vrijdag 12 oktober 2012

CLAUS

Als je te subtiel oordeelt, altijd maar relativeert en de nuance zoekt, vergeet je wel eens dat er ook gewoon nog zwart en wit bestaan. Ik werd daar gisteren weer eens aan herinnerd toen ik het nieuws zag. Zo’n type als Lance Armstrong, die er alles voor over had om Tourwinnaar te worden en niet zo’n beetje vals speelde, maar echt systematisch de boel belazerde, is dat niet gewoon een slecht mens? Vanuit het Darwinisme gezien moeten we zo’n man misschien bewonderen, want het overlevingsinstinct is sterk in hem. De wil om te winnen domineert zijn hele wezen. Maar omdat ik ondanks alles geloof in de potentiële meerwaarde van de mens ten opzichte van het dier durf ik te stellen: Lance Armstrong is een klootzak. Dat hij zich inzet voor een kankerfonds doet daar niks aan af.
Dit simpele oordeel werd later op de avond bevestigd door het evidente bestaan van het tegendeel van het type Armstrong. Er was een documentaire over prins Claus. Je hoeft maar even in die grijze ogen te kijken, die ook voor ze door Parkinson permanent op staren gingen staan wijd open en bijna argeloos waren, om te geloven in het goede in de mens. Een intelligente, ernstige, goedwillende en eerlijke man. Als er ooit een kwaadwillende journalist bij hem postuum een verborgen agenda kan aantonen eet ik mijn hoed op.
Ik heb hem een keer meegemaakt, prins Claus. We speelden met La Passione op Paleis Noordeinde. De Italiaanse president Scalfaro kwam er een vorkje meeprikken en om het wat gezelliger te maken was de halve Nederlandse regering uitgenodigd. Waarom wij daar waren en hoe dat toeging ten paleize is een ander verhaal – dat bewaar ik graag voor een ander moment, als mijn pen staat naar satire en pret. Waar het nu om gaat is dit: ik stond daar te zingen op een halve meter afstand van de rug van prins Claus. Al na de eerste tonen draaide hij zich in één massieve, starre beweging om, en het hele verdere optreden wist ik zijn ogen op me gericht. Achteraf is het vreemd dat je op zo’n moment nog kan functioneren. Je bevindt je plotseling midden in een koninklijk paleis en bent omringd door mensen die je normaal alleen op het achtuurjournaal ziet. Het staatshoofd zelve applaudisseert voor jouw kunsten. De minister-president wiegt neuriënd mee op jouw gitaarspel. De kroonprins onderdrukt een geeuw om jouw liedjes. Het zal hetzelfde overlevingsinstinct zijn dat Armstrong tot zijn fraude bracht. Ik blokkeerde al die intimiderende indrukken en bewaarde ze voor latere verwerking. Ik focuste me volledig op de muziek.
Na afloop zaten we net als in het uur vóór het optreden in de werkkamer van prins Claus. Een donkere, sobere maar gezellige kamer vol boeken en papieren. Foto’s van de kinderen op zijn bureau. Een plat Haags pratende man in een kostuum uit een slechte operette bracht ons een glas cognac. We bliezen stoom af. De hele autorit naar huis waren we giechelig.
Maar wat dit optreden vooral gedenkwaardig maakte was het moment dat we de eetzaal verlaten hadden en de witmarmeren trap afliepen. Een hofdame snelde ons achterna. Een vraagje van Claus: of hij misschien een cd van ons mocht hebben.
Als het in de jaren daarna wel eens moeilijk was en ik twijfelde aan mijn beroep, was het een troostrijke gedachte dat die goeie, depressieve Claus in onze muziek iets had herkend: een verwante melancholie misschien, een onder de wulpse Napolitaanse saus schuilgaande ernst. En dat hij in die intieme werkkamer, goed verborgen voor het achtuurjournaal en zonder lintjes om door te knippen, de knellende stropdas af, naar een cd van La Passione heeft geluisterd. Misschien maar één keer, maar misschien ook wel vaker. Dat neemt niemand me meer af. En als u een glas cognac en een tabletje Valdispert buiten beschouwing bereid bent te laten, heb ik er niet eens doping voor hoeven gebruiken.

dinsdag 9 oktober 2012

STROOM

Ik moest vanochtend denken aan een pocketboekje dat bij ons thuis rondslingerde. Ik geloof dat het een tijd lang op mijn vaders nachtkastje lag. De schrijver ervan was Bertrand Russell. Russell (1872-1970) was een filosoof, wiskundige, Nobelprijswinnaar, vrijdenker en zelfverklaard agnost uit Wales. Ik heb de indruk dat hij enigszins in vergetelheid is geraakt, hoewel alleen al zijn boek Why I Am Not a Christian het juist in deze tijd zou verdienen aandachtig gelezen te worden. Daarin voert hij niet alleen logische argumenten aan tegen het bestaan van God, maar hekelt hij vooral de kwalijke gevolgen van elke georganiseerde religie. Russell was in die tijd, de jaren zestig en zeventig, enorm populair. Een instituut, een gelauwerd orakel. Misschien was het juist die populariteit die, net als in het geval van bijvoorbeeld Hermann Hesse, maakte dat hij door een volgende generatie weer werd veronachtzaamd.
In dat boekje van het vaderlijke nachtkastje schrijft Russell ergens dat hij als jongeling erg ongelukkig was, zelfs uitgesproken depressief, en een einde aan zijn leven had proberen te maken. Nu, aan het natuurlijke eind van datzelfde lange leven, was hij integendeel een gelukkig man. Voor de zoekende lezer, die zelf ook wel een beetje gelukkig wil worden, beschrijft hij de weg die je daarvoor moet gaan. (Ik put dit alles uit mijn onbetrouwbare geheugen, dus corrigeert u mij gerust als ik het mis heb). In Russells geval begon het leven als een klein, individueel stroompje. Kronkelend, arm aan water, onzeker van zijn richting. In de loop der jaren wies dat aan tot een kalme, brede rivier. Zijn perspectief werd ruimer, het persoonlijke wel en wee minder belangrijk, de wereld waarvan hij deel uitmaakte van groter belang. Daarin, aldus Russell, school het geheim van het geluk.
Zoals u weet als u mijn stukjes met iets meer dan vluchtige aandacht hebt gelezen is het mijn streven om minder in mijn eigen navel te staren en te leren vertrouwen op de ongewisse maar machtige levensstroom; te lopen op het pad dat Tao heet, en al dat eeuwige piekeren en twijfelen nu eindelijk eens los te laten. Dat gaat met horten en stoten, met vallen en opstaan. Misschien wordt u moe van het meekijken op de thermometer, of liever de seismograaf van mijn gemoedstoestand, maar één klein mijlpaaltje wil ik toch graag met u delen.
Zondag was de première van de door mij geschreven Linnaeuscantate, in de Hortus Botanicus in Amsterdam. Ik had daar erg tegenop gezien en was als een aanstaande vader zo nerveus, maar alles werkte mee om de uitvoering tot een succes te maken: zangers en muzikanten waren op dreef, het publiek was talrijk en goed gehumeurd, de oktoberzon scheen vriendelijk de koepel van de grote palmenkas binnen, nu en dan kwaakte een watervogel, alles verliep soepel en klonk mooi, en er was tot slot een ovationeel applaus. Kortom, alle reden tot tevredenheid.
Alleen, er was één dingetje. Over mijn eigen aandeel als zanger was ik minder gelukkig. Dirigeren vraagt een totaal andere energie dan zingen. Je hartslag versnelt, je adem gaat hoog zitten van al dat zwaaien. Toen ik me omdraaide om de Latijnse woorden van Carolus Linnaeus te vertolken merkte ik meteen dat mijn stem niet helemaal deed wat ik wilde. Maar (en dat is eigenlijk de portee van dit stukje, en de aanleiding om Bertrand Russell uit de kast te halen) - na afloop stelde ik dat minpuntje een beetje spijtig vast maar was ik desondanks gewoon tevreden, trots en blij. Dat mijn eigen radertje in het grote geheel wat roestig had gedraaid vond ik jammer, maar niet meer dan dat. Ik bezin mij op manieren om het een volgend maal beter te smeren, dat dan weer wel, maar ik loop sinds zondag met lichte tred door de wereld, en blik met kalme voldoening om me heen. Eindelijk opgenomen door de stroom waarvan ik deel uitmaak.

vrijdag 5 oktober 2012

ERWIN

Gisteren liep ik door het Vondelpark. Het had de hele morgen geregend maar plotseling was de zon hevig doorgebroken. Het strijklicht deed de oude bomen prachtig uitkomen. Ze leken massiever dan anders, bemoste zuilen waarvan de donkere kleur verdiept werd door de verse sporen van de regen. Er dansten al wat goudgele bladeren op de wind. De hemel was diepblauw en de opbollende wolken hadden helder witte randen, maar hun donkere massa waarschuwde me dat al die flonkering niet kon duren. Juist die tijdelijkheid maakte de schoonheid van het park intens. Een ranke vrouw met een Golden Retriever passeerde me. Ik houd niet zo van honden, maar nu wilde ik dat ik er ook een had, om uitzinnig voor me uit te draven en op bladeren te jagen.
Zo’n dag was het.
Ik dacht aan Erwin.
Het boek dat mijn leven veranderde verscheen in 1974. Voluit heet het Erwin, 5 october 1972. Het werd geschreven door Geerten Meijsing maar gepubliceerd onder het collectieve pseudoniem Joyce & Co. om ook zijn meedenkende en meeplottende kompaan Keith Snell in het applaus te betrekken dat het boek terecht ten deel viel. De flaptekst ken ik uit het hoofd en roept nog steeds het gevoel bij me op van toen, een bijna pijnlijk verlangen naar een gedroomde wereld van eeuwige schoonheid, die nochtans getint is met een weemoed om de onvermijdelijke sterfelijkheid: ‘…Kunt U zich een dag voorstellen, in het begin van de herfst, een precieze, heldere morgen vol goud waarop de herinneringen zingen, en een zwaan in de vijver waarvan het water nog nooit zo rimpelloos is geweest om een volmaakt gezicht te spiegelen… Twee jaar geleden, op 5 october 1972, is onder zulke, de meeste kiese, omstandigheden Erwin Charles David Garden overleden op de leeftijd van 22 jaar...’
Later die dag zat ik op het terras van Wildschut met Renger van den Heuvel, die een film over Geerten Meijsing gaat maken. We overwogen samen of ik iets voor de filmmuziek zou kunnen betekenen. Toen de zon verdween stond hij op om zijn colbertje aan te trekken, en ik ritste mijn ribfluwelen jack wat hoger dicht. Maar het was niet de plotselinge herfstkilte die me deed huiveren. Renger had net een passage uit Erwin aangehaald en er achteloos bij gezegd: ‘Pagina 23’. Renger kon er niets aan doen, maar opeens kwam de verering weer boven die ik als adolescent had gevoeld voor de schrijver van dat boek, en ik voelde me nietig: een scharrelend amateurtje dat door een vergissing meespeelt op het grotemensentoneel en binnenkort wel door de mand zal vallen.
In mijn huidige leven is voor de verheven sentimenten van Erwin weinig plaats meer. En ook de schrijver ervan, die ik goed heb leren kennen en mijn vriend mag noemen, is langzaam maar zeker van zijn troon op de Olympus afgedaald en mens geworden. Een heel bijzonder mens, dat wel.
Soms betreur ik dat wel eens, die ontmythologisering van mijn jeugd, maar meestal heb ik liever mensen om me heen dan goden op een berg.

dinsdag 2 oktober 2012

VISSEN

Als jong volwassene heb ik wel eens gevist, om iets aan mijn nervositeit te doen. Vissen wordt geacht een rustgevende bezigheid te zijn. Ik kon het niet. Ik keek de vissen het water uit. De mogelijkheid dat er daar beneden een visje zou rondzwemmen dat mijn dobber omlaag zou trekken joeg mijn adrenaline op. Maar omdat de beloning van mijn gestaar in het water te zelden kwam gaf ik het al gauw op. Een dagelijkse gewoonte werd het niet, een verslaving al helemaal niet.
Iemand die daar gevoelig voor is kan aan van alles en nog wat verslaafd raken. Niet alleen aan cocaïne, drank of cannabis, maar ook aan eten, aan seks, aan games. Alles wat ons een lekker gevoel geeft is in principe verslavend. Als ik wetenschappelijk onderlegd was zou ik u dat kunnen uitleggen. Ik zou het over het beloningssysteem hebben, over neurotransmitters, over endorfine. ‘Er komt een stofje vrij in de hersenen’, is de nietszeggende samenvatting van het proces die je tegenwoordig veel hoort als verklaring voor alles wat in ons speelt maar onze pet te boven gaat. De meest geniepige onder de verslavende zaken zijn die waarbij je weinig hoeft te doen om dat kortstondige gevoel van beloning te krijgen. Waarbij dat stofje als bij toverslag tevoorschijn spuit.
Een relatief nieuwe verslaving is die aan de sociale media. Toen ik in 2010 in een kliniek zat waren daar naast de ouderwetse alco’s en junks wel foodies, game-verslaafden en een enkele dwangmatige geilaard, maar te veel op Facebook zitten had de behandelbaarheidsstatus nog niet bereikt. Hoe dat nu is weet ik niet. Wel weet ik dat ik, als potentieel slachtoffer van gemakkelijk vrijkomende stofjes, gevaarlijk in de buurt kom van afhankelijkheid aan binnen ploppende berichten en de duimpjes die ‘likes’ genoemd worden.
Als mijn computer aan staat, is het alsof er een verlokkend venster in mijn huis geopend is dat zicht geeft op een andere wereld. Daar, achter dat venster, wenken mensen me, roepen me, of doen dingen die, alleen al omdat ik ze kan zien, ook door mij gezien moeten worden. En ik tuur en ik tuur, en hengel naar aandacht.
Ooit, op een zomeravond heel lang geleden, lag ik al in bed toen er een harde tik klonk op mijn raam. Ik klom uit mijn stapelbed, opende het raam en even later werd er een briefje naar binnen gegooid. Het bleek een dreigbriefje te zijn van de concurrerende Geheime Jongensclub. Nooit zal ik het gevoel van lekkere, roesachtige opwinding vergeten dat die kleine gebeurtenis me gaf. Ik wilde naar buiten, de wereld in, avonturen beleven. Van slapen kwam niets meer die avond.
De zwakke echo van een dergelijke roep hoor ik als iemand daarginds, in cyber space, daar bij u in de buurt dus, me via internet benadert. Ik zit veilig thuis maar de wijde wereld wenkt en maakt me onrustig. Een stap verder en ik slijt mijn dagen in anticipatie. Ongedurig blijf ik mijn mail en mijn Facebookpagina bekijken. Mijn huis voelt niet langer veilig. Er staat een raam open waarachter van alles kan gebeuren. Ik kan het raam niet negeren. Het trekt me willoos aan, de zuigkracht is te groot.
Meerdere malen heb ik me voorgenomen paal en perk te stellen aan deze idiote tijdverspilling. Als ik op vakantie weken lang zonder kan, waarom dan thuis niet? Ik legde mezelf regels op: op vaste tijden mocht ik kijken. Maar dat werkte niet. Mijn zelfbeheersing schoot te kort. Ik zat thuis eenzaam en alleen mijn huiswerk te doen en mijn vriendjes waren buiten aan het spelen. En, anders dan met mijn echte vriendjes van vroeger kon ik met een simpele muisklik bij ze zijn.
Gisteren heb ik besloten dat ik voortaan tussen werksessies in mijn computer uit ga zetten. Niet in sluimer- of slaapstand, maar echt uit. Zodat ik niet meer de hele dag naar mijn werkkamer kan lopen om éven, stiekem bijna, mijn mail te checken. De gordijnen moeten niet alleen dicht, het raam zelf ook. Met blinden en luiken en al. Dus, als deze boodschap in een fles u bereikt, daar op uw eigen verre eilandje in de ontzaglijke ruimte van het digitaal heelal, en u uw duim opsteekt in goedkeurende herkenning: ik zal het pas vanmiddag zien, als ik mijn luiken weer ontgrendeld heb.

vrijdag 28 september 2012

MAM

Vandaag zou mijn moeder vijfentachtig zijn geworden.
Ik vraag me wel eens af hoe mijn leven eruit zou hebben gezien als zij er nog zou zijn. Misschien wel heel anders, maar zeker weten doe je dat nooit. Ik probeer me een parallel universum voor te stellen waarin haar dood, nu zeventien jaar geleden, niet heeft plaatsgevonden. Welke consequenties had het uitblijven van die dramatische gebeurtenis gehad? Ik vermoed dat mijn leven iets rustiger was verlopen. Dat ik me veiliger had gevoeld. Maar even goed is het mogelijk dat mijn weg dezelfde was geweest en dat ik van mijn moeder vervreemd was geraakt. Ook als ik nu een foto van haar zie is het soms of ik naar een vreemde kijk. In je jeugd is je moeder je moeder, punt uit: een zo allesomvattend en vertrouwd begrip dat je er nauwelijks een gedachte aan wijdt. Als je ouder wordt, afstand neemt en beter kijkt zie je eigenaardigheden die er altijd al geweest moeten zijn, maar alleen jou niet waren opgevallen. Je moeder was een mens, ook voor ze jouw moeder werd. En is daarna diezelfde mens gebleven.
De dood schept de grootst mogelijke afstand, en vanuit die positie wordt je blik nog objectiever. Ik ben vaak verbaasd als ik in Zuid-Holland kom en in de brede gezichtsvorm van de vrouwen daar en in hun zangerige accent iets van mijn moeder terugvind, die uit Delft kwam. Mijn moeder was niet alleen een individueel mens voor ze mijn moeder werd, maar ook nog eens een product van een bepaalde streek, van een bepaalde traditie. Ze was dus tegelijk algemener en specialer dan die vanzelfsprekende moeder van mijn kindertijd.

Ik heb een doos met oude brieven en verhaaltjes van haar. Toen ik die na haar dood opende werd ik erg bedroefd en verward door het beeld dat uit die woorden oprees. Ik kon, zo vlak na haar begrafenis, de stem van mijn moeder als meisje en jonge vrouw niet verdragen. Ik zette de doos hoog op een kast en besloot die later eens op mijn gemak te gaan bekijken, als de wond niet meer zo vers was. Ik heb het nog steeds niet gedaan.
De eerste jaren na haar dood zei ik altijd: ik hoef niet naar haar graf, ze leeft voort in mijn hoofd. En dat was ook zo. Er ging geen dag voorbij of ik dacht aan haar, zag haar voor me, hoorde haar stem. Haar imprint waakte over me als een bewaarengel.
Die vertrouwdheid over de scheidslijn van de dood heen is met de jaren minder geworden. Het beeld is vervaagd. Mijn moeder is onherroepelijk gaan behoren bij het verleden. In deze wereld zou ze niet passen. Ik moet mentaal te veel aanpassingen maken om me haar voor te kunnen stellen als vijfentachtigjarige.
Maar soms zie ik opeens iets van haar in mijn zuster, of in mijn jongste dochter. Iets kleins maar onmiskenbaars. Een oogopslag, een beweging van de mond. En dat geeft me dan even een sterk en warm gevoel. Ha mam, je bent er dus toch nog? Gefeliciteerd!

dinsdag 25 september 2012

LINTJE

De afgelopen tien jaar heb ik regelmatig op goedbedoelde evenementen in Nieuw-West gespeeld. Ik ben nu eenmaal de officieuze Tuinstedelijke Troubadour en muzikale chroniqueur van dat stadsdeel - een verdienste waarvoor ik stiekem hoop ooit, als ik oud ben, een lintje te krijgen. Want het was lang niet altijd feest. Meestal regende het en zong ik voor anderhalve man en een paardenkop.
Ook voor de opening, afgelopen zaterdag, van het New West Fest waren de voorspellingen niet geweldig. Maar toen de dag aanbrak en mijn zoon en ik gitaren en apparatuur in de auto stouwden stelden we vast dat het verrassend mooi weer was: zo’n koele, diepblauwe dag in de vroege herfst, waarop de vuurdoorn gloeit en de wolken een speciale glans hebben.
We reden naar de Sloterplas, parkeerden, laadden uit. In de muziektent werd al druk gescharreld met snoeren, kabels en microfoons. Het weerzien met de bandleden was hartelijk. De zangeres zong een paar toonladders, de saxofonist blies zijn rieten warm, de rest pingelde en roffelde wat, of jamde een stukje mee met de muziek die de mensen van de geluidstechniek altijd keihard aan hebben staan, alsof ze bang zijn dat hun apparatuur de stilte niet kan verdragen.
Stipt op de afgesproken tijd gingen we van start. Veel publiek was er nog niet, maar ik herkende er dierbare gezichten onder: genoeg voor een warm resonerend klankbord.
Op een wegwaaiend spiekbriefje en een ontstemde g-snaar na liep alles gesmeerd, de muziek klonk goed, het applaus was gul.
En toen, gaandeweg het optreden, gebeurde er iets met me dat me verraste. De ernstige, ingetogen zanger die ik ben geworden onderging een verjongingskuur. Ik stampte met mijn voet, hief mijn gitaar op in een heroïsch gebaar of liet die even los om met twee armen het publiek in te wijzen. Had ik nog lang haar gehad, ik zou het naar achteren hebben geschud. Kortom, ik stelde me aan. Of, aardiger gezegd, ik deed theatraal. En het was lekker om te doen.
‘Hé, wat was dat nou?’, zei ik tegen mezelf toen onze laatste noten waren gesmoord in het oorverdovende kabaal van een exotische drumband, ‘jij was toch zo tegen het opzetten van toneelmaskers?’ (Zie Rookzangers Avonturen, deel 246: 'Persona') ‘En daar ging je weer, helemaal in je oude rol van podiumdier. Hoe zit dat?’
U kent het antwoord natuurlijk op die vraag, maar ik moest er even over nadenken. Een masker dat je opzet onder sociale druk of uit gehoorzaamheid aan je dwangmatige neiging om je omgeving te behagen, zit scheef en laat zere plekken na. Maar als je puur uit vitaliteit en levenslust in een rol schiet zit het als gegoten en glijdt het soepel weer van je gezicht af; tot rust gekomen draai je het nog even liefdevol in je handen rond, voor je het weer opbergt bij de andere requisieten.
Tot die conclusie kwam ik terwijl we op het hoge terras van Café Oostoever in de warme zon zaten. Een subtiel regentje streelde even onze huid maar verdween weer voor we serieus overwogen naar binnen te gaan. Beneden ons woedde het festival voort en voor ons rimpelde de wijde Sloterplas flonkerend onder de blauwe hemel. Zeilbootjes trokken voorbij. Na een uur braken we traag, onwillig bijna, op. Lucas, de saxofonist, zei dat hij moe was en zin had om thuis in een heet bad te gaan liggen met een Bommelboek. Dat gaf me plotseling een geluksgevoel. Zoiets wilde ik ook.
Thuisgekomen was er echter nog een laatste barrière te nemen voor ik me aan dat verdiende niets doen kon wijden. Ik zette mijn spullen in het trappenhuis en liep naar de Albert Heijn op het Museumplein. Ik kocht wat nodig was voor een makkelijk maal. Weer buiten hoorde ik een man tegen zijn dochtertje zeggen: ‘Kijk, daar is de koningin.’ Op hetzelfde moment snerpte een fluitje. Ik draaide me om en zag hoe agenten op motoren een kleine kolonne van zwarte limousines door het verkeer gidsten. Terwijl de stoet het rode stoplicht negeerde en de De Lairessestraat indraaide zag in de tweede auto, op de achterbank, een reusachtige hoed.
Het was om zo te zeggen het koninklijk besluit van een mooie dag. Dat lintje had ik eigenlijk al.

vrijdag 21 september 2012

PERSONA

Ik werd wakker met de ijle stem van Neil Young in mijn hoofd. “Old man take a look at my life…” Ik ging in gedachten mijn dromen na maar kon niks vinden in de recente files dat met de Canadese zanger verband hield. Ook was het al lang geleden dat ik een cd van hem had opgezet. Toen schoot me een gespreksflard van gisteren te binnen. Ik was in Haarlem op bezoek bij mijn oude vriend Karl. Hij vertelde over een kunstenaar die hij kende, die twee passies had: de romancyclus A Dance to the Music of Time van Anthony Powell, en het oeuvre van Neil Young.
Terwijl ik koffie zette en een eerste pijp opstak bepeinsde ik onze verdere gesprekken. Over die romans van Powell hadden we het ook gehad, maar slechts summier, aangezien we ze geen van beiden gelezen hebben. Internetcommunicatie was een belangrijk thema geweest. Waar hield openheid op en begon exhibitionisme? Hoe verhield creativiteit zich tot ijdelheid?
Karl had, toen de wodka zijn tong begon los te maken, ook een paar dingen gezegd die me voorlopig nog wel even bezig zouden houden. U kent ze wel, die oprechte complimenten die als het Paard van Troje een massa eerder verzwegen kritiek herbergen. Karl vond dat ik mijn oude vorm terug had gevonden, dat ik weer de Jan-Paul was die hij kende. De laatste tijd herkende hij een vonk en een beet in mijn schrijfsels, die hij in het jaar na mijn verblijf in de kliniek gemist had. Wat ik toen had geschreven was bezadigd geweest, relativerend, onpersoonlijk ondanks al zijn eerlijkheid, kortom, een beetje saai.
Het was niet om literaire redenen dat deze kritiek me raakte. Karl sprak over mij, over het beeld dat hij van mij kreeg uit dit blog. We zien elkaar niet zo vaak, dus van mails, blogs en dergelijke moderne communicatie moeten we het hebben. En hij vond het beeld dat de doorkijkspiegel van mijn blog hem toonde tegenwoordig levendiger en persoonlijker dan het geweest was. Het leek, zei Karl, of ik mijn persoonlijkheid had hervonden.
Persoonlijkheid of persona?, wilde ik weten. Daar kibbelden we even over, want mijn afkeer van het maatschappelijk masker is groot, en met mijn hang naar de Boeddhistische leer, die het ware zelf zoekt in de stiltegebieden die zich diep onder alle lagen make-up bevinden, heeft Karl niets: zijn afkeer daarvan is minstens zo groot.
Wat me verontrustte was als gezegd niet de literaire kritiek. Dit zijn uiteindelijk maar blog posts, stukjes van een dag. Nee, het was het gevoel dat er hier iets op een vreemde manier scheef zat. Want mijn eigen kritiek, mijn zelfkritiek bedoel ik, zei iets heel anders dan wat Karl zei. Ik vond juist dat ik me de laatste tijd op gevaarlijk terrein bevond, dat ik het risico liep weer verstrikt te raken in ambities en wereldse besognes, dat ik de innerlijke rust en het verruimende inzicht dreigde te verliezen die mijn retraite me had geschonken. En kijk, net op het moment dat ik opnieuw ten prooi ben aan allerlei onwelkome spanningen en uit mijn evenwicht ben geslagen, dat ik er niet altijd meer in slaag 'bij mezelf te blijven', zegt mijn oudste vriend: ‘Je bent jezelf weer!’
Daar moest ik wel even op kauwen. Vooral omdat het zoveel implicaties heeft. Heeft Karl gelijk? Leidt een te beschouwelijke toestand tot persoonlijke vervlakking? Of ben je in het oog van de buitenwereld pas jezelf als je je laat kennen? Als je blijk geeft van irritatie, van woede, van enthousiasme, van emotie, van kleingeestigheid of wat voor menselijke zwakte dan ook? Dan hebben Oost en West het over twee verschillende dingen, als ze over het ‘zelf’ spreken. Is wat ‘persoonlijkheid’ wordt genoemd misschien niets anders dan dát masker dat het best bij je past, dat je het lekkerst zit?
Moeilijke zaken, ingewikkelde overwegingen, die ik als ik wijs was voor mezelf zou houden. Want een ander punt van de kritiek die in het kielzog van Karls lof meekwam was dat mijn stukjes vaak nogal parochial waren: onderonsjes, preken voor eigen parochie. Daar moest ik hem gelijk in geven. En door dit te schrijven zet ik nog eens een vette streep onder zijn gelijk. Maar ik zeg er onmiddellijk bij dat ik het niet anders zou willen. Ik wil geen papieren masker hoeven opzetten dat een zo groot mogelijk publiek behaagt. Ik hoef hier niet van te leven. En als ik al preek dan is dat voor een parochie die haar eigen herder gekozen heeft. U hoeft dit immers niet te lezen. Ik moet het wél schrijven.
Voor wie nog luistert zing ik met Neil Young: “Take a look at my life, I’m a lot like you.”