voorstelde om net zoals anders naar Wildschut te gaan voor bitterballen en haren van de hond en daarna naar de buurtpizzeria voor een groot bord tagliatelle alla bolognese, om de avond thuis te besluiten met oude, liefst eigen cd's, alvorens comateus te bed te gaan, helemaal toe aan de reinigende soberheid van januari? Zou ze niet liever thuisblijven, blij om eens niet aan mijn geliefkoosde ritueel te hoeven meedoen? Ik had geluk dat het hard woei en flink regende, ijsregen nog wel: een wandeling zat er nu niet in.
Ze streek over haar hart en via stille binnenweggetjes reden we naar Amsterdam. Daar aangekomen was het ondanks die mooie omwegen nog wat vroeg voor het café. We brachten onze bagage boven, groetten mijn dochter, wisselden verhalen uit over de avond ervoor, en besloten een rondje Vondelpark te doen. Kijker mee, ik beloofde mijn vriendin haar de roerdomp te laten zien. Daarna konden we ook even ramptoerisme bedrijven en de afgebrande Vondelkerk gaan bezichtigen.


Het was koud en modderig maar droog. De roerdomp was zo goed om zich te laten zien. Als voorafje kregen we een zwerm staartmeesjes (misschien wel mijn favoriete vogelsoort) en twee nerveuze vuurgoudhaantjes, eentje streek bijna op mijn ijsmuts neer.
De omgeving van de Vondelkerk was afgezet maar we zagen toch wel hoe enorm de schade was; ik hoop van harte dat ze de monumentale schepping van Pierre Cuypers gaan restaureren. Wat in Parijs kan, moet hier toch ook kunnen. 
Terug in het park - de lucht was dreigend duister geworden - kwam er een bak hagel op ons neer. We haastten ons naar het Blauwe Theehuis, dat als Elronds Laatste Huiselijke Huis feeëriek en vriendelijk oplichtte in het kale park. Daar heerste een hipstersfeer die ik vandaag goed kon hebben, in de mildheid die ik jegens de wereld en de mensheid voelde. Er werden bordspelletjes gedaan, tafelvoetbal, Mens erger je niet! Bakjes friet voor de kinderen, gemberthee en bier van Brouwerij 't IJ voor paps en mams. 
'Ik wil toch ook nog even naar Wildschut,' zei ik toen mijn IJndejaarsbier (9 %) op was. Het was inmiddels weer droog.
In mijn stamcafé van weleer waar ik dagelijks de krant las en koffie verkeerd dronk en door het personeel 'de man met het pijpje' werd genoemd, voor Covid de routine veranderde en de wandeling door het park in plaats kwam van het cafébezoek, was een tafeltje vrij in het achterste gedeelte, het intieme, met de zachte zetels. Ik ken daar niemand meer maar we werden meteen bediend. Aan de tafel naast ons zat een van de bedienden van toen, een aardige jongeman die me de eerste koffie van het nieuwe jaar altijd gratis schonk en me een kaart met persoonlijke nieuwjaarswensen gaf. Hij had een klein meisje op schoot. We gaven elkaar een hand en praatten wat. De bitterballen waren weer opvallend goed, zeker als je ze vergeleek met de bitterballen die we de dag ervoor in de bioscoop van Hoorn hadden gegeten, waar we de zwarte komedie De laatste Viking hadden gezien. 

In de buurtpizzeria, die in The Rough Guide of zoiets moest staan, want het zit er altijd vol met jonge buitenlanders die op de bescheiden prijzen afkomen, was de baas, normaal een zwijgende, somber uitziende man, eerder Turks dan Italiaans, al heb ik het hem nooit gevraagd, in een opvallend jolige bui. Misschien had zijn therapeut hem gezegd dat hij wat minder onderdanig moest zijn, je weet het niet. Hij berispte me om het gebruik van het woord 'karaf'. Dat was een liter, haha, dit halfje mocht die naam niet hebben. De bruschette met rauwe ui en tomaat zette hij zonder commentaar neer maar mijn bestelling voor het hoofdgerecht trok hij in twijfel. Tagliatelle... met bolognesesaus? Is dat lekker? Dat hoort niet, het hoort met penne. Ik ging er maar niet op in maar haalde mijn gelijk tegenover mijn vriendin, die carbonara at (met room!): tagliatelle is de oorspronkelijke pastasoort bij deze saus, zo heb ik het zelf kunnen constateren in Bologna. Volgens de Italianen bestaat er niet eens zoiets als spaghetti bolognese, laat staan dat je er penne mee serveert.
Een grappa met espresso toe. Misschien om mijn lacherig aangevochten eer te herstellen gaf ik een ruime fooi.

Thuis draaiden we nog onze kerst-cd van negen jaar geleden, waarop mijn gestorven vriend G. zingt. Zijn warme, gruizige stem trof me onverhoeds en ik was in tranen voor ik het wist. Dat voelde bevrijdend en bevrijding is wat je zoekt op Nieuwjaarsdag.

Voorheen Rookzanger wenst jullie allemaal een mooi, vredig, gezond en zo mogelijk gelukkig 2026 toe!



zaterdag 27 december 2025

KERSTGROET


Daar zit hij dan, de blogger die zich Voorheen Rookzanger noemt. Achter het toetsenbord. Hij besefte opeens dat de dag ervoor, de vrijdag, voorbij was gegaan zonder zijn wekelijkse blog. Het was namelijk Tweede Kerstdag geweest, en hij had die heilige dag besteed aan het koken voor zijn familie en aan het eten, drinken, praten en zingen met die familie. Luidruchtig was het weer geweest, jazeker, het kerstfeest; en onmatig, jazeker, hoewel sommigen zich geweldig aan hun van tevoren gestelde maxima hadden gehouden. Voorheen Rookzanger had zich niks voorgenomen dus hij had die eventuele maxima flink overschreden, merkte hij de morgen erna.
Daar zit hij dan, de blogger, derde kerstdag. Omdat het zaterdag is, weekend, kerstvakantie bovendien, heeft hij zich een zwaar winterbier ingeschonken, Voorheen Rookzanger. Januari is nog ver. Een diepvriespizza zal het worden, straks. Niet moeilijk doen.In 2026 wordt alles anders.

(De illustratie is het omslag van de voorlaatste "Donald Duck" uit 1956, mijn geboortejaar)


vrijdag 19 december 2025

ROERDOMP


Het was goed weer voor vogels. Vlak bij het huis van mijn vriendin, verscholen in de Eilandspolder, liggen het Kerkemeertje en het Uilenbosje. Het eerste heeft een vogeluitkijkpost, het tweede weliswaar geen uilen, maar ik heb er ooit mijn eerste en enige beflijster gezien. Bovenal is het rondom dit laarzenpad erg stil; alleen het suizen van de wind, verder is er weinig te horen.
Om de vogels af te schrikken had ik mijn kijker meegenomen. Afgezien van een Grote Canadese Gans zagen we dan ook weinig. Toen we het zompige rondje door riet en struikgewas hadden gelopen vloog er een flinke zwerm vogeltjes op die zo snel bewogen dat ik ze niet scherp in beeld kon krijgen. Tegen de grijze lucht was er geen kleur te onderscheiden. Later determineerde ik ze op grond van hun dansende manier van vliegen en het geluid als overtrekkende kepen. Maar zonder ondersteunend bewijs van mijn ogen vond ik de waarneming toch niet helemaal bevredigend.


Dinsdagavond, ik wilde een productieve dag afsluiten met een hoofdstuk Ierse nachten, voelde ik bij het uitkleden opeens een onderhuids knobbeltje van een kleine centimeter op mijn rechterbovenbeen, net boven de knie. Googelen leverde een aantal scenario's op, van rooskleurig tot zwart. Ik besloot meteen de volgende dag de dokter te bellen en me verder niet te veel zorgen te maken. Maar ik sliep slecht en was de volgende dag onuitgerust.
In het park zag ik alles als door een floers. Ik was er wel, maar was er ook niet. De scenario's (de zwarte, niet de rooskleurige) domineerden mijn denken en ik leefde in een gevreesde toekomst in plaats van in het moment. 

Daar kwam R. aangereden op zijn scootmobiel. R. is een alerte, goedlachse, langharige vijftiger die elke dag zijn ronde maakt, uitgerust met een sigaartje, een joint en een flesje tripel. Hij weet veel, van van alles, en de andere lanterfanters van het park respecteren hem als een autoriteit op vrijwel ieder gebied. Volgens M. heeft hij uitgezaaide longkanker maar laat hij zich niet behandelen: hij ziet wel hoe het loopt, ooit zullen ze hem dood op straat vinden, tot dan toe maakt hij er het beste van.
R. wees naar het lege ooievaarsnest en vroeg of ik ze al gezien had. Ja, zei ik begrijpend, gisteren zat er een op het wiel. R. knikte en doceerde met zijn rauwe accent over het veranderende migratiegedrag van de vogels, opperde zijn vermoeden dat het jonge voorbijgangers waren geweest, niet de vaste bewoners van het park.
Vlak voor hij verder reed vroeg hij: 'Ga je nog naar de roerdomp?'

Daar schrok ik een beetje van. De Roerdomp is de naam van de kleuterschool waar ik mijn levenslange vriend Robert leerde kennen en naar verluid met Henk Poort in de zandbak heb gespeeld. Maar de weg terug daarnaartoe is er niet - Hier wird kein zweites Mal gelebt!
De verbazing moet op mijn gezicht te lezen zijn geweest want R. remde en nam de tijd voor uitleg. Er was in het park een roerdomp neergestreken, het was op het nieuws geweest. Vogelaars uit de wijde omtrek kwamen kijken, want de "rietreiger" is een zeldzame en vooral heimelijke vogel: ze zijn zo goed in camouflage dat de kans er een te zien klein is. En wat dit exemplaar hier in de stad deed was een raadsel waarover zelfs de stadsecoloog zich had gebogen. 
Ik bedankte R. voor zijn tip en liep naar het achterafpaadje aan het water dat hij me gewezen had. Inderdaad zag ik daar een samenscholing mensen m/v, gekleed in dekkende kleuren en uitgerust met camera's en kijkers.
En al snel zag ik, niet in de kenmerkende paalhouding, maar voorovergebogen over de sloot speurend naar vis, de roerdomp. Niet mijn eerste, heel lang geleden had ik er een in het voorbijgaan langs een vaart zien staan, in het riet, met de nek stijf gestrekt zoals het hoort. Zo rustig bekeken viel het me op hoe groot en lomp het dier was, op zijn dikke groene poten. Tegen de vogelaars naast me veinsde ik verbazing: 'Hé, maar... is dat... een roerdomp?' Ik kreeg een kijker in handen en we maakten een praatje. Ik bleef nog wat staan turen, groette, en ging verder.
Na een tijdje daagde het besef, dat ik al een kwartier niet aan de knobbel had gedacht. 


Illustratie: Henri Verstijnen (1882-1940)


vrijdag 12 december 2025

Voorheen Rookzangers Notitieblog (66)



De dinsdagmiddag was extreem lauw. Winderig ook. Een natte voorjaarswind woei in december. Maar we hadden deze middag bestemd voor aanschaf en optuiging van de kerstboom. Op straat haalden we herinneringen op aan die legendarische decemberdag in 2017 toen we in een sneeuwstorm naar de verkoper op het Roelof Hartplein liepen. Die man, een sigarenroker die met zijn overhuifde wenkbrauwen en zijn woeste snor op A. L. Snijders leek, is al een paar jaar met pensioen maar zijn kinderen zetten de handel voort. Even voorbij Wildschut kregen we argwaan. Waar waren de lichtjes, de mensen die met in netten geperste bomen over straat liepen? Een bordje bevestigde ons vermoeden: Geopend woensdag-zondag.
Teleurstelling! Mijn dochter leek zich er wel overheen te kunnen zetten en stelde met tegenzin vast dat we dan maar later in de week moesten gaan. Maar ik liet me door de omstandigheden zo gauw niet klein krijgen. Oftewel: ik voelde me slapjes en niet al te vrolijk en had me vastgeklampt aan dit jaarlijkse moment van heidendom (de ingrediënten voor warme wijn lagen al klaar, steranijs en alles). 
'We kunnen naar Davidsboom gaan,' zei ik. Ze keek bedenkelijk. Dat léék ver; maar vanaf de Apollolaan naar huis was het waarschijnlijk maar iets verder zeulen dan vanaf hier. Mijn bedenkingen waren anders. Apollolaan. Ik had deze verkoper altijd gemeden. De reuzensparren voor bedrijfspanden deden het ergste vermoeden voor de portemonnee. 
Omdat er geen keus was, wilden we geen Albert Heijnboompje kopen, betraden we het met een hek omsingelde terrein waarop Davidsboom in het seizoen heerst. Een joviale jongen met lang haar verwelkomde ons. Ik vroeg verstandig naar de prijs, hij wees op een bord. Daar stonden bedragen op, corresponderend met gekleurde lintjes aan de bomen, die lager waren dan de minimaal zestig euro die ik bij A. L. Snijders gewend was te betalen. 
We kozen een gezellige, korte, brede boom uit. De jongen keek misprijzend en zei, dat deze niet naar hun standaard was, het was geen echte Davidsboom. Zo'n boompje kon je bij de Gamma ook kopen. Dus voor 45 euro mocht hij mee. En wilden we een chocolaatje?
De boom werd ingesnoerd in zijn plastic net. 'Wat zullen we nu weer eens opzetten, Sinatra?' vroeg de collega. 'Nee, die draaien we de hele dag al,' antwoordde de jongen met het lange haar. 'Bing Crosby?' opperde ik. Nee, die hoorden ze ook al vanaf de vroege morgen. 'Wat denk je van Sinatra én Bing Crosby?' besloot ik gevat. Maar ook die plaat stond op de playlist. Ik at het chocolaatje, betreurde de Glühwein van Snijders, maar ging tevreden met mijn dochter huiswaarts, de Gammawaardige kerstboom tussen ons in. 

                                                                             *

Ik had de moed al bijna opgegeven toen ik onderaan een grijze linnen rug het welbekende bijtje zag. Ik trok het boek uit de kast, de laatste van de tweeëntwintig in de weggeefbieb in de G. t. B.-straat. Met het lichte ongeloof dat me altijd bekruipt als ik toch nog een vangst doe las ik: Het glinsterend pantser, S. Vestdijk. 
Pas op dat moment schoot me de droom weer te binnen die ik twee nachten geleden had. Ik zat met mijn vriend Robert, jeugdliefde Floor, Geerten Meijsing en George Harrison in de woonkamer van een op te leveren huis. Het huis lag in de laatste heuvels van onze stad, vlak bij de snelweg. Er lag sneeuw op de straten. Ik zei dat hier de sneeuw langer bleef liggen dan elders. Even later waren we in een antiquariaat zoals je ze ziet in het Welshe boekenstadje Hay-on-Wye: de ruimte in segmenten verdeeld door kasten zodat je door gangen van boeken loopt. We zochten ieder naar onze gading. Geerten ging zijn aankopen meteen inpakken in ouderwets grauw pakpapier om ze ter plekke te versturen naar drukker Jan Keijser. Ik had maar één boek uitgekozen, een reusachtig dik boek met een totaal onbekende titel van Simon Vestdijk. Elk boekje méér zou het bijzondere van mijn vondst bederven.

                                                                              *

Loyaliteit is een mooie maar soms lastige eigenschap die zich uitstrekt van de relaties met mensen tot de verhouding tot willekeurig welke bezigheid. Vroeger verbaasde ik me erover dat mijn vader halverwege een film kon weglopen. Dat leek me niet juist. Je was ten minste het respect aan de makers verschuldigd om hun product pas ná de laatste beelden te beoordelen. Met films verloor ik die houding al relatief snel in mijn leven. Ik kon ze vaak eenvoudigweg niet meer volgen en liet het kijken verder maar aan mijn familie over. Het daadwerkelijk uitzetten van de tv is pas van veel later.
Muziek was heilig en een lied of muziekstuk halverwege afzetten, nee, dat deed men niet. Stel je voor dat ze halverwege mijn Winterreise zouden weglopen? 'Wat ik niet wil dat mij geschiedt...' Het YouTube-tijdperk ontnam uiteindelijk dat sacrosancte aan mijn ooit dierbaarste Muze. Videootje kijken en luisteren werd een praktisch iets: tempo checken, akkoorden uitvissen, kennisnemen van andermans opvatting. Het geduld om een filmpje helemaal af te kijken heb ik al jaren niet meer. Je wordt ook zó overspoeld met prikkels, qua beeld en geluid - zelfbescherming kwam in de plaats van loyaliteit.

Literatuur bleef lang buiten spel. Een boek moest uitgelezen worden, punt. Je committeerde je aan een boek voor de duur van het lezen. Weliswaar liggen er niet uitgelezen boeken naast mijn bed, maar daar steekt een bladwijzer uit. Het is wel degelijk de bedoeling dat ik De Kapellekensbaan van Boon ooit nog ga uitlezen, evenals Fry's Mythos en nog zo wat verweesde, ooit enthousiast begonnen boeken.
Maar ook in de literatuur doet zich verandering voor. Het leven is gewoon te kort om slechte boeken te lezen. Na me een aantal avonden (en mijn bedleessessies zijn me dierbaar) geërgerd te hebben aan het melige en gedateerde geouwehoer heb ik na 200 pagina's Onder professoren van Hermans, waarom mijn vader in de jaren zeventig toch zó moest lachen, alsnog teruggezet aan de straat waar ik het had opgepikt. 


vrijdag 5 december 2025

Voorheen Rookzangers Notitieblog (65)

Mientje

Een oud bandje trok op straat mijn aandacht. Guido Gezelle Motto Album, stond er in gouden letters op de verbleekte linnen kaft. Ik sloeg het open. Op het eerste gezicht was het een kruising tussen een agenda en een verjaardagskalender. Links stonden de dagen van het jaar met bijbehorende dichtregels van Gezelle, op de rechterpagina daarmee corresponderende vakjes om notities te maken, de meeste nog leeg. Ik nam het mee naar huis. Ik had nog geen agenda voor 2026. Waarom niet dit fraaie boekje gebruiken?
Thuis bekeek ik het beter. Op de Franse pagina stond een opdracht: Aan Mientje Wijsbek van ... (onleesbaar). Jan 1921. Her en der namen, verjaardagen ongetwijfeld, soms een sterfdatum. Het had mijn familie van vaderskant kunnen zijn: Tante Marietje, tante Jet, oom Toon. Brabant!
Ik googelde, uit gewoonte, naar deze Mientje Wijsbek. Al gauw kwam ik op de geschiedenis van een historisch gebouw, de Villa Jacoba. Daar woonde ooit Henri Wijsbek, bouwkundige. Hij was vriend en mecenas van de bohemien-schilder Jan Kruijsen (1874-1938), vader van de beroemdere schilder Antoon Kruijsen en grootvader van mijn voorbeeld en leraar, de bariton Bernard, net zo charismatisch en onaangepast als zijn opa, hoewel hij zijn naam met een y spelde.
Inderdaad vond ik een houtskooltekening van de Brabantse kunstenaar met de titel Ina Rutten, vriendin van Mientje Wijsbek. Jan Kruijsen was een huisvriend geworden van de welgestelde familie uit Valkenburg met twee kinderen, Wilhelmina en Antoon.
De vraag was nu, of het in het geval van mijn boekske om deze zelfde Mientje ging; de achternaam Wijsbek is niet héél algemeen, maar er zullen toch wel meer Mientjes van die naam hebben rondgelopen in die contreien. 
Van architect Henri Wijsbek waren met enige moeite de data te vinden. Hij leefde van 1880 tot 1965 en was geboren op 20 mei. Ik bladerde door het boekje. Op 20 mei stond, met kroontjespenletters: Pa. 
Het ontroerde me. Alles klopte. De grote vraag was natuurlijk: hoe kwam dit tot leven gekomen stukje geschiedenis in mijn Amsterdamse straat terecht, zoveel jaren later?
Het was hoe dan ook duidelijk dat het boekje niet als mijn agenda kon dienen, het moest een plaats in de kast krijgen, al was het maar door de zeer fraaie illustraties van Jules de Praetere (1879-1947), waarvan de originelen in het Rijksmuseum liggen.
Mientje, die haar Plechtige H. communie op 1 mei 1921 vierde, stierf in 1964, een jaar voor haar pa. Ze werd 54.

                                                                           *

Kukel

Plotseling lag het park vol met wit en oranje gekleurde kistjes die met een koord aan takken of paaltjes waren bevestigd. Het was een stille morgen en eerst dacht ik dat het aan mijzelf lag, dat ik wakend droomde, dat mijn fantasie uiteindelijk de overhand op de werkelijkheid had gekregen. Al die drones die de afgelopen tijd over het niet meer zo vrije Westen hebben gevlogen, waren dat geen boodschappers van de komst van de Grote Droon, die nu deze meetkastjes (want dat leken het te zijn) had verspreid om ons kukel te bepalen? Net als in het Rommeldam van 1963 zou het nog knap lastig zijn om iemand met een plus kukel te vinden.

Andere mensen leken de dozen niet te zien, of ze gewoon te vinden. Maar na een dag of twee begon ik toch hier en daar verbaasde geluiden te horen over deze invasie. En de oranje-met-witte kastjes stonden online. Ze hadden een naam. Geofonen. Ze bleken bedoeld om trillingen in de diepere aardlagen te registreren. Dat was van belang in het zoeken naar aardwarmte, die een rol moest gaan spelen in de energie-transitie. Als het onderzoek is afgerond worden ze weer weggehaald, in de tussentijd wordt het publiek vriendelijk verzocht ze rustig te laten liggen. Ik vind dat eigenlijk niet minder geheimzinnig dan de komst van de Grote Droon in dat Tom Poes-verhaal uit de tijd van de Eerste Koude Oorlog. 


Illustratie: "Ina Rutten, vriendin van Mientje Wijsbek". 1925, Jan Kruijsen.


maandag 1 december 2025

Das verlassene Mägdlein



Het verlaten meisje

Vroeg, met de eerste haan,
Eer de sterren verbleken,
Moet ik mijn bed uitgaan
En ‘t vuur aansteken.

Zo mooi is de vlammengloed,
Met springende vonken,
Dat ik wel kijken moet,
In leed verzonken.

Plots valt mijn droom me in,
Ontrouwe jongen,
Die ik nog steeds bemin  
Maar had verdrongen.

Traan dan op hete traan
Drupt op de aarde.
Zo breekt de morgen aan:
Dag zonder waarde.


Das verlassene Mägdlein, Eduard Mörike, 1829
Vertaling © JPvS

vrijdag 28 november 2025

BANKWACHT



Veertien jaar geleden liet mijn vader ons bij zich komen. Hij deed nogal geheimzinnig. Tijdens de koffie met krentenmik en pralines bleek dat hij ons nog bij zijn leven wat wilde schenken. Toen we weer naar huis reden, mijn broers, mijn zuster en ik, grapten we over een overvaller die ons nu zou beroven. De violist-dirigent Jaap van Z. was in die tijd beroofd terwijl hij loaded uit het casino kwam, vandaar.
Ik besloot verstandig het geld op de bank te zetten maar hield wat cash achter voor luxe: een panamahoed en een Chesterfield bank. De panama draag ik nog, zomers, al wordt hij wat sleets. De Chesterfield bank viel me tegen. Hij zat en vooral lág niet lekker en de kleur van het leer was te flets. Van donker beitsen kwam het nooit. Toen hij een paar jaar geleden gaten begon te vertonen ontstond bij het begin van het binnenseizoen het voornemen om een nieuwe bank te kopen. Nog voor kerstmis.

Er gingen een paar kerstmissen overheen maar dit jaar was het zover. We zaten te borrelen en mijn laksheid kwam onder vuur. Ik pakte mijn telefoon en kocht resoluut een nieuwe bank. Veiligheidshalve dezelfde als mijn dochter heeft, alleen in de kleur forest green, dat contrasteert mooi met al het rood in mijn kamer. Nu begon het wachten want de levering zou wel even duren.

Toen de datum naderbij kwam waarop de tweeënhalfzitsbank  bezorgd zou worden begon ik merkwaardig nerveus te worden. Hoe moest de oude, ooit met touw-en-blok omhoog gehesen, eruit? Weer getakeld? En door wie? En, belangrijker nog: zou de nieuwe bank wel door het kronkelende trappenhuis passen?
Hier moet ik misschien iets uitleggen. Een kleine twee jaar geleden is, na lange leegstand, het appartement onder me gekocht door S. Deze jongeman, de aardigste buurman die men zich wensen kan trouwens, heeft alles state of the art. Onder zijn supervisie werd het trappenhuis gegentrificeerd. Glad gestucte wanden, nieuwe verf, stemmig tapijt, alles chic en prachtig. Mogelijk omdat ik hem in de eerste tijd onopzettelijk heb dwarsgezeten met een lek in de douchecel en misschien omdat ik mezelf in contrast met zijn status des te meer een bohemien vind, was het denkbeeld dat er bij het vervoer schade aan onze gemeenschappelijke ruimte zou ontstaan me niet alleen onwelkom, nee: het spookte door mijn hoofd op een obsessieve manier. De nacht voordat de mannen van de vervoersbedrijven (de Amsterdamse Meubelophalers voor de Chesterfield, het Westfriese DutchNed voor de nieuwe bank) zouden komen had ik twee heftige dromen. In de eerste ging de bosgroene tweeënhalfzitter weliswaar door de bochten van de trap maar het voze stucwerk kruimelde al weg als je er een vinger op zette. In de tweede schrok ik voor dag en dauw wakker van een hijskraan die met zwaailichten de straat blokkeerde, ik wist niet hoe snel ik me in mijn kleren moest hijsen.

In werkelijkheid zaten mijn jongste dochter en ik om tien uur klaar. Alles was opzijgeschoven, de doorgang naar de balkondeuren was vrij. Om elf uur zou de aftandse bank worden opgehaald. Daarna, tussen halftwee en halfvier, kwam de nieuwe. In een ideale wereld.
De ophalers appten: er was wat oponthoud, was het erg als ze wat later kwamen? Nee, dat was niet erg. Dat ik al die tijd met mijn neus tegen het glas gedrukt naar de regen stond te kijken, niet in staat om iets te doen, was hun zaak niet. Ik grapte tegen mijn dochter dat de beide bedrijven waarschijnlijk tegelijk zouden arriveren, met chaos tot gevolg.
Om halfeen moest mijn dochter naar haar werk. Ze wenste me sterkte. Er was inmiddels duidelijkheid: de ophalers zouden pas rond drie uur komen. Dat gaf me de rust om wat te zingen en wat luit te spelen. 
Dit keer hielden ze woord. Om drie uur bevestigden ze de katrol aan de hijsbalk. Terwijl, inderdaad ja, ik had het over mezelf afgeroepen, op datzelfde moment de collega's uit Hoorn mijn nieuwe bank aan het monteren waren.

Waarom ik me toch zo'n zorgen heb gemaakt, bang oudwijf dat ik ben, snapte ik meteen al niet meer toen de actie eenmaal in gang was gezet. 
De jongen van DutchNed keek schattend het trappenhuis in. Gaf wat strakke instructies aan zijn kompaan en in no time was de bank boven. Manoeuvreren, ja. Paniek, nee. En schade, hoezo?
Na het eten deed ik een heerlijk dutje op het bosgroene fluweel. Als je eigen baas bent verlies je langzamerhand het vertrouwen in anderen, is dat het? Laat mij zingen en dichten - de rest, meubels, transport en alle praktische zaken van deze wereld laat ik voortaan met een gerust hart aan anderen over.