Rookzanger heeft, daartoe verleid door romantische fantasieën over het mooie buitenleven der postbodes, een tijdelijk overschot aan vrije tijd en de hopelijk eveneens tijdelijke behoefte aan extra verdiensten (of misschien in een vlaag van verstandsverbijstering) zich aangemeld als decemberhulp bij de posterijen. De komende tijd doet hij daarvan verslag.
Dag 1.
Eerste verrassing, al had ik het kunnen weten: ook postbode blijkt een beroep te zijn, een ambacht zelfs, met de bijbehorende vaardigheden, do's and don'ts, handigheidjes en vuistregels. De man met wie ik deze eerste dag meeloop, Rob, een grijze vijftiger met een fris gezicht, is maar al te bereid mij deelgenoot te maken van zijn vaste gewoonten en me de redenen en voordelen daarvan uit te leggen. 'Hier loop ik altijd over het fietspad', 'je moet die bundel zo vast pakken, andersom, zoals jij het doet handigt niet'.
En zo kom ik mijn struikelblok in de omgang met mensen ongemerkt tegen, ook in deze bescheiden betrekking: het iedereen naar de zin willen maken, de beste leerling van de klas willen zijn. Het bezorgen van de post is ogenschijnlijk simpel, en zo had ik het ook graag gezien: je krijgt een stapel brieven en moet ervoor zorgen dat die in de juiste brievenbussen geschoven worden. Hoe je dat doet is jouw zaak. In de praktijk van deze eerste middag wordt het al gauw een mannending - de ervaren meester toont me zijn methode en ik doe die nederig na. Ik voel me een kleine jongen die schutterig een grote meneer imiteert. Hij glimlacht niet meewarig, daar is hij te aardig en te beschaafd voor, maar ik voel me alsof hij dat wél doet - als ik een fout maak, en bijna een envelop voor 2 hoog in de gleuf voor 3 hoog duw prikken zijn ogen in mijn rug.
De eerste tijd is het nog alsof ik een spelletje in de buitenlucht speel. Ik loop vrolijk mee en stel nieuwsgierige vragen over deze voor mij nieuwe wereld.
Maar na een uur of anderhalf (het licht mindert, we bevinden ons in een drukke winkelstraat) merk ik dat ik erin gezogen ben en mijn hoofd niet langer koel houd. Brievenbussen duizelen me, het is alsof ik hier altijd gelopen heb, gevangen in een eeuwig durende postloop 7508.
Thuis ben ik moe, ik heb hoofdpijn en pijnlijke voeten en ik krijg tijdens het mediteren mijn geest niet rustig. Nu de wereld van de postbezorger concreet voor me is geworden zijn er opeens talrijke zorgen. Hoe kom ik aan vingerloze handschoenen? Wat nou als het plenst, wordt dan de post niet zeiknat? Wat doe ik als de postkarretjes allemaal bezet zijn? Ik heb spijt dat ik eraan begonnen ben.
Dag 2.
Vandaag eerst gemediteerd, dan op de fiets voor de postronde, en niet andersom. Dat handigde niet zo.
In het kleine depot in de Veerstraat kijk ik eens rustig om me heen en alles lijkt een stuk overzichtelijker dan gisteren, ondanks de troep, zelfs met de enorme stapels Allerhande die vandaag bezorgd ('besteld') moeten worden. Ik kies een karretje, vul mijn tassen en ga alvast op pad; Rob had me gezegd om zonder hem te vertrekken als hij er nog niet was. Ik loop rustig naar mijn wijk, begin, daar aangekomen, met de bovenste poststukken, kijk goed uit en gebruik mijn gezond verstand, en zo gaat het eigenlijk allemaal probleemloos. Een vlaag regen verdrijft even de zon maar het deert me niet. Ik begin me nu werkelijk een beetje de Schubertiaanse brievenbesteller van mijn fantasie te voelen, onthecht en monter stappend door de oude straten van een ommuurde stad.
Maar daar is een stem achter me. Ik kijk om en groet Rob, kaarsrecht achter zijn fiets, vandaag van een zonnebril voorzien. Even later moet ik ('Ho! Time out!') luisteren naar uiteenzettingen over de handigste manier om huis-aan-huispost op te vouwen en de beste omgang met onwillige of zelfs kwaadaardige brievenbussen. Ik slaag erin aandachtig te luisteren, mijn sociale zelf geeft deemoedig complimenten om zoveel vernuft en zoveel ervaring, maar ondertussen blijf ik geconcentreerd op de bundel brieven in mijn linkerhand ('Je bestelt met rechts'), en schroom ik ook niet kritische en persoonlijke vragen te stellen. Niet ontevreden over mezelf vandaag.
Bij de bakker tegenover het depot koop ik een Waldkornbol met Old Amsterdam. Aan de nadrukkelijke manier waarop het meisje mijn bestelling herhaalt merk ik dat ze nieuw is. Terwijl ze begint te smeren doet een oudere collega haar voor hoe je een mes (aan je schort?) afveegt. Ik lach naar haar, we hebben iets gemeen, al weet zij dat niet.
(Illustratie: Carl Spitzweg, 'Briefbote im Rosenthal')
woensdag 10 december 2014
dinsdag 9 december 2014
Rookzangers notitieblog (16)
Vannacht werd ik wakker uit een heldere en prettige droom. Hoofdpersoon was een oud-leerling van me, die nu een antiekwinkel in de Nieuwe Spiegelstraat runt en regelmatig in Tussen kunst en kitsch te zien is als expert op het gebied van historisch glaswerk. In het huis dat zij bewoonde aan de rand van de stad, die in mijn droomversie een landelijke uitloper was, een kruising tussen de Plantage-buurt, het Spaarne en een zeventiende-eeuws schilderij, was de tuin omzoomd door een spelthaag. Dit type heg was woest krullerig en doornig, donkerbruin, bijna zwart van tint.
Op zeker moment ging het beleefde verhaal over in een geschreven verhaal. Zo duidelijk als ik nu de krant voor me zie las ik het vervolg, door mijn leerling opgeschreven. Ik las kritisch: ik vond dat er een witregel moest staan in plaats van een inspringing, bij de alinea waarmee het begon.
"Er was een jaar voorbijgegaan. Een jongen boog zich wat dieper over zijn fiets. Maar in Geul-Ruel, waar de 'vereniging tot behoud van de laurier' (die er inheems was) zich bevond........"
En dan volgde er een even verrassende als vanzelfsprekende mededeling, die ik meteen wilde noteren omdat ik haar verteltechnisch briljant vond, maar die ik me nu, in het heldere licht van deze blauwe dinsdag, op geen enkele wijze meer te binnen weet te brengen.
Misschien is er een meesterwerk verloren gegaan door mijn luie onwil om het bedlampje aan te knippen. Het zal haast wel niet, maar hoe mijn droom-ik de gebeurtenissen in Geul-Ruel kon koppelen aan die spelthaag, daar ben ik wel razend benieuwd naar.
vrijdag 5 december 2014
Rookzangers notitieblog (15)
O, de nachtelijke ruimten van de kindertijd! De stille, geheimzinnige kamers en gangen van een slapend huis in het donker, waaruit het dagelijks leven zich heeft teruggetrokken en die, aan zichzelf overgelaten, een eigen leven lijken te bezitten. Zo snel mogelijk liep ik erdoorheen, op weg van mijn bed naar de wc. Later, toen ik meer begreep en minder bang was, dwaalde ik er juist verwonderd in rond: de vage glans die de roerloze, onaangeraakte en onaanraakbare huisraad in het maanlicht had spiegelde me allerlei vormeloze fantasieën voor en riep gevoelens in me wakker waarvoor ik geen woorden had kunnen vinden. Complexe gevoelens van liefde, macht en mogelijkheden.
Een paar nachten geleden overkwam het me weer. Ik kwam van de wc en liep door mijn gangetje. Opeens was dat meer dan een neutrale ruimte. De muren leken te zwijgen. Echt, het was alsof ze zouden kunnen spreken, maar verkozen het niet te doen, en wat ze te zeggen hadden liever voor zich te hielden. Mijn voeten kleefden aan het zeil, dat geen zeil was zoals vroeger, maar imitatie hout. Warmer, minder koel. Het was een prettige, een beetje plechtige sensatie, waardoor die kleine, beperkte ruimte plotseling uitdijde (niet kromp!) en vol tot dan toe verborgen betekenis was. Er ging niets dreigends vanuit zoals in het geval van de bezielde kamer van Poe of de kwaadaardige lift van Dick Maas, maar toch was ik met z’n tweeën op dat moment, niet alleen: ik was er, en er was de gang, die om mij heen was, en zich bewust was van mij.
Het duurde maar even, toen was de betovering verbroken. Het zal wel geweest zijn omdat ik koortsig was, koorts veroorzaakt een soort kortsluiting in de geest die rare dwarsverbanden legt. De volgende dag werd ik één moment zielsgelukkig door het bekijken van de foto van een boomkikker.
dinsdag 2 december 2014
Rookzangers notitieblog (14)
Op de verjaardag van de kok ontmoette ik een studiegenoot, inmiddels was ze oma. We herinnerden ons hoe we Brahms hadden gespeeld, quatre-mains. De kok frituurde octopus voor in de vissoep, we moesten hard praten om boven het sissen uit te komen. Ze zei dat ze mijn boek had gelezen, een warme hand landde op mijn arm, kneep er even in. ‘Dapper,’ zei ze.
Eerst voelde ik me verlegen, ongemakkelijk. Als zanger word je op je prestatie aangesproken, nu werd ikzelf geprezen, om wie ik was, en dat was even wennen. Maar ik werd er ook rustig van: geen uitweg mogelijk, geen weg terug - quod scripsi, scripsi.
Iemand met mijn levenservaring zou jonge zangers moeten coachen, zei ze. De kok serveerde de vissoep uit. Ik kauwde peinzend op de inktvis. Coachen! Een grijze eminentie die het jonge spul de weg wijst. Maar waarnaartoe dan? Grijnzend lepelde ik de soep, die lekker hartig was. Ik had nog een hele toekomst voor me.
*************************************************************************************************
Pas verschenen: Bankjeszomer. Bankjeszomer is een uitgave van Uitgeverij Flanor.
U kunt het boek bestellen door 17,50 over te maken op NL85.INGB.0680.2522.15 van W.S. Huberts te Nijmegen onder vermelding van NR. 81, Bankjeszomer.
Vergeet niet uw naam en adres te vermelden.
U krijgt het dan zo spoedig mogelijk thuisgestuurd.
vrijdag 28 november 2014
MECK & HOLT
Nieuw-West: om nostalgische redenen was ik een tegenstander van de stadsvernieuwing in die buurt maar inmiddels denk ik daar anders over. Het ‘nieuw’ in Nieuw-West krijgt dankzij de her en der gerealiseerde bouwprojecten weer elan; de vermoeide buurt wordt opgefrist, er is hoop voor het stadsdeel dat ruim een decennium geleden gedoemd leek. Ooit wordt Nieuw-West nog hip, net als nu de eens zo verpauperde Baarsjes, zeggen de mensen die het weten kunnen, en ik zeg het ze graag na.
In Tussenmeer is die toekomst nog ver weg. De drukste winkelstraat van Osdorp lijkt van karton opgetrokken. Eén flinke novemberstorm en de pandjes waarin lunchrooms, opticiens, telecommunicatiegrutters en schoenenwinkels zijn gevestigd waaien om. De bomen zijn hier al kaal, terwijl me juist was opgevallen dat ze in de oude stad nog zo goed in het gele blad staan: misschien zijn ze van een ander soort, misschien is het die eeuwige wind die vrij spel heeft over de Sloterplas.
Maar als de lijm loslaat en alle andere huizen tot bouwelementen uiteenvallen en wegdwarrelen over de plas zal er één pand fier overeind blijven staan en dat is de boekhandel van Meck & Holt.
Ik was er gisteren om namens de uitgeverij een stapeltje boeken te brengen.
‘Ha, de Boudewijn de Groot van Osdorp,’ zei de eigenaar, terwijl hij me een hand gaf. Ik grinnikte waarderend. Ik kom uit het intieme Geuzenveld en voor ons Geuzenvelders was Osdorp, dat voorbij de sportvelden lag, met zijn hoogbouw en zijn lange lanen intimiderend modern en grootsteeds. De Boudewijn de Groot van Osdorp - ik had het ver geschopt in de wereld.
Ik keek eens om me heen. Oosterse tapijtjes op een planken vloer. Overal boeken, in een fijne labyrintische uitstalling zoals het hoort. De winkel was goed gesorteerd, er wees zelfs een bordje de trap op naar een afdeling Engelse boeken. Dit was duidelijk geen veredelde kiosk, dit was het literaire epicentrum van het stadsdeel. In dit bastion werd de bibliofiele traditie met hand en tand verdedigd tegen de oprukkende ongeletterdheid.
De eigenaar vertelde me dat hij zijn filiaal aan de Johan Huizingalaan had moeten sluiten, na vijf jaar met verlies gedraaid te hebben. Ooit had er een Jan Haverman in gezeten, een keten boekwinkels waarvan er maar liefst negen in Nieuw-West te vinden waren. Nu was Meck & Holt de enig overgebleven boekwinkel in het hele stadsdeel. En zelfs met dat monopolie had hij het zwaar: ‘Het internet, hè…’
Ik wenste hem en zijn sympathieke onderneming succes. Aan de overkant kocht ik voor een euro een Turkse pizza met alles erop en eraan. Terwijl ik at keek ik naar de grijze novemberlucht waarin duiven en meeuwen af en aan vlogen. Ik heb er hard voor gewerkt en de uitgever legt er zowat op toe, maar ik vroeg me opeens af of 17,50 niet erg veel geld was voor een boek, in een buurt waarin je voor een euro een hele lunch kon kopen.
(Video: Fred Martin)
*************************************************************************************************
Pas verschenen: Bankjeszomer. Bankjeszomer is een uitgave van Uitgeverij Flanor.
Als Meck & Holt te ver bij u uit de buurt is, kunt u het boek bestellen door 17,50 over te maken op NL85.INGB.0680.2522.15 van W.S. Huberts te Nijmegen onder vermelding van NR. 81, Bankjeszomer.
Vergeet niet uw naam en adres te vermelden.
U krijgt het dan zo spoedig mogelijk thuisgestuurd.
Labels:
Amsterdam,
architectuur,
literatuur,
video
dinsdag 25 november 2014
SHERLOCK HOLMES

Toen ik deze zomer in de boekwinkel Waterstones in Newport, Wales, de verzamelde verhalen van Sherlock Holmes kocht stond het al vast dat ik ze allemaal zou gaan lezen. Het dikke boek in rode stofomslag daagde me uit. Iedere avond nam ik het een beetje onhandig ter hand, of liever gezegd in twee handen, want handzaam was het niet, in het besef dat ik er een Taak bij had. In de maanden die volgden nam ik wel eens een letterkundig zijpaadje, als Holmes en Watson me even te veel werden, en las ik een romannetje van Evelyn Waugh of Bertus Aafjes, een deeltje Simenon, een traktaatje over het boeddhisme of een paar verhalen van Toonder of De Maupassant, maar ik zette goed door. Eén verhaal per bedlampsessie. En afgelopen weekend was het zover. De 1408 pagina’s, vier romans en 56 verhalen, waren allemaal gelezen. Het Holmes-oeuvre van Sir Arthur Conan Doyle was vanaf het papier mijn hoofd in gebracht.
Niet dat ik me nu een kenner mag noemen, en als u me iets zou vragen over een bepaald verhaal zou ik waarschijnlijk in gebreke blijven; want eerlijk gezegd lijken de verhalen erg op elkaar. In wezen zijn ze over het algemeen niet erg spannend, en evenmin ingenieus. De plot stelt niet zo veel voor, de briljante geest van Holmes wordt ons vooral beschreven door zijn dwepende assistent en biograaf John H. Watson, in de praktijk merken we er vaak weinig van. Toch hebben ze een enorme aantrekkingskracht, die verhalen – niet voor niets heb ik mijn zelfopgelegde taak tot een redelijk snel einde gebracht. Deels schuilt die charme in de verdwenen wereld die beschreven wordt, het Engeland tussen 1880 en 1914. Een belangrijkere reden om te blijven lezen is de verslavende formule die de verhalen volgen. Er is in de eerste reeks (The Adventures of Sherlock Holmes) een patroon geweven dat in de loop der jaren in tact blijft; Conan Doyle beantwoordt trouwhartig aan de verwachtingen van de lezers. Er wordt in één laat verhaal auto gereden en er wordt tegen het einde tamelijk frequent getelefoneerd, maar het Victoriaanse decor blijft grosso modo onveranderd.
Dat patroon verloopt zo: Watson, de verteller, maakt een ietwat plechtstatige introductie waarin hij niet schroomt zichzelf schaamteloos te herhalen. ‘In de aantekeningen die ik in de loop van twee decennia heb gemaakt bevinden zich de feiten van vele bizarre zaken. Het zijn echter niet de meest spectaculaire onderzoeken die ik te boek heb gesteld, maar diegene die het genie en speciale talent tot deductie van mijn vriend Holmes het beste hebben doen uitkomen. Toch gingen in sommige gevallen het macabere en het didactische aspect een gelukkig huwelijk aan, zoals in het onderhavige geval. In de vele jaren waarin ik het voorrecht had de methodes van mijn vriend Sherlock Holmes van nabij te kunnen volgen heb ik geen vreemder zaak meegemaakt dan die, welke ik nu eindelijk, nu alle betrokkenen overleden zijn, naar buiten mag brengen.’ Ik parafraseer, deze passage zult u nergens vinden, maar soortgelijke inleidingen zijn talrijk. Vervolgens wordt de scène in Holmes’ kwartier te Baker Street geschetst - seizoen, weer, stemming - en wordt middels een telegram, een krantenbericht of het huisbezoek van een cliënt de ‘zaak’ uit de doeken gedaan. Meestal geeft op dit moment Holmes een klein exposé van zijn deductieve logica ten beste, door de verbijsterde klant afgaande op zijn kleding en attributen te vertellen wie hij is of wat hij die dag gedaan heeft, of vallen er enkele kwinkslagen, doorgaans ten koste van de brave Watson. Dan gaan de vrienden op pad en aan de slag, al of niet met behulp van de politie, de ‘Yard’. De grote geest lost alles op, maar de omstanders tasten in het duister. Als hij de bewijzen rond heeft geeft hij inzage in de methode volgens welke hij tot zijn conclusie is gekomen. Daar zouden zij, de omstanders, en ook wij, lezers, van moeten leren, maar ieder verhaal begint het opnieuw, en volgt Watson dezelfde verhaallijn, onder andere weersomstandigheden, in een ander jaar, met andere misdadigers en andere slachtoffers. Alles blijft heerlijk hetzelfde in deze lectuur, ook al wordt Holmes een dagje ouder en nadert het moment dat hij zich uit de wereld terug zal trekken om bijen te gaan houden aan de Zuid-Engelse krijtkust.
Waarom 1408 pagina’s lezen van iets waarvan je na een paar honderd het stramien al zo goed kent? Dat vroeg ik me ergens halverwege dat dikke rode boek wel eens af, eerlijk gezegd. Maar Conan Doyle heeft één grote verrassing voor ons in petto. Anders dan je verwacht worden de verhalen tegen het einde eerder beter dan slechter. Conan Doyle had op zeker moment genoeg van zijn held. Aan het einde van The Memoirs of Sherlock Holmes laat hij hem in een ravijn storten. Maar het publiek, dat Holmes wel erg serieus neemt (dankzij de perfecte mystificatie geloofden velen dat Holmes echt bestond en werd er menig brief aan hem gericht) pikt dat niet. Conan Doyle zucht en doet zijn plicht. Maar meer dan dat: als de goede, brave, consciëntieuze ziel die deze auteur is, doet hij er een schepje bovenop. Anders dan Simenon die nogal slordig met Maigret omging en tegen het einde van de reeks soms met zichtbare tegenzin schreef, zoekt hij naar nieuwe wegen om zijn held en de wereld waarin die leeft en werkt interessant te houden. De epiloog, His Last Bow, breekt met alle wetten doordat het in de derde persoon geschreven is. Of moeten we zeggen dat John Watson een stapje opzij doet, en zichzelf en zijn vriend als van een afstand portretteert? Het is een grandioos afscheid van een tijdperk en van twee personages, die elkaar aan het eind, met de Eerste Wereldoorlog in zicht, misschien wel nooit meer zullen ontmoeten.
Maar nog is het niet genoeg. In de toegift, een laatste bundel (The Case-Book of Sherlock Holmes), pas in 1927 verschenen, experimenteert Conan Doyle verder met het vertelperspectief: Holmes zelf is soms aan het woord. Het ontluistert de mythe geenszins, want Holmes is inmiddels een levend persoon geworden, en waarom zou die zelf niet eens de pen ter hand nemen? Het valt hem tegen en hij geeft ruiterlijk toe dat die goeie romantische wijdlopige Watson er meer van gemaakt zou hebben. En Conan Doyle zelf blijkt nog vitaal genoeg om de moderne toon van die dagen in zijn verhalen een plaats te geven. Verdwenen is de pompeuze stem van het Victoriaanse tijdperk, en een verhaal kan zo beginnen: ‘Het was misschien een klucht, of misschien eerder een tragedie. Het kostte één man zijn verstand, het kostte mij wat bloed, en het kostte weer een andere man een wettelijke straf. Wel, oordeelt u zelf.’ (The Adventure of the Three Garridebs)
Ik zal ze missen, de niet zo heel excentrieke Holmes en zijn vriend, de niet zo heel domme Doctor Watson. Ik heb gehoord dat er nog een schat aan navolgingen bestaat, geschreven door auteurs die ook geen genoeg van het beroemde duo konden krijgen, maar voorlopig laat ik die voor wat ze zijn.
(Illustratie: Sidney Paget (1860-1908) voor "The Strand Magazine" van januari 1893)
*************************************************************************************************
Pas verschenen: Bankjeszomer. Bankjeszomer is een uitgave van Uitgeverij Flanor.
U kunt het boek bestellen door 17,50 over te maken op NL85.INGB.0680.2522.15 van W.S. Huberts te Nijmegen onder vermelding van NR. 81, Bankjeszomer.
Vergeet niet uw naam en adres te vermelden.
U krijgt het dan zo spoedig mogelijk thuisgestuurd.
Labels:
Arthur Conan Doyle,
literatuur,
Maigret,
schrijven,
Sherlock Holmes,
Simenon,
taal
zondag 23 november 2014
HERFSTMAAN

5.
‘Het begon te schemeren op het plein. Er hingen drie manen in de lucht, waarvan één een vreemd lichtblauwe kleur had, de tweede groot en geel was als een appel en de derde een verre gouden schittering…’
Hij stak een bierviltje tussen de pagina’s en sloeg zijn boek dicht. Lezen in het openbaar vond hij moeilijk. Hij werd er onrustig van. Hij moest waakzaam blijven, zich blijven concentreren op zijn omgeving, al was het maar met zijn ogen en oren: zijn gedachten mochten verblijven waar ze wilden.
Hij was dertig jaar terug in de tijd. De ruimte waarin hij verbleef was dezelfde als die van nu, een schemerige pijpenla van donker hout die rook naar bier en whisky. Aan het plafond hing als een uitzakkend tentdoek de Ierse driekleur: groen, wit en verschoten oranje. Langs de muren waren ingelijste foto’s en concertprogramma’s te zien, mandolines, een dobro, een bodhrán. Hij volgde een studie die hij nooit zou afmaken. Hij droeg lang haar, een vlassige baard, sandalen en een spijkerpak, een dracht die toen als ouderwets gold en bijna uit het straatbeeld was verdwenen. Hij kwam uit een kleine provinciestad. In het ontnuchterde Amsterdam van de jaren tachtig voelde hij zich misplaatst. In dit café werd hij omhuld door een troostrijke nevel. De meeste gasten waren verdwaalde reizigers en de voertaal was Engels. Er klonken weemoedige ballades die later op de avond werden meegezongen. Er werd wel gelachen, maar niet geroepen. De schrille toon van de Amsterdamse horeca ontbrak hier, de omgangsvormen waren gemoedelijk. Dronken meisjes ondersteunden hun kin met hun hand en keken vaag glimlachend voor zich uit. Rookten zwijgend. Dit was een wijkplaats voor dromers. Fons kwam er graag.
Hij leegde zijn glas. Op dit punt zou hij graag een bladwijzer tussen zijn herinneringen hebben gelegd, want hij dacht er liever niet aan terug hoe zijn studietijd ten einde was gekomen. Steeds vaker in het café, steeds sporadischer in de studiezaal. Hyperventilatie die hij met borrels bestreed. Een heftige paniekaanval in de trein, en tabé Amsterdam. Hij had bijna een jaar bij zijn ouders thuis gezeten voor hij zijn leven voorzichtig had hervat.
‘I haven’t been here for a long time. Nothing seems to have changed,’ zei hij tegen de barkeeper die het trage Guinness tapte.
‘No. Aren’t you glad? I know I am. Cheers mate!’
Hij nam zijn glas mee naar zijn tafeltje en wilde juist een eerste slok nemen toen de muziek stopte en hij achter zich een gitaar hoorde die aangeslagen werd. Hij draaide zich om. Twee jongens hadden op het kleine podium plaatsgenomen. Tussen hen in stond het meisje met de tattoo. Gitaar en viool zetten een Ierse ballade in.
Haar optreden verraste hem nog voor ze een noot had gezongen. Een mondig, modern meisje, zo had hij haar geclassificeerd. Niet cynisch, zoals Beckman, maar wel luchthartig. Makkelijk in de omgang, direct, zelfbewust. Nu zag hij een ernstige vrouw, mooi op een leeftijdsloze manier. Als de arm die de microfoon vasthield niet door groene schubben werd bedekt zou hij hebben gedacht dat daar iemand anders stond dan de studente met wie hij op het terras had zitten babbelen. Haar gezicht was sereen, zonder uitdrukking. Alleen opperste concentratie was erop te lezen, geen spoor van koketterie vervormde het. Haar ogen keken strak voor zich uit. Misschien zagen ze iets anders dan het knusse café. Misschien keken ze naar binnen.
Zangers moesten contact maken met het publiek, moesten de zaal inpalmen, had hij altijd begrepen. Het zeemeerminnenmeisje deed niets van dat alles. Maar zodra ze begon te zingen zoog ze stilte naar zich toe. Haar stem was puur. Niet alleen zuiver van intonatie maar ook onschuldig van uitdrukking. Hoewel, onschuldig? Dat klonk te kinderlijk, en kinderlijk was het allerminst wat hij daar hoorde. Het leek hem eerder of elke behaagzucht ontbrak in haar zilverige alt, waarin toch zoveel warmte meetrilde. Ze leek het oeroude lied dat ze zong te diep te doorvoelen om zich om andere zaken te bekommeren. Hoe ze overkwam, wat de mensen van haar vonden, was onbelangrijk. Dat ze juist door die waarachtigheid haar publiek meer inpakte dan ze met enige vocale brille had kunnen doen scheen ze niet te beseffen. Ze stond daar en zong. Ze zong en het werd muisstil.
Met klimmende verwondering keek Fons naar het blonde kind dat, ogenschijnlijk onaangedaan, het epicentrum vormde van de werveling van schoonheid en emotie die ze opriep. She moves through the fair… Hij kende het repertoire goed maar had het nog nooit zo gehoord. Hij voelde zich geroerd, maar niet tot tranen: haar zingen tilde hem uit boven een sentimentele roes en spiegelde hem iets hogers voor, waarvoor hij geen woorden had. Geen mistige dageraad, geen eenzame kliffen, geen groene heuvels in de zilte westenwind: zijn verrukking kende ook geen beelden. Hij luisterde betoverd naar de studente met het steile blonde haar. Hij vergat te drinken. Hij vertrouwde haar volledig. Voor de duur van haar lied was hij bereid alles in haar handen te leggen. Zo lang als ze maar bleef zingen was alles goed.
Zijn telefoon zoemde. Hij zag zijn huisnummer oplichten, niet voor het eerst die avond. Hij drukte de melding weg. Hij overwoog een sms te sturen maar hij wist niet wat hij daarin zou moeten zetten. Later. Nu niet. Misschien wel nooit.
Einde
September 2014
[Voor wat voorafging klik op startpagina en scroll terug]
Abonneren op:
Posts (Atom)

.jpg)
.jpg)
.jpg)