vrijdag 23 januari 2026

OPGERAAPT


Het kastje was na weken van bibliofiele armoede aangevuld met nieuwe bandjes. Er was duidelijk een liefhebber van poëzie langsgekomen. Ik tilde bundels op van Leonard Nolens, de op Tweede Kerstdag jongstleden overleden Vlaamse dichter, en van zijn Hollandse collega-romanticus Jean Pierre Rawie. Daarna pas zag ik de verzamelde gedichten van M. Vasalis, degelijk maar onaantrekkelijk uitgegeven. Drie bundels werd me opeens te veel. Ik heb de voornaamste werken van mevrouw Droogleever-Fortuyn-Leenmans alias M. Vasalis al in de kast staan en, hoewel ik warme herinneringen heb aan De idioot in het bad en Afsluitdijk, ben ik nu ook weer niet zo gek op haar werk dat ik het volledig wil bezitten. Maar Vasalis negeren en Nolens en Rawie wél meenemen leek me ook weer vreemd. Ik besloot vandaag met lege handen naar huis te gaan en legde ook Een Hollands drama van Van Schendel, dat ik me al had toegeëigend, terug.
Tevreden over mijn schrale, bij januari passende zelfbeheersing (de boekenkasten zouden vandaag niet verder gaan uitpuilen) liep ik verder. Naast een uitspringende nis waarin zich, achter raamglas, sinds jaar en dag een kleine verzameling curiosa bevindt, met een briefje met een telefoonnummer erbij voor eventuele geïnteresseerden, stonden wat soortgelijke voorwerpen op straat: een gipsen Mariabeeld, een tabouretje, onduidelijke stukken houtsnijwerk. Een vrouw met een rollator (ik ken haar van vroeger, ze had ooit een winkeltje met antiquiteiten in mijn straat) stond ervoor stil. 'Dit mag je zomaar meenemen,' zei ze met weifelende stem. Ik knikte, mompelde mijn verbazing, liep door maar draaide me om en keek toe hoe ze het tabouretje loswrikte uit de verzameling. Toen ze zich weer in beweging had gezet ging ik terug; zonder dat ik het me bewust was geweest had ik in die luttele minuten of zelfs seconden een keus gemaakt: ik had het verdiend na mijn ascetisch negeren van de boekjes. Ik pakte het Mariabeeld op, het was een kleine vijftig centimeter hoog. Ik zag dat de Heilige, Wonderdadige Maagd onder haar blote voeten een fel gekleurde, venijnig ogende slang in bedwang hield of misschien vertrapte. Haar armen hield ze uitnodigend gespreid, geen zoetelijk kindje belemmerde haar dat. 
Boven borg ik mijn boodschappen weg en zocht naar een geschikte plaats voor het beeld. Dat was nog lastig, want alle oppervlakken in mijn huis zijn druk bezet met de vele memorabilia en siervoorwerpen die ik niet wil wegdoen. Uiteindelijk besloot ik het op het mahoniehouten Indische kastje in mijn halletje te zetten, voor de antieke spiegel van oma, tegenover de krullerige dubbele wandkandelaar, onder de krans van gedroogde rozenbottels, overgebleven van een kerstmis van jaren her. Op de witte kast van waaibomenhout waarin allerlei nuttige rommel ligt, pillen, potjes, etuis, opladers, ducttape, gereedschap, en die is afgedekt met de grand foulard die tot voor kort de slijtplekken van de inmiddels het huis uit getakelde Chesterfield bank aan het oog onttrok, was geen plaats meer, daar staan de bloemenvazen. 
Ik bedacht dat de tijd nu toch echt dichtbij komt dat ik in BinnensteBuiten geportretteerd word. Welkom in mijn duurzame bohemien-bedoening; bijna alles van wat hier staat is gekregen, tweedehands gekocht of van straat opgeraapt. 


Geen opmerkingen: