Leo vertelde over Kwak, het legendarische jeugdhonk, waar ik ooit niet durfde te kijken naar mijn eerste pornofilm, toch al nauwelijks zichtbaar door de hasjwalmen, en over de pas overleden Rob van der Weert, de Osdorpse Jimi Hendrix. Plotseling dook in zijn verhaal, dat hij vertelde met een levendigheid alsof de gebeurtenissen zich gisteren hadden afgespeeld, de naam Wilfred op. Ik was niet op mijn qui vive en had niet meteen door dat het over mijn Wilfred ging.
Wilfred van Leeuwen was de bassist van de verschillende bandjes waarin ik speelde in mijn schooltijd.
De niet bestaande auteur Teresa Ficaferra beschrijft hem in Ik was verliefd op John Glascock als volgt:
‘Hij was [...] “the nearest thing to rock & roll”. Hoewel nog op school droeg hij de geur van de wereld met zich mee. Hij was brutaal, had her en der adresjes waar hij goedkoop aan kaartjes, apparatuur, drank, stuff en sigaretten kon komen, deed geheimzinnig over contacten in de onderwereld, ging een beetje gehaast door het leven alsof hij altijd ergens iets moest ritselen, en speelde bas.
Hoewel ik niet echt verliefd op hem was, heeft deze stroharige half-albino die eigenlijk lelijk was maar honing aan zijn kont had, me ontmaagd. Tijdens een repetitie van zijn band, op een matras in de hoek van de zolder. De rest van de jongens was aan het klieren en improviseerde liedjes, bluesjes met teksten als: Mister Wilfred, on the bass he’s no good.... Mister Wilfred, he can sure play his flute.
Wilfred ging in en uit, niet alleen in mij, wat ik tamelijk onverschillig onderging, maar in alles wat hij deed. Hij kwam steevast te laat op afspraken, kwam dan het liefst onder het wuiven van excuses door het raam naar binnen, bracht wat cadeautjes mee die hij terloops uitdeelde, en verdween al gauw langs dezelfde weg. Zijn contacten met de wereld waren oogverblindend, maar werden nooit meer dan handwarm. Die hele tijd dat ik met hem ging bleef hij een oningevulde figuur, die in een hoger tempo door de omliggende werkelijkheid koerste dan ik. Toen het uit was verbaasde het me hoe weinig ik eigenlijk van hem wist.’
Ik vertelde Leo dat ik Wilfred later nog wel eens had ontmoet. En dat hij na een chaotisch leven op zijn veertigste gestorven was aan een overdosis. Zo betaalde ik hem terug voor het doodsbericht van de Osdorpse Jimi Hendrix, die ik vroeger mateloos bewonderde.
Tijdens ons gesprek, met uitzicht op de winderige en zonnige Sloterplas, was er bijna onmerkbaar iets veranderd. Ik was niet meer de muzikale leider en componist van de theaterproductie, afgedaald van zijn ivoren toren in Zuid, Leo niet meer de goed bedoelende acteur op leeftijd. We waren twee oud geworden jongens van hier. Ik wilde roken maar liet mijn pijp in mijn zak. In plaats daarvan bietste ik een sjekkie van Leo.

