dinsdag 25 september 2018

MARIA BY CALLAS


Vrijdag in de namiddag gingen we naar Rialto aan de Ceintuurbaan om de documentaire Maria by Callas te zien. In een overweldigende stroom beelden, grotendeels zwart-wit, met als enige voice over brieffragmenten van Callas zelf, voorgelezen door collega Joyce Didonato, kregen we een indrukwekkend portret en een prachtig tijdsbeeld te zien. En te horen, natuurlijk: voor haar zangkunst werd gelukkig een flinke plaats ingeruimd; niet alleen fragmentjes, maar hele aria's.
We zouden daarna ergens gaan eten. Maar het stroomde van de regen. Een 'pop-up-restaurant' in de bovenfoyer van de bios bood uitkomst. Mijn vriendin vroeg me bij de pompoensoep wat ik ervan gevonden had, van de film, maar eigenlijk wist ze dat al, want mijn ogen waren nog rood.

Ik had me nooit zo in het fenomeen Callas verdiept, maar was blij dat die lacune in mijn opvoeding nu was ingevuld. Ik probeerde woorden te vinden om de indrukken die om voorrang streden in mijn hoofd vorm te geven. De waarheid is dat deze dame me compleet overdonderd had, zoveel jaar na haar dood. In de eerste plaats om haar kunst: een diepe, emotionele muzikaliteit, een indringende voordracht, intelligentie en cultuur, fabelachtige loopjes en boven alles authenticiteit. Alles was eigen aan haar, tot en met haar bijzondere, voor de puristen en de kritische collega's bepaald niet voorbeeldige zangtechniek. Ik kreeg sterk de indruk dat we hier te maken hadden met een triomf van de wil. Haar fysieke aanleg voor zingen was misschien niet eens zo heel groot. Maar met een geweldige energie en een nietsontziende ambitie joeg die hoge ademhaling haar apart getimbreerde stem de resonator van die kloeke en fraaie neus in, onderweg een keeltje passerend dat in staat was de fijnste nuances in intonatie te produceren - ik hoorde o zo subtiele portamenti en zelfs een glissando waarbij de afzonderlijke nootjes loepzuiver te horen waren. Ik dacht aan Jard van Nes, die naar eigen zeggen toen ze begon met zingen maar een omvang van vijf tonen had, en aan Thomas Quasthoff, die als softenonbaby ook het een en ander tegen had, maar toen hij afgewezen werd voor het conservatorium dacht: 'Dát zullen we nog weleens zien!' De wil om er te komen, en de ijzeren zelftucht om je talent maximaal te benutten, daar gaat het om. In mijn hoofd dook een titel voor een misschien ooit te schrijven studie op: Maria Callas, een pleidooi voor de discipline. Ach, en voeg daarbij die bekoorlijke, ontwapenende glimlach uit de stoute hoekjes van haar Griekse, amandelvormige ogen... ik was verkocht. Enigszins spijtig bedacht ik, dat deze dame, die voor het beestmens Onassis viel, mij wel een slapjanus zou hebben gevonden.
Pas later toen ik ging lezen over Callas ontdekte ik dat de documentaire een heel stuk had overgeslagen. In haar jonge jaren was Callas 'mollig' geweest. Naar hedendaagse normen well into obesitas, meldde een artikel in The Guardian fijntjes. Niets zag je daarvan terug in deze twee uur durende beeldenstroom, die daardoor misschien iets te veel een heiligverklaring is geworden. Pas toen ze in één jaar tijd zesendertig (36!) kilo verloor (naar boze tongen beweerden door de levensgevaarlijke lintwormkuur die in die jaren in zwang was) kon ze de absolute ster en prima donna worden waarmee haar naam lange tijd synoniem is geweest. Hoe het daarna met haar levensgeluk gesteld was kon ik uit de film niet opmaken, maar ik heb mijn twijfels.
'Ze was altijd al een geweldige zangeres en actrice, nu is ze ook nog een schoonheid,' zei collega Tito Gobbi na dat jaar, waarin ze onvoorstelbaar moet hebben afgezien: want Maria hield veel, heel veel van eten. In latere jaren verzamelde ze recepten, dikke plakboeken vol. Maar ze maakte ze nooit klaar. En op de vele diners die ze aanzat lepelde ze hoogstens wat van de soep.
Vissi d'arte, zong ze tegen het eind van de film, ik heb geleefd voor de kunst. Het was een aangrijpend moment, ook zonder die voorkennis.

De volgende dag vertelde ik mijn dochter dat we naar een film over Maria Callas waren geweest.
'Maria wie?' vroeg ze.
Zesendertig kilo kwijtraken voor de kunst is tot daaraan toe. Maar voor de onsterfelijkheid hoef je het niet te doen. Je hongert je halfdood en een generatie later ben je vergeten.



Geen opmerkingen: